dinsdag 11 mei 2010

Toets 1: Onderbouwing

Vooral de volgende passages leverden de onderbouwing voor mijn eerder aangegeven conclusies.

[502001, Berichten II LK] Op 12 mei: "C.-I-15 R.A. meldt: li.[nker]bt.[batterij] onder vuur genomen door vij. [vijandelijke] art. [artillerie]. W.p. [waarnemingspost] Groenebank van III-8 R.A. meldt vurende bt., opgesteld 80 o/oo li. van R.C.K. [Rooms Catholieke Kerk] Wageningen achter laan Nieuwe Haven in vt. [vierkant] 173-442, afstand onbekend. 2 AMC tracht te peilen. (..) "Voorste lijn en stoplijn hebben twee dagen onder hevig vij.[andelijk] a[rtillerie]vu.[ur] gelegen waardoor hoornwerk en koepels op den Grebbeberg buiten gevecht zijn gesteld. Thans ligt de stoplijn wederom onder hevig avu. Uit richting Wageningen, vermoedelijk in stelling op den Wageningschen Berg." (..) Indruk van L.K.C. in den laten avond van 12 Mei betreffende den toestand:
[Het] vij. avu. is ongetwijfeld aanmerkelijk in kracht toegenomen. Toch worden slechts weinig vij.[andelijke] batterijen door de A.I.D. [bedoeld is 2 AMC] gemeld. Wel is geconstateerd, dat vij. art. zeer mobiel is, en veelvuldig van stelling verandert. Sterk[t]e vij. art. is sedert den vorigen dag wel grooter geworden, maar betwijfeld wordt, of het aantal batterijen inderdaad groot is. Zij zijn echter uitermate actief, en schieten zeer goed" (..)


[502022, Dagboek Maj. Kramer, Cdt I-15 RA] Op 11 mei: "± 16.00 van li. bt. Nabij mitraillisten li. van li. bt. zijn eenige [Matige activiteit] vijandelijke projectielen neergekomen.". Op 12 mei: "7.50 aan C.L.K.A. De afdeeling [In hevigheid toegenomen] ligt onder vijandelijk vuur. " (..) "11.45 van Li.bt. Vijandelijk projectiel in batterij gevallen (is later nog eenige malen [Blijkbaar nog altijd storend vuur, of vuur op grote afstand] voorgekomen)." (..) "19.20 van li. bt. Stelling 5 min. Onder vijandelijk vuur met lagen van 2 [Dus afgegeven door een sectie ?] schoten." Op 13 mei: "11.42 van Wp. Vurende vijandelijke art. waargenomen. Doorgegeven aan L.K.A.C."

Het laatste bericht is volgens [502022, Gevechtsberichten Kramer] te herleiden tot: "Vurende vijandelijke artillerie waargenomen in lijn 173,00 - 442,80 175,00 - 442,75 breed 100 m [Blijkbaar één batterij, in stelling bij Dorskamp]."

[502029, Kapt. J.G. Vorstman, Cdt 2-II-19 RA] Op 11 mei: "Vanaf omstreeks 8.00 uur komt het eerste vijandelijke artillerievuur op de Grebbelinie in onze omgeving los. Meerdere Duitsche veld-batterijen zijn in actie; links en achter ons op afstanden van ongeveer 500 à 1000 meter barsten de granaten uiteen." Op 12 mei: Zondagochtend vrij vroeg begint de beschieting weer, in veel sterker mate dan gisteren en met geregelde tusschenpoozen." (..) De scherfwerking van het vijandelijk vuur lijkt ons slecht. (..) Het kaliber waarmee wij nu bewerkt worden is 20 centimeter en grooter." Op 13 mei, nu vanuit de stelling bij de Steenfabriek van Remmerden: "In het begin nog niet zoo, doch later barst overal artillerievuur rondom ons uiteen, terwijl ook bombardementen vanuit vliegtuigen hand over hand toenemen. Tallooze malen cirkelen verkenningsvliegtuigen over ons en andere stellingen heen."

[506001, Verslag Kol. A.M. Van Loon, Cdt IV Div, met aantekeningen van GenMaj J.H. Harberts, Cdt II LK] Op 11 mei: "Pl.m. 2.00 à 2.30 uur vijandelijke artilleriebeschietingen ingezet, hoofdzakelijk op voorpostenstrook. Later verlegd op hoofdweerstandsstrook.(..). De eigen artillerie op den Grebbeberg lag onder zwaar artillerievuur. (..) De waarnemingspost op den Grebbeberg werd uit een boom weggeschoten." Op 12 mei: Inmiddels was vijandelijke beschieting reeds vroeg 2.00 à 2.30 ingezet op Oostrand Grebbeberg en langdurig volgehouden. (..) Te X. uur werd het vuur Noordwaarts verlegd en aanval op Grebbesluis ingezet." Op 13 mei: "Ik verzocht den aanval op het terrein Oost van de Grift te leggen en vooral ook niet te vergeten de vijandelijke artillerie die gepeild was nabij Nol in 't Bosch (noord van Renkum).
Deze artillerie, die buiten bereik onzer eigen artillerie stond, berokkende ons groote schade en vele verliezen.
Ik heb later vernomen, dat dit geschut van 15 en 21 centimeter zou zijn geweest."

[507020, Verhoor Kapt. T. Dales, Cdt MC I-8 RI] Op 12 mei: "Weer hevig avu. Ik vermoedde [!] dat de Duitsche Artillerie opgesteld was Zuid van de kunstweg ter hoogte van de landbouwschool te Wageningen (Wageningsche Berg). Maandagmorgen [13 mei] lag het artillerievuur op de stoplijn."

[511005, Verslag Tlt. J.U. Terpstra, AIO bij III-8 RI] Op 11 mei [M.b.t. nacht 10/11 mei]: "Het lijkt of van zeer ver ook vijandelijke artillerie op de Grebbestellingen schiet, vooral ten Noorden van ons." [Over de gebeurtenissen op de dag zelf]: Vijandelijke artillerie schiet af en toe op de Grebbeberg of op de stellingen daar vlak vóór. (..) Vijandelijke artillerie gaat intusschen door met schieten op de Grebbeberg en op de Voorpostenstrook. Explosies bij Anna's Hoeve, waarbij veel zand opgeworpen wordt, doen vermoeden dat de vijand daarop inschiet, niet versneld." (..) Van de vijand kan ik, ook met de kijker, niets ontdekken, evenmin zie ik de mondingsvlammen van de vijandelijke artillerie, die nu weer af en toe over ons heen schiet op de stellingen van de Grebbeberg. Het uitzicht is niet zeer goed, daar boomgaarden het terrein te veel opvullen." (..) Bij het naderen van de Bastions zie ik rechts van mij 3 witte sterren omhooggaan en wordt het stormvuur blijkbaar afgegeven [Vermoedelijk was dit echter een Duits signaal, dat "Hier eigen troepen" aangaf]." (..) Vijandelijke artillerie houdt dit gedeelte onder vuur met enkele schoten die tijdprojectielen schijnen te zijn, daar een er van, die niet ver van mij springt, volstrekt geen zand opgooit."

[511015, Overzicht van de vuren, afgegeven door III-8 RA, Lkol J.M. de Kruijff, Cdt 8 RA]. T.m. 12 mei waarnemingen op auto's. Vijandelijke artillerie in het voorterrein, vermoedelijk infanteriegeschut. Op 13 mei: "10.40 3-III-8 [RA] Vijandelijke artillerie in stelling bij Bornsche Steeg [NW-ZO lopend door vt 173-44]".

[511015, Gevechtsbericht 13 mei, Kapt. J. van 't Land, Cdt III-8 RA] Als mededeling omtrent bijzondere gevechtsvoorvallen: "Te pl.m. 10.20 uur vuurt de Rechter Batterij [1-III-8 RA] op vijandelijke artillerie, bij fabriek" [Drukkerij Vada, vergelijk 511019, Dagboek Kapt. H. Ballot] in vt. 173 - 441.

[511019, Dagboek Kapt. H. Ballot, Cdt 1-III-8 RA] Op 11 mei: "De vijand heeft blijkbaar in den nacht artillerie in stelling gebracht, en de eerste granaten suizen aan. Het is geen bepaald gericht vuur." (..) We komen meer onder vuur te liggen, de projectielen knallen met een scherpe droge knal boven ons hoofd. Het is blijkbaar tijdvuur van licht geschut. Men brengt mij wat scherven en buizen. De laatsten zijn van een bijzonder licht soort witmetaal, met weinig koper eraan. Veel van 's vijands vuur begrijpen we niet, maar het is gemakkelijk dat hij in deze storende vuren zo methodisch te werk gaat. Eerst zien wij de lagen boven Rhenen, dan volgt de Koerheuvel en omgeving, dan zijn wij aan de beurt en dan wordt het vuur nog een of twee etappes naar links [Naar het N gelet op de andere stappen] van ons verplaatst en zoo herhaalt zich dat." (..) De midden batterij (3e batterij) vuurt nu op gerij, waarschijnlijk ook weer artillerie in stelling komende bij de Slagsteeg [Vlg 511002, Gevechtsbericht 12 mei 8 RA op 12 mei, 12.32 uur, vt 171,90 - 444,25 snijpunt harde en landweg - naderende Duitsche motorcolonnes]." Op 12 mei: "De vijandelijke artillerie laat zich ook niet onbetuigd en we zien zwaar vuur even rechts [Z] van ons liggen boven de Laarsche Berg. Ook wij liggen meer en meer onder gericht vuur." Op 13 mei: "De afdeelingswaarnemingspost Groenebank is verlaten, sinds de Cadet Vaandrig Wynekes daar wat pijnlijk vandaan is komen zetten, met een stijve schouder van een matte [weinig snelheid meer hebbende] scherf." (..) Even 6 uur (..) Meer naar rechts in de richting van de grijze loods, het veilinggebouw aan de [Oude] Haven te Wageningen moet een batterij staan die het ons lastig maakt. Ook in de nacht hebben we daar zien vuren. Trouwens, met vrij groote zekerheid hebben we het mondingsvuur gezien van een batterij die we peilen in de richting van Hotel de Wageningsche Berg. De ontbrandingen corresponderen precies met de dan even later in onze omgeving neerkomende projectielen. Een ruwe berekening van geluid, snelheid en vluchttijd, bevestigt onze veronderstelling, dat deze batterij ongeveer bij het Hotel moet staan en dus buiten ons bereik ligt."(..) De vijandelijke artillerie is blijkbaar in de nacht versterkt en meer en meer komen we onder vuur te liggen. Rechts voor ons gaan eenige barakken in Achterberg in vlammen op, en overal zijn springpunten in de lucht en aanslagen. Het vuur wordt blijkbaar geleid door een vliegtuig, dat ijverig af en aan vliegt. (..) Carbin leidt nog een vuur op een artillerieopstelling even links van de drukkerij (Vada) die daar aan de rand van het stadje (Wageningen) staat, met de middenbatterij."

[512016, Verslag Maj. J. F. Grosjean, Cdt I-12 RA] Op 12 mei: "Betrekkelijk rustige nacht. Op de stelling en op de omgeving daarvan ligt vijandelijk vuur van een batterij, die ergens achter Wageningen staat." Op 13 mei: "In kh [kaarthoek] 18.20 [In deze richting ligt Dorskamp] wordt vanuit de wp. een vurende vijandelijke batterij waargenomen. Op ons stellingterrein ligt des morgens vuur."

Toets 1: Ervaringen

Bij het inschetsen van de vermoede Duitse stellingen, zijn aannames gebruikt. Dat was nodig, omdat het bronnenmateriaal niet op alle vragen antwoord kan geven. Er is veel materiaal verloren gegaan, onbruikbaar geworden, of zonder verdere toelichting onbegrijpelijk. Na zoveel tijd zijn ontbrekende gegevens vaak niet meer te achterhalen, en onduidelijkheden zelden weg te werken.

Enkele, lang als vaststaand aangenomen, gegevens blijken nu onjuist te zijn. Collega-onderzoekers van www.grebbeberg.nl hebben aan deze verbeterde beeldvorming bijgedragen. Eigen onderzoek heeft ook verrassende resultaten opgeleverd.

Zo werd duidelijk, dat III/AR 311 al sinds 1939 de "zware" vierde batterij van AR 207 vormde. Ook, dat dit een bespannen afdeling was, met 15 cM-geschut nog uit WOI. Deze eenheid bestond hoofdzakelijk uit reservisten, van een landweerregiment. Ook Duitsland zette voor een grootscheepse operatie vrijwel alles in wat het had.
IV/AR 256 en s Art Abt 735 waren in mei 1940 nog zelfstandige eenheden. Niet in vast groter verband ingepast. In Duits militair jargon "Heerestruppen". Vergelijkbaar met de Nederlandse "Legerartillerie" uit 1940. Naar behoefte in te delen bij Legerkorpsen en Divisies. In flink wat gevallen werd een eenheid daarvoor zelfs opgesplitst. Dat gebeurde aan onze kant evengoed.
De 21 cM Mörsers 18 waren gloednieuwe wapens, beschikbaar gekomen in 1939. Volgens Duitse onderzoekers werd s Art Abt 735 pas in januari 1940 opgesteld en uitgerust, in Wehrkreis XI.

Niet in de stukken aangetroffen werd, wanneer het eerste Duitse geschut "op de Wageningse Berg" aankwam. Ook niet, wanneer de Mörsers (twee van drie batterijen ?) precies tot vuren gereed stonden bij ID 207. En vooral niet, waar de op het Grebbefront ingezette eenheden (welke waren dat ?) van dag tot dag hebben gestaan. Hierover meer duidelijkheid te krijgen, was het doel van deze studie.

Werkhypothesen vragen om een toets, om vast te stellen of ze de werkelijkheid geen geweld aandoen. Een eerste controlemogelijkheid leveren de door Nederlandse militairen en burgers opgetekende ervaringen. Daarnaast zijn nog wat nieuwe aanknopingspunten gevonden in Duitse publicaties en foto's.

In de gemaakte schetsen zijn, voor de volgorde van optreden en plaatsing, als aannames verwerkt:


Deze hoofdlijn stemt goed overeen met de ervaringen, vastgelegd in de gevechtsverslagen en rapporten, [NIMH Coll 409 -]:

(1) Het Duitse artillerievuur nam in de loop van de gevechtsdagen merkbaar in kracht toe [502001, Harberts; 509029, Vorstman; 502003, De Klerck; 511019 Ballot]
(2) Het vuur werd in de volgende dagen naar voren verlegd. Eerst voornamelijk op het Voorpostengebied en de voorrand van de Grebbeberg, daarna vooral op de stoplijn en de Laarser Berg, tenslotte op Rhenen en de spoorlijn. Op 11 mei lag vrijwel alleen II-19 RA nog onder vuur, al kreeg die dag ook Rhenen al te maken met beschietingen. Op 12 mei werd het vuur bij II-19 RA zo hinderlijk, dat de afdeling teruggetrokken moest worden. Later meldden ook I-15 RA, en I-12 RA in zwaarte toegenomen beschietingen [502001, Harberts; 509029, Vorstman; 50218, Felderhof; 502022, Kramer; 507020, Dales; 511019 Ballot]
(3) Op 11 en 12 mei werd, vooral door 8 RA, W van de lijn Wageningen - Bennekom "Duitse artillerie" waargenomen en bevuurd. Dit was toen waarschijnlijk infanteriegeschut. Mogelijk ook andere gemotoriseerde eenheden, waaronder luchtdoelartillerie. In de avond van 12 op 13 mei werd opnieuw "Duitse artillerie" waargenomen door 1-III-8 RA, nu W van Wageningen. Bij het Veilinggebouw en bij drukkerij Vada. Die melding beoordelen we anders, als vermoedelijk III/AR 311 [511002, Gevechtsberichten I-8 RA 11, 12, 13 mei; 511003, De Klerck; 511015, Vuren III-8 RA; 511019 Ballot].

De onderbouwing van deze conclusies volgt in een nieuwe aflevering.

vrijdag 7 mei 2010

Stellingen 13 mei

In de ochtend van 13 mei kreeg X AK de opdracht, een doorbraak te forceren in de Grebbelinie, en door te stoten richting Utrecht. In het vak van ID 207, waren III/ en 15/ SS "DF", op de Grebbeberg nog in hevig gevecht. Deze eenheden werden door IR 322 afgelost. De twee andere bataljons van SS "DF" werden niet vervangen door verse troepen, maar kregen opdracht terrein te winnen richting Achterveld. Daarbij zo nodig in te draaien naar Rhenen, in een tangbeweging met IR 322.

Voor de aanval stonden in totaal vijftig Duitse stukken tot vuren gereed:
1) II/AR SS, met 12 stukken 10,5 cM le FH 18
2) III/AR 207, met 12 stukken 10,5 cM le FH 16
3) III/AR 311, met 12 stukken 15,0 cM s FH (lg) 13
4) 10, 11/AR 256, met 2 x 4 stukken 15,0 cM s FH 18
5) s Art Abt 735, met 2 x 3 stukken 21,0 cM Mörser 18

Deze waren in twee groepen verdeeld.
Als Divisie-artillerie de eenheden 1) tm 3), de met II/AR SS versterkte Gruppe Metger. II/AR SS zou de SS-bataljons steunen. "Twee afdelingen, waaronder minstens (!) 1 zware", zouden IR 322 steunen [NIMH Coll 401, Inv Nr 1984]. Er was maar één "zware" afdeling beschikbaar.
Als "Schwerpunktsgruppe" werden de eenheden 4) en 5) ingezet. Deze groep moest verkende Nederlandse artillerie bestrijden, en een aantal opgegeven sleutelpunten uitschakelen.

II/AR SS zou oorspronkelijk verplaatst worden naar het gebied W van Wageningen. Maar deze verplaatsing werd niet uitgevoerd. II/AR SS bleef staan in de Villawijk.
Volgens het artilleriebevel van Arko 22, moest III/AR 207 zich op een snelle stellingwisseling voorbereiden.
III/AR 311 kwam W van Wageningen te staan, zoals blijkt uit de eerder vermelde verliesopgaven over de nacht van 12 op 13 mei.
Waarschijnlijk namen de andere eenheden ook nieuwe stellingen in. In het verslag van Arko 22 staat in elk geval, dat de Mörsers "bij het aanbreken van de dag tot vuren gereed stonden" [NIMH Coll 401, Inv Nr 2030]. Voor de stelling van 10/AR 256 worden in het bevel aan de piloot van het verkenningsvliegtuig door Arko 22 onduidelijke coördinaten gegeven: "Rechts 74 810, Hoch 43 090" [NIMH Coll 401, Inv Nr 1983]. Mogelijk moeten we lezen "174,81 - 443,09", in nieuwe Nederlandse stafkaartcoördinaten. Als 10/AR die dag al zover naar het W geschoven was, stond de Divisie-artillerie links van de noord-zuidlijn over deze stelling. We vermoeden die eenheden dan zelfs nog 300 - 500 m verder W.

Aannemelijk is, dat bijna alle Duitse batterijen in de nacht of vroege ochtend van 12 op 13 mei (opnieuw) werden verplaatst. Een verplaatsing over 2 - 3 km ligt voor de hand. Aan onze kant waren II-19 RA, en drie batterijen van 8RA, over dergelijke afstanden teruggehaald uit de stellingen op de Grebbeberg.

Onduidelijk is nog (zie boven), of ook de Mörsers verplaatst werden. Dat was, gezien de dracht van deze stukken, niet nodig. En Arko 22 bleef in Belmonte, terwijl het stafkwartier van II/AR SS en de Gruppe Metger naar een plek 2 km west van Wageningen (vermoedelijk naar Anna's Hoeve) ging. Verondersteld wordt daarom, dat de Mörsers zijn blijven staan op de voor 12 mei ingetekende plaats.

Op grond van de voorgaande gegevens, komen we tot de volgende inschatting voor de Duitse stellingen op 13 mei. De kaart (uitsnede uit een Truppenkarte van 1942) loopt van x = 173 tot 176, y = 441 - 444. De Mörsers vallen buiten dit gebied. De ingetekende stellingen voor III/AR 207 zijn het meest onzeker.


In het volgend overzichtskaartje zijn ook de stellingen van de Nederlandse artillerie in het vak van IV Div ingetekend, met hun bereik. De dracht is hierbij, net als die van het Duitse geschut, gesteld op ongeveer 80% van het theoretisch maximum.


Af te lezen is, dat, op de vermoede posities, s Art Abt 735 vrijwel buiten schot was. Alleen I-12 RA had (als er geen vuurbeperkingen waren) een grotere dracht. Dat is een sterk argument voor een achterwaartse opstelling van deze batterijen. De overige Duitse eenheden hadden deze mogelijkheid niet, wilden zij de aangewezen doelen kunnen bereiken.

2-I-12 RA (de 2e batterij in verwisselstelling) had, volgens Nierstrasz, wel vuurbeperkingen. Een brandende vraag is dan, waarom 4-I-12 RA (de 4e batterij in normaalstelling), I-16 RA, en I-8 RA (7 Veld afdelingen van de Divisie-artillerie), niet veel meer ingezet zijn op bestrijding van vijandelijke artillerie. Die vraag wordt in de volgende aflevering opgepakt. Samen met een eerste toets op de nu ingeschetste Duitse stellingen.

donderdag 6 mei 2010

Stellingen 12 mei

In de ochtend van 12 mei stonden "O van Wageningen" de volgende Duitse afdelingen en batterijen tot vuren gereed:
1) II/AR SS, met 12 stukken 10,5 cM le FH 18
2) III/AR 207, met 12 stukken 10,5 cM le FH 16
3) 10, 11/AR 256, met 2 x 4 stukken 15,0 cM s FH 18

In de loop van de dag (waarschijnlijk rond de middag) kwam beschikbaar:
4) III/AR 311, met 12 stukken 15,0 cM s FH (lg) 13

Hier kwam ook in de loop van de dag (waarschijnlijk tegen de avond) nog bij:
5) s Art Abt 735, met 2 x 3 stukken 21 cM Mörser 18.

Aangegeven doelen voor deze eenheden waren:
II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311 (de Groep Divisie-artillerie), versterkt met 11/AR 256, moesten directe steun geven aan de oprukkende infanterie.

Toedeling als volgt volgens KTB's en Bijlagen:
III/AR 207 en III/AR 311 directe steun aan het bataljon N van de kunstweg Wageningen - Rhenen, III/SS "DF"
II/AR SS, 10, 11/AR 256 directe steun aan het bataljon Z van deze weg, II/SS "DF"

De zware artillerie, onder commando van Arko 22, en met hulp van artilleriewaarnemers (Geluid-, en Lichtmeetgroep, Artillerieverkenningsvliegtuigen, vooruitgeschoven artilleriewaarnemers op de grond) werd gebruikt als "Schwerpunktsgruppe" om de toegang naar de Grebbeberg te forceren. Zij bestreden artillerie op de Grebbeberg en bij Rhenen, en moesten flankerende gevechtsposten uitschakelen en verzetshaarden opruimen.

Van 14.00 uur tot 14.20 uur Duitse tijd (Nederlandse tijd 1 uur en 40 minuten vroeger) was een vuurconcentratie bevolen van vijf afdelingen, vooral op een aantal met nummers aangegeven gevechtsposten. 1 Afdeling vuurde N van de Grebbesluis op bunkers nr 47 a-c, 2 afdelingen op bunkers 36 a en b bij de Grebbesluis, 1 afdeling op hoogte 53 (bij buurtschap De Dijk), 1 afdeling op bunkers in de linie Ochten-De Spees. Het Hoornwerk werd hierbij blijkbaar niet speciaal beschoten. Bovendien werd vermoedelijk vooral met brisantgranaten versneld geschoten, tegen personeel ("zachte" doelen).

De vuurconcentratie werd later ingezet, door verlate aankomst van een bespannen afdeling. Vermoedelijk ging het hierbij om III/AR 311.
Met dezelfde aannames als voor 11 mei zijn de (vermoede) stellingen ingetekend op het volgend kaartje. Een detailkaartje is aan het eind toegevoegd.
Het bereik van de Mörsers wordt getaxeerd op 14 km. Dat valt over de westgrens van dit kaartje.


Het is verleidelijk, te speculeren over welke eenheid bij de vuurconcentratie welke opdracht heeft gehad.
Aannemelijk is, dat II/AR SS de linie Ochten - De Spees beschoot. Verder zullen III/AR 207, en III/AR 311 de noordelijke doelen hebben bevuurd. Het zware geschut zal vermoedelijk ingezet zijn op de punten bij de Grebbesluis, inclusief de voorrand van de Grebbeberg.

II/AR SS is blijven staan in de Villawijk. Op dit gebied is nauwelijks Nederlands vuur afgegeven. Er is wel een enkel schot op het Ziekenhuis gevallen. Een afzwaaier uit een vuurconcentratie aan de Oostingang van Wageningen ? Bron hiervoor:
http://www.wageningen1940-1945.nl/
Via doorklikken vanuit het blokje "Wageningen 1940 1945" op de homepage, dan: "Gebouwen", "Gebouwen en straten 1940", "Ziekenhuis Ziekenzorg". Deze bron vermeldt:

"Op 17 mei werd een delegatie van “Ziekenzorg” naar Wageningen gestuurd om de situatie daar op te nemen. Een granaat had de gang en de operatiezaal van het ziekenhuis ernstig beschadigd."

III/AR 207 en III/AR 311 zijn ingetekend op de Eng, naar aanleiding van mededelingen van een enkele getuige die als kind van ongeveer tien jaar, het gebeuren van nabij meemaakte, Jaap van Tricht. Er is daarbij wat onduidelijkheid over data en tijdstippen. Hij kon zich helaas ook weinig details meer herinneren.

Op grond van onnauwkeurige waarnemingen en meldingen in Nederlandse krijgshistorische bronnen, is aangenomen, dat het zware geschut die dag in de Bosrand heeft gestaan. 10, 11/AR 256 vermoedelijk bij "Dorskamp". S Art Abt 735 vermoedelijk ongeveer 250 m meer N. Het raster geeft afstanden van 500 m.

De vermoede locaties zijn, gelet op bodem en schootsvelden aannemelijk. De ingetekende gegevens zullen in een later stadium nog aan waarnemingsmateriaal van I-8 RA en III-8 RA, worden getoetst. Dat is een bron die blijkbaar tot nu toe door niemand werd gebruikt. Hard bewijsmateriaal is tot nu toe niet gevonden.

De volgende detailstudie laat zien, dat het niet meevalt, de aangegeven batterijen op de vereiste manier te plaatsen. Tenminste niet, in het nog vrij beperkte gebied van de Eng en omgeving. Zeker niet op de aangenomen plaatsen. De plaatsing is hier en daar wel voor verbetering vatbaar. Maar alternatieven zijn er nauwelijks.
Ondergrond vormt opnieuw foto nr. 1838, uit de Speciale Collectie luchtfoto's 1939/1940 van de WUR.

woensdag 5 mei 2010

Stellingen 11 mei

Met de nu verzamelde gegevens kunnen de stellingen van de Duitse artillerie dag voor dag worden ingetekend. Er wordt hierbij als volgt gewerkt:

- Startpunt leveren de gegevens uit de KTB's. Hieruit blijkt, welke eenheden zijn ingezet. Deze zijn vermeld in het opmarsschema van de aflevering "Plaatsen" (dinsdag 26 mei 2009).
- Uit KTB's met bijlagen is meestal ook bekend, welke doelen door welke eenheden werden bevuurd.
- Dan wordt vastgesteld, in hoeverre bekende waarnemingen van Duitse artilleriestellingen bruikbaar lijken.
- Door intekenen is tenslotte nagegaan of de stellingen ook aan technische eisen voldoen.

In de laatste stap is het bereik van de 21cM Mörsers 18 op 14 km gesteld, van de 15,0 cM s FH 18 op 10 km, van de 10,5 cM le FH 18 en 16 op 8 km, en van de 15,0 cM s FH 13 op 7 km. Dat is enkele km minder dan de dracht. Die bedroeg bij de zwaarste lading op papier resp. 16,7 km, 13,25 km, 10,675 km, 9,225 km, en 8,675 km.
Er is hierbij rekening gehouden met het feit, dat vuren met de zwaarste lading de trekken en velden van de loop snel beschadigt. Dat zal in het algemeen worden vermeden. Bovendien is met name voor de Divisie-artillerie van belang, dat deze ook vuur enkele km achter de hoofddoelen kan leggen. Daarmee de aanvoer van nieuwe troepen en bevoorrading stoort, achterliggende steunpunten onder vuur neemt, en de eigen infanterie bij een opmars enige tijd kan volgen zonder van stelling te veranderen.

Op 11 mei waren nog maar drie afdelingen inzetbaar. De overige bevonden zich nog bij Oosterbeek, tever naar achteren. In afwijking op mijn eerder opgesteld schema is nu (volgens de gegevens uit de KTB's) aangenomen, dat s Art Abt 735 die dag nog niet bij ID 207 inzetbaar was. Wel inzetbaar waren II/AR SS met 12 stukken 10,5 cM le FH 18, III/AR 207 met 12 stukken 10,5 cM le FH 16, en 10, 11/AR 256 met 8 stukken 15,0 cM s FH 18.

Het volgende kaartje geeft de vermoede stellingen aan voor deze afdelingen. Het weergegeven gebied ligt tussen de coördinaten x = 166 tot 180, en y = 438 tot 448.


De stellingen zijn ingetekend aan de hand van de ooggetuigenverslagen van de heren F.A.J. Mesker, en G. van der Schouw. Beide verklaringen zijn tegenstrijdig voor het aantal waargenomen vuurmonden. De eerste meldt een opstelling van 5 stukken in de Le Maitreweg, de tweede één van 3 stukken. Verder werd deze opstelling door beiden als zwaar geschut aangegeven. Maar een batterij heeft, tenzij er uitval was, vier stukken. En een opstelling van zwaar geschut in front van een van licht geschut, is niet waarschijnlijk.
Eerder aannemelijk is, dat in Renkum tussen de Le Maitreweg en de Schaapsdrift III/AR 207 heeft gestaan. In een lijn minstens 500 m hierachter, van de Lindelaan naar de Keyenberg, bovendien de twee batterijen van IV/AR 256. Toegevoegd werd, op grond van andere gegevens, II/AR SS, die naar ik nu aanneem (in afwijking op mijn eerder schema) die dag al in Wageningen stond, in de Villawijk op de Berg.

Deze stellingen liggen alle in stedelijk gebied (woonwijken). Dat geeft een uitstekende bescherming tegen waarneming. Geluid wordt verstrooid en afgebogen, licht wordt afgeschermd.
Grondsoort en relief moeten hier geen belemmering hebben gevormd. De bodem ter plaatse is vlak en stevig.

Aangenomen is een hoofdrichting ongeveer W, en een schootsveld van circa 60 graden. De vuursectoren zijn ingetekend op een lengte van 3 km, om een idee te geven van de schaal. De grote cirkelbogen begrenzen voor elke eenheid de aangenomen dracht.

In de nacht van 10 op 11 mei zijn storende vuren afgegeven. Deze waren ook gericht op vermoede Nederlandse artilleriestellingen. De opdrachten voor de aanval op de Voorposten waren op 11 mei:

*II/AR SS (in groen), ondersteunt I/SS "DF", N van de kunstweg Wageningen - Rhenen
*III/AR 207 (in blauw), ondersteunt III/SS "DF", Z van deze weg.
*IV/AR 256 (in rood), bestrijdt artillerie bij Rhenen.

Als II/AR SS wat meer naar het N, en III/AR 207 flink meer naar het Z gedraaid stond dan hier ingetekend, was er geen sprake van kruisende vuren. Dan schoot III/AR 207 waarschijnlijk ook net niet over de stellingen van II/AR SS. De afstand (ruim 3 km) zorgde trouwens, dat dit probleemloos kon. Omdat IV/AR 256 opdracht had de verst gelegen doelen te bevuren, was ook daar geen probleem. Duidelijk is, dat III/AR 207 de Grebbeberg niet eens haalde, en dat IV/AR 256 op hoogste afstand moest werken, om over de spoorlijn Kesteren - Amersfoort te komen. De stellingen W van de spoorlijn lagen op de grens van het bereik van II/AR SS, een afdeling licht geschut. Dat verklaart, waarom op de eerste dag van strijd bij de Grebbeberg het Duitse vuur niet als zwaar ervaren werd.

dinsdag 4 mei 2010

Geen geschut op de Wageningse Berg ?

Gisteren werd het zoekgebied voor de Duitse stellingen bepaald. Daarbij werd het beboste deel van de Wageningse Berg door mij zonder meer afgeschreven. Alleen de Bosrand en de Villawijk bleven over.

Deze drastische beperking, vraagt een nadere toelichting. Want in de voornaamste krijgsgeschiedkundige bronnen worden, zo op het oog, nog een flink aantal andere locaties op de Wageningse Berg genoemd. Die bronnen zijn de Enquete Regeringsbeleid 1940-1945 [Enq], de Groene Serie, uitgegeven onder redactie van GenMaj. tit. b.d. V.E. Nierstrasz [GS], en de Nederlandse gevechtsverslagen en rapporten die daarvoor als basis dienden [NIMH Coll 409]. Meldingen, met vindplaats en datum waarneming, waren:

1) "Zware artillerie op Wageningse Berg en tusschen Heelsum en Renkum", [NIMH Coll 409, Inv Nr 509014 (Kapt. G. Cornelissen), 11 mei]
2) "Bij Lexkesveer", [NIMH Coll 409, Inv Nr 509006 (Maj. C.J. Voigt), 11 mei]
3) Bij de kruising Diedenweg-straatweg naar Arnhem, "Vijandelijke art. ontdekt door afgevoerde Ned. krijgsgevangenen", [GS, III.3, Schets/Kaart Nr C.5, 11 mei]
4) Zuid van de kunstweg t.h.v. de landbouwschool te Wageningen (Wageningsche Berg)", [NIMH Coll 409, Inv Nr 507020 (Kapt. T. Dales), 12 mei]
5) "Bij de D van Dorskamp", [Enq, Bijl IB, p. 155, Verslag CV (LtGen. J.J.G. Baron van Voorst tot Voorst), 12 mei]
6) In de Boszoom, "Art. opstelling onnauwkeurig vastgesteld" [GS, III.3, Schets/Kaart Nr C.10, 12 mei]
7) "Vijandelijke artillerie [2,5 km] NO van Wageningen" [GS, III.3, p. 341, 12 mei, NIMH Coll 409, Inv Nr 502013 (P.J.A. Bartels), 12 mei, Enq, Bijl IB, p. 155, Verslag CV (LtGen. J.J.G. Baron van Voorst tot Voorst), 12 mei, NIMH Coll 409, Inv Nr 446123 (Elt-vl. R. Hofstede), 13 mei]
8) "In vt. 176-443" [Enquete, Bijlage IB, p. 155, Verslag CV (LtGen. J.J.G. Baron van Voorst tot Voorst), 12 mei]
9) "Vijandelijke artillerie vt. 176,12-443.05" [NIMH Coll 409, Inv Nr 502013 (Kol. P.J.A. Bartels), 12 mei]
10) "Bij de O van Oranje Nassau Oord", [Bevel Aan C-I-1 LvR, voor bombardement, OLZ (Gen. H.G. Winkelman), 13 mei]
11) "Gepeild nabij / in stelling gebracht bij/ Nol in 't Bosch (Noord van Renkum)" [NIMH Coll 409, Inv Nr 506001 (Kol. A.M.M. van Loon), Inv Nr 506001 (Kapt. K.F. Puffius), 13 mei]

Duidelijk is, dat de plaatsopgaven maar benaderingen zijn. Dat blijkt al uit aanduidingen als: "Bij", "onnauwkeurig vastgesteld". Maar ook de met coördinaten aangegeven stellingen zijn weinig exact. Want zelfs peilingen waren niet nauwkeurig. En een stelling van een afdeling kan, vanwege de vereiste tussenruimte voor de batterijen, gemakkelijk een gebied van 400 m x 400 m beslaan. Dat blijkt soms wel uit de stukken zelf. In het bevel voor het bombardement op 13 mei staat letterlijk:

"1. Vijand stootte op 12/5 door in de lijn Renkum-Wageningen-Rhenen en bereikte de oostrand van de Grebbe onder steun van artillerievuur uit opstellingen, gelegen in westelijke bosrand vt. 36-38 [coördinaten in de oude TK-bladen volgens Bonne-projectie] bij O van Oranje-Nassau-Oord."

Uit vergelijking tussen een oude en een nieuwe TK voor het gebied bij Wageningen is op te maken, dat hiermee een plek bij Dorskamp bedoeld wordt.
De opgegeven coördinaten zijn fout. De coördinaten van de oude bladen liepen West-Oost van 0 tot 40, Zuid-Noord van 50 tot 75. Vermoedelijk werd vt. 36-68 bedoeld. Dit is een vak van 1.000 m x 1.000 m. In nieuwe coördinaten het vak met hoekpunt linksonder 176,34-442,74.

Het lijkt tegen deze achtergrond het beste, nabijgelegen locaties samen te nemen. Groepering levert de volgende locaties op:

* Tussen Heelsum en Renkum, voor 11 mei, uit 1).
* Wageningse Berg/Bij Lexkesveer/Kruising Diedenweg-straatweg/Z van de kunstweg t.h.v. de LH, voor 11 en 12 mei, uit 1), 2), 3), 4).
* Bij de D van Dorskamp/2,5 km NO van Wageningen/ In vt. 176-443, vt. 176,12-443,05/Bij de O van Oranje Nassau Oord, voor 12 en 13 mei, uit 5), 6), 7), 8), 9), 10.
* Nol in 't Bosch, voor 13 mei, uit 11).

Tussen Renkum en Heelsum stond inderdaad op 11 mei veel Duits geschut, zoals we uit andere bronnen weten. Dit waren vermoedelijk twee actieve, en nog twee in reserve gehouden, afdelingen. In voorste lijn III/AR 207, daarachter IV/AR 256 (min 12, toegevoegd aan ID 227). Beide actief. Vermoedelijk kwam 10/AR 256 pas later op de dag in actie en moest dan wellicht in tweede lijn staan. Deze batterij was namelijk ingedeeld bij de Afdeling von Scholz. Die afdeling werd, vanuit Dieren, in de ochtend in mars gezet naar de SS-groep. Vóór het begin van de aanval op de Voorposten waren de eenheden uit de Afdeling von Scholz in elk geval ter plaatse. Een wat latere aankomst van 10/AR 256, met als mogelijk gevolg plaatsing in tweede linie bij Heelsum, vormt een nieuw gezichtspunt.
Volgens de officiële verslagen had ID 207 op 11 mei nog niet de beschikking over Mörsers. Een opstelling daarvan in achtertuintjes is, gezien de verwoestende kracht van de gassen bij het afgeven van een schot, niet waarschijnlijk. Onze eerdere opvatting wordt hiermee herzien.
In de buurt van Oosterbeek stonden nog twee afdelingen in reserve: II/AR 207, en III/AR 311. I/AR 207 was in opmars richting Ede. II/AR SS stond mogelijk al in de Villawijk. Dat is ook een nieuw gezichtspunt.

Het laatste zou de waarnemingen van artillerie op de Wageningse Berg uit de tweede groep volledig kunnen verklaren. Een opstelling zo ver vooruit, zou ook vanuit de bevelvoering begrijpelijk zijn. Twee bataljons (de derde in reserve daarachter) van SS Rgt "DF" waren immers belast met de aanval op de Voorposten op 11 mei 1940.

Een opstelling van zwaar geschut "bij" Nol in 't Bosch is minder waarschijnlijk. Meer voor de hand ligt, dat hier alleen na de capitulatie geschut geparkeerd heeft gestaan. De peiling is vermoedelijk voor de lengte zeer onnauwkeurig geweest. Het zware geschut zal in de Bosrand, de twee batterijen van IV/AR 256 mogelijk zelfs al verder naar voren hebben gestaan.

In de nacht van 11 op 12 mei hebben vermoedelijk verschillende stellingveranderingen naar voren plaatsgevonden.
De stellingen in de Bosrand worden dan bezet. Het meest aannemelijk is, dat hier het zware geschut heeft gestaan. Op 11 mei alleen nog IV/AR 256 (min 12). Op 12 mei ook s Art Abt 735 (de Mörsers).
In dezelfde nacht gaat III/AR 207 naar voren. Deze afdeling komt op de Eng, bij de Geertjesweg.
Rond de middag van 12 mei arriveert ook III/AR 311 op de Eng. Deze afdeling komt N van de Dolderstraat te staan. Dat deze afdeling de reservestellingen van II/AR SS ingenomen heeft, is ook mogelijk. Maar vanwege kruisende vuren minder waarschijnlijk. III/AR moest de aanval op de Grebbeberg van het N bataljon ondersteunen, II/AR SS het Z bataljon.

In de nacht van 12 op 13 mei hebben opnieuw verschillende stellingveranderingen plaatsgevonden. Tenminste bij de Divisie-artillerie, ingedeeld voor rechtstreekse steun aan de infanterie.
II/AR SS bleef, volgens een bericht van Arko 22, in de oude stellingen. Maar moest toen wel de aanval van de SS-eenheid richting Achterberg ondersteunen
III/AR 207 zal nieuwe stellingen betrokken hebben. Waarschijnlijk de eigen reserve-stellingen. Mogelijk anders, in die van een andere afdeling.
III/AR 311 is toen zeker vooruitgeschoven. Deze afdeling kwam, in de nacht of vroege ochtend van 12 op 13 mei, zwaar onder vuur van Nederlandse artillerie. Er zijn drie veldgraven van 9/AR 311 aan de Wageningse Afweg geweest. En, volgens een rapport van de Korpsveterinair, werden 60 paarden gewond of gedood. West van Wageningen zijn goede stellingen te vinden in de noordoosthoek van het Voorpostengebied, en in de zuidoosthoek, bij de weg naar Rhenen. Bij het Nieuwe Kanaal, resp. bij Vada, en bij Synagoge.

Hoe de situatie vanaf de middag van 13 mei aan Duitse zijde was, is maar bij benadering bekend. Op 14 mei waren enkele groepen in de achtervolging op het terugtrekkend Nederlands leger. Welke artillerie-eenheden hierbij ingedeeld waren, is maar bij benadering bekend. Maar dat deel van de historie is voor onze studie een zijlijn. Alleen van belang, omdat het kan helpen de (vermoedelijke) stellingen voor 13 mei nader te bepalen. Dat werk ligt nog te wachten.

maandag 3 mei 2010

Zoekgebied

Het zoekgebied voor de mogelijke stellingen van Duitse artillerie op 12 en vermoedelijk ook 13 mei, is nogal groot. Het besloeg waarschijnlijk ongeveer het gebied tussen de in rood aangegeven hoofdwegen rechts van de stadskern van Wageningen. Dat waren de straatweg Arnhem - Bennekom (N782), de straatweg Arnhem -Wageningen (N 225), en een nu door de bebouwing opgeslokte hoofdroute tussen Wageningen en Bennekom. Zie de volgende kaart, een fragment van een Duitse Truppenkarte uit 1942. Gemaakt op basis van de toen nieuwste Nederlandse Topografische Kaart. De uitsnede loopt van x = 171 tot 179, en van y = 441 tot 446.


Op dit kaartje zijn enkele markante punten in het Wageningen van 1940 weergegeven. Dat zijn, van links naar rechts:

PK = Protestantse (Oude) Kerk
RK = Rooms Katholieke Kerk
ZZ = Ziekenhuis (Ziekenzorg)
LH = Landbouw Hogeschool
LB = Landhuis "Belmonte"
WB = Hotel "De Wageningse Berg"

Zelfs als we ons beperken tot het gebied met westelijke begrenzing de Diedenweg, en oostelijke de oostrand van de Wageningse Berg tussen de beide N-wegen, is dat een oppervlak van ruim 10 km2. In zo'n groot gebied is het zoeken naar een speld in de hooiberg. We moeten het aantal mogelijkheden dus flink zien in te perken.

De algemene eisen uit de voorschriften geven weinig houvast. Behalve de aanbeveling, om stellingen in heuvelachtig terrein bij voorkeur te kiezen op de van de vijand afgekeerde helling. Die regel was vooral gericht op het verminderen van gasgevaar. Strijdgas kon alleen worden ingezet, als de wind van de gebruiker af, richting vijand, blies. Gas zou van hoog naar laag terrein vloeien, en in kommen blijven staan.

Er bestond voor houwitserstellingen een duidelijke rangorde: Tussen stedelijke bebouwing, of kort daarachter. Als tweede keus achter een scherm van hoog opgaande bomen, en dan liefst in bouwland. Bos, heide, en weiland (resp. geen vrij schootsveld, te weinig bescherming tegen grondzicht, of minder geschikte bodem) vallen af. Tenminste als de keuzemogelijkheden ruim genoeg zijn.

Op alle regels zijn uitzonderingen, of tenminste nuanceringen, mogelijk. Zo is een opstelling in een boomgaard voor kanonnen erg geschikt, maar voor houwitsers niet. Een voorliggende rij hoge bomen juist andersom. Verder hadden de Duitse troepen in mei 1940 weinig te duchten van luchtverkenning, of bombardement, door Nederlandse vliegtuigen. De algemene regels moeten dus worden getoetst voor elke gevechtssituatie.

Voor de hand liggende verdere eisen zijn:

(1) Niet tever van de veldhoofdkwartieren van ID 207, het ingezette infanterie-regiment (SS "DF"), en van de artillerie-commandant. Die veldhoofdkwartieren lagen van 11 mei tm 13 mei op de Wageningse Berg.
(2) Voor licht- en geluidmeting moeilijk te vinden locaties. In aanmerking komen dan vooral stellingen die worden afgeschermd door een woonwijk, of op zijn minst een huizenrij, of groot gebouwencomplex. In mindere mate plaatsen achter hoog opgaand geboomte, of in een bosrand.
(3) Vlakbij, maar buiten de gevarenzone van vijandelijk vuur op de tevoren ingenomen stellingen, moeten goede reservestellingen liggen. Na een langdurig afgegeven vuur, is stellingverwisseling gewenst. Dat om het risico van waarneming en tegenvuur zoveel mogelijk te verkleinen.

Een compacte opstelling van een afdeling licht geschut, vraagt een terrein, ongeveer zo groot als de Villawijk op de Wageningse Berg (dik omlijnd). Voor twee batterijen zwaar geschut, of drie licht, op lijn met voldoende tussenruimte, is ongeveer 350 m nodig (de lengte van de dikke streep in de bosrand, NO van de Villawijk).

Op de sterk beboste Wageningse Berg heeft, voorzover bekend, geen Duits geschut gestaan. Zelfs niet op de grote open plekken daarin. Er werd daar alleen op 13 mei vijandelijk geschut gepeild. En er is een melding van horen zeggen. Beide van zwaar geschut "bij" Nol in 't Bosch. Een stelling van Mörsers, bij wijze van spreken voor de deur van het Hotel-Restaurant, dat als comfortabel kwartier werd gebruikt, ligt echter niet voor de hand. Waarschijnlijk was de peiling ook verre van accuraat, en had de meting betrekking op geschut in de Bosrand, of nog verder naar voren. Het zoekgebied kan dan al flink worden verkleind, tot het vak links van de gestreepte lijn.

De zojuist genoemde nadere eisen, beperken het aantal eerste mogelijkheden nog meer. Met bestudering van kaarten en foto's uit die tijd, zijn alleen geschikt lijkende locaties op te sporen. Want misschien stond het uitgekozen veld in mei 1940 onder water, of waren gebouwen gesloopt. Mogelijk ook, was het als open aangegeven terrein intussen dicht begroeid met bos, of waren bomen juist gekapt. In de oorlogsdagen en in dit gebied gemaakte luchtfoto's en geschutfilms zijn niet opgespoord. Aanvullende veldverkenningen geven een vertekend beeld, want er is veel veranderd. We kunnen de situatie van toen, dus maar gedeeltelijk uit de nu voorhanden gegevens afleiden. Dat vraagt flink wat voorzichtigheid met de interpretatie.

Duidelijk is zo wel, dat het aantal mogelijkheden sterk kan worden teruggebracht. Maar voor gerichte artilleriebestrijding zijn de onzekerheden nog te groot. Die kunnen, in theorie, worden verkleind door lucht- of grondwaarneming.

Aan Nederlandse zijde was luchtwaarneming, door gebrek aan inzetbare vliegtuigen en piloten, vrijwel onmogelijk. Grondwaarneming leverde ook bij de Duitsers slechte resultaten op. Een oplossing is dan, om met enkele batterijen tegelijk, vak voor vak af te werken. De zoekslagen kunnen worden verfijnd, als blijkt dat bij beschieting van een bepaald vak één of meer vijandelijke batterijen het vuur staken. Mogelijk om tijdelijk in dekking te gaan. Zelfs als batterijen, zonder te zijn aangeprikt, alleen zwijgen om de tegenpartij te misleiden, wordt de vijandelijke vuurkracht nog tijdelijk beperkt.
Aan Nederlandse zijde werd deze techniek niet gebruikt. Ons schietreglement [Art. 249] eiste namelijk een minstens door drie posten verkregen peiling op vanuit de batterij onzichtbare doelen. Achtergrond was de noodzaak zuinig om te gaan met munitie.

Aan Duitse zijde werden, in voorspelbare volgorde, storende vuren afgegeven op het gebied tussen de Grebbeberg en Elst. Mogelijk was dit mede bedoeld als priktechniek. Want duidelijke peilingen kregen de Duitse waarnemers evenmin. Tussen Elst en de spoorlijn bij Rhenen, werden op 13 mei 1940 6 Nederlandse batterijen vermoed. Daar stonden toen vier afdelingen (II-15 RA, I-16 RA, I-8 RA, en III-8 RA), met 11 batterijen.

vrijdag 30 april 2010

Regels

Het blijkt veel moeilijker dan gedacht, om de opstelplaatsen van Duits geschut bij Wageningen te vinden. Een jaar geleden leek het recept eenvoudig genoeg:

1) Bepaal de mogelijke opstelplaatsen, aan de hand van regels, bodem, relief, en infastructuur
2) Zeef de minst waarschijnlijke stellingen uit, met aanvullende eisen
3) Besluit, aan de hand van waarnemingen en ander bronnenmateriaal

Toegepast op de mogelijke stellingen van II/AR SS, zijn we wel duidelijk verder, maar er blijven vragen genoeg. Mijn reconstructie (op basis van nu bekend materiaal) is ingetekend op het volgend kaartje. Ondergrond vormt foto nr. 1838, uit de Speciale Collectie luchtfoto's 1939/1940 van de WUR.


Ingetekend zijn de opstelplaatsen voor 12 en 13 mei (de drie in de Villawijk), met mogelijke reservestellingen (de drie ervoor). Deze zijn als volgt bepaald.

Volgens de voorschriften, moet een stelling voldoen aan enkele basiseisen. Vooral: Onbelemmerd schootsveld, Voldoende ruimte, Goede dekking tegen vijandelijke waarneming, Gedekte aan- en afvoerwegen, Harde vlakke bodem, In de nabijheid goede plaats voor waarnemingspost, Op voldoende afstand ruimte voor reservestellingen. Hoofdregel is, dat vanuit de stelling aan alle te verwachten schietopdrachten kan worden voldaan.

Op de regels zijn altijd uitzonderingen mogelijk, soms zelfs wenselijk. Een onbelemmerd schootsveld is eigenlijk vooral voor vlakbaanvuur van belang. Houwitsers kunnen zich juist goed verschuilen achter een bomen- of huizenrij. Zij kunnen immers met steilbaanvuur hieroverheen schieten.

Volgens het "Ausbildungsvorschrift für die Artillerie" [H.Dv. 200/5, 1937] moet de artillerie de aanvallende infanterie aan de overwinning helpen. Alle te verwachten vuuropdrachten dienen prompt uitgevoerd te kunnen worden uit de gekozen stellingen [Punt 17]. Dat levert nog weinig konkrete aanknopingspunten op. Wel helder is de aanbeveling, om stellingen vooral op de van de vijand afgekeerde helling van heuvelachtig terrein te kiezen [Punt 44]. Maar dat schijnt bij Wageningen niet gebeurd te zijn. Niet, omdat belangrijke doelen, voor storende vuren en artilleriebestrijding, dan tenminste voor het 15 cm geschut buiten bereik lagen. De oosthelling van de Wageningse Berg ligt rond x = 178, de stellingen van I-12 RA (onze meest westelijk geplaatste afdeling in het vak van IV Div) rond x = 166. In vogelvlucht gemeten was de afstand 12 km. Het 15 cm-geschut van IV/AR 256 had een dracht van 13, 25 km.

Houvast geven de regels voor de benodigde ruimte wel. Vooral als rekening gehouden word met aanvullende eisen m.b.t. schootsveld, de aanwezigheid van dekkingen, en van goede aan- en afvoerwegen, etc.

Stellingen vroegen minimaal een breedte van ongeveer 100 m voor licht, tot 150 m voor zwaar geschut. De diepte zou (bij verspreide opstelling om trefkans te verminderen, zoals in de voorschriften aanbevolen) ongeveer de helft van de afstand in de breedte tussen elk stuk (d.w.z. 1/2 x 30 - 50 m = 15 - 25 m) bedragen.

Aanbevolen ruimte tussen de batterijen was een afstand van 300 - 500 m. Dit zowel om het risico op treffers bij afzwaaiers van vijandelijk vuur op andere batterijen, als uit eigen achterliggende batterijen, zo klein mogelijk te houden. Maar te grote afstanden belemmeren de commandovoering weer.
Kruisende vuren zijn te vermijden. In een lange lijn regelmatig naast elkaar geplaatst geschut ook. Tenslotte is opstelling vlakbij markante punten, vooral de voor eigen bezetting in gebruik genomen gebouwen, ongewenst. Dat zou de vijandelijke artillerie een te gemakkelijk richtpunt geven, en te veel schade opleveren.

Conclusie van mijn kaart- en veldverkenning is, dat eigenlijk het gehele gebied tussen de Wageningse Berg, en de bebouwde kom van Wageningen, geschikte opstelplaatsen levert. Goed gedekte stellingen waren te vinden in de Bosrand, zuid van Bennekom, tot voorbij de villawijk op de Berg (tussen Englaan, Bosrandweg, Generaal Foulkesweg, en Diedenweg). Zeker als ook de Eng, en het bouwland W van de Diedenweg meegenomen wordt. Bij intekenen, en toepassing van aanvullende eisen, blijven echter maar weinig mogelijkheden over. Zie het kaartje boven. Verdere toelichting volgt nog.