maandag 26 november 2012

Einde verhaal

Mijn onderzoek is in de eindfase. Voor geïnteresseerden hierbij alvast de hoofdstukken 1 tm 4.
http://www.grebbeberg.nl/forum/Geschut-H1-tm-4.pdf
Binnenkort zal hier een slothoofdstuk met enkele bijlagen en registers aan worden toegevoegd. Reacties blijven welkom op mijn nieuwe mailadres: c.j.ruissen@gmail.com.

woensdag 10 oktober 2012

Nieuw inzicht

Mijn inzichten zijn op enkele punten veranderd sinds het begin van deze weblog. Belangrijke nieuwe gezichtspunten zijn:

Op 10.5.40 stond een spoorwegbatterij ZO van Elten in stelling. Deze, EB 674, bestond uit één stuk 24,0 cm SK L/40 (Theodor). Het kwam zo goed als zeker niet in actie. Het was waarschijnlijk bedoeld om te helpen de forten Pannerden en Westervoort uit te schakelen. Andere lonende doelen waren er niet binnen de dracht. De spoorwegbatterij werd in de avond teruggetrokken en later in de Westfeldzug nog wel ingezet.

De bespannen eenheden waren achteraan gezet in de marscolonnes van 207. ID. Alleen op de marsroute naar Doesburg was één afdeling meegegeven (I./207. AR). Die werd later aan 227. ID afgestaan.
Bij Wageningen kwam uit deze groep (divisieartillerie) III./207. AR het eerst in actie. Ingezet vanaf 11.5.40 vanuit stellingen vlak achter de Diedenweg en vermoedelijk ook in de Bosrand aan de oostzijde van de Eng. Daarna werd deze afdeling (en het nog later aangekomen geschut) naar voren geplaatst om de "eigen" infanterie (eerst alleen SSDF, later ook 322. IR) optimaal te ondersteunen. Op 12.5.40 werden III./311. AR en twee batterijen van II./207. AR aangetrokken. De laatste afdeling had de vijfde batterij afgestaan aan de Gruppe Brückner in de Betuwe. III./311. AR kwam te staan op de Eng noord van de Geertjesweg, 4. en 6./207. AR vermoedelijk in de noordoostrand van Wageningen (Vork Grindweg - Diedenweg - Rijksstraatweg).

Als versterking waren bij 207. ID nog II.SS AR en twee batterijen van IV./256. AR ingedeeld. Ze kwamen bij Westervoort en Doesburg in actie. Mogelijk in de avond van 10.5.40 ook bij Oosterbeek. Een batterij van IV./256. AR kan storend vuur hebben afgegeven richting Wageningen. Mogelijk vanaf de Dunoberg bij Heveadorp. Door 2 AMC werd geschut op die positie gepeild. II./SS AR volgde in zijn geheel de route over Westervoort en Renkum. Eén batterij van IV./256. AR (10./256. AR) ging mee over Doesburg en werd daar ook ingezet. In de ochtend van 11.5.40 in Renkum aan. 12./256 AR (de derde batterij van IV./256. AR) was afgestaan aan 227. ID.
De vijf gemotoriseerde batterijen werden in en bij Renkum opgesteld. II./SS AR zuid van de straatweg, 10. en 11./256. AR noord daarvan. In de ochtend van 12.5.40 werden de batterijen naar voren geplaatst, naar het gebied van de Wageningse Berg. II./SS AR nam stellingen in vlak achter de Diedenweg aan de westrand van de Eng. 10. en 11./256. AR kwam in de tweede bosrand te staan oost van de Eng. De twee batterijen met achterliggend kampement kwamen in de middag en avond van deze dag onder vuur van een afdeling 10 Veld, I-12 RA. Die gaf met waarschijnlijk twee batterijen enkele vuurconcentraties op dit gebied af. Opgegeven coördinaten waren daarbij 176,12 - 443,05. Door de grote lengtespreiding kwam dit vuur in de buurt van 10./256. AR en de achterliggende tenten van vooral ook 11./256. AR terecht.

De stellingen waren rond de middag van 12.5.40 ongeveer als volgt:
Ondergrond: WUR Speciale Collecties.Luchtfoto nr 1838.

Al (pas) in de middag van 11.5.40 werd geconstateerd dat er behoefte was aan meer vuurkracht. Vooral van zwaar geschut. Daarvoor werden twee batterijen van s Art Abt 735 aangetrokken van het buurkorps dat in Limburg en Noord Brabant opereerde, XXVI. AK. Volgens officiële bronnen zou s Art Abt 735 uit drie batterijen 21,0 cm Mörser 18 bestaan hebben. De derde kwam waarschijnlijk verlaat beschikbaar. Niet op tijd om nog in het eerste deel van de Westfeldzug te worden ingezet.
Door logistieke problemen bij verplaatsing uit Noord Brabant over Rijn en IJssel kwamen de twee batterijen pas in de late middag/avond van 12.5.40 in het gebied bij Wageningen aan. Waarschijnlijk over de route Calcar - Emmerich - Westervoort - Renkum. Bij Westervoort was nog geen brug met voldoende draagvermogen gereed. Een 16-t brug daar was wel gepland, maar aanvoer van het brugmateriaal vanuit Wesel werd de eerste dagen opgehouden omdat Fort Pannerden nog niet stevig in Duitse handen was. Dit fort blokkeerde de aanvoerroute van het brugmateriaal over water. De Mörser werden daarom bij Westervoort moeizaam overgezet met een geïmproviseerd veer (met Pram d.w.z. Rijnaak).
De Mörser werden in stelling gebracht in het bosgebied van de Wageningse Berg. Zuid van Bennekom. Stellingen bij Nol in 't Bosch en Kortenburg. In de ochtend van 13.5.40 werd door Nederlandse vliegtuigen een bomaanval uitgevoerd op de stellingen in de Bosrand. Vlakbij de stelling van een Mörserbatterij aan de Geertjesweg, vlakbij de Zwarteweg, werd kortgeleden één van deze bommen (niet ontploft) onschadelijk gemaakt.

Op 13.5.40 kwam de Duitse artillerie voor het eerst west van Wageningen. In de avond van deze dag waren de posities (volgens een Lagenkarte van X. AK) als volgt:













Bron: BA-MA. Signatur RH 24-10/48K.

Het kaartje laat zien dat na de doorbraak bij Rhenen de achtervolging op het Nederlandse leger was ingezet. Vermoedelijk een dag of twee later werd een verkeersregelaar op een foto gezet in de noordoostrand van Ede. Vooraan een Rohrwagen van de Mörser. De colonne is dan met een nieuwe opdracht op weg naar België. Link naar deze foto: http://www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=10303

vrijdag 25 mei 2012

Publicatie

Op www.grebbeberg.nl komt een publicatie beschikbaar die mijn inzichten over opmars en inzet van de Duitse artillerie bij Wageningen weergeeft. Die wordt als onderhanden werk geplaatst in enkele afleveringen. Op het ogenblik is die gevorderd tot het vierde hoofdstuk. Een evaluatie van de aan Nederlandse zijde gevoerde tegenacties. Vragen en commentaar daar zijn welkom.

Link naar deze site:
http://www.grebbeberg.nl/forum.php?page=forum_discussiegroep&item=18985&group=6&view=3

Zodra de gehele publicatie gereed is, zal dat hier (op deze blog en onder dit kopje) nog gemeld worden.

dinsdag 24 april 2012

Duitse vuurkracht


De Duitse artillerie bij Wageningen was niet zo superieur als door vroegere auteurs werd aangenomen. Het ingedeeld geschut had (zoals het gebruikt werd) onvoldoende vuurkracht en precisie. Dat  bleek daardoor niet in staat de mitrailleurposities die de volledige ontplooiing van drie SS-bataljons bij de Grebbeberg tot de avond van 12.5.40 op zijn minst zwaar hinderden, uit te schakelen.
Deze nogal tegendraadse opvatting vraagt steviger onderbouwing. De argumenten zijn voor een groot deel al wel gegeven, maar staan verspreid door de tekst en zijn mogelijk zo niet helder genoeg. Daarom dit slothoofdstuk. Hoofdpunten waren:

* Bij 207. ID waren vijf 15 cm-batterijen ingedeeld. Alleen die waren in principe in staat om kazematten definitief uit te schakelen (door vernielen, inplaats van door het leggen van een rookscherm of onderdrukkend vuur, gevolgd door bestorming). Daarvoor waren dan wel pantser- of betongranaten nodig. Voorzover bekend, werd die speciale munitie in deze gevechtssector niet gebruikt.
* Vooral in en bij het Hoornwerk stonden kazematten waarbij dat goed mogelijk zou zijn geweest. Dat waren de P- en S-kazematten. P.10, P.11, S.4a, S.12, S.13, S.14, S.15. Enkele van deze opstellingen (P.11 en S.13) liepen wel trefferschade op, maar die was tamelijk oppervlakkig. Ze waren zeker niet vernield.
* Op de voorrand van de Grebbeberg en aan de Grift stonden acht G-kazematten (G.5 tm 7, G.19 tm 22, G.24). Die waren moeilijk te treffen, en (door de boldoorvoering van de mitrailleur en het gepantserd waarnemingsglas) niet door scherven van brisantgranaten uit te schakelen. Ze liepen volgens een uiterst beknopte inventarisatie (v.V., "De Slag aan den Grebbeberg", MS 1940, pag.  157- 160) verder maar lichte trefferschade op, overwegend van mitrailleurs. Mogelijk ook van pantserbuksen, mortieren, en pantserafweerkanonnen. *]
* Bijna al het geschut stond in de beginfase van de strijd (tot de middag van 12.5.40) tever weg om de aangegeven objecten te kunnen vernielen. De twee batterijen van IV./256. AR werden waarschijnlijk daarom verder naar voren gehaald (van Renkum naar de Bosrand, later verder west naar Bornse Steeg).
II./SS AR ging toen ook naar de Wageningse Berg (van Renkum naar de Sahara).
* Als versterking werd s Art.Abt.735 (twee batterijen 21 cm Mörser 18) aangetrokken. Het verzoek daarvoor werd in de avond van 11.5.40 ingediend bij de divisie. Aanleiding vormde de gevechtservaring van die dag in het gebied van de Voorposten. Dit deel van de Grebbelinie was veel sterker gebleken dan tevoren was aangenomen op grond van de uitgevoerde verkenningen en ontvangen inlichtingen. De afdeling Mörser kwam (door logistieke problemen ?) pas in de vroege ochtend van 13.5.40 beschikbaar en heeft bij de bestorming van het Hoornwerk dus geen rol kunnen spelen.
* Het 3,7 cm Pak heeft wel treffers geboekt. Maar dat stond blijkbaar ook tever weg om ernstige schade te kunnen veroorzaken.
* Hier was bijna zeker geen 8,8 cm Flak voorhanden. Het ene stuk van Flakgruppe Niederstrasser bleef waarschijnlijk bij Arnhem. Dat was ook maar tot IJsselovergang bij 207. ID ingedeeld. Het laatste werd aangegeven in punt 12a van het "Divisionsbefehl Holl. Nr. 2" (NIMH Coll 401, Inv Nr 1572).

Over de bij Wageningen verbruikte munitie is nog wel wat te zeggen. Ook over de vuurkracht van het ingezette 15 cm-geschut. Daarvoor zijn trefkans en trefkracht van belang.
Welke hoeveelheden van welk soort munitie bij 207. ID precies verbruikt werden, is (nog) niet bekend. In het oorlogsdagboek X. AK/Ib is wel vastgelegd, dat op 12.5 nog 60 ton munitie voor s FH 18 en le FH 16 naar de aanvullingsplaats Wolfheze moest worden aangevoerd. Ook, dat door het vastlopen van de aanval 250 ton munitie was verschoten tot 13.5. Er was toen van de normale hoeveelheid munitie van het Korps ("Korpsausstattung") bij X. AK beschikbaar: 0,33 x het rantsoen voor le FH 16, 1,50 x voor le FH 18, 0,75 x voor s FH 18, en 1,00 x voor 21 cm Mörser.
Over de beschikbare munitie naar soort zijn alleen gegevens van SS "AH" en 227. ID bekend. Die geven aan, dat nevel- en pantsergranaten bij de veldartillerie maar een klein deel van de uitrusting vormden. Bij het 3,7 cm Pak was de situatie andersom. Dat verschoot bij 227. ID 3,0 ton pantsergranaten (10% van de voorraad) en 4,5 ton brisantgranaten (100% van de voorraad).
Betongranaten zijn niet speciaal genoemd. Ze zaten waarschijnlijk wel in de standaard munitieuitrusting van de Mörser.

Het Duitse geschut bleef eerst nog zo veel mogelijk in veilig gebied. Dat was in strijd met de artilleristische grondregel "uitwerking gaat boven dekking". Volgens kaartmeting waren de afstanden van de stellingen op 12.5.40 naar de doelgebieden in de HWL ongeveer:


De trefkans hangt vooral af van het soort geschut, soort projectiel, afstand tot het doel, en de grootte daarvan. Projectielen uit krombaangeschut hebben in het algemeen een grotere spreiding dan die uit vlakbaangeschut. De spreiding rond het doel neemt af met de snelheid en het gewicht van het projectiel, maar toe met de afstand tot het doel. Grotere spreiding geeft minder trefkans. Een groter doel biedt uiteraard meer trefkans dan een kleiner.
Het doorslagvermogen van een projectiel hangt van veel factoren af. Onder meer van soort, afstelling, trefvlak, gewicht, en trefsnelheid.
Een brisantgranaat van gietijzer, en zelfs van staal, heeft weinig effect tegen een hard oppervlak. De granaat zal bij lage trefsnelheid afstuiten, bij hoge trefsnelheid in elkaar worden gedrukt. Scherven kunnen nog wel grote schade veroorzaken aan zachte doelen in de omgeving (zoals kabels, bewapening, en bemanning). Scherfwerking van een 15 cm-projectiel kan tot 400 m  nog dodelijk zijn.
Een pantsergranaat is speciaal ontworpen om in harde doelen door te dringen. De granaat is daarvoor extreem spits van vorm en versterkt met een kern van hard metaal, zoals wolfram. De ontsteker moet met kleine vertraging worden afgesteld. Het projectiel detoneert dan kort na de inslag, en zal al in het doel zijn doorgedrongen. Dat vergroot de aangerichte schade.
Bij de Mörser moest, om harde dekkingen door te slaan, gevuurd worden in vlakke baan. Daarbij de speciale betongranaat (gewicht 129 kg) gebruikt, en de ontsteker afgesteld op kleine vertraging. Geschikte afstanden waren volgens de schootstafel 3.000 - 7.000 m, met lading 4 of 5. Dan was de snelheid bij het doel hoog genoeg en de spreiding nog aanvaardbaar. De zwaarste lading (lading 6) gaf op nog grotere afstanden te grote spreidingen. De volgende tabel geeft wat cijfers uit de schootstafel van de 21 cm Mörser 18.







Voor het doorslagvermogen op pantseringen bestaat de volgende benaderende formule (W.E. Stoorvogel, "Doorslagvermogen", MS 1932, pag. 319):

V    = (K (2R)**0,75)/p**0,5)S**0,7
Hierin zijn:
V    = Trefsnelheid in m/sec
K    = Constante, weerstandsfactor van het soort plaatmateriaal
2 R = Kaliber in dm
p     = Projectielgewicht in kg
S     = Plaatdikte in dm
 **  = Exponent ("tot de macht ..")

Berekend met de bovenstaande gegevens zou het doorslagvermogen op 6.000 m van de Mörser, met betongranaat en lading 5, ongeveer 10 cm nikkelstaal zijn geweest. De constante daarvoor was 2.050.

Aannemelijk is hiermee, dat het Duitse geschut bij Wageningen op te grote afstanden heeft gestaan om de G-kazematten aan de Grift met redelijke kans te kunnen treffen, laat staan te vernielen. Hiervoor werd op 12.5.40 namelijk veel minder krachtig geschut ingezet. De 10,5 cm le FH 16 en de 15,0 cm s FH (lg) 13. De projectielgewichten daarvan waren 14,8 kg resp. 43,5 kg. De trefsnelheden van projectielen uit dit geschut zullen op een afstand van 5.000 m nog maar tussen de 200 en 250 m/sec hebben gelegen. Veel lager dan van de Mörser. De kalibers waren 50% resp. 71% van het kaliber van de Mörser.

*] In het "Denkschrift"(Bild 47, pag. 77) staat een foto van een [S-?] "kazemat bij Rhenen, die door 8,8 cm Flak volledig vernield" zou zijn. Vermoedelijk is dat onderschrift niet juist en betrof het een kazemat aan de Maas.
De gerapporteerde trefferschade aan de opstellingen in de HWL bij de Grebbeberg werd eerder in tabel gezet. Link: http://geschutopdewageningseberg.blogspot.com/2011/12/vernielingsvuur.html
Een belangrijke referentie voor de aangeduide opstellingen in de HWL is Schets/Kaart C.4 uit de Groene Serie. Link: http://geschutopdewageningseberg.blogspot.com/2011/12/de-kracht-van-de-hws.html

zondag 22 april 2012

Logistiek


Logistiek is een verwaarloosd onderwerp in de krijgshistorische studies over de Duitse opmars in mei 1940.
Daardoor was er geen duidelijke verklaring, waarom Mörser Abt 735 (dan nog met twee batterijen) zo lang onderweg was naar 207. ID. De steun van deze afdeling werd aangevraagd in de late middag van 11.5.40, naar aanleiding van de moeizame vorderingen in het Voorpostengebied. De Duitse troepen hadden zeer te lijden van het frontaal en flankerend mitrailleurvuur. Dat kwam uit opstellingen in de linie Ochten - De Spees in de Betuwe, op de voorrand van de Grebbeberg, en aan de westoever van de Grift. Er was zwaarder geschut nodig om die posities uit te schakelen.
Het 3,7 cm Pak kon niet dichtbij genoeg komen, 8,8 cm Flak was hier niet voorhanden [Flakgruppe Niederstrasser beschikte over één stuk, dat waarschijnlijk achterbleef om de rivierovergangen bij Arnhem (Westervoort) te beschermen]. De volgende dag moest geroeid worden met de riemen die er waren. Daarom werd III./311. AR aangetrokken naar de Eng en II./207. AR naar Heelsum. Volgens het vuurplan van 12.5 moest III./311 samen met III./207. AR de posities aan de Grift bestoken, II./SS AR en 10./ en 11./256. AR het Hoornwerk en de posities zuid daarvan.

Het aantrekken van s Art.Abt.735 was een logistieke nachtmerrie. Die begon in het gebied van XXVI.AK, in het noordvak waarin 18. Armee in opmars was. Het volgend kaartje schetst het verloop van de eerste oorlogsdag daar [Nierstrasz, "De Strijd", Deel III/2B, Schets/Kaart Nr 1].


Toen bij het Armeeoberkommando doordrong dat de spoorbrug bij Gennep onbeschadigd in Duitse handen gekomen was, kregen twee eenheden zware artillerie bevel zich te voegen bij 256. ID: 6.40 uur - Mörser Abt 735 en s IG Kp. 701 aantrekken naar Üdemer Bruch [een plaats tussen Xanten en Goch, oost van Gennep], zodat deze bij 256. ID ingezet zouden kunnen worden bij het gevecht om de Peel-Raamstelling. Doel: Zo snel mogelijk sterke krachten naar voren brengen over de brug bij Gennep. De Mörser afdeling stond onder rechtstreeks bevel bij de leiding van XXVI. AK.
Om 13.10 is de afdeling bij Kessel [tussen Gennep en Goch] en ingedeeld bij 256. ID. Rond 15.00 uur gaf de commanderend generaal van het 18e Leger (18. AOK) bevel om s Art Abt 735 af te geven naar Calcar. Met als beperking: "Alleen, als nog oost van de Maas. Geen achterwaartse beweging bij de Maasbrug". De gemotoriseerde "spitsen" [ze volgden achter de infanterie] van het legerkorps, een pantserdivisie (9. PD) en een SS-divisie (de SS-Verfügungs Division), moesten zo snel mogelijk op kunnen rukken naar de Moerdijk en Antwerpen. Om 16.45 gingen de laatste delen van 9. PD over bij Mook. De SS-VD had Volkel bereikt. Waar s Art Abt 735 op dat moment was, is niet achterhaald.

Zoals bekend, vroeg Kdr SS "DF", Standarteführer Keppler, versterking van de artillerie. Vooral om meer zware artillerie, omdat het niet gelukt was de vijandelijke mitrailleurposities die het Voorpostengebied hinderlijk bestreken (zie boven) uit te schakelen. Volgens Weidinger ["Kameraden bis zum Ende" (2007). Pag. 30] zegde 207. ID voor 12.5 drie lichte en twee zware afdelingen artillerie [voor directe steun] toe.
De divisie had III./311. AR al ingepland (die verkende vanuit Oosterbeek stellingen voor actie op 12.5). II./207. AR zou worden gereedgesteld in Heelsum (maar 5./207. AR toen overgebracht naar de afdeling Brückner in de Betuwe). Verdere steun moest van elders komen. X. AK had ook weinig zware artillerie mee gekregen, dus werd gevraagd of het buurkorps hierin kon voorzien. Omdat de gemotoriseerde spitsen van XXVI. AK al over de Maas waren, was s Art Abt 735 vrij te maken. Die werd blijkbaar toegezegd [mijn reconstructie].
Volgens Armeebefehl X. AK 11.5.40 19.45 Uhr zou s Art Abt 735 afgestaan worden aan dit legerkorps, en naar Calcar aangetrokken worden. In handschrift werd bijgeschreven bij de dagboeknotitie: "Kdr [Arko 22, Generalmajor Walter Büchs] in Calcar unter [telefoonnummer] Cleve 481 zu erreichen. Batterien treffen Nacht 11./12.5 dort ein". Verder nog: "Unterstellung unter Pi. Führer Birkenbihl [3./Pi. 651] bis Überschreiten *] der Behelfs *] brücke in Arnheim. Ab dann unter 207. ID. Uit een melding van Arko 22 op 12.5 13.00 uur blijkt, dat Major [?] Büchs zich op dat tijdstip uit Emmerich meldde. De Mörser bevonden zich toen in Calcar, nog tussen Maas en Rijn.
Twee volgende berichten zijn te vinden in de dag- en avondmelding over 12.5.40 van X. AK [RH 24-10/44]:
"Der 207. Div. werden zur Fortsetzung [!] des Angriffs am 13.5 Art.Kdr.22, B.Abt.30 und Mörser Abt.735 unterstellt und bis zum Abend zugeführt."
"Arko 22 mit B.Abt.30 und Mörser-Abt. 735 207. Div. unterstellt. Zuführung über Arnheim. Mess- und Feuerbereitschaft voraussichtlich 13.5 früh."
Uit het dagrapport van Arko 22 over 13.5 blijkt, dat de Mörser bij het aanbreken van de dag tot vuren gereed in stelling stonden [in het bedekte gebied tussen Wageningen en Renkum].

Waarom duurde de verplaatsing van Calcar naar Wageningen zo lang ?
Hiervoor moeten in de eerste plaats de overzetmogelijkheden over Rijn en IJssel in kaart worden gebracht. Volgens de beschikbare gegevens uit KTB's en bijlagen was er op 10.5.40 een 16-tons brug geslagen bij Rees, bij Arnhem een 8-tons brug. Verder waren er veren beschikbaar bij Emmerich en Arnhem. Bij Emmerich met pontonmateriaal (draagvermogen 4 - 16 ton), bij Arnhem werd een veerdienst onderhouden met een schuit (Pram) en motorboten. Een route Calcar - Rees (of Emmerich) - Arnhem - Wageningen ligt voor de hand. Maar daarbij waren er twee logistieke knelpunten. (1) Nog altijd zal het verkeer naar het westen op de hoofdopmarswegen voorrang hebben gehad. (2) Het zware materiaal van de Mörser kon bij Arnhem alleen met het veer worden overgezet. Dat zal zeker een uur of zes hebben gekost. Manschappen, voorraden, trekkers, geschut moesten afzonderlijk worden overgebracht. De Mörser in twee delen, met handkracht. Want dit geschut woog 22,7 ton en moest bij het transport worden verdeeld in affuit en vuurbuis. Elk deel op een aanhanger, lasten van elk rond 12 ton. Een 12-tons trekker (SdKfz 8) woog volbeladen en met getrokken last minstens 15 ton. Een deel van de colonne kon in theorie gebruik maken van de pontonbrug met een draagvermogen van 8-ton bij Arnhem. In theorie, want er was nog een complicatie. Enkele delen van deze brug zouden in de avond van 12.5 worden uitgevaren, om aanvoer van materiaal voor een 16-tons brug mogelijk te maken. Dat materiaal (voor een overspanning van ongeveer 120 m) lag in Wesel gereed op Rijnaken. Om aanvoer mogelijk te maken, moest Fort Pannerden eerst vast in Duitse handen zijn.
In de avond van 12.5 kwam bij de logistiek stafofficier (X. AK/Ib) telefonisch het bericht binnen, dat van ongeveer 17.00 tot 21.20 uur de pontonbrug niet gebruikt kon worden. Al het verkeer over de IJssel moest worden stilgelegd om aanvoer van het materiaal voor de nieuwe brug mogelijk te maken. Maar dat schema liep minstens drie uur vertraging op. De 8-tons pontonbrug kon pas om 20.20 uur worden afgebroken. Voor de bouw van de 16-tons brug was daarna nog meer dan een dag nodig. Tenminste, volgens twee notities in het dagboek van de stafofficier operaties (X. AK/Ia). Die geven aan, dat de nieuwe brug in de avond c.q. middag van 14.5 gereed zou zijn. Uit de morgenmelding 13.5.40 van 207. ID blijkt, dat de 8-tons brug en het veer sinds ongeveer 0.00 uur van die dag weer open waren voor rivieroverschrijdend verkeer.

Conclusie is dan, dat s Art Abt 735 over de Rijn kwam bij Rees (16-tons brug) of Emmerich (veer), en bij Arnhem voor een groot deel met het veer overgezet zal zijn. De logistiek maakt duidelijk, dat dit geschut niet eerder dan de ochtend van 13.5 bij Wageningen in actie kan zijn gekomen.

*] Het handschrift is hier door gepriegeld oud Duits schrift slecht leesbaar, tekst op deze punten niet zeker

vrijdag 20 april 2012

IJle linies ?


Onbeantwoord bleef nog de vraag, hoe sterk de verdediging aan de Grift eigenlijk was. Krijgshistorische werken noemen de linies (die in mei 1940 nog gedeeltelijk onvoltooid waren)  zonder uitzondering "ijl" en "zonder diepte". Toch werden aan de IJssel en Maas Duitse overtochtpogingen keer op keer afgewezen. Aan de Grift slaagde een stormaanval wel meteen (maar na grondige voorbereiding, geleerd door ervaring ?).
Foto's en beschrijvingen in "De Strijd", deel III/2B tm 2E (1953), maken duidelijk, dat de militairen zich in die "zwakke" linies over het geheel genomen krachtig verdedigden. De gevechtsposities daar kwamen wel plaatselijk onder zwaar vijandelijk vuur. Heel wat kazematten kregen één of meerdere treffers in het schietgat. Pantserkoepels werden doorboord. Zelfs rivierkazematten konden door vijandelijk vuur worden uitgeschakeld. Een enkele B- of  S-kazemat (nadere uitleg volgt) werd zelfs gewoon in puin geschoten.
Aan de Grift werden veel minder zware vernielingen vastgelegd ("De Slag aan den Grebbeberg", Militaire Spectator 1940/1941, pag. 157 - 160). Klopt dat wel, en hoe is dat verschil dan te verklaren ?

Eerst wat nadere gegevens. De bevelvoerend generaal van Heeresgruppe B, Generaloberst Fedor von Bock, gaf de chefs van 207. ID het advies, om de artillerie ver vooraan te zetten. Kazematten te bestrijden met puntvuur van een daarvoor naar voren gebracht stuk. Dat recept was waarschijnlijk niet voor de veldartillerie bedoeld. Die was voor directe beschietingen niet zuiver genoeg, en bleef bij Wageningen ook nog lang in veilig gebied. Minstens 7 - 8 km van de doelen. Waarschijnlijk had Von Bock de 3,7 cm Pak typen 18 en 36 en het 8,8 cm Flak typen 18, 36, en 37 op het oog.
Beide wapens waren vlakbaangeschut. Met een zeer zuiver schot en genoeg doorslagvermogen op betonnen versterkingen. Het Pak presteerde daarbij duidelijk minder. Dat wapen had alleen uitwerking op de zwakke punten van een kazemat. Het schoot duidelijk tekort bij bestrijding van zwaar gepantserde tanks. Het werd daarom wel "Heeresanklopfgerät" genoemd (Lüdeke, "Deutsche Artillerie-Geschütze". Pag. 48). Authentieke Duitse documenten (bekend bij II./SS AR en vermoedelijk bij alle artilleristen van het Duitse leger) gaven hierover als karakteristiek (NIMH Coll 410, Praagse Collectie. Inv Nr 75-004, 75-093, 75-096):

* De le FH kon met pantsergranaat en 5. of  6. Ladung tot 600 m van het doel maar 60 mm doordringen in een wand van gewapend beton

* Om een kazemat van gewapend beton te doorboren, waren met het 3,7 cm Pak voor een wand van 1,75 m dik gemiddeld 70 schoten nodig op afstand tot 100 m en op afstand tot 200 m gemiddeld 100 schoten

* Het 3,7 cm Pak kon tot 100 m van het doel een pantserkoepel van 4 cm dik [nikkelstaal ?] doorslaan *]
* Het 8,8 cm Flak kon tot 800 m van het doel een wand van 2 m dik gewapend beton doorslaan

 De Nederlandse kazematten waren van gewapend beton (Type B = beton, flankerend; Type S = stekelvarken, frontaal; Type G = gietstalen koepel gevat in gewapend beton). Ze moesten tenminste langdurige beschietingen van geschut kaliber 12 cm en enkele treffers kaliber 15 cm kunnen verdragen, d.w.z. de sterktenorm was W 12 - 15. De meest voorkomende typen waren G en S. Hiervan de volgende tekeningen.
Uit een eigen telling blijkt, dat aan de Maas minstens 29 kazematten van B- (7 x), S- (15 x), of G- (7 x) type werden beschadigd door vijandelijk vuur. Voor zover in de Groene Serie aangegeven werd welk wapen daarvoor verantwoordelijk was, waren dit meestal de 8,8 cm Flak (8 x) en het 3,7 cm Pak (8 x). Enkele keren werd mitrailleur- of artillerievuur genoemd (2 x). Het meest kwetsbaar bleken de S-kazematten, door treffers in het schietgat, schietgatraam, of schietgatblind (10 x). Dat de S-kazematten daar zeer kwetsbaar waren voor genoemde typen vlakbaangeschut, gaven ook H.R Visser en J.S. van Wieringen aan in hun "Kazematten in het Interbellum" (2002). Pag. 113.
Volgens dat gezaghebbend boek (Pag. 112, 113) voldeed de S-kazemat (stekelvarken) niet helemaal aan de W 12-15 norm. Hiervoor had de voorwand 100 cm, de achterwand 75 cm en het dak 80 cm dik gewapend beton moeten zijn. Die dikten waren bij het stekelvarken duidelijk minder, resp. 80, 60 en 80 cm. De G-kazematten waren gevat in gewapend beton en hadden een koepel van 10 cm dik nikkelstaal.
De opstellingen aan de Grift waren verdeeld over een lengte van ongeveer 3 km, van Grebbesluis tot Kruiponder. In het Hoornwerk waren 3 S-kazematten gebouwd (S12 tm S14), langs de Grift 5 G-kazematten (G19 tm G23) beide typen voor het afgeven van frontaal vuur.
De linies waren verdicht met veldversterkingen, gebouwd in hout en gedekt met grond (waar mogelijk 2 - 3 m zand). Een schets van zo'n veldversterking is te zien op http://geschutopdewageningseberg.blogspot.com/2011/12/het-dagboek-van-mijn-oom-2.html. Een foto van dezelfde stelling op http://www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=2932  Zelfs deze stellingen waren minstens scherfvrij. Alleen herhaalde voltreffers zouden de versterking kunnen vernielen. De 10,5 cm houwitser maakte in zand een krater van ongeveer 2 m diep, een 15,0 cm houwitser een krater van ongeveer 3 m diep.

Nu een mogelijk antwoord op de vraag, waarom er zulke grote verschillen tussen de (gefotografeerde) schade aan de kazematten aan IJssel, Maas, en Grift waren.
Een eerste verklaring vormt het wel of niet voorhanden zijn van 8,8 cm Flak. Voor zover bekend, was dit wapen alleen aan de Maas in ruime mate voorhanden, met ongeveer 6 stukken per infanteriedivisie **]. 207. ID had (bij Flakgruppe Niederstrasser, kern een Kp. 2,0 cm MG van II./Flak Rgt.241) slechts één stuk 8,8 cm. Dat bleef waarschijnlijk voor luchtdekking van de rivierovergangen bij Westervoort achter.
Een tweede verklaring vormt het rivierprofiel. De Maas is vrij uniek, omdat dijken voor een deel ontbreken. De rivier is dan ingesneden in het land. De IJssel had hoge winterdijken aan beide zijden. De Grift had maar één kade, aan de westzijde. Hoog opgezet, zodat de versterkingen maar een klein trefvlak boden. Volgens Duitse verkenningen (NIMH Coll 400, Washington Papers. Inv Nr 1.1082) was de gemiddelde breedte van:

Maas 110 - 150 m
IJssel   75 - 165 m

De Grift was maar ongeveer 6 m breed, gemiddeld 2 m diep ("Denkschrift", pag. 126).
Belangrijk punt is, dat het vlakbaangeschut vooral aan de Maas, en blijkbaar in mindere mate aan de IJssel (door de hoge dijken en het bredere winterbed ?), tot aan de kritische afstand - van maximaal 500 m voor het Pak en mogelijk het dubbele voor de Flak - op beoogde doorbraakpunten gedekt aan te voeren en op te stellen was.
Een luchtfoto van het voorpostengebied (WUR, Speciale Collecties, Luchtfoto's 1939-40. Nr 1717) en een kaartje van Nierstrasz ("De Strijd", Deel III/3, Schets/Kaart C4) maken duidelijk, dat dit aan de Grift bijna nergens kon. Gedekte nadering tot korte afstand met vlakbaangeschut was eigenlijk alleen bij het Hoornwerk mogelijk.


*] Volgens een bekend handboek zelfs meer. Met de standaard pantsergranaat op 100 m bij loodrechte inslag 50 mm. Op 500 m idem nog altijd 36 mm. (V.I. Hogg, "German Artillery of World War Two" (2002). Pag. 189).

**] In de Kriegsgliederung van XXVI. AK (Stand 1.5.40) werd aangegeven dat dit Korps beschikte over de afdeling Flak-artillerie I./49 (3 Kp. van elk 4 st 8,8 cm Flak en 2 Kp. van elk 12 st  2,0 cm MG). Op een bijlage "Kräfteverteilung und Unterstellungen" bij Gen.Kdo.XXVI. AK van 15.2.40, was bij 254. en 256. ID vermeld: "Auf Zusammenarbeit angewiesen mit I./Flak 49". In het overzicht van deze eenheid op Lexikon der Wehrmacht staat ook, dat deze eenheid 10 kazematten aan de Maas vernielde: http://www.lexikon-der-wehrmacht.de/Gliederungen/ArtillerieLW.htm

woensdag 18 april 2012

Geschut bij 207. ID


Bij de capitulatie in mei 1940 had men sterk de overtuiging, dat de verdediging bij de Grebbeberg overlopen was door een horde fanatieke SS'ers, geheel gemotoriseerd en superieur bewapend. Tegen die overmacht aan moderne middelen kon ons kleine leger, weinig geoefend en met verouderde bewapening, niet op. Dat is ook het beeld dat Generaal Winkelman in zijn proclamatie aan het Nederlandse volk neerzette.
Die eerste indruk was nog teveel in zwart-wit. Het modern en gemotoriseerd geschut van II./SS AR, 10. en 11./256. AR ging mee met de spitsen over Westervoort en Doesburg. Toch werden ook twee bespannen afdelingen vooraan meegegeven: I./207. AR bij de groep Von Oesterreich (kern II./SS "DF") over Doesburg, III./207. AR bij de groep Neidholdt (kern 322. IR) over Didam. De rest van de divisieartillerie bleef ver in de achterhoede bij de groep Metger (kern Rest 207. AR).
Met de kennis van nu is het beeld genuanceerder. Het Duitse leger moest ook bespannen eenheden inzetten. Er was een verkenningseskadron wielrijders. Een groot deel van de troep marcheerde te voet. Wat 207. ID betreft, dat was een divisie uit de derde golf. Oorspronkelijk een Landwehrdivision. Veel minder modern en nauwelijks gemotoriseerd. De eigen artillerie van de divisie was nog bijna geheel bespannen, werd maar geleidelijk ontplooid, en zelfs op het hoogtepunt van de strijd bij Wageningen niet eens volledig benut.
Nierstrasz wist in het begin nog niet precies, welke artillerie bij Wageningen werd ingezet. In de oudere delen van zijn werk staat daarom informatie die niet helemaal juist was. In latere delen werden zijn opvattingen nog wat bijgesteld. Over het optreden van het Duitse leger geeft deel III/1, "Inleiding en Algemeen Overzicht" (1957) nog niet overal de juiste informatie. Het standaardwerk over de strijd bij de Grebbeberg, deel III/3 "De operatiën van het Veldleger" (1955) zeker niet. Belangrijke "nieuwe" collecties (de Washington Papers en het Praags Archief) waren toen toch al naast de "oude" (Kriegstagebücher en Gevechtsverslagen mei 1940) in het archief van het NIMH opgenomen. De Washington Papers kwamen in 1952/53 beschikbaar. Niet al dit materiaal kon meer worden bestudeerd en verwerkt in de Groene Serie.
Tegen deze achtergrond is het van belang, nog eens goed op een rij te zetten, wat (met de kennis van nu) over het bij 207. ID ingedeeld geschut kan worden gezegd. Speciaal over wat daarvan bij Wageningen werd ingezet en in welke gebieden dat in stelling kwam. Hierover zijn stukjes nieuwe informatie opgespoord. Daarmee kan de volgende reconstructie worden gemaakt.

EB 674. Eén stuk spoorweggeschut, 24 cm SK L/40, type "Theodor". Heeft waarschijnlijk niet gevuurd. Wel in de vroege ochtend van 10.5.40 in een voorbereide stelling gebracht bij Elten. In de avond van 10.5.40 afgevoerd.
s Art.Abt. 735. Twee batterijen *] van elk drie stukken, 21 cm Mörser 18. Tm 12.5.40 bij XXVI. AK. Aangetrokken vanuit Kessel (oost van de ongeschonden in Duitse handen gekomen brug over de Maas bij Gennep) over Kalkar, [Rees ?], Emmerich, Westervoort. Door logistieke problemen waarschijnlijk pas in de avond van 12.5.40 aangekomen bij Wageningen. Op 13.5.40 ingezet voor 207. ID en 227. ID. Stellingen in het beboste gebied van de heuvelrug oost van Wageningen.
10. en 11./256. AR. Twee batterijen van elk vier stukken, 15,0 cm s FH 18 (mot). Ingezet in de spitsen over Westervoort en Doesburg. In de ochtend van 11.5.40 in de bebouwde kom van Renkum in stelling gebracht. Stellingen noord van de Rijksstraatweg. Van daar uit eerst benut voor het afgeven van storende vuren en artilleriebestrijding. Vanaf de middag van 11.5.40 ook voor directe steun aan SS "DF". Waarschijnlijk rond de middag van 12.5.40 verplaatst naar het gebied tussen Diedenweg en inundatie. Eén batterij naar Bornse Steeg. Daar onder vuur gekomen van I-15 RA. Bij de achtervolging op 14.5.40 tenminste één batterij ingezet. Onder mitrailleurvuur gekomen bij de spoorbrug over de Lek bij Culemborg (oost van Fort Honswijk).
II./SS AR. Drie batterijen van elk vier stukken, 10,5 cm le FH 18 (mot). Ingezet in de spits, waarschijnlijk alleen bij de hoofdmacht over Westervoort. In de ochtend van 11.5.40 in Renkum in stelling gebracht. Stellingen zuid van de Rijksstraatweg. Taak: directe steun aan SS "DF". Waarschijnlijk rond de middag van 12.5.40 verplaatst naar de Wageningse Berg bij de wijk Sahara. Daar gebleven tm 13.5.40. Mogelijk nog ingezet bij de achtervolging, maar daarbij voorzover bekend niet meer in gevecht geweest.
I./207. AR. Drie batterijen van elk vier stukken, 10,5 cm le FH 16 (besp). Samen met 10./AR 256 toegevoegd aan de groep Von Oesterreich, met opmarsroute over Doesburg. Mogelijk daar ook onder Nederlands vuur gekomen. Eén Kanonier als gesneuveld gerapporteerd met plaats Doesburg, na verwondingen. Op 11.5.40 te Oosterbeek (niet ingezet). Daarna naar Ede. Op 12.5.40 afgestaan aan 227. ID.
II./207. AR. Drie batterijen van elk vier stukken, 10,5 cm le FH 16 (besp). Ingedeeld bij de divisiereserve, groep Metger. Op 10.5.40 tot aan Beek - Loerbeek. Op 11.5.40 bij Oosterbeek (niet ingezet). Op 12.5.40 5./207. AR afgestaan aan de groep Brückner in de Betuwe. Op 13.5.40 4./207. AR volgens het verslag van Kdr 207. AR in stelling bij en op de Grebbeberg. Op 14.5.40 weer bij de trossen in de achterhoede.
III./207. AR. Drie batterijen van elk vier stukken, 10,5 cm le FH 16 (besp). Ingedeeld bij de groep Neidholdt, over Didam. Daar gewacht op nadere orders voor IJsselovergang bij Doesburg of Westervoort. Aangetrokken over Westervoort. Op 11.5.40 bij Oosterbeek. Aangetrokken naar de Wageningse Berg (gebied LH) voor directe steun aan SS "DF". In de loop van de gevechtsdagen in stappen naar het westen verplaatst. Op 12.5.40 vermoedelijk in de vork Grindweg - Diedenweg - Rijksstraatweg. Op 13.5.40 volgens Lagenkarte X. AK in het voorpostengebied, noord van de Rijksstraatweg. Op 14.5.40 weer bij de trossen in de achterhoede.
III./311. AR. Drie batterijen van elk vier stukken, 15,0 cm s FH (lg) 13 (besp). Ingedeeld bij de divisiereserve, groep Metger. Op 10.5.40 tot aan Beek - Loerbeek. Op 11.5.40 bij Oosterbeek (niet ingezet). Verkende stellingen voor inzet op 12.5.40. Die dag aangetrokken voor directe steun aan SS "DF". In stelling gekomen op de Eng, noord van de Dolderstraat, voor of in de Bosrand. Op 13.5.40 in het voorpostengebied, zuid van de Rijksstraatweg. Op 14.5.40 weer bij de trossen in de achterhoede.

Belangrijke nieuwe bronnen voor deze reconstructie waren drie getuigen met op schrift gestelde verklaringen over stellingen in Renkum en op de Eng (van de heren Mesker, Van der Schouw, en Van Tricht), foto's van II./SS AR op de Wageningse Berg, Lagenkarten van 207. ID en van X. AK met ingetekende stellingen van met name de divisieartillerie en s Art.Abt. 735.
Gegevens over de stellingen in Renkum kwamen ook uit het oorlogsdagboek van IV./256. AR. Daarmee werden de verklaringen van de heren Mesker en Van der Schouw bevestigd.
De verklaring van de heer Van Tricht spoort goed met twee kaartjes van Nierstrasz uit Deel III/3 van "De Strijd". Op Schets/Kaart Nr C. 5 "Gebruik van de artillerie op 11 mei 1940 bij IVe Divisie" is een door Nederlandse krijgsgevangenen gerapporteerde stelling vijandelijke artillerie ingetekend bij de kruising Diedenweg - Rijksstraatweg. Dat moet dan de stelling van III./207. AR (die dag voor het eerst in stelling gekomen) zijn geweest. De andere batterijen stonden toen nog in Renkum of verder oost. Op Schets/Kaart Nr C. 10 "Gebruik van de artillerie op 12 mei 1940 bij IVe Divisie" is in de bosrand noord van de Geertjesweg een "[Vijandelijke] Art. opstelling onnauwkeurig vastgesteld" ingetekend. Uit Nederlandse gevechtsverslagen en de tekst van deel III/3 blijkt, dat één of meer batterijen 15 cm-geschut werden gepeild, die door I-12 RA onder vuur werden genomen. In die buurt (maar wat westelijker van de aangegeven plaats) heeft alleen III./311. AR gestaan. Een dag later ook nog de batterijen van s Art.Abt.735. Eén bij Nol in 't Bos, de andere zuidwest daarvan in het bosgebied. Het laatste blijkt uit de volgende Lagenkarte van X. AK .













BA-MA, RH 24-10/48K


*] Organiek had de afdeling drie batterijen. Het bovenstaand kaartje geeft er maar twee aan. Volgens een potloodaantekening op de "Kriegsgliederung des Feldheeres" (Stand 15.4.40) had de derde batterij op 25.4 beschikbaar moeten komen. Mogelijk werd die volledige gevechtsgereedheid later bereikt, en de derde batterij daarom nog niet ingezet aan het front.

maandag 16 april 2012

Het "falen" van 2 AMC

Openstaande vraag bleef onder meer, hoe het kwam dat 2 AMC (de geluid- en lichtmeetcompagnie van II LK) zo weinig bruikbare meetgegevens leverde. De top van II LK (Genmaj Harberts, Kol Bartels) gaf het "falen" van 2 AMC als voornaamste verklaring voor de matige resultaten bij het bestrijden van vijandelijke artillerie. Genmaj tit. b.d. Nierstrasz nam dat oordeel over met een "omdat de gegevens van de Artilleriemeetcompagnie, die door verschillende factoren niet aan haar doel beantwoordde, te vaag waren". Voor het oordeel van de genoemde personen spreken de volgende citaten voor zich:

"De resultaten van de artillerie-meetdienst (zowel lichtmeetdienst als geluidmeetdienst) zijn zeer gering geweest. Slechts zelden is deze dienst er in geslaagd, de plaats van vijandelijke batterijen te bepalen met een zodanige graad van nauwkeurigheid, dat zij onder vuur genomen kon worden zonder dat dit tot munitieverspilling [!] aanleiding gaf". (Genmaj Harberts, Aantekeningen C-II LK. NIMH Coll 409, 502-003).
"Ik weet, dat Majoor Landzaat steeds heeft aangedrongen op bestrijding van vijandelijke artillerie. Ik heb in verband hiermede vliegtuigen aangevraagd. Behalve op zichtbare vijandelijke artillerie kon ik geen artillerie bestrijden wegens gemis aan voldoende kennis omtrent haar opstelling. De inkomende berichten en meldingen hier omtrent waren daartoe veel te vaag." (Kol Bartels, Verklaring 31 maart 1947. NIMH Coll 409, 502-013).
"Hoewel de Duitsers in de omgeving van Wageningen met zes [?] afdelingen vuurden, heeft een doelbewuste bestrijding daarvan niet plaats gehad, omdat de gegevens van de Artilleriemeetcompagnie, die door verschillende factoren niet aan haar doel beantwoordde, te vaag waren, om daarop de bestrijding te kunnen baseren. " (Genmaj tit. b.d. Nierstrasz, "De Strijd op Nederlands grondgebied". Deel III/3, pag. 441).

Dit duidelijk, maar zwak gemotiveerd verwijt naar 2 AMC was, zoals nu wel kan worden vastgesteld, niet terecht.
Het klopt wel, dat 2 AMC weinig of geen bruikbare meetresultaten opleverde. Eerder was daar veel meer van verwacht. Achteraf gezien waren de mogelijkheden zwaar overschat. De verwachte (beloofde?) nauwkeurigheid was op geen stukken na haalbaar. Oorzaken daarvoor waren:

(1) De eerste waarnemingen werden door Nierstrasz ook niet altijd zo helder gepresenteerd, mogelijk speelden hierbij verkeerde eerste interpretaties mee
(2) De meetgroepen waren nieuw en hadden nog weinig practische (veld-) ervaring op kunnen doen
(3) De techniek werkte niet onder alle omstandigheden goed genoeg om nauwkeurige bepalingen te leveren
(4) De posten waren ingericht op kwetsbare plaatsen en lagen teveel georiënteerd op het vak van IIe Divisie
(5) De meetregels waren te strak (ze eisten minstens drie onafhankelijke metingen, die waren niet te krijgen)

Elk van deze punten krijgt hierna de nodige toelichting.

Ad (1)
De eerste waarnemingen op vijandelijke artillerie waren onduidelijk. Ging het om veldartillerie, of om licht infanteriegeschut ? Soms zijn de waarnemingen (achteraf gezien) zo goed als zeker verkeerd geïnterpreteerd. Waar het dan in de informatieketen mis ging, is meestal niet meer vast te stellen.
Het werk van Nierstrasz reflecteert de verwarrende eerste waarnemingen. Een enkele keer werden die nog achteraf gecorrigeerd. Waar dat niet gebeurde, bleven wel eens tegenstrijdige of onjuiste dingen staan. Als voorbeeld twee passages uit dit werk ("De Strijd", Deel III/3. Pag. 175 en 168). Daar is te lezen:

"In de ochtend van 11 mei te ongeveer 2.00 à 2.30 begon een artilleriebeschieting van de vps. [voorpostenstrook], tengevolge waarvan spoedig enige verbindingen onbruikbaar werden geschoten, die ten dele konden worden hersteld. [..] Spoedig [?] verscheen de vijand voor het gehele voorpostenvak en opende hij het vuur; daarbij bleek dat de tegenstander (behorende tot de SS-Standarte "Der Führer"), goed gesteund door artillerie [?] en infanteriegeschut, zeer driest optrad en uitstekend van het terrein gebruik maakte.
Vijandelijke artillerie werd gemeld bij de samenkomst van Grebbedijk en kunstweg Grebbe - Wageningen, waarna de voorpostencommandant een voorbereid vuur aanvroeg, dat met enige correctie werd afgegeven door 1-I-8 RA [..]."
"Aangezien uit de berichten was gebleken, dat de vijand in de avond van 10 mei te Ede en Wageningen was aangekomen, werden te 1.45 uur, op bevel van de LKC, door I-12 RA storende vuren afgegeven op Ede [..], Bennekom en Lunteren en van 2.30 - 2.55 door II-19 RA op Wageningen.
De Duitsers zetten reeds vroeg in de morgen de aanval in op de voorposten, terwijl zij de hoofdweerstandsstrook van 8 RI en daarna ook het Z. deel van 19 RI onder storend artillerievuur namen".

Duidelijk is hiermee, dat beide partijen in de nacht van 10 op 11 mei slechts enkele storende vuren afgaven. Niet goed wordt aangegeven, dat de aanval op de voorpostenstrook (ingezet rond 8.00 uur) vooral zal zijn gesteund door infanteriegeschut, dat enkele van de daar opgestelde zware wapens onbruikbaar schoot of tot terugtrekken dwong.  Dat was, zoals in verschillende Nederlandse gevechtsverslagen werd opgetekend, inderdaad in de Westrand van Wageningen opgesteld. De "gewone" artillerie stond (volgens de KTB's) in die fase van de strijd nog oost van Wageningen. Naar nu bekend is, op de Wageningse Berg en in Renkum. Aan artillerie waren toen voor directe steun alleen II./SS AR en III./207.AR beschikbaar. Lichte veldhouwitsers, kaliber 10,5 cm. De twee 15 cm-batterijen van IV./256. AR gaven in de ochtend storende vuren af, vooral gericht op vermoede stellingen van vijandelijke [onze] artillerie. Rond de middag werd ook de hulp van deze twee batterijen ingeroepen om de strijd in het voorpostengebied te steunen. De gegevens over IV./256. AR komen uit het oorlogsdagboek van deze afdeling.

Een voorbeeld van duidelijk foutieve interpretatie is de melding van 2 AMC (Verslag GMA, NIMH Coll 409, 502-015) van vijandelijk geschut op de Dunoberg (bij Heveadorp, tussen Heelsum en Oosterbeek). Die melding kan worden gekoppeld aan enkele aantekeningen in het berichtenboek van  II LK (Bevelen en Berichten II LK, NIMH Coll 409, 502-001. Pag. 4 en 9.):

"9.15 [uur:] AID meldt, dat Grebbeberg onder zwaar avu ligt. Opdracht aan LKAC, die vij bt. op te sporen en onder vuur te nemen.
9.30 [uur:] LKAC meldt, dat volgens AMC de vurende vij zw.bt. op een afstand van 22 km ligt, dus buiten ons vuurbereik. [..]
Algemene indruk van de LKC [Genmaj Harberts] in de avond van 11 mei. Tegenover II LK vermoedelijk nog slechts zwakke troepen, in hoofdzaak tegenover het Grebbe-acces. Aantal batterijen vermoedelijk vrij gering, doch zeer beweeglijk, waardoor plaatsbepaling door AID slechts bij uitzondering lukt. Aanwezigheid van vij. 15 cm batterijen staat vrijwel vast, evenzo de aanwezigheid van minstens één batterij met grote dracht (15 cm l?)."

Bij het laatste dacht de LKC vermoedelijk aan de 15 cm K 16, inderdaad met 22 km dracht. Dergelijke kanonnen waren niet bij 207. ID ingedeeld. Vermoedelijk werd het geschut te Renkum gepeild.

Merkwaardiger nog is een andere melding van de GMA (als voren):

"In de nacht van 10 op 11 mei vielen schoten in de buurt van AWAR [een voorwaarschuwingspost bij Achterberg]. De mondingsknallen waren zwak. Bij de peiling sloeg alleen Ga en Ge [twee microfoonposten] uit, de gepeilde richting liep Zuid langs Wageningen in de richting van Nijmegen."

Denkbaar is, dat in dit geval inslagen van geschut van 207. ID dat dichterbij stond, gekoppeld werd aan geluid van vurend geschut uit de sector van XXVI. AK.
Een en ander geeft al aan, dat 2 AMC het niet gemakkelijk had.

Ad (2)
Voorzover bekend, waren de meetcompagnieën vrij nieuw. Het Voorschrift AMC verscheen in 1937, dat voor de Licht- en geluidmeetdienst in 1938, de Ontwerp handleiding voor de Artillerie-Inlichtingsdienst pas in 1939.
Elk legerkorps zou een eigen AMC krijgen. In mei 1940 was de vierde (I LK had er toen geen) blijkbaar nog in opleiding. Dat verklaart in elk geval de uit de pas lopende koppeling bij IV LK:
II LK met 2 AMC, III LK met 3 AMC, IV LK met 1 AMC (afgestaan door I LK ?).
Er werd ongetwijfeld in het veld enige meetervaring opgedaan. In elk geval werd geoefend op het schietterrein bij Oldebroek (LbO).

Ad (3)
Theoretisch waren licht- en geluidmeting onder normale omstandigheden nauwkeurig genoeg.
* Bij lichtmeting (LMA) een fout van 25 m in de breedte, 50 m voor de lengte
* Bij geluidmeting (GMA) een fout van 50 m resp. 100 m
Daarbij werd aangetekend, dat de nauwkeurigheid van de GMA ook afhankelijk was van windrichting en - snelheid: "Heeft het geluid 6 m [per seconde] of meer tegenwind, dan kan in het algemeen niet meer worden gerekend op de mogelijkheid van meten boven de 7.000 m." (Voorschrift LMA, blz. 8).
Geluidmeting kon verder door eigen vuur in de nabijheid worden gestoord (daarover klaagde 2 AMC ook tijdens de gevechtsdagen). Bij lichtmeting werd waarneming bemoeilijkt door gebruik van rookloos buskruit, door maskering van de opstelling en mondingsvlam, door terreinhindernissen als bomenrijen, en door atmosferische omstandigheden (nevel).
De meetmiddelen van de artilleriewaarnemingsposten waren nog vrij primitief. Voor lichtmeting de 8 x vergrotende kijker op statief met kompasring, voor geluidmeting de knaltijdmeting (verschil tussen lichtflits en geluid van het schot, gemeten met stopwatch). De meetgroepen van 2 AMC beschikten wel over professionele apparatuur.

Ad (4)
De posten van LMA en GMA lagen vooral in de oost- en noordrand van de Utrechtse heuvelrug, tussen de oostpunt van de Grebbeberg en Veenendaal. De posten voor lichtmeting (aangegeven locaties zijn: voorrand van de Grebbeberg, Dierenpark, Levendaalse weg, Groene Bank, Koerheuvel, kruising bij Berg en Dal) lagen bijna alle op kwetsbare plaatsen. De posten voor geluidmeting lagen waarschijnlijk op een lijn dicht achter (zuid van) de voorwaarschuwingsposten: IWAR bij Veenendaal, AWAR bij Achterberg.
De bekende posities wijzen erop, dat de meetbasis niet noord-zuid liep, maar veel meer noordwest-zuidoost. Dat betekent, dat moeilijk snijpunten te krijgen waren. Dat bleek ook in de practijk, gegeven de opmarsrichting en opstelplaatsen van de Duitse artillerie. De keuze van de lichtmeetposten werd min of meer gedicteerd door het terrein (hoge plaatsen aan de rand van de heuvelrug). Voor de geluidmeetposten was vrijere keuze mogelijk. Vergelijk het volgend kaartje voor de bekende meetposten.



Ad (5)
De meetregels waren veel te strak. Er waren volgens voorschrift drie onafhankelijke waarnemingen nodig om een waarneming als "bevestigd" te beschouwen. Als meest waarschijnlijke plaats van het waargenomen vijandelijk geschut werd dan het midden van de snijdingsfiguur (die figuur was door kleine meetfouten meestal een driehoek) aangenomen. Tijdens de gevechtsdagen kon (vanuit meestal maar één post) vaak nog wel de richting, maar zelden daarbij dan ook de afstand, van het vurend vijandelijk geschut worden bepaald.


Vragen en antwoorden

Op deze blog is toch nog, na verdere overweging en ruggespraak met de webmaster van www.grebbeberg.nl, een vervolg gepland. Die zal bestaan uit twee aanvullingen. Eén (de kortste) met antwoorden op enkele hoofdvragen die al verspreid door de hele blog gesteld en meestal nog maar gedeeltelijk beantwoord werden. Het tweede (de langste) wordt een webpublicatie met mijn totaalbeeld over het optreden van de Duitse artillerie bij Wageningen.

Aanvullingen, opmerkingen, en vragen om verheldering of nadere uitleg zijn zeer welkom. Van experts, maar evengoed van iemand die zich op dit gebied als leek beschouwt. Doel is, het beeld over wat er in mei 1940 bij Wageningen gebeurde, duidelijker te krijgen en - wie weet - antwoorden te vinden op vragen die nog open staan.

Reacties kunnen het best geplaatst worden op www.grebbeberg.nl (Discussiegroep, http://www.grebbeberg.nl/index.php?page=forum_discussiegroep). Op die manier wordt het grootste publiek bereikt.

vrijdag 30 december 2011

Verantwoording

Als afsluiting van deze serie nog een korte verantwoording. Mijn beeld van het gevechtsverloop op 12.5.40 verschilt op belangrijke punten met dat van eerdere auteurs. Daarbij zijn in het bijzonder te noemen:

x Minister van Oorlog, Sectie "Krijgsgeschiedenis" van de Generale Staf, "Beknopt Overzicht van de Krijgsverrichtingen der Koninklijke Landmacht 10 - 19 mei 1940" (1947). Pag. 91 - 96.
x Ministerie van Oorlog, Hoofdkwartier van de Generale Staf, Krijgsgeschiedkundige Afdeling, "De Strijd op Nederlands Grondgebied tijdens de Wereldoorlog II". Hoofddeel III/Deel 3, "De Operatiën van het Veldleger en het Oostfront van de Vesting Holland Mei 1940" (1955). Pag. 254 - 271.
x Dr. L. de Jong, "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog". Deel 3, "Mei '40", (1970). Pag. 232 - 236.
x E.H. Brongers, "Grebbelinie 1940", (2002). Pag. 114 - 125.
x H. Amersfoort, P. Kamphuis (red), "Mei 1940 De strijd op Nederlands grondgebied", (2005). Pag. 279 - 285.

Hierbij had ieder een deel van de waarheid in handen, en werden eigenlijk vooral de accenten anders gelegd.
Naar mijn gevoel werden de beelden alleen teveel in zwart - wit getekend en waren ze nog sterk beïnvloed door de eerste publicaties.
Vooral bleef te lang doorklinken, dat de Nederlandse troepen bij de Grebbeberg tegen een overmachtige en veruit superieure vijand moesten vechten. Dat leidt tot grote innerlijke tegenstrijdigheid. Want waarom duurde het (met drie bataljons SS "DF" als breekijzer, en met vijf bijna complete afdelingen artillerie ter beschikking) dan alles bij elkaar toch nog drie dagen voordat het gestelde doel (doorbraak van de Grebbelinie) door 207. ID was bereikt ?

De volgende punten zou ik daarom in het bijzonder willen meegeven:

* De drie bataljons SS "DF" zijn niet vanaf de eerste gevechtsdag, elke dag opnieuw, volledig ontplooid. Dat lukte waarschijnlijk pas in de avond van 12.5 voor het eerst. De aanval werd telkens ingezet met kleinere eenheden als "stoottroepen" in de eerste golf. Logistiek kon het ook niet anders.
* De Duitsers hebben de sterkte van onze verdediging en hun eigen kracht naar mijn mening tot op het eind verkeerd ingeschat. De eigen artillerie werd door hen keer op keer niet (evenmin) optimaal benut.
* De Nederlandse verdediging bij de Grebbeberg was door allerlei oorzaken nog niet op de gewenste sterkte. Toch was de Grebbelinie tussen Wageningen, Achterberg en Rhenen al zó ingericht, dat de aanvallende troepen maar moeizaam vorderingen konden maken. Er was een dag nodig voor het veroveren van het gebied van de Voorposten. Een tweede om de HWL te doorbreken en op te rollen tot aan Kruiponder. Tenslotte nog een derde om de "spoorweglinie" te doorbreken en het gat in de laatste verdedigingslijn zover te verwijden, dat de weg vrij kwam voor de opmars naar Utrecht van 207. ID. De gelaagde defensie (opgesteld in drie lijnen, maar met verdere opstellingen in de tussengebieden) werkte hierbij als een verdediging in de diepte.

Ieder kan zijn eigen mening vormen aan de hand van de brondocumenten. Het NIMH beschikt over bijna alle belangrijke stukken, daarvoor behoeft niet naar het BA-MA te worden gegaan. Als tegenwicht kunnen daarbij wat recente Duitse publicaties worden gelezen. Wat mij betreft is dat de beste manier om het strijdverloop van "Mei 1940" te bestuderen.

Deze blog wordt om technische redenen nu afgesloten. Mijn email-adres is veranderd. Vragen kunnen gesteld worden via www.grebbeberg.nl.

Vernielingsvuur ?

Rest de vraag, hoe effectief de Duitse artillerie was op deze gevechtsdag. Dat is nu niet meer zo gemakkelijk na te gaan.
Het kort na de strijd uitgevoerd veldonderzoek was erg summier.
De foto's geven geen duidelijk beeld en zijn vertekend door latere Nederlandse beschietingen. De verslagen uit beide kampen zijn moeilijk met elkaar te rijmen.

Wat de aan Duitse zijde aangewezen doelen waren, kan niet met zekerheid worden bepaald. Voor de hand ligt, om aan de Pag-kazematten P.10 en P.11 en de stekelvarkens in het Hoornwerk (S.12, S.13, S.14) te denken.
De als brandend verkende kazematten (36 b en 47) zouden P.10 en G.19 geweest kunnen zijn. Er is inderdaad een melding van brand voor P.10, maar niet van G.19. De laatste kazemat had veel treffers [van mitrailleur ?].

De volgende tabel geeft een overzicht van de gegevens uit de Nederlandse gevechtsverslagen.
Ze staan in volgorde van plaats in de HWL. Bovenaan de vuurposities bij Kruiponder, onderaan die in de Bastions. Daaronder nog de koepels die op de voorrand van de Grebbeberg stonden.
Bron: NIMH Coll 409 (Gevechtsverslagen) Inv Nr in laatste kolom

De verzamelde gegevens zijn niet 100% betrouwbaar. Niet altijd werd duidelijk, wat de aard van de schade was. Het begrip "voltreffer" is nogal snel gehanteerd. Soms werden meldingen over wapens of opstellingen in een verslag van een hogere commandant verwisseld. Meestal wist die ook alleen uit de tweede of derde hand wat er gebeurd was. Dan kan de informatie al vervormd zijn in het onderliggend rapport, en door de eigen interpretatie van de commandant nog verder vertekend raken.
Bijzonder is, dat ook een foute eerste beoordeling werd verbeterd. Het stuk Pag van Sgt Krooshof liep schade op. De sergeant rapporteerde dit als "vermoedelijk door handgranaten buiten gevecht gesteld". Zijn commandant (Elt Koerselman) beoordeelde de schade naar eigen bevindingen als die van een beschieting door de opening van het schietgat. Hij stelde deuken in schild en reminrichting vast [mogelijk van een mitrailleur] [NIMH Coll 409, Inv Nr 506028].

Duidelijk is hiermee, dat het opgedragen "vernielingsvuur" weinig of geen effect had. Ook niet kon hebben, want het werd eerst afgegeven van te grote afstanden (en met standaardmunitie). Mogelijk werden de batterijen uit Renkum daarom in de loop van de ochtend naar voren gehaald. Maar ook dat was nog niet dichtbij genoeg.
Niet vast te stellen is, welke schade precies door artillerievuur en welke door andere vijandelijke inwerking (mortier- of mitrailleurvuur, handgranaat, vlammenwerper) zal zijn veroorzaakt. Waar gegevens wijzen in de richting van artillerievuur als oorzaak van de schade, is een "A" in de tabel gezet.
Mijn conclusie is, dat ongeveer 10 zware wapens door inwerking van artillerievuur werden uitgeschakeld. Dat is op de circa 66 zware wapens in de HWL niet veel. Bovendien waren daar de meest hinderlijke zware mitrailleurs (G.5, G.6, G.7, G.20 en G.21) niet bij. Volgens het overzicht werd trouwens geen enkele koepel door vijandelijk vuur uitgeschakeld. De stekelvarkens liepen wel treffers op, vermoedelijk vooral scherfschade. Drie mitrailleurs werden vermoedelijk door artillerievuur tot zwijgen gebracht, maar 2 kregen een vervangend stuk.

Antwoorden
Nu dan mijn antwoorden op de aan het begin van deze serie gestelde vragen. De onderbouwing is te vinden in de voorgaande stukjes en wordt hier niet herhaald.

(1) De verdedigende kracht van het Hoornwerk, sleutelpunt in de defensie bij de Grebbeberg in mei 1940, was groter dan men zich tot nu toe meestal realiseerde. Naar mijn mening kregen de zwaktes door andere oorzaken (slechte verbindingen, munitiegebrek, haperende mitrailleurs, open opstellingen, inzakkende wil tot vechten) tot op heden teveel nadruk.
(2) Op 12.5.40 werden aan Duitse zijde waarschijnlijk tussen de 44 en 52 stukken ingezet. Die waren van II/AR 207 (twee batterijen 10,5 cm le FH 16), III/AR 207 (drie batterijen idem), III/AR 311 (drie batterijen 15,0 cm s FH (lg) 13), II/AR SS (drie batterijen 10,5 cm le FH 18), IV/AR 256 (twee batterijen 15,0 cm s FH 18). Alleen de inzet van 4 en/of 6/AR 207 is niet helemaal zeker.
(3) Eerste dagdoel was de HWL, met het gebied rond het Hoornwerk als sleutelpunt. Hierop werd van 12.20 - 12.40 uur een vuurconcentratie afgegeven met alle batterijen. De kazematten daar zijn zeker ook als doelen genomen. Verder vooral de flankerende kazematten in de HWL langs de Grift. Vanaf de vroege ochtend werd ingeschoten. Na de uitgevoerde verplaatsingen moest dat opnieuw gebeuren. Vooral door de twee batterijen van IV/AR 256 zullen storende vuren zijn afgegeven op de omgeving van Rhenen. Belangrijke doelen daar waren de aan- en afvoerwegen (knooppunten) en de daar vermoede Nederlandse batterijen.
(4) In de munitievoorraad waren vooral brisantgranaten beschikbaar en nog wat pantser- en rookgranaten. De brisantgranaten waren bijna allemaal voorzien van een schokbuis (instelbaar tot 0,25 sec vertraagd), voor maar ongeveer 8% van een gecombineerde tijd/schokbuis. De verdeling in de belading van het munitieschip voor Leibstandarte "AH" (en waarschijnlijk ook van Standarte SS "DF") wordt in het volgend diagram weergegeven.
Bron: NIMH Coll 410 (Praagse Collectie) Inv Nr 750079

(5) Over het uitgevoerde vuurschema is weinig met zekerheid bekend. Zie voor de hoofdlijnen (3).
(6) Het effect van de beschietingen was minimaal als het beoogd effect werkelijk "Zerstören" (vernielen) was. Maar vooral in het Hoornwerk waren de psychologische effecten zeer groot. Voor het "Niederhalten" (onderdrukken) zal het vuur op de verdediging in de HWL zeker merkbaar effect gehad hebben. Tenslotte vast ook wel het "Blenden" (belemmeren van waarneming) via ingestrooide rookgranaten. Al was die munitie schaars, zoals mede blijkt uit bovenstaand diagram. Betongranaten voor de 15,0 cm s FH 18 zullen niet aanwezig zijn geweest. Mogelijk wel voor de batterijen van s Art Abt 735. Die werden deze gevechtsdag nog niet ingezet.

Mijn totaalbeeld is, dat aan Nederlandse zijde een krachtiger verdediging werd gevoerd dan tot nu toe meestal werd aangenomen. Mogelijk hebben de Duitsers de defensieve kracht van deze sector zwaar onderschat. Anders zijn de drie opgegeven dagdoelen voor 12.5.40 (doorstoot door HWL, door Stoplijn, dan nog eens tot aan de (doorbraak van ?) spoorlijn bij Rhenen) niet te verklaren. De lat had dan veel te hoog gelegen. Onrealistisch hoog, wat demotiverend zou hebben gewerkt.
De gelaagde verdediging in drie lijnen zal hetzelfde effect hebben gehad als een verdediging in de diepte. Uit de dagboeken en andere publicaties komt grote frustratie over de langzame voortgang ("Durchfressen") naar voren.

donderdag 29 december 2011

SS "DF" en het strijdverloop

De spelers staan klaar. Het publiek zit, het doek gaat open. Wat gebeurde er daarna ? Hiervoor zijn er maar twee draaiboeken te bedenken, een kort en een lang script.

Voor deze dag waren er drie doelen opgegeven:

1. Een doorbraak te forceren op het sleutelpunt, "das Fort am Fusse des Grebbe-Berges"
2. Dan zo snel mogelijk de stoplijn te doorbreken en uit te schakelen
3. Tenslotte door te stoten naar de spoorlijn bij Rhenen

De volgende schets geeft een overzicht van het strijdverloop op 12.5.40. De aanval ontwikkelde zich zo op het oog volgens het eerste script voor SS "DF", met een snelle ontknoping.
Bron: NIMH Coll 401 (Kriegstagebücher), Inv Nr 1311

Tussen Renkum en Wageningen staan drie eenheden artillerie gereed. Twee met 10,5 cm le FH en één met 15,0 cm s FH. In mijn interpretatie alleen de Divisieartillerie, 4 en/of 6/AR 207, III/AR 311, III/AR 207. Niet ingetekend zijn de batterijen van 10 en 11/AR 256 en II/AR SS. In de spits van de aanval bevinden zich II/SS "DF" (Bataljon Von Scholz) en III/SS "DF" (Bataljon Wäckerle). I/SS "DF" (Bataljon Müller) wordt aangezet tegen de verdedigingslinie aan de Grift. In aantocht is bataljon I/IR 322 (Bataljon Freyher). Dat was de situatie van ongeveer 14.20 uur. Het lijkt er zo op, dat de aanval snel en probleemloos verliep.

Er zijn verschillende overwegingen om toch te kiezen voor de andere ontknoping, die van het lange script:

* Op dit soort schetsen worden alleen de grote eenheden en de voornaamste verplaatsingen ingetekend
* Drie bataljons zullen zich niet gereedgesteld hebben in de beperkte ruimte vlak voor het Hoornwerk
* Evenmin kunnen zij zich in korte tijd door de flessenhals bij de Grebbesluis gewrongen hebben
* Tenslotte is niet aannemelijk, dat zij zich meteen volledig op de Grebbeberg hebben kunnen ontplooien

Eigenlijk zijn dit maar twee argumenten: (1) De schets is een vereenvoudigde weergave, en (2) Ruimte en logistiek dwongen de drie bataljons SS "DF" tot een geleidelijker ontwikkeling.
Er zijn nog enkele aanvullende aanwijzingen, dat het lange script van toepassing was.

(1) In de KTB's wordt gesproken over een aanval "mit Teilen III/SS u. II/SS" in de spits. Het blijkt dan om de stoottroepen van 9/SS "DF" en 12/SS "DF" te gaan.
(2) Omvangrijke verplaatsingen langs de Rijksstraatweg en de parallel lopende wegen konden pas plaatsvinden nadat het flankvuur vanuit de linie aan de Grift was uitgeschakeld. Dat kostte blijkbaar nog uren.
(3) De brug moest eerst hersteld worden. Volgens KTB 207. ID was dat pas om 15.55 uur (17.35 Uhr) gerealiseerd.
(4) Op de Grebbeberg werden maar een paar honderd schuttersputten aangetroffen na de strijd. Dat wijst op ingraven daar van eenheden van compagnies-, eerder dan van bataljonssterkte.

Wat het eerste punt betreft is het KTB SS "DF" (pag. 7) bijvoorbeeld heel duidelijk:

"Der Angriffsbegin wurde für 14.20 Uhr befohlen. Die Stoss- und Pioniertrupps lagen in ihren Ausgangsstellungen. Nach dem letzten Feuerschlag der auf das erste Angriffsziel [het "Fort am Fusse des Grebbe-Berges"] zusammengefässten Artl [artillerie] sturzten die Stosstrupps der 9. und 12. vor, dicht auf folgten die Pionierstosstrupps mit den Flosssäcken. Im starken Feuer der eigenen Artl war es nicht gelungen, alle feindlichen Nester und Stellungen zu zerschlagen, und so lag am Grebbe-Bach [de Grift] stärkstes feindliches Abwehrfeuer aller Inf[anterie]-Waffen."

De lezing van Rechlin (zoals weergegeven in "Die Geschichte der 207. und 281. ID", pag. 29-30) [BA-MA, MSG3-1907] verschilt weinig hiermee, is alleen veel uitvoeriger.

In het KTB 207. ID staat (met een hiaat door brandschade, door mij aan de hand van het Uittreksel van Rechlin S. 252 [NIMH Coll 409 (Gevechtsverslagen) Map 550, Inv Nr 0018a] ingevuld):

"14.20 Uhr Angriffsbeginn für SS Rgt, das mit III.Btl am Grebbe-Schleuse, mit II. südl. davon [dus langs de Rijndijk, in verband met de baggerput en de benodigde dekking ?] [über geht] *
[15.15 Uhr ist mit III/SS der Einbruch in die Grebbe-Stellung gelun] gen bei Punkt 36. Auch II/SS geht trotz schwerstem Abwehr- und Flankenfeuer mit Teilen südl. davon über.
Die Schleusenbrücke ist trotz stärkstem Artl Beschuss für Schützen noch gangbar.
16.10 Uhr hat sich III/SS bis zum vorderen Rand der Waldlichtung [open plek, d.w.z. de roggeakker] an Strasse Grebbe-Schleuse - Rhenen gegen den sich in einzelnen Widerstandsnestern und auf Bäumen zäh verteidigenden Feind durchgekämpft."

Hier staat zwart op wit, dat het het derde bataljon (niet ook het tweede) na de doorbraak nog bijna twee uur kostte om zich vooruit te werken tot aan de roggeakker. Bijna anderhalf uur later had zich ook het tweede bataljon daarbij gevoegd. Zij vormden en hielden vanaf laat in de middag (16.20 uur) dit bruggenhoofd.

Mijn conclusie ligt hiermee voor de hand:

* Het kostte nog uren na het begin van de aanval voordat de doorbraak ver genoeg was verbreed,
* de verdediging aan de Grift was uitgeschakeld,
* een noodbrug was geslagen,
* delen van II/ met III/SS "DF" een bruggenhoofd op de Grebbeberg kon vestigen en behouden, dat sterk genoeg was om de volgende dag een goede kans te hebben om de stoplijn te doorbreken.
* De dagdoelen 2 en 3 waren daarmee niet gehaald.



* In het Uittreksel van Rechlin staat: "Angriffsbeginn des SS-Rgts "DF" mit Teilen [!] III/SS u. II/SS."

woensdag 28 december 2011

Het Duitse vuurschema

Over de artilleristische voorbereiding voor de aanval op 12.5.40 lopen de meningen uiteen. Dat vijf Afdelingen toen vanaf de vroege ochtend zware beschietingen hebben uitgevoerd, moet (naar mijn mening) als een fabeltje worden beschouwd. In "Geschut, munitie doelen (1)" werd hierover al het een en ander gezegd. Toch blijft dit beeld hardnekkig hangen, en in nieuwe publicaties rondspoken.

Naast de oorlogsdagboeken van SS "DF"en 207. ID zijn nog vier bronnen vrij algemeen bekend. Dat zijn:

* O. Weidinger, "Kameraden bis zum Ende" (2007), pag. 30
* O. Kumm [?], "Durchbruch durch die Grebbe-Linie", in: "Der Freiwillige", 28e jrg (1982) nr 5 en 6
* G. Müller, F.W. Guttmann, "Die Geschichte der 207. und 281. Infanterie Division mit ihren Zwischengliederungen 1939-1945" (1958), pag. 29
* Onbekend, "Der Durchbruch an der Grebbeschleuse", in: "Der Soldatenfreund" (1943)

De Duitse opgaven verschillen vreemd genoeg. Men is het eigenlijk alleen eens, dat er deze gevechtsdag vijf afdelingen werden ingezet. Dat moet tot voorzichtigheid manen. Want wie had nu de juiste informatie ?
* Weidinger houdt het op 5 Afdelingen, drie lichte en twee zware
* Kumm [?] zegt dat nog drie lichte en één zware afdeling aangetrokken werden
* Müller c.s. noemt ook 5 Afdelingen, zonder verdere specificatie
* De onbekende auteur geeft tenslotte aan dat twee batterijen 21 cm uit de Heeresartillerie werden toegevoegd

In het laatste geval zullen de twee batterijen 21 cm Mörser 18 van s Art Abt 735 zijn bedoeld. Onderzoek in het Bundesarchiv-Militärarchiv Freiburg leverde hierover nieuwe gegevens op, die deze variant nu wel uitsluiten.

Arko 22 (Gen Maj Walter Büchs) begeleidde die Mörser vanaf Üdemer Bruch over Calcar, Emmerich-Elten, Arnhem (Velp) naar het gebied tussen Renkum en Wageningen. Büchs meldde zich om 15.30 (13.50 Nederlandse tijd) op het hoofdkwartier van X. AK te Velp. Op dat moment werden de twee 21 cm-batterijen op papier overgedragen aan 207. ID [BA-MA, RH 24-10/46, S. 17]. Volgens de Tagesverlaufmeldung van 12.5. kwamen ze die dag [van XXVI. AK] bij X.AK en zouden dan tegen de avond aankomen [BA-MA, RH 24-10/44, S. 215]. Volgens de Abendmeldung 12.5 van X. AK werden Arko 22 met Beob Abt 30 en Mörser Abt 735 aangetrokken over Arnhem. Verwachte gereedheid voor inzet in de ochtend van 13.5 ("Mess- und Feuerbereitschaft voraussichtlich 13.5. früh") [BA-MA, RH 24-10/44, S. 221]. Büchs meldde op 13.5.40 tenslotte nog:

"Art der Div. machte am frühen Morgen des 13.5. den befohlenen Stellungswechsel in die angewiesene Stellungen 11.00 Feuerbereit. SS-Abt ändert ihre Stellung nicht. Mörser-Abt war mit Tagesanbruch feuerbereit."

De 21 cm Mörser was zwaar en werd daarom in twee lasten vervoerd. Dat had als groot nadeel, dat het in stelling komen veel tijd vroeg. Volgens een officier bij s Art Abt 777 (ook 21 cm Mörser 18) was rond 2 uur nodig voor het gereed maken, na overname van de schietbuis (inschuiven op de affuit) uit de tweede last [R. Witzel, "Mit Mörsern, Haubitzen und Kanonen" (2008), pag. 71].
Daarmee stond voor mij wel vast, dat de twee batterijen van s Art Abt 735 niet meer op 12.5 bij Wageningen in actie kwamen. We houden het dus maar op de eerder gegeven specificatie: drie afdelingen (II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311) en twee batterijen (10 en 11/AR 256). Mogelijk nog één of twee batterijen van II/AR 207). Totaal 3 lichte en 2 zware afdelingen, maar beide groepen dan niet op volle sterkte.

Het vuurschema werd (op dezelfde plaats, zie boven) ook al eerder behandeld.
Er zijn flinke verschillen tussen het KTB van 207. ID en het vuurplan dat Rechlin in zijn samenvatting gaf.
Duidelijk was al uit de KTB's, dat het inschieten niet glad verliep, en dat mede door alle latere verplaatsingen de vuurvoorbereiding vertraging opliep. Het tijdstip van de aanval moest daardoor enkele malen worden uitgesteld. Dat houdt in, dat de Duitse artillerie niet in de vroege ochtend al op volle sterkte kon vuren.
Ook hiervoor is er een nieuwe bron. Het verslag van 10 en 11/AR 256 [BA-MA, RH 41-1111]. Hierin op 12.5 (pag. 13, 15, mijn vertaling. In Nederlandse tijd):

"De Afdeling (zonder de 12e batterij) komt onder bevel van Kdr AR 207 (Oberst Metger) [..]. De batterijen zijn in de nacht niet verplaatst. [..] Om 6.05 opent de Afdeling [min de 12e batterij] het vuur. De grondrichting wordt gecontroleerd, en er worden vuurconcentraties afgegeven. Hptm Von Dosky en Hptm Süssmann leiden het vuur vanuit de voorste infanterie-linie, gedeeltelijk zonder bescherming van de infanterie, op de kazematten 36 a en 36 b, waarbij Hptm Süssmann met een pantserverkenningsvoertuig naar voren rijdt om nauwkeuriger waarnemingen te doen.
Opdracht voor de Afdeling is: "Vernielen van de gevechtsopstellingen". Bij de gevechtspost van de Afdeling wordt een grondstation voor de radio van 207. Div ingezet. Maar er komt geen piloot.
Stdtf Keppler vraagt om 7.45 uur om een vuurconcentratie voor de aanval op de Grebbeberg. Het tijdstip voor de aanval wordt steeds weer naar later verplaatst.
De 10e en 11e batterij veranderen staffelsgewijs [in kleine eenheden] van stelling naar het NO-deel van Wageningen.
11.20 Het vuurplan voor de aanval op de Grebbeberg wordt in een Afdelingsbevel vastgelegd.
Volgens dit bevel schiet de 10e batterij met Lichtmeting op Rhenen in en wordt het vuur van deze batterij op kazematten 36 a en 36 b gecontroleerd [op juiste ligging]. De 11e batterij krijgt bevel, meteen schietgrondslagen voor een Efa-routine [beoordeling van de inschietfout ?] op kazemat 36 te bepalen en door te geven. De kazematten 36 b en 47 worden als brandend verkend.
Om 12.00 uur komt het bevel, dat X-Zeit [het tijdstip voor de aanval] 12.40 uur is.
De aanval brengt wel terreinwinst, maar niet het bezit van de Grebbeberg. De kazematten 36 a en 36 b worden genomen.
De Artillerie-Kommandeur 22 (Generalmajor Büchs) neemt om 15.20 uur het bevel over van de artillerie van 207. Div, waarbij I/[s Art Abt] 735 aangetrokken wordt. [..]
De Afdeling [min 12] bestreed vijandelijke aanvoerbewegingen en verkende vurende MG in de Grebbelinie."

Volgens het KTB 207. ID zouden III/AR 207 en III/AR 311 op de versterkingen noord van de Grebbesluis hebben gevuurd. De twee batterijen van IV/AR 256 en II/AR SS zuid daarvan. Onduidelijk is in deze bron, of ook nog geschut van II/AR 207 [min 5/AR 207, die in de Betuwe bij Gruppe Brückner was] deze dag al werd ingezet. Dat staat voor 4/AR 207 op 13.5.40 wel vast.

Als doelen werden in het vuurplan [!] in het stuk van Hptm Rechlin aangegeven:

"Vuurconcentratie van 5 afdelingen artillerie op het punt van de beoogde inbraak van 12.20 - 12.40. Gevuurd wordt door:
1 afdeling op de versterkingen 47 a - c [Grift, noord van de Grebbesluis]
2 afdelingen op 36 a en b [S.12 en S.13 ?]
1 afdeling op hoogte 53 [De Dijk, bij zuivelfabriek]
1 afdeling op de versterkingen 33 a - c [bij De Spees]"

Bijzonder interessant is dan de melding van 12.20 uur:

"Het bijzonder moeilijke inschieten van de artillerie (met hulp van 2 [!] artilleriewaarnemingsvliegtuigen) is voltooid. Al bij het inschieten wordt een goede uitwerking (voltreffers op gevechtsopstellingen [?] en brandende huizen [?] in de stelling) waargenomen."

Verrassend is, dat hier gezegd wordt dat 2 waarnemingsvliegtuigjes zijn ingezet. De tekst van 10 en 11/AR 256 wekte de suggestie dat daar geen vliegtuigje kwam. Vandaar het uitroepteken.
De vraagtekens zijn gezet, omdat nog niet duidelijk is, waar voltreffers vielen. Het is verder bijzonder zwak om brandende huizen in de stelling als "goede uitwerking" te benoemen. Waren dat dan belangrijke doelen ?

Deze gegevens vormen een skelet met weinig vlees. Er blijft veel onduidelijk. De gaten kunnen alleen met eigen veronderstellingen worden gevuld. Voldoende zeker zijn de volgende punten:

* Er waren 44 tot 52 stukken beschikbaar, onduidelijk is wat daarvan precies op welke doelen werd ingezet
* Het vuurplan kan niet zo zijn uitgevoerd, de aangewezen doelen moeten na elkaar onder vuur zijn genomen
* Door moeizaam inschieten en de uitgevoerde verplaatsingen verschoof het aanvalstijdstip naar 12.40 uur
* Voornaamste doelen waren de versterkingen in de HWL en nog andere doelen (vaag benoemd) in Rhenen
* Het inschieten leverde een "goed" resultaat, maar de gegeven onderbouwing daarvoor is flinterdun
* Als zwaar vuur kan alleen de vuurconcentratie van 20 minuten, als inleiding op de aanval, worden aangemerkt

Mijn conclusie blijft daarom, dat van urenlange zware Duitse beschietingen geen sprake kan zijn geweest. Er zal nog nader worden onderzocht, wat de resultaten daarvan waren. Voltreffers en vernielingen (opdracht was toch "Zerstören der Kampfanlagen") zijn op het eerste gezicht niet zo waarschijnlijk. De trefzekerheid op grote afstand was gering. Het vuur, zelfs van het 15 cm geschut, daarvoor dan ook niet krachtig genoeg.

dinsdag 27 december 2011

Koepels en kazematten

De ruggengraat van de HWL werd gevormd door de gevechtsopstellingen voor de zware wapens. Het merendeel (ongeveer twee derde) was in beton en staal uitgevoerd. Voor de rest waren het houten constructies, gedekt door zand en grond.

Bestek 519/1939 EE, uitgevoerd door Aannemingsbedrijf T. van Hoogevest te Amersfoort [NA 2.13.24, Bureau Genie, Inv Nr 30] betrof 34 gevechtsopstellingen op grondgebied van de gemeente Rhenen. Daarvan 7 betonnen kazematten met 3 schietgaten (S-nummers 4a, 12-15, 17, 23, waarvan nummer 17 voor zware mitrailleur) en 27 kazematten met gietstalen koepel van 10 cm dik staal (G-nummers 2, 3a, 4, 5-7, 16, 18, 18a tm c, 19-22, 24-35). Ook werden nog (mogelijk door een andere aannemer) twee Pag-kazematten gebouwd, P-nummers 10 en 11. Die waren van lichtere weerstandsklasse, scherfvrij. Mogelijk als voorlopige gevechtsopstellingen. Twee andere Pag-kazematten, P-nummers 1 en 3, en twee Observatiekoepels, U-nummers 8 en 9, kwamen niet meer in uitvoering. Ze waren wel alle vier in genoemd bestek opgenomen.

De betonnen kazematten voor lichte mitrailleur hadden een schootsveld van 120 graden, in overlappende sectoren (3 schietgaten van 70 graden). De gietstalen koepels voor lichte of zware mitrailleur hadden een schootsveld van 40, resp. 35 graden.
De koepels aan de Grift hadden alle zware mitrailleurs. De schootsrichtingen daarvan zijn ingetekend op enkele kaartjes van de Groene Serie [Deel III.3, Schets/Kaart C3, C4]. Zie het kaartje bij de aflevering van 5 december 2011. Niet na te gaan is, of de schootsrichtingen daarop juist zijn aangegeven.
De grote schietgaten van de S- kazemat vormde een zwak punt bij vijandelijke beschietingen. Het stalen venster van de G-kazemat kon van nabij (minder dan 500 m) door 3,7 cm Pak worden doorboord.

Volgens "Kazematten in het Interbellum" (pag. 113) voldeden de S-kazematten (stekelvarkens) niet helemaal aan de W12-15 norm, de G-kazematten (pag. 130) wel. Norm W12-15 bepaalde, dat deze versterkingen bestand moesten zijn tegen 12 cm en 15 cm geschut. In het eerste geval bij voortgezette beschietingen, in het tweede tegen enkele schoten van dat kaliber.
In het kader van het Betonplan (pag. 133-138) waren meer en zwaardere dekkingen voorzien. Voor de stukken Pag ook G-kazematten (pag. 131). Die kwamen er niet meer. Evenmin het bomvrije gemaal bij het Hoornwerk, om de waterinlaat voor de inundatie te verbeteren. Dat was in mei 1940 nog in aanbouw. De stelling was aan het begin van de oorlog dus nog niet op de beoogde sterkte gebracht.
De OLZ had in april 1940 bepaald, dat alle gevechtsopstellingen en schuilplaatsen in de HWS (van HWL tot en met stoplijn) in beton en gietstaal uitgevoerd zouden worden tot weerstand W15-21. Uitgezonderd de scherfvrije Mortier-, Pag- en 6-Veldopstellingen. In de Liniedijk (aan de Grift) zouden geen betonnen kazematten komen, alleen gietstalen koepels.

Op papier was de Grebbelinie bij Wageningen in onvoltooide vorm al een sterke stelling. Het "Denkschrift" (pag. 126-128) beschrijft de HWL als volgt.
NB De genoemde aantallen kazematten zijn niet juist.De samenstelling van de artillerie evenmin. Ook worden weer de fictieve (?) schutters vanuit bomen genoemd. Enkele drukfouten zijn hier verbeterd.

"Als HKL (Hauptkampflinie, lees HWL) war die panzersichere Grebbe [Grift] (rund 6 m breit und durchschnittlich 2 m tief) gut geeignet. Besonders nördlich des Grebbe-Berges begünstigte das allmählich ansteigende Gelände tiefen Ausbau und gute Wirkung ins Vorfeld. [..]
Der rund 200 m breite Niederrhein schützte die rechte Flanke zwischen Grebbe-Berg und Rhenen.
Die Anlagen der ständigen Befestigung bestanden in dem dargestellten Abschnitt aus:

1 Panzergraben [tankgracht] - 6 bis 12 m Sohlenbreite, 1,5 bis 2,5 m tief - vom Niederrhein bis zur Stau Zone [inundatie] (dahinter Stellung der Gefechtsvorposten), der als Panzersperre ausgebauten Grebbe (gleichzeitig HKL),
1 Drahtseilsperre [kabelversperring] gegen Panzerfahrzeuge hart ostwärts der Strassenbrücke über die Grebbe und mehreren behelfsmässigen Betonröhren und Baumsperren [rioolbuisversperringen en verhakkingen]
4 Pak-Schartenstände [P-kazematten]
4 Schartenstände für MG mit 3 Scharten [S-kazematten]
22 Einscharten-Panzertürme (hauptsächlich hinter der Grebbe) [G-kazematten]

Die veralteten Erdwerke am Südostrand de Grebbe-Berges wurden für den Einbau von Dreischartenständen und MG-Stellungen ausgenützt.
Im übrigen bestanden die Kampfanlagen nur aus feldmässigen Stellungen. Bei teilweise tiefer Gliederung sind vier aufeinanderfolgende Linien zu erkennen. Nach niederländische Angaben: "Stellung der Gefechtsvorposten", "Hauptwiderstandslinie" (HKL), und "Stop-Linie". Die vierte Linie, taktisch die zweite Aufhaltelinie an der Bahn ostwärts Rhenen, wurde nicht benannt.
Alle Kampfanlagen waren aus der Luft gut zu erkennen.
Zur Artillerie der Division gehörten 2 Abt 7,5 cm Kan[one]n und 1 Abt 15 cm Haub[itzen], von denen 1 Abt 7,5 cm Kan[onen] zur unmittelbaren Unterstützung der Infanterie auf dem Südflügel eingezetzt und dem Rgt-Kdr unterstellt war.
Artilleristisch ist also eine Schwerpunktbildung nicht zu erkennen. Sie wurde - verspätet - erst während der Kampftage nachgeholt.
Die Batterien standen in feldmässigen Stellungen mit splittersicheren Munitions- und Mannschafts-unterstanden westlich der Bahn Nimwegen-Amersfoort.
Die leichten Infanteriewaffen, die im offenen Gelände nesterweise, im Walde dagegen in ausserordentlicher Dichte linear eingesetzt waren, sollten zusammen mit zug- oder halbzugsweise eingesetzten schweren Waffen das Vorgelände und das Hauptkampffeld lückenlos beherrschen. Die sMG wurden hauptsächlich offen eingesetzt, ihre Wirkung war infolgedessen nur ungenügend ausgenützt. Pak stand beiderseits der Grebbe-Brücke und am Südhang des Grebbe-Berges, die letztere hauptsächlich zur Bekämpfung gepanzerter Flussfahrzeuge.
Feuerzusammenfassungen und Sperrfeuer waren vorbereitet und konnten auf Leuchtzeichen ausgelöst werden.
Da das freimachen des Schussfeldes bis zum letzten Augenblick aus Gründen der Ersparnis verschoben wurden, konnte sich infolge der dichten Bewachsung des Vorfeldes der Feuerplan nicht richtig auswirken.
Der Einsatz zahlreicher Baumschützen sollte dies ausgleichen. [..]
Zusammenfassend kann man feststellen, dass die Niederländer am Grebbe-Berg eine starke Verteidigungsstellung geschaffen hatten. Sie verstanden es jedoch nicht, das für ihre Verhältnisse ungewöhnlich günstige Gelände taktisch so auszunutzen, dass alle Waffen ihre höchste Wirkung entfalten konnte."

De op papier sterke stelling werd dus (tenminste naar de mening van de Duitsers) tactisch slecht benut.
Voor het hele "Fort am Fusse des Grebbe-Berges" lagen nog grachten en prikkeldraadversperringen. Het complex werd in drieën verdeeld door de Rijksstraatweg en de Rijnbandijk. De secties links en rechts van de hoge winterdijk konden elkaar niet zien, en daarom ook geen onderlinge vuursteun geven. Er waren veel boomgaarden die de schootsvelden beperkten. De stellingen zuid van de Rijksstraatweg werden nog beschermd door een grote baggerput.
Door de geïsoleerde ligging O van de Grift van elke sectie, kostte het veel tijd om verband op te nemen met hogere commandanten of met een nevensectie. De communicatie, aanvoer van munitie, olie, levensmiddelen etc. vielen onder vijandelijk vuur snel uit. Na het opblazen van de brug de vorige dag, waren de telefoonverbindingen verbroken (de hoofdkabel liep onder de brug door). Mogelijk was die gebroken kabel oorzaak van een Duitse misvatting, dat de brugdelen als verdedigingsmiddel onder electrische stroom waren gezet.*


* In "Der Durchbruch an der Grebbeschleuse".

maandag 26 december 2011

Feit of fictie

Om dit hoofdstuk af te kunnen ronden, moeten eerst enkele onduidelijkheden uit de weg worden geruimd. Het beste is dan, hiervoor de nu beschikbare gegevens op een rij te zetten. Dan na te gaan, welke conclusies daaruit te trekken zijn. Tenslotte vast te stellen, of dit het gangbare beeld verandert.

Ook nu overheerst nog vaak het beeld, dat het Nederlands leger slecht geoefend, slecht bewapend, en slecht gemotiveerd was. Het moest het opnemen tegen een Duitse overmacht, superieur op alle punten. De uitslag van de strijd stond zo eigenlijk al te voren vast.
Wat er in mei 1940 bij de Grebbeberg gebeurde, kan niet zo eenvoudig worden vastgesteld. Feit en fictie zijn, na zo lange tijd, bijna niet meer te scheiden. Het kluwen aan gegevens kan alleen met veel moeite worden ontward. Er waren en zijn daarom belangrijke verschillen van mening, die nog altijd niet beslist lijken.
Het is in elk geval te simpel, om de versie van Nierstrasz onverkort te blijven volgen. Zeker, omdat dit nu een typisch tijdgebonden lezing blijkt. Gebaseerd op toen bekende (beperkte en deels sterk vertekende) informatie.

Nierstrasz behandelde het verloop van de gevechten op 12.5.40 bij Wageningen zeer uitvoerig, in 112 pagina's [Deel III.3, pag 236-349]. Wat er in zijn opvatting aan Duitse zijde gebeurde, werd in nog geen 20 bladzijden beschreven. Die beknoptheid werd misschien wel de voornaamste bron voor veel latere verwarring. Om dat te illustreren wat voorbeelden uit Hoofdstuk 2. De Strijd bij de IVe Divisie op 12 mei 1940 (De strijd om de Grebbeberg) [Deel III.3, pag. 237, 259, 260, 261, 262, 267].

"Sedert de vroege morgen werd de hoofdweerstandsstrook bij 8 RI systematisch onder artillerievuur gelegd." [..]
"Hoewel de DC [Kol A.M.M. van Loon] schijnt te hebben medegedeeld, dat [..] er bij voortduring, nu hier, dan daar artillerievuur viel, dat ook op Rhenen werd gelegd, [..]."

"Na een hevige artillerievoorbereiding slaagde hij [de vijand] er in, tussen 14.00 en 14.30 de frontlijn bij de Grebbesluis binnen te dringen en zich te nestelen in het bosterrein langs een zandweg, lopende west van de kazematten G.5, G.6 en G.7 en in het terrein ten noorden van ee kunstweg, vanwaar hij zich verder uitbreidde naar het N en het W en in contact kwam met de stoplijn."

"Het artillerievuur van de Duitsers, dat de gehele morgen had geduurd, werd ten slotte geconcentreerd op het Hoornwerk, de omgeving van de Grebbesluis en de voorrand van de Grebbeberg, waardoor de bezetting van de gevechtsopstellingen, voor zoveel niet in de kazematten, in de schuilplaatsen werd gedwongen."

"De kazemat S.4a van de 3e Sectie [1-I-8 RI] was door een voltreffer onbruikbaar geworden."
"De 3e Sectie zw.mitr., in de kazematten G.5, G.6 en G.7, die de vorige dag en in de morgen van 12 mei op verwijderde afstand veel en goed vuur had afgegeven, was tegen de vijand nabij de sluis machteloos door begroeiing, omgeschoten bomen, rook van een brandende boerderij enz. G.5 en G.6 konden geen vuur uitbrengen westelijk van de kabelversperring (vóór het Hoornwerk) en G.7 kon slechts vuren op de Grebbedijk oostelijk van de versperringen. De Duitsers vielen de kazematten in de rug aan."

"De C-3e Sectie [1-II-8 RI] was intussen met zijn mannen op een onjuist bericht van een vluchteling [van I-8 RI, die met verwarde verhalen door de loopgraven trokken] naar de 4e Sectie getrokken en viel daar bij het vallen van de duisternis in handen van de Duitsers. Deze bevonden zich toen zowel op de O.oever van de Grift als bij de gevechtsopstellingen [op de W.oever]. [In een voetnoot nog:] Zoals later zal blijken, hebben de Duitsers tegen dit frontgedeelte een bataljon SSers ingezet, omdat het vuur hinderlijk was voor de langs de kunstweg oprukkende troepen."
"De bediening van de koepels G.20, G.21 en G.22 is met de tirailleurs [geweerschutters] verdwenen. Het vuur van deze koepels was voor de Duitsers zeer hinderlijk geweest."

Zoals gezegd, in recente publicaties wordt dit beeld nog altijd uitgedragen. Bijvoorbeeld in het boek van G. Terwisscha van Scheltinga, "Trouw zonder eer" (2008), pag. 271-272.* Die beschrijving volgt hier onverkort.

"SS-Standartenführer Georg Keppler was vastbesloten om op 12 mei door de Grebbelinie te breken. Anders dan een dag eerder zette hij nu zijn volledige regiment in. III/[SS] "DF" kreeg opnieuw de zwaarste taak. Het moest het Hoornwerk binnendringen, de vernielde brug bij de Grebbesluis passeren en doorstoten in westelijke richting langs de belangrijkste weg over de berg. Deze voerde naar een spoorwegviaduct voor Rhenen. De spoorlijn tussen Rhenen en Veenendaal was het 'Tagesziel'. II/[SS] "DF" zou het 3e bataljon volgen, maar op de Grebbeberg in noordwestelijke richting afbuigen, terwijl I/[SS] "DF" in reserve werd gehouden om na de doorbraak van III/[SS] "DF" 'het bereikte succes door onmiddellijk nastoten te vergroten'. Het regiment ontplooide zich in de gebruikelijke 2+1 formatie: twee bataljons voorop en een erachter.
Om 12.30 uur concentreerde de Duitse artilleriebeschieting zich op de rand van de Grebbeberg. Twee batterijen 150 mm houwitsers beschoten het Hoornwerk; twee afdelingen 105 mm houwitsers de frontlijn daarnaast en daarachter. Een derde afdeling beschoot Rhenen en het viaduct. De Duitsers waren optimistisch over het effect van het bombardement. "Reeds bij het inschieten werd een goede uitwerking (voltreffers op stellingen en in brand geschoten huizen in de stelling) vastgesteld", meldde het oorlogsdagboek van de 207e divisie.
De Nederlandse troepen die deze strategisch belangrijke posities moesten verdedigen waren niet te benijden. Hun munitievoorraad was beperkt, hun moreel onvoldoende, hun stellingen nauwelijks verdedigbaar. De brug over de Grebbe was een dag eerder weliswaar opgeblazen, maar, zo observeerde een Nederlandse sergeant: "Een groot deel van het brugdek is blijven hangen op de sluisbalken." Het Hoornwerk zelf was niet meer dan een aarden wal met loopgraven en enkele kazematten. Het terrein ervoor was onoverzichtelijk door de aanwezigheid van een boomgaard, greppels, droge sloten, struiken en de hoger gelegen Grebbedijk. Ideaal voor de aanval, funest voor de verdediging.
Om 12.50 vielen de Duitsers aan. De 9e compagnie ging voorop, gevolgd en ondersteund door de 12e compagnie die met mortieren en machinegeweren onderdrukkend vuur gaf. Gebruik makend van de vele dekkingsmogelijkheden die het terrein bood, werkten de SS'ers zich snel naar voren. Heinz Harmel beweerde in 1990 dat hij om 13.00 uur als eerste de Nederlandse prikkeldraadversperringen bereikte. "Hij schreeuwt om een kniptang. Terwijl de kogels om z'n oren vliegen, knipt hij een doorgang. De leden van zijn compagnie [9/SS "DF"] en de zware mitrailleurs van Otto Kumm [12/SS "DF"] dekken Harmel door hevig te vuren op de stellingen en de kazemat aan de voet van de berg. Hij bereikt het deels vernielde bruggetje en rent als eerste over de puinhopen naar de overkant. Voor zich ziet hij nog Hollanders naar de bunkers rennnen.
In een chaotisch gevecht slaagden de aanvallers erin de omgeving van de sluis te zuiveren. Daarbij werd de gehele bezetting van de kazemat bij de sluis neergeschoten. Niet veel later drongen ze tot op de Grebbeberg zelf door. De vier kazematten op de zuidoostelijke helling werden bezet. Na een hergroepering in de loop van de middag werd vervolgens ook de gehele noordoostelijke flank langs de Grebbeweg ingenomen."

Wat is in beide lezingen waarschijnlijk een feit, wat vermoedelijk toch fictie ? Dat zal hierna op drie hoofdpunten worden onderzocht:

(1) Koepels en kazematten
(2) Het Duitse vuurschema
(3) SS "DF" en het strijdverloop

Aan het slot volgen nog twee afleveringen. Eerst een overzicht uit Nierstrasz en de gevechtsverslagen. Met het of, wanneer en hoe, dat kazematten werden uitgeschakeld. Daarna een korte samenvatting over de kracht van de HWL, met mijn conclusies.


* Hierbij voor de juistheid van de weergave ter zijde gestaan door A. Goossens, toen redacteur van www.grebbeberg.nl.