vrijdag 30 december 2011

Verantwoording

Als afsluiting van deze serie nog een korte verantwoording. Mijn beeld van het gevechtsverloop op 12.5.40 verschilt op belangrijke punten met dat van eerdere auteurs. Daarbij zijn in het bijzonder te noemen:

x Minister van Oorlog, Sectie "Krijgsgeschiedenis" van de Generale Staf, "Beknopt Overzicht van de Krijgsverrichtingen der Koninklijke Landmacht 10 - 19 mei 1940" (1947). Pag. 91 - 96.
x Ministerie van Oorlog, Hoofdkwartier van de Generale Staf, Krijgsgeschiedkundige Afdeling, "De Strijd op Nederlands Grondgebied tijdens de Wereldoorlog II". Hoofddeel III/Deel 3, "De Operatiën van het Veldleger en het Oostfront van de Vesting Holland Mei 1940" (1955). Pag. 254 - 271.
x Dr. L. de Jong, "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog". Deel 3, "Mei '40", (1970). Pag. 232 - 236.
x E.H. Brongers, "Grebbelinie 1940", (2002). Pag. 114 - 125.
x H. Amersfoort, P. Kamphuis (red), "Mei 1940 De strijd op Nederlands grondgebied", (2005). Pag. 279 - 285.

Hierbij had ieder een deel van de waarheid in handen, en werden eigenlijk vooral de accenten anders gelegd.
Naar mijn gevoel werden de beelden alleen teveel in zwart - wit getekend en waren ze nog sterk beïnvloed door de eerste publicaties.
Vooral bleef te lang doorklinken, dat de Nederlandse troepen bij de Grebbeberg tegen een overmachtige en veruit superieure vijand moesten vechten. Dat leidt tot grote innerlijke tegenstrijdigheid. Want waarom duurde het (met drie bataljons SS "DF" als breekijzer, en met vijf bijna complete afdelingen artillerie ter beschikking) dan alles bij elkaar toch nog drie dagen voordat het gestelde doel (doorbraak van de Grebbelinie) door 207. ID was bereikt ?

De volgende punten zou ik daarom in het bijzonder willen meegeven:

* De drie bataljons SS "DF" zijn niet vanaf de eerste gevechtsdag, elke dag opnieuw, volledig ontplooid. Dat lukte waarschijnlijk pas in de avond van 12.5 voor het eerst. De aanval werd telkens ingezet met kleinere eenheden als "stoottroepen" in de eerste golf. Logistiek kon het ook niet anders.
* De Duitsers hebben de sterkte van onze verdediging en hun eigen kracht naar mijn mening tot op het eind verkeerd ingeschat. De eigen artillerie werd door hen keer op keer niet (evenmin) optimaal benut.
* De Nederlandse verdediging bij de Grebbeberg was door allerlei oorzaken nog niet op de gewenste sterkte. Toch was de Grebbelinie tussen Wageningen, Achterberg en Rhenen al zó ingericht, dat de aanvallende troepen maar moeizaam vorderingen konden maken. Er was een dag nodig voor het veroveren van het gebied van de Voorposten. Een tweede om de HWL te doorbreken en op te rollen tot aan Kruiponder. Tenslotte nog een derde om de "spoorweglinie" te doorbreken en het gat in de laatste verdedigingslijn zover te verwijden, dat de weg vrij kwam voor de opmars naar Utrecht van 207. ID. De gelaagde defensie (opgesteld in drie lijnen, maar met verdere opstellingen in de tussengebieden) werkte hierbij als een verdediging in de diepte.

Ieder kan zijn eigen mening vormen aan de hand van de brondocumenten. Het NIMH beschikt over bijna alle belangrijke stukken, daarvoor behoeft niet naar het BA-MA te worden gegaan. Als tegenwicht kunnen daarbij wat recente Duitse publicaties worden gelezen. Wat mij betreft is dat de beste manier om het strijdverloop van "Mei 1940" te bestuderen.

Deze blog wordt om technische redenen nu afgesloten. Mijn email-adres is veranderd. Vragen kunnen gesteld worden via www.grebbeberg.nl.

Vernielingsvuur ?

Rest de vraag, hoe effectief de Duitse artillerie was op deze gevechtsdag. Dat is nu niet meer zo gemakkelijk na te gaan.
Het kort na de strijd uitgevoerd veldonderzoek was erg summier.
De foto's geven geen duidelijk beeld en zijn vertekend door latere Nederlandse beschietingen. De verslagen uit beide kampen zijn moeilijk met elkaar te rijmen.

Wat de aan Duitse zijde aangewezen doelen waren, kan niet met zekerheid worden bepaald. Voor de hand ligt, om aan de Pag-kazematten P.10 en P.11 en de stekelvarkens in het Hoornwerk (S.12, S.13, S.14) te denken.
De als brandend verkende kazematten (36 b en 47) zouden P.10 en G.19 geweest kunnen zijn. Er is inderdaad een melding van brand voor P.10, maar niet van G.19. De laatste kazemat had veel treffers [van mitrailleur ?].

De volgende tabel geeft een overzicht van de gegevens uit de Nederlandse gevechtsverslagen.
Ze staan in volgorde van plaats in de HWL. Bovenaan de vuurposities bij Kruiponder, onderaan die in de Bastions. Daaronder nog de koepels die op de voorrand van de Grebbeberg stonden.
Bron: NIMH Coll 409 (Gevechtsverslagen) Inv Nr in laatste kolom

De verzamelde gegevens zijn niet 100% betrouwbaar. Niet altijd werd duidelijk, wat de aard van de schade was. Het begrip "voltreffer" is nogal snel gehanteerd. Soms werden meldingen over wapens of opstellingen in een verslag van een hogere commandant verwisseld. Meestal wist die ook alleen uit de tweede of derde hand wat er gebeurd was. Dan kan de informatie al vervormd zijn in het onderliggend rapport, en door de eigen interpretatie van de commandant nog verder vertekend raken.
Bijzonder is, dat ook een foute eerste beoordeling werd verbeterd. Het stuk Pag van Sgt Krooshof liep schade op. De sergeant rapporteerde dit als "vermoedelijk door handgranaten buiten gevecht gesteld". Zijn commandant (Elt Koerselman) beoordeelde de schade naar eigen bevindingen als die van een beschieting door de opening van het schietgat. Hij stelde deuken in schild en reminrichting vast [mogelijk van een mitrailleur] [NIMH Coll 409, Inv Nr 506028].

Duidelijk is hiermee, dat het opgedragen "vernielingsvuur" weinig of geen effect had. Ook niet kon hebben, want het werd eerst afgegeven van te grote afstanden (en met standaardmunitie). Mogelijk werden de batterijen uit Renkum daarom in de loop van de ochtend naar voren gehaald. Maar ook dat was nog niet dichtbij genoeg.
Niet vast te stellen is, welke schade precies door artillerievuur en welke door andere vijandelijke inwerking (mortier- of mitrailleurvuur, handgranaat, vlammenwerper) zal zijn veroorzaakt. Waar gegevens wijzen in de richting van artillerievuur als oorzaak van de schade, is een "A" in de tabel gezet.
Mijn conclusie is, dat ongeveer 10 zware wapens door inwerking van artillerievuur werden uitgeschakeld. Dat is op de circa 66 zware wapens in de HWL niet veel. Bovendien waren daar de meest hinderlijke zware mitrailleurs (G.5, G.6, G.7, G.20 en G.21) niet bij. Volgens het overzicht werd trouwens geen enkele koepel door vijandelijk vuur uitgeschakeld. De stekelvarkens liepen wel treffers op, vermoedelijk vooral scherfschade. Drie mitrailleurs werden vermoedelijk door artillerievuur tot zwijgen gebracht, maar 2 kregen een vervangend stuk.

Antwoorden
Nu dan mijn antwoorden op de aan het begin van deze serie gestelde vragen. De onderbouwing is te vinden in de voorgaande stukjes en wordt hier niet herhaald.

(1) De verdedigende kracht van het Hoornwerk, sleutelpunt in de defensie bij de Grebbeberg in mei 1940, was groter dan men zich tot nu toe meestal realiseerde. Naar mijn mening kregen de zwaktes door andere oorzaken (slechte verbindingen, munitiegebrek, haperende mitrailleurs, open opstellingen, inzakkende wil tot vechten) tot op heden teveel nadruk.
(2) Op 12.5.40 werden aan Duitse zijde waarschijnlijk tussen de 44 en 52 stukken ingezet. Die waren van II/AR 207 (twee batterijen 10,5 cm le FH 16), III/AR 207 (drie batterijen idem), III/AR 311 (drie batterijen 15,0 cm s FH (lg) 13), II/AR SS (drie batterijen 10,5 cm le FH 18), IV/AR 256 (twee batterijen 15,0 cm s FH 18). Alleen de inzet van 4 en/of 6/AR 207 is niet helemaal zeker.
(3) Eerste dagdoel was de HWL, met het gebied rond het Hoornwerk als sleutelpunt. Hierop werd van 12.20 - 12.40 uur een vuurconcentratie afgegeven met alle batterijen. De kazematten daar zijn zeker ook als doelen genomen. Verder vooral de flankerende kazematten in de HWL langs de Grift. Vanaf de vroege ochtend werd ingeschoten. Na de uitgevoerde verplaatsingen moest dat opnieuw gebeuren. Vooral door de twee batterijen van IV/AR 256 zullen storende vuren zijn afgegeven op de omgeving van Rhenen. Belangrijke doelen daar waren de aan- en afvoerwegen (knooppunten) en de daar vermoede Nederlandse batterijen.
(4) In de munitievoorraad waren vooral brisantgranaten beschikbaar en nog wat pantser- en rookgranaten. De brisantgranaten waren bijna allemaal voorzien van een schokbuis (instelbaar tot 0,25 sec vertraagd), voor maar ongeveer 8% van een gecombineerde tijd/schokbuis. De verdeling in de belading van het munitieschip voor Leibstandarte "AH" (en waarschijnlijk ook van Standarte SS "DF") wordt in het volgend diagram weergegeven.
Bron: NIMH Coll 410 (Praagse Collectie) Inv Nr 750079

(5) Over het uitgevoerde vuurschema is weinig met zekerheid bekend. Zie voor de hoofdlijnen (3).
(6) Het effect van de beschietingen was minimaal als het beoogd effect werkelijk "Zerstören" (vernielen) was. Maar vooral in het Hoornwerk waren de psychologische effecten zeer groot. Voor het "Niederhalten" (onderdrukken) zal het vuur op de verdediging in de HWL zeker merkbaar effect gehad hebben. Tenslotte vast ook wel het "Blenden" (belemmeren van waarneming) via ingestrooide rookgranaten. Al was die munitie schaars, zoals mede blijkt uit bovenstaand diagram. Betongranaten voor de 15,0 cm s FH 18 zullen niet aanwezig zijn geweest. Mogelijk wel voor de batterijen van s Art Abt 735. Die werden deze gevechtsdag nog niet ingezet.

Mijn totaalbeeld is, dat aan Nederlandse zijde een krachtiger verdediging werd gevoerd dan tot nu toe meestal werd aangenomen. Mogelijk hebben de Duitsers de defensieve kracht van deze sector zwaar onderschat. Anders zijn de drie opgegeven dagdoelen voor 12.5.40 (doorstoot door HWL, door Stoplijn, dan nog eens tot aan de (doorbraak van ?) spoorlijn bij Rhenen) niet te verklaren. De lat had dan veel te hoog gelegen. Onrealistisch hoog, wat demotiverend zou hebben gewerkt.
De gelaagde verdediging in drie lijnen zal hetzelfde effect hebben gehad als een verdediging in de diepte. Uit de dagboeken en andere publicaties komt grote frustratie over de langzame voortgang ("Durchfressen") naar voren.

donderdag 29 december 2011

SS "DF" en het strijdverloop

De spelers staan klaar. Het publiek zit, het doek gaat open. Wat gebeurde er daarna ? Hiervoor zijn er maar twee draaiboeken te bedenken, een kort en een lang script.

Voor deze dag waren er drie doelen opgegeven:

1. Een doorbraak te forceren op het sleutelpunt, "das Fort am Fusse des Grebbe-Berges"
2. Dan zo snel mogelijk de stoplijn te doorbreken en uit te schakelen
3. Tenslotte door te stoten naar de spoorlijn bij Rhenen

De volgende schets geeft een overzicht van het strijdverloop op 12.5.40. De aanval ontwikkelde zich zo op het oog volgens het eerste script voor SS "DF", met een snelle ontknoping.
Bron: NIMH Coll 401 (Kriegstagebücher), Inv Nr 1311

Tussen Renkum en Wageningen staan drie eenheden artillerie gereed. Twee met 10,5 cm le FH en één met 15,0 cm s FH. In mijn interpretatie alleen de Divisieartillerie, 4 en/of 6/AR 207, III/AR 311, III/AR 207. Niet ingetekend zijn de batterijen van 10 en 11/AR 256 en II/AR SS. In de spits van de aanval bevinden zich II/SS "DF" (Bataljon Von Scholz) en III/SS "DF" (Bataljon Wäckerle). I/SS "DF" (Bataljon Müller) wordt aangezet tegen de verdedigingslinie aan de Grift. In aantocht is bataljon I/IR 322 (Bataljon Freyher). Dat was de situatie van ongeveer 14.20 uur. Het lijkt er zo op, dat de aanval snel en probleemloos verliep.

Er zijn verschillende overwegingen om toch te kiezen voor de andere ontknoping, die van het lange script:

* Op dit soort schetsen worden alleen de grote eenheden en de voornaamste verplaatsingen ingetekend
* Drie bataljons zullen zich niet gereedgesteld hebben in de beperkte ruimte vlak voor het Hoornwerk
* Evenmin kunnen zij zich in korte tijd door de flessenhals bij de Grebbesluis gewrongen hebben
* Tenslotte is niet aannemelijk, dat zij zich meteen volledig op de Grebbeberg hebben kunnen ontplooien

Eigenlijk zijn dit maar twee argumenten: (1) De schets is een vereenvoudigde weergave, en (2) Ruimte en logistiek dwongen de drie bataljons SS "DF" tot een geleidelijker ontwikkeling.
Er zijn nog enkele aanvullende aanwijzingen, dat het lange script van toepassing was.

(1) In de KTB's wordt gesproken over een aanval "mit Teilen III/SS u. II/SS" in de spits. Het blijkt dan om de stoottroepen van 9/SS "DF" en 12/SS "DF" te gaan.
(2) Omvangrijke verplaatsingen langs de Rijksstraatweg en de parallel lopende wegen konden pas plaatsvinden nadat het flankvuur vanuit de linie aan de Grift was uitgeschakeld. Dat kostte blijkbaar nog uren.
(3) De brug moest eerst hersteld worden. Volgens KTB 207. ID was dat pas om 15.55 uur (17.35 Uhr) gerealiseerd.
(4) Op de Grebbeberg werden maar een paar honderd schuttersputten aangetroffen na de strijd. Dat wijst op ingraven daar van eenheden van compagnies-, eerder dan van bataljonssterkte.

Wat het eerste punt betreft is het KTB SS "DF" (pag. 7) bijvoorbeeld heel duidelijk:

"Der Angriffsbegin wurde für 14.20 Uhr befohlen. Die Stoss- und Pioniertrupps lagen in ihren Ausgangsstellungen. Nach dem letzten Feuerschlag der auf das erste Angriffsziel [het "Fort am Fusse des Grebbe-Berges"] zusammengefässten Artl [artillerie] sturzten die Stosstrupps der 9. und 12. vor, dicht auf folgten die Pionierstosstrupps mit den Flosssäcken. Im starken Feuer der eigenen Artl war es nicht gelungen, alle feindlichen Nester und Stellungen zu zerschlagen, und so lag am Grebbe-Bach [de Grift] stärkstes feindliches Abwehrfeuer aller Inf[anterie]-Waffen."

De lezing van Rechlin (zoals weergegeven in "Die Geschichte der 207. und 281. ID", pag. 29-30) [BA-MA, MSG3-1907] verschilt weinig hiermee, is alleen veel uitvoeriger.

In het KTB 207. ID staat (met een hiaat door brandschade, door mij aan de hand van het Uittreksel van Rechlin S. 252 [NIMH Coll 409 (Gevechtsverslagen) Map 550, Inv Nr 0018a] ingevuld):

"14.20 Uhr Angriffsbeginn für SS Rgt, das mit III.Btl am Grebbe-Schleuse, mit II. südl. davon [dus langs de Rijndijk, in verband met de baggerput en de benodigde dekking ?] [über geht] *
[15.15 Uhr ist mit III/SS der Einbruch in die Grebbe-Stellung gelun] gen bei Punkt 36. Auch II/SS geht trotz schwerstem Abwehr- und Flankenfeuer mit Teilen südl. davon über.
Die Schleusenbrücke ist trotz stärkstem Artl Beschuss für Schützen noch gangbar.
16.10 Uhr hat sich III/SS bis zum vorderen Rand der Waldlichtung [open plek, d.w.z. de roggeakker] an Strasse Grebbe-Schleuse - Rhenen gegen den sich in einzelnen Widerstandsnestern und auf Bäumen zäh verteidigenden Feind durchgekämpft."

Hier staat zwart op wit, dat het het derde bataljon (niet ook het tweede) na de doorbraak nog bijna twee uur kostte om zich vooruit te werken tot aan de roggeakker. Bijna anderhalf uur later had zich ook het tweede bataljon daarbij gevoegd. Zij vormden en hielden vanaf laat in de middag (16.20 uur) dit bruggenhoofd.

Mijn conclusie ligt hiermee voor de hand:

* Het kostte nog uren na het begin van de aanval voordat de doorbraak ver genoeg was verbreed,
* de verdediging aan de Grift was uitgeschakeld,
* een noodbrug was geslagen,
* delen van II/ met III/SS "DF" een bruggenhoofd op de Grebbeberg kon vestigen en behouden, dat sterk genoeg was om de volgende dag een goede kans te hebben om de stoplijn te doorbreken.
* De dagdoelen 2 en 3 waren daarmee niet gehaald.



* In het Uittreksel van Rechlin staat: "Angriffsbeginn des SS-Rgts "DF" mit Teilen [!] III/SS u. II/SS."

woensdag 28 december 2011

Het Duitse vuurschema

Over de artilleristische voorbereiding voor de aanval op 12.5.40 lopen de meningen uiteen. Dat vijf Afdelingen toen vanaf de vroege ochtend zware beschietingen hebben uitgevoerd, moet (naar mijn mening) als een fabeltje worden beschouwd. In "Geschut, munitie doelen (1)" werd hierover al het een en ander gezegd. Toch blijft dit beeld hardnekkig hangen, en in nieuwe publicaties rondspoken.

Naast de oorlogsdagboeken van SS "DF"en 207. ID zijn nog vier bronnen vrij algemeen bekend. Dat zijn:

* O. Weidinger, "Kameraden bis zum Ende" (2007), pag. 30
* O. Kumm [?], "Durchbruch durch die Grebbe-Linie", in: "Der Freiwillige", 28e jrg (1982) nr 5 en 6
* G. Müller, F.W. Guttmann, "Die Geschichte der 207. und 281. Infanterie Division mit ihren Zwischengliederungen 1939-1945" (1958), pag. 29
* Onbekend, "Der Durchbruch an der Grebbeschleuse", in: "Der Soldatenfreund" (1943)

De Duitse opgaven verschillen vreemd genoeg. Men is het eigenlijk alleen eens, dat er deze gevechtsdag vijf afdelingen werden ingezet. Dat moet tot voorzichtigheid manen. Want wie had nu de juiste informatie ?
* Weidinger houdt het op 5 Afdelingen, drie lichte en twee zware
* Kumm [?] zegt dat nog drie lichte en één zware afdeling aangetrokken werden
* Müller c.s. noemt ook 5 Afdelingen, zonder verdere specificatie
* De onbekende auteur geeft tenslotte aan dat twee batterijen 21 cm uit de Heeresartillerie werden toegevoegd

In het laatste geval zullen de twee batterijen 21 cm Mörser 18 van s Art Abt 735 zijn bedoeld. Onderzoek in het Bundesarchiv-Militärarchiv Freiburg leverde hierover nieuwe gegevens op, die deze variant nu wel uitsluiten.

Arko 22 (Gen Maj Walter Büchs) begeleidde die Mörser vanaf Üdemer Bruch over Calcar, Emmerich-Elten, Arnhem (Velp) naar het gebied tussen Renkum en Wageningen. Büchs meldde zich om 15.30 (13.50 Nederlandse tijd) op het hoofdkwartier van X. AK te Velp. Op dat moment werden de twee 21 cm-batterijen op papier overgedragen aan 207. ID [BA-MA, RH 24-10/46, S. 17]. Volgens de Tagesverlaufmeldung van 12.5. kwamen ze die dag [van XXVI. AK] bij X.AK en zouden dan tegen de avond aankomen [BA-MA, RH 24-10/44, S. 215]. Volgens de Abendmeldung 12.5 van X. AK werden Arko 22 met Beob Abt 30 en Mörser Abt 735 aangetrokken over Arnhem. Verwachte gereedheid voor inzet in de ochtend van 13.5 ("Mess- und Feuerbereitschaft voraussichtlich 13.5. früh") [BA-MA, RH 24-10/44, S. 221]. Büchs meldde op 13.5.40 tenslotte nog:

"Art der Div. machte am frühen Morgen des 13.5. den befohlenen Stellungswechsel in die angewiesene Stellungen 11.00 Feuerbereit. SS-Abt ändert ihre Stellung nicht. Mörser-Abt war mit Tagesanbruch feuerbereit."

De 21 cm Mörser was zwaar en werd daarom in twee lasten vervoerd. Dat had als groot nadeel, dat het in stelling komen veel tijd vroeg. Volgens een officier bij s Art Abt 777 (ook 21 cm Mörser 18) was rond 2 uur nodig voor het gereed maken, na overname van de schietbuis (inschuiven op de affuit) uit de tweede last [R. Witzel, "Mit Mörsern, Haubitzen und Kanonen" (2008), pag. 71].
Daarmee stond voor mij wel vast, dat de twee batterijen van s Art Abt 735 niet meer op 12.5 bij Wageningen in actie kwamen. We houden het dus maar op de eerder gegeven specificatie: drie afdelingen (II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311) en twee batterijen (10 en 11/AR 256). Mogelijk nog één of twee batterijen van II/AR 207). Totaal 3 lichte en 2 zware afdelingen, maar beide groepen dan niet op volle sterkte.

Het vuurschema werd (op dezelfde plaats, zie boven) ook al eerder behandeld.
Er zijn flinke verschillen tussen het KTB van 207. ID en het vuurplan dat Rechlin in zijn samenvatting gaf.
Duidelijk was al uit de KTB's, dat het inschieten niet glad verliep, en dat mede door alle latere verplaatsingen de vuurvoorbereiding vertraging opliep. Het tijdstip van de aanval moest daardoor enkele malen worden uitgesteld. Dat houdt in, dat de Duitse artillerie niet in de vroege ochtend al op volle sterkte kon vuren.
Ook hiervoor is er een nieuwe bron. Het verslag van 10 en 11/AR 256 [BA-MA, RH 41-1111]. Hierin op 12.5 (pag. 13, 15, mijn vertaling. In Nederlandse tijd):

"De Afdeling (zonder de 12e batterij) komt onder bevel van Kdr AR 207 (Oberst Metger) [..]. De batterijen zijn in de nacht niet verplaatst. [..] Om 6.05 opent de Afdeling [min de 12e batterij] het vuur. De grondrichting wordt gecontroleerd, en er worden vuurconcentraties afgegeven. Hptm Von Dosky en Hptm Süssmann leiden het vuur vanuit de voorste infanterie-linie, gedeeltelijk zonder bescherming van de infanterie, op de kazematten 36 a en 36 b, waarbij Hptm Süssmann met een pantserverkenningsvoertuig naar voren rijdt om nauwkeuriger waarnemingen te doen.
Opdracht voor de Afdeling is: "Vernielen van de gevechtsopstellingen". Bij de gevechtspost van de Afdeling wordt een grondstation voor de radio van 207. Div ingezet. Maar er komt geen piloot.
Stdtf Keppler vraagt om 7.45 uur om een vuurconcentratie voor de aanval op de Grebbeberg. Het tijdstip voor de aanval wordt steeds weer naar later verplaatst.
De 10e en 11e batterij veranderen staffelsgewijs [in kleine eenheden] van stelling naar het NO-deel van Wageningen.
11.20 Het vuurplan voor de aanval op de Grebbeberg wordt in een Afdelingsbevel vastgelegd.
Volgens dit bevel schiet de 10e batterij met Lichtmeting op Rhenen in en wordt het vuur van deze batterij op kazematten 36 a en 36 b gecontroleerd [op juiste ligging]. De 11e batterij krijgt bevel, meteen schietgrondslagen voor een Efa-routine [beoordeling van de inschietfout ?] op kazemat 36 te bepalen en door te geven. De kazematten 36 b en 47 worden als brandend verkend.
Om 12.00 uur komt het bevel, dat X-Zeit [het tijdstip voor de aanval] 12.40 uur is.
De aanval brengt wel terreinwinst, maar niet het bezit van de Grebbeberg. De kazematten 36 a en 36 b worden genomen.
De Artillerie-Kommandeur 22 (Generalmajor Büchs) neemt om 15.20 uur het bevel over van de artillerie van 207. Div, waarbij I/[s Art Abt] 735 aangetrokken wordt. [..]
De Afdeling [min 12] bestreed vijandelijke aanvoerbewegingen en verkende vurende MG in de Grebbelinie."

Volgens het KTB 207. ID zouden III/AR 207 en III/AR 311 op de versterkingen noord van de Grebbesluis hebben gevuurd. De twee batterijen van IV/AR 256 en II/AR SS zuid daarvan. Onduidelijk is in deze bron, of ook nog geschut van II/AR 207 [min 5/AR 207, die in de Betuwe bij Gruppe Brückner was] deze dag al werd ingezet. Dat staat voor 4/AR 207 op 13.5.40 wel vast.

Als doelen werden in het vuurplan [!] in het stuk van Hptm Rechlin aangegeven:

"Vuurconcentratie van 5 afdelingen artillerie op het punt van de beoogde inbraak van 12.20 - 12.40. Gevuurd wordt door:
1 afdeling op de versterkingen 47 a - c [Grift, noord van de Grebbesluis]
2 afdelingen op 36 a en b [S.12 en S.13 ?]
1 afdeling op hoogte 53 [De Dijk, bij zuivelfabriek]
1 afdeling op de versterkingen 33 a - c [bij De Spees]"

Bijzonder interessant is dan de melding van 12.20 uur:

"Het bijzonder moeilijke inschieten van de artillerie (met hulp van 2 [!] artilleriewaarnemingsvliegtuigen) is voltooid. Al bij het inschieten wordt een goede uitwerking (voltreffers op gevechtsopstellingen [?] en brandende huizen [?] in de stelling) waargenomen."

Verrassend is, dat hier gezegd wordt dat 2 waarnemingsvliegtuigjes zijn ingezet. De tekst van 10 en 11/AR 256 wekte de suggestie dat daar geen vliegtuigje kwam. Vandaar het uitroepteken.
De vraagtekens zijn gezet, omdat nog niet duidelijk is, waar voltreffers vielen. Het is verder bijzonder zwak om brandende huizen in de stelling als "goede uitwerking" te benoemen. Waren dat dan belangrijke doelen ?

Deze gegevens vormen een skelet met weinig vlees. Er blijft veel onduidelijk. De gaten kunnen alleen met eigen veronderstellingen worden gevuld. Voldoende zeker zijn de volgende punten:

* Er waren 44 tot 52 stukken beschikbaar, onduidelijk is wat daarvan precies op welke doelen werd ingezet
* Het vuurplan kan niet zo zijn uitgevoerd, de aangewezen doelen moeten na elkaar onder vuur zijn genomen
* Door moeizaam inschieten en de uitgevoerde verplaatsingen verschoof het aanvalstijdstip naar 12.40 uur
* Voornaamste doelen waren de versterkingen in de HWL en nog andere doelen (vaag benoemd) in Rhenen
* Het inschieten leverde een "goed" resultaat, maar de gegeven onderbouwing daarvoor is flinterdun
* Als zwaar vuur kan alleen de vuurconcentratie van 20 minuten, als inleiding op de aanval, worden aangemerkt

Mijn conclusie blijft daarom, dat van urenlange zware Duitse beschietingen geen sprake kan zijn geweest. Er zal nog nader worden onderzocht, wat de resultaten daarvan waren. Voltreffers en vernielingen (opdracht was toch "Zerstören der Kampfanlagen") zijn op het eerste gezicht niet zo waarschijnlijk. De trefzekerheid op grote afstand was gering. Het vuur, zelfs van het 15 cm geschut, daarvoor dan ook niet krachtig genoeg.

dinsdag 27 december 2011

Koepels en kazematten

De ruggengraat van de HWL werd gevormd door de gevechtsopstellingen voor de zware wapens. Het merendeel (ongeveer twee derde) was in beton en staal uitgevoerd. Voor de rest waren het houten constructies, gedekt door zand en grond.

Bestek 519/1939 EE, uitgevoerd door Aannemingsbedrijf T. van Hoogevest te Amersfoort [NA 2.13.24, Bureau Genie, Inv Nr 30] betrof 34 gevechtsopstellingen op grondgebied van de gemeente Rhenen. Daarvan 7 betonnen kazematten met 3 schietgaten (S-nummers 4a, 12-15, 17, 23, waarvan nummer 17 voor zware mitrailleur) en 27 kazematten met gietstalen koepel van 10 cm dik staal (G-nummers 2, 3a, 4, 5-7, 16, 18, 18a tm c, 19-22, 24-35). Ook werden nog (mogelijk door een andere aannemer) twee Pag-kazematten gebouwd, P-nummers 10 en 11. Die waren van lichtere weerstandsklasse, scherfvrij. Mogelijk als voorlopige gevechtsopstellingen. Twee andere Pag-kazematten, P-nummers 1 en 3, en twee Observatiekoepels, U-nummers 8 en 9, kwamen niet meer in uitvoering. Ze waren wel alle vier in genoemd bestek opgenomen.

De betonnen kazematten voor lichte mitrailleur hadden een schootsveld van 120 graden, in overlappende sectoren (3 schietgaten van 70 graden). De gietstalen koepels voor lichte of zware mitrailleur hadden een schootsveld van 40, resp. 35 graden.
De koepels aan de Grift hadden alle zware mitrailleurs. De schootsrichtingen daarvan zijn ingetekend op enkele kaartjes van de Groene Serie [Deel III.3, Schets/Kaart C3, C4]. Zie het kaartje bij de aflevering van 5 december 2011. Niet na te gaan is, of de schootsrichtingen daarop juist zijn aangegeven.
De grote schietgaten van de S- kazemat vormde een zwak punt bij vijandelijke beschietingen. Het stalen venster van de G-kazemat kon van nabij (minder dan 500 m) door 3,7 cm Pak worden doorboord.

Volgens "Kazematten in het Interbellum" (pag. 113) voldeden de S-kazematten (stekelvarkens) niet helemaal aan de W12-15 norm, de G-kazematten (pag. 130) wel. Norm W12-15 bepaalde, dat deze versterkingen bestand moesten zijn tegen 12 cm en 15 cm geschut. In het eerste geval bij voortgezette beschietingen, in het tweede tegen enkele schoten van dat kaliber.
In het kader van het Betonplan (pag. 133-138) waren meer en zwaardere dekkingen voorzien. Voor de stukken Pag ook G-kazematten (pag. 131). Die kwamen er niet meer. Evenmin het bomvrije gemaal bij het Hoornwerk, om de waterinlaat voor de inundatie te verbeteren. Dat was in mei 1940 nog in aanbouw. De stelling was aan het begin van de oorlog dus nog niet op de beoogde sterkte gebracht.
De OLZ had in april 1940 bepaald, dat alle gevechtsopstellingen en schuilplaatsen in de HWS (van HWL tot en met stoplijn) in beton en gietstaal uitgevoerd zouden worden tot weerstand W15-21. Uitgezonderd de scherfvrije Mortier-, Pag- en 6-Veldopstellingen. In de Liniedijk (aan de Grift) zouden geen betonnen kazematten komen, alleen gietstalen koepels.

Op papier was de Grebbelinie bij Wageningen in onvoltooide vorm al een sterke stelling. Het "Denkschrift" (pag. 126-128) beschrijft de HWL als volgt.
NB De genoemde aantallen kazematten zijn niet juist.De samenstelling van de artillerie evenmin. Ook worden weer de fictieve (?) schutters vanuit bomen genoemd. Enkele drukfouten zijn hier verbeterd.

"Als HKL (Hauptkampflinie, lees HWL) war die panzersichere Grebbe [Grift] (rund 6 m breit und durchschnittlich 2 m tief) gut geeignet. Besonders nördlich des Grebbe-Berges begünstigte das allmählich ansteigende Gelände tiefen Ausbau und gute Wirkung ins Vorfeld. [..]
Der rund 200 m breite Niederrhein schützte die rechte Flanke zwischen Grebbe-Berg und Rhenen.
Die Anlagen der ständigen Befestigung bestanden in dem dargestellten Abschnitt aus:

1 Panzergraben [tankgracht] - 6 bis 12 m Sohlenbreite, 1,5 bis 2,5 m tief - vom Niederrhein bis zur Stau Zone [inundatie] (dahinter Stellung der Gefechtsvorposten), der als Panzersperre ausgebauten Grebbe (gleichzeitig HKL),
1 Drahtseilsperre [kabelversperring] gegen Panzerfahrzeuge hart ostwärts der Strassenbrücke über die Grebbe und mehreren behelfsmässigen Betonröhren und Baumsperren [rioolbuisversperringen en verhakkingen]
4 Pak-Schartenstände [P-kazematten]
4 Schartenstände für MG mit 3 Scharten [S-kazematten]
22 Einscharten-Panzertürme (hauptsächlich hinter der Grebbe) [G-kazematten]

Die veralteten Erdwerke am Südostrand de Grebbe-Berges wurden für den Einbau von Dreischartenständen und MG-Stellungen ausgenützt.
Im übrigen bestanden die Kampfanlagen nur aus feldmässigen Stellungen. Bei teilweise tiefer Gliederung sind vier aufeinanderfolgende Linien zu erkennen. Nach niederländische Angaben: "Stellung der Gefechtsvorposten", "Hauptwiderstandslinie" (HKL), und "Stop-Linie". Die vierte Linie, taktisch die zweite Aufhaltelinie an der Bahn ostwärts Rhenen, wurde nicht benannt.
Alle Kampfanlagen waren aus der Luft gut zu erkennen.
Zur Artillerie der Division gehörten 2 Abt 7,5 cm Kan[one]n und 1 Abt 15 cm Haub[itzen], von denen 1 Abt 7,5 cm Kan[onen] zur unmittelbaren Unterstützung der Infanterie auf dem Südflügel eingezetzt und dem Rgt-Kdr unterstellt war.
Artilleristisch ist also eine Schwerpunktbildung nicht zu erkennen. Sie wurde - verspätet - erst während der Kampftage nachgeholt.
Die Batterien standen in feldmässigen Stellungen mit splittersicheren Munitions- und Mannschafts-unterstanden westlich der Bahn Nimwegen-Amersfoort.
Die leichten Infanteriewaffen, die im offenen Gelände nesterweise, im Walde dagegen in ausserordentlicher Dichte linear eingesetzt waren, sollten zusammen mit zug- oder halbzugsweise eingesetzten schweren Waffen das Vorgelände und das Hauptkampffeld lückenlos beherrschen. Die sMG wurden hauptsächlich offen eingesetzt, ihre Wirkung war infolgedessen nur ungenügend ausgenützt. Pak stand beiderseits der Grebbe-Brücke und am Südhang des Grebbe-Berges, die letztere hauptsächlich zur Bekämpfung gepanzerter Flussfahrzeuge.
Feuerzusammenfassungen und Sperrfeuer waren vorbereitet und konnten auf Leuchtzeichen ausgelöst werden.
Da das freimachen des Schussfeldes bis zum letzten Augenblick aus Gründen der Ersparnis verschoben wurden, konnte sich infolge der dichten Bewachsung des Vorfeldes der Feuerplan nicht richtig auswirken.
Der Einsatz zahlreicher Baumschützen sollte dies ausgleichen. [..]
Zusammenfassend kann man feststellen, dass die Niederländer am Grebbe-Berg eine starke Verteidigungsstellung geschaffen hatten. Sie verstanden es jedoch nicht, das für ihre Verhältnisse ungewöhnlich günstige Gelände taktisch so auszunutzen, dass alle Waffen ihre höchste Wirkung entfalten konnte."

De op papier sterke stelling werd dus (tenminste naar de mening van de Duitsers) tactisch slecht benut.
Voor het hele "Fort am Fusse des Grebbe-Berges" lagen nog grachten en prikkeldraadversperringen. Het complex werd in drieën verdeeld door de Rijksstraatweg en de Rijnbandijk. De secties links en rechts van de hoge winterdijk konden elkaar niet zien, en daarom ook geen onderlinge vuursteun geven. Er waren veel boomgaarden die de schootsvelden beperkten. De stellingen zuid van de Rijksstraatweg werden nog beschermd door een grote baggerput.
Door de geïsoleerde ligging O van de Grift van elke sectie, kostte het veel tijd om verband op te nemen met hogere commandanten of met een nevensectie. De communicatie, aanvoer van munitie, olie, levensmiddelen etc. vielen onder vijandelijk vuur snel uit. Na het opblazen van de brug de vorige dag, waren de telefoonverbindingen verbroken (de hoofdkabel liep onder de brug door). Mogelijk was die gebroken kabel oorzaak van een Duitse misvatting, dat de brugdelen als verdedigingsmiddel onder electrische stroom waren gezet.*


* In "Der Durchbruch an der Grebbeschleuse".

maandag 26 december 2011

Feit of fictie

Om dit hoofdstuk af te kunnen ronden, moeten eerst enkele onduidelijkheden uit de weg worden geruimd. Het beste is dan, hiervoor de nu beschikbare gegevens op een rij te zetten. Dan na te gaan, welke conclusies daaruit te trekken zijn. Tenslotte vast te stellen, of dit het gangbare beeld verandert.

Ook nu overheerst nog vaak het beeld, dat het Nederlands leger slecht geoefend, slecht bewapend, en slecht gemotiveerd was. Het moest het opnemen tegen een Duitse overmacht, superieur op alle punten. De uitslag van de strijd stond zo eigenlijk al te voren vast.
Wat er in mei 1940 bij de Grebbeberg gebeurde, kan niet zo eenvoudig worden vastgesteld. Feit en fictie zijn, na zo lange tijd, bijna niet meer te scheiden. Het kluwen aan gegevens kan alleen met veel moeite worden ontward. Er waren en zijn daarom belangrijke verschillen van mening, die nog altijd niet beslist lijken.
Het is in elk geval te simpel, om de versie van Nierstrasz onverkort te blijven volgen. Zeker, omdat dit nu een typisch tijdgebonden lezing blijkt. Gebaseerd op toen bekende (beperkte en deels sterk vertekende) informatie.

Nierstrasz behandelde het verloop van de gevechten op 12.5.40 bij Wageningen zeer uitvoerig, in 112 pagina's [Deel III.3, pag 236-349]. Wat er in zijn opvatting aan Duitse zijde gebeurde, werd in nog geen 20 bladzijden beschreven. Die beknoptheid werd misschien wel de voornaamste bron voor veel latere verwarring. Om dat te illustreren wat voorbeelden uit Hoofdstuk 2. De Strijd bij de IVe Divisie op 12 mei 1940 (De strijd om de Grebbeberg) [Deel III.3, pag. 237, 259, 260, 261, 262, 267].

"Sedert de vroege morgen werd de hoofdweerstandsstrook bij 8 RI systematisch onder artillerievuur gelegd." [..]
"Hoewel de DC [Kol A.M.M. van Loon] schijnt te hebben medegedeeld, dat [..] er bij voortduring, nu hier, dan daar artillerievuur viel, dat ook op Rhenen werd gelegd, [..]."

"Na een hevige artillerievoorbereiding slaagde hij [de vijand] er in, tussen 14.00 en 14.30 de frontlijn bij de Grebbesluis binnen te dringen en zich te nestelen in het bosterrein langs een zandweg, lopende west van de kazematten G.5, G.6 en G.7 en in het terrein ten noorden van ee kunstweg, vanwaar hij zich verder uitbreidde naar het N en het W en in contact kwam met de stoplijn."

"Het artillerievuur van de Duitsers, dat de gehele morgen had geduurd, werd ten slotte geconcentreerd op het Hoornwerk, de omgeving van de Grebbesluis en de voorrand van de Grebbeberg, waardoor de bezetting van de gevechtsopstellingen, voor zoveel niet in de kazematten, in de schuilplaatsen werd gedwongen."

"De kazemat S.4a van de 3e Sectie [1-I-8 RI] was door een voltreffer onbruikbaar geworden."
"De 3e Sectie zw.mitr., in de kazematten G.5, G.6 en G.7, die de vorige dag en in de morgen van 12 mei op verwijderde afstand veel en goed vuur had afgegeven, was tegen de vijand nabij de sluis machteloos door begroeiing, omgeschoten bomen, rook van een brandende boerderij enz. G.5 en G.6 konden geen vuur uitbrengen westelijk van de kabelversperring (vóór het Hoornwerk) en G.7 kon slechts vuren op de Grebbedijk oostelijk van de versperringen. De Duitsers vielen de kazematten in de rug aan."

"De C-3e Sectie [1-II-8 RI] was intussen met zijn mannen op een onjuist bericht van een vluchteling [van I-8 RI, die met verwarde verhalen door de loopgraven trokken] naar de 4e Sectie getrokken en viel daar bij het vallen van de duisternis in handen van de Duitsers. Deze bevonden zich toen zowel op de O.oever van de Grift als bij de gevechtsopstellingen [op de W.oever]. [In een voetnoot nog:] Zoals later zal blijken, hebben de Duitsers tegen dit frontgedeelte een bataljon SSers ingezet, omdat het vuur hinderlijk was voor de langs de kunstweg oprukkende troepen."
"De bediening van de koepels G.20, G.21 en G.22 is met de tirailleurs [geweerschutters] verdwenen. Het vuur van deze koepels was voor de Duitsers zeer hinderlijk geweest."

Zoals gezegd, in recente publicaties wordt dit beeld nog altijd uitgedragen. Bijvoorbeeld in het boek van G. Terwisscha van Scheltinga, "Trouw zonder eer" (2008), pag. 271-272.* Die beschrijving volgt hier onverkort.

"SS-Standartenführer Georg Keppler was vastbesloten om op 12 mei door de Grebbelinie te breken. Anders dan een dag eerder zette hij nu zijn volledige regiment in. III/[SS] "DF" kreeg opnieuw de zwaarste taak. Het moest het Hoornwerk binnendringen, de vernielde brug bij de Grebbesluis passeren en doorstoten in westelijke richting langs de belangrijkste weg over de berg. Deze voerde naar een spoorwegviaduct voor Rhenen. De spoorlijn tussen Rhenen en Veenendaal was het 'Tagesziel'. II/[SS] "DF" zou het 3e bataljon volgen, maar op de Grebbeberg in noordwestelijke richting afbuigen, terwijl I/[SS] "DF" in reserve werd gehouden om na de doorbraak van III/[SS] "DF" 'het bereikte succes door onmiddellijk nastoten te vergroten'. Het regiment ontplooide zich in de gebruikelijke 2+1 formatie: twee bataljons voorop en een erachter.
Om 12.30 uur concentreerde de Duitse artilleriebeschieting zich op de rand van de Grebbeberg. Twee batterijen 150 mm houwitsers beschoten het Hoornwerk; twee afdelingen 105 mm houwitsers de frontlijn daarnaast en daarachter. Een derde afdeling beschoot Rhenen en het viaduct. De Duitsers waren optimistisch over het effect van het bombardement. "Reeds bij het inschieten werd een goede uitwerking (voltreffers op stellingen en in brand geschoten huizen in de stelling) vastgesteld", meldde het oorlogsdagboek van de 207e divisie.
De Nederlandse troepen die deze strategisch belangrijke posities moesten verdedigen waren niet te benijden. Hun munitievoorraad was beperkt, hun moreel onvoldoende, hun stellingen nauwelijks verdedigbaar. De brug over de Grebbe was een dag eerder weliswaar opgeblazen, maar, zo observeerde een Nederlandse sergeant: "Een groot deel van het brugdek is blijven hangen op de sluisbalken." Het Hoornwerk zelf was niet meer dan een aarden wal met loopgraven en enkele kazematten. Het terrein ervoor was onoverzichtelijk door de aanwezigheid van een boomgaard, greppels, droge sloten, struiken en de hoger gelegen Grebbedijk. Ideaal voor de aanval, funest voor de verdediging.
Om 12.50 vielen de Duitsers aan. De 9e compagnie ging voorop, gevolgd en ondersteund door de 12e compagnie die met mortieren en machinegeweren onderdrukkend vuur gaf. Gebruik makend van de vele dekkingsmogelijkheden die het terrein bood, werkten de SS'ers zich snel naar voren. Heinz Harmel beweerde in 1990 dat hij om 13.00 uur als eerste de Nederlandse prikkeldraadversperringen bereikte. "Hij schreeuwt om een kniptang. Terwijl de kogels om z'n oren vliegen, knipt hij een doorgang. De leden van zijn compagnie [9/SS "DF"] en de zware mitrailleurs van Otto Kumm [12/SS "DF"] dekken Harmel door hevig te vuren op de stellingen en de kazemat aan de voet van de berg. Hij bereikt het deels vernielde bruggetje en rent als eerste over de puinhopen naar de overkant. Voor zich ziet hij nog Hollanders naar de bunkers rennnen.
In een chaotisch gevecht slaagden de aanvallers erin de omgeving van de sluis te zuiveren. Daarbij werd de gehele bezetting van de kazemat bij de sluis neergeschoten. Niet veel later drongen ze tot op de Grebbeberg zelf door. De vier kazematten op de zuidoostelijke helling werden bezet. Na een hergroepering in de loop van de middag werd vervolgens ook de gehele noordoostelijke flank langs de Grebbeweg ingenomen."

Wat is in beide lezingen waarschijnlijk een feit, wat vermoedelijk toch fictie ? Dat zal hierna op drie hoofdpunten worden onderzocht:

(1) Koepels en kazematten
(2) Het Duitse vuurschema
(3) SS "DF" en het strijdverloop

Aan het slot volgen nog twee afleveringen. Eerst een overzicht uit Nierstrasz en de gevechtsverslagen. Met het of, wanneer en hoe, dat kazematten werden uitgeschakeld. Daarna een korte samenvatting over de kracht van de HWL, met mijn conclusies.


* Hierbij voor de juistheid van de weergave ter zijde gestaan door A. Goossens, toen redacteur van www.grebbeberg.nl.

donderdag 22 december 2011

Een mythe aan scherven

Volgens eerdere auteurs vanaf Nierstrasz, heeft de Duitse artillerie bij Wageningen op 12.5.40 "urenlange en zware beschietingen met alle beschikbare artillerie" (gedacht werd daarbij aan vier, vijf afdelingen of meer) uitgevoerd om daarmee een doorbraak te forceren. Die mythe gaat nu aan scherven.

Na Nierstrasz, De Jong en Brongers, is bijna geen nieuw onderzoek gedaan naar de gevechten in mei 1940 bij de Grebbeberg.
Er bleven bij mij toch veel vraagtekens over. Gevechtsverslagen en andere bronnen riepen erg tegenstrijdige beelden op. Materiaal om hiertussen onderbouwd te kiezen, was er bijna niet.
Tegenstrijdige punten zijn dan nog met één of meer werkhypothesen op te lossen. Een eerste werd door Nierstrasz gebruikt, en staat ook bij mij nog overeind. Die verklaart tenminste goed de hoofdlijn uit de gevechtsverslagen: dat de kracht en de intensiteit van het vuur met de dag toenam. Zijn (nergens uitdrukkelijk geformuleerde hypothese) was, dat in de beginfase van de strijd bij de Grebbeberg (11.5.40 De strijd om het Voorpostengebied) in hoofdzaak gebruik gemaakt werd van infanteriegeschut. Wel moest worden ook, want bijna alle veldartillerie stond nog ver weg. De vijf gemotoriseerde batterijen kwamen in de avond/vroege ochtend van 11.5.40 in Renkum aan.
Toen moest eerst begonnen worden met inschieten op verkende doelen. Ook zullen in die fase storende vuren zijn afgegeven. Eerste taak was om belangrijke Nederlandse commandoposten, aanvoerlijnen, verbindingen, en hinderlijke gevechtsposities uit te schakelen. Dat kon vanuit Renkum niet permanent door vernielen (Zerstören), alleen tijdelijk door neutraliseren (Niederhalten) en het leggen van rookschermen (Blenden).
Uit Duitse documenten en technische handboeken blijkt, dat van de veldartillerie pas de 15 cm s FH 18 en nog zwaarder geschut in staat was met speciale munitie kazematten te vernielen. Als de afstand tot het doel tenminste niet te groot was (tot 4.500 m). Dan nog waren tientallen schoten op ongeveer dezelfde plek nodig. De twee batterijen van IV/AR 256 stonden daarvoor in Renkum te ver weg. Ander geschikt geschut, behalve het 3,7 cm Pak (efectief tot 500 m op deze doelen), zal in dit gevechtsterrein niet voorhanden zijn geweest. Een Duitse inschattingsfout, of falende logistiek ?

Voor mij staat daarom vast, dat er in de gevechten bij Wageningen geen urenlange geconcentreerde vuren zijn afgegeven. Dat kon om technische redenen al niet. Het geschut zou overmatig slijten, en de bedieningen uitgeput raken. Er moesten afkoelingsperioden en rustpauzes worden ingelast. "Zwaar geconcentreerd vuur" zou verder (door de geringe trefkans van relatief kleine doelen op grote afstand) niet effectief kunnen zijn. Alleen maar verspilling van mankracht, materieel en munitie. Erg veel en erg zwaar geschut kan ook niet hebben gevuurd.
De Grebbeberg lag ver buiten bereik van het Duitse Spoorweggeschut (EB 674 te Elten), één stuk type 24 cm SK L/40. De twee batterijen 21 cm Mörser 18 (s Art Abt 735) zijn pas op 12.5.40 bij Wageningen aangekomen, en op dit strijdtoneel voor het eerst in de ochtend van 13.5.40 ingezet.
Op 10.5.40 was hooguit het infanteriegeschut in de spits aanwezig, met nog vijf gemotoriseerde batterijen veldartillerie. Of drie hiervan (die van II/AR SS) deze dag al in actie zijn gekomen, staat niet eens vast. Het is ook niet onmogelijk dat deze afdeling, net als IV/AR 256, over de verschillende spitsen werd verdeeld.
De rivierovergangen over de IJssel werden door SS-troepen geforceerd. Met steun van het voorhanden geschut. Twee bataljons SS "DF" richting Westervoort, het andere richting Doesburg. In de eerste groep zaten I en III/SS "DF" met II/AR SS en 11/AR 256. In de tweede II/SS "DF" met 10/AR 256.
Hierachter waren nog wel twee bespannen afdelingen meegegeven. I/AR 207 bij IR 368 (naar Doesburg), III/AR 207 bij IR 322 (naar Didam). Het is niet aan te nemen, dat dit tweede echelon op 10.5.40 kon worden ingezet. Het bleef waarschijnlijk achteraan hangen. De andere bespannen afdelingen zeker. Dat waren II/AR 207 en III/AR 311. Die bleven bij de Gruppe Metger. Deze groep overnachtte in de omgeving van Beek en Loerbeek. Ze bleef deze dag in reserve.

Stap voor stap werd het volgende helder. Voor een deel worden hiermee ook eerdere conclusies van mij herzien.

> Op 10.5.40 waren er maar vijf batterijen veldartillerie beschikbaar voor steun aan de infanterie. Dat waren de drie batterijen 10,5 cm le FH 18 (mot) van II/AR SS en de twee bij 207.ID ingedeelde batterijen 15,0 cm s FH (18) van IV/AR 256 (mot). De andere eenheden artillerie waren bespannen, en bleven de eerste dag te ver achter om te kunnen zijn ingezet.
> Op 11.5.40 stonden de vijf gemotoriseerde batterijen in Renkum. Van daaruit openden ze het vuur op de voorposten. Ook werd een eerste bespannen afdeling aangetrokken en ingezet. Dat waren de drie batterijen 10,5 cm le FH 16 van III/AR 207. Deze afdeling werd op de Wageningse Berg (Rijksstraatweg, hoek Diedenweg, gebied LH) in stelling gebracht. De vijf andere batterijen bleven deze dag in Renkum.
> Op 12.5.40 zal III/AR 207 verplaatst zijn naar een nieuwe stelling in de Vork gevormd door de Grindweg en de Diedenweg. In de avond van 11.5 op 12.5 kwam een tweede bespannen afdeling in stelling. Op de Eng, N van de Dolderstraat. Dat waren de drie batterijen 15,0 cm s FH (lg) 13 van III/AR 311. De eigen zware afdeling van AR 207. In de loop van de ochtend veranderden ook de vijf batterijen uit Renkum van stelling. De twee 15 cm batterijen gingen vermoedelijk naar de Bosrand, II/AR SS naar de Wageningse Berg (Sahara). Misschien werd ook III/AR 311 nog verplaatst naar de Vork.
> Op 13.5.40 zijn bijna alle batterijen opnieuw verplaatst. III/AR 207 en III/AR 311 kwamen voor het eerst W van Wageningen, daarbij onder Nederlands artillerievuur. Ze leden daardoor verliezen. Mogelijk kwamen daarom later 4 en 6/AR 207 in stelling (alleen 4/AR staat vast, uit een rapport van Kdr AR 207). II/AR SS bleef op de Wageningse Berg. De twee 15 cm batterijen (mot) gingen naar nieuwe stellingen. Die batterijen waren onder vuur gekomen van I-12 RA (10 Veld) en door Nederlandse vliegtuigen gebombardeerd en gemitrailleerd.
Bij het aanbreken van de dag stonden ook de zes stukken van s Art Abt 735 tot vuren gereed. Die situatie blijkt duidelijk uit de volgende Lagenkarte van X. AK
Bron: Bundesarchiv-Militärarchiv Freiburg. Signatur RH 24-10/48K

Met hulp van het panel van deskundigen (waarvoor mijn bijzondere dank) werd nog het volgende duidelijk over de door het Duitse geschut afgegeven vuren en de daarbij gebruikte munitie:

(1) Er werd vermoedelijk eerst oude munitievoorraad opgemaakt. Projectielen van gietijzer en granaatkartetsen. Daarnaast werd toch ook nieuw aangemaakte munitie gebruikt. Er werden onder meer projectielen met buizen van aluminium gebruikt.
(2) Het Duitse vuurgedrag was heel wisselend. Dat is niet zo vreemd. Afgegeven artillerievuur week vaak af van het normale patroon. Dan werd ingeschoten met tijdbuis, in plaats van met de gebruikelijke snelle buis (schokbuis). Dat kan te maken hebben gehad met verschil in inzicht en gevechtservaring bij waarnemers en commandanten. Maar meer nog met de aard van het doel.
Tegen ongedekte troepen en licht materieel zijn immers het best kartets- of brisantgranaten met tijdbuis te gebruiken. Zo ingesteld, dat het projectiel 20 tot 30 m voor en boven het doel explodeert. Dat geeft maximaal effect. Een dichte regen van scherven ontstaat, met genoeg arbeidsvermogen om grote schade te veroorzaken.
Op een sterk weerstand biedend doel (zoals een kazemat of andere veldversterking) zijn brisantgranaten met een op vertraging ingestelde schokbuis veel effectiever. De granaat kan zo diep doordringen in het doel en dat bij detonatie op zijn minst verzwakken. Volgende schoten kunnen het dan totaal vernielen. Het zwaarste Duitse geschut had daarvoor speciale munitie, de betongranaten.
Geschut dat in relatief vlakke baan kon schieten (dat was ook met de 21 cm Mörser 18 mogelijk) gebruikte vaak een ricochet. De buis van de brisantgranaat werd dan ingesteld op kleine vertraging. Bedoeling was, het projectiel af te laten schampen op de grond, en te laten detoneren in de tweede (opklimmende) baan. Het effect daarvan is te vergelijken met de uitwerking van kartetsvuur.
Als de juiste munitie ontbreekt, zal men van de normale procedures en routines moeten afwijken. Hoofdopdracht blijft: op tijd, en met de juiste nauwkeurigheid, het doel zo effectief mogelijk te bestrijden. Dat lukt alleen, als de ligging van het afgegeven vuur kan worden beoordeeld en zo nodig verbeterd. Een artillerievuur dient daarvoor (zo mogelijk) altijd onder eigen waarneming afgegeven te worden.
(3) Niet alle Nederlandse stellingen en posities waren (naar mijn mening) vóór mei 1940 nauwkeurig genoeg verkend en in kaart gebracht. Dat wordt al duidelijk uit een vergelijking van de bekende posities volgens Nierstrasz met die ingetekend op een Duitse spionagekaart en enkele Lagenkarten. Uit de Nederlandse gevechtsberichten valt verder op te maken, dat nieuwe en pas verplaatste batterijen niet onder gericht vuur zijn gekomen. Voorbeelden zijn: 3-III-8 RA, 4-I-12 RA, 3-II-19 RA. Volgens Duitse gegevens was er maar één Staffel waarnemingsvliegtuigen beschikbaar. Misschien kreeg 207.ID maar één vliegtuig (of piloot). In het artilleriebevel van Arko 22 voor 13.5.40 staat "Flieger", met verdere tekst in enkelvoud. Enkele (blijkbaar zonder waarneming afgegeven) kaartvuren lagen voor de lengte ver mis.

Als achtergrondinformatie nog iets over de ingedeelde versterkingen:

* Er was slechts één stuk 8,8 cm Flak ingedeeld bij 207. ID. Dat was bij de Flakgruppe Niederstrasser, II/ Flak Rgt 241. Dit stuk zal waarschijnlijk achtergehouden zijn om de bruggen bij Arnhem te beschermen.
* Alleen op Korpsniveau (bij X. AK) waren verkenningsvliegtuigen beschikbaar. Ze moesten doelen opsporen en vuur corrigeren. Dit was Staffel 4. (H)/23. Deze vliegtuigen moesten over de divisies worden verdeeld. Ze werden waarschijnlijk van dag tot dag toegewezen aan de hand van gevechtsprioriteiten.

woensdag 21 december 2011

Hoornwerk onder vuur

Niet zo goed bekend is, dat het Hoornwerk en omgeving niet alleen onder Duits vuur gelegen heeft. Toch wordt dat in deel III.3 van de Groene Serie door Nierstrasz onder een vast hoofdje "Het gebruik van de artillerie op [datum]" duidelijk genoeg behandeld. Daarbij krijgen twee vragen veel aandacht. (1) Wie bevel gaf voor het vuur en (2) of het wel door deze eenheid (de artillerie van het Legerkorps gezet tegenover die van de Divisie) afgegeven had moeten worden. Dat zijn voor mij minder belangrijke punten. Interessanter is, om welk soort vuren het ging, en waar deze vuren bij benadering hebben gelegen.

Die gegevens staan op drie kaartjes (zie de voetnoot bij de voorgaande post). Ook in zijn begeleidende tekst [Pag. 205-207, 341-347, 438-452]. De kaartjes geven een snelle ingang naar de gevechtsverslagen van de betrokken eenheid (afdeling of batterij). Ze geven niet altijd nauwkeurige informatie over doelgebied en duur van de afgegeven vuren. Op het kaartje [Schets/Kaart C.5] staan voor 11 mei 1940 bijvoorbeeld vier vuren ingetekend, op ongeveer 300 m oost van het Hoornwerk. Van I-8 RA twee, verder nog van II-19 RA en I-22 RA. Het Gevechtsbericht van 8 RA [NIMH Coll 409, Inv Nr 511002] geeft niet al deze vuren aan. Wel, dat het in de avond [bericht van 19.21 uur] ging om vuur 122, 150 m naar rechts. Daar worden we ook niet zoveel wijzer van. De tekst van Nierstrasz vertelt bij I-8 RA [Pag. 206], dat dit een voorbereid stormvuur vóór het Hoornwerk was. Een ander document [Inv Nr 511011] geeft nog wel de doelgebieden voor de vastgestelde vuren in oude coördinaten. Voor vuur 122: Van 30.576-65.810 tot 30.550-66.311. Omgerekend: Van 170,90-440,60 tot 170,88-441,10. Een vak met diepte van ongeveer 20 m en een breedte van 500 m.

Nu is het een illusie te denken, dat vuur precies op zo'n vak gebracht kan worden. Zelfs niet na inschieten en met directe observatie door een artilleriewaarnemer. Daarom mijn gebruik van "bij benadering" en "ongeveer".
De schoten vertonen een zekere spreiding, door allerlei kleine variaties. In hoofdzaak gewicht van het projectiel, kracht van de lading, juiste hoogterichting en juiste zijdelingse richting. Die zijn niet bij elk schot precies gelijk. Bij goede waarneming en correcties komen de schoten toch gemiddeld op het doel.
De spreiding voor de lengte was altijd verreweg het grootst, en nam toe met de afstand tussen vurend stuk en inslagpunt (Dracht). Voor de 7 Veld waren de 50%-spreidingen volgens de officiële schootstafel [Nr 395, 1939]:
Gebruikt is de tafel voor de standaardmunitie en lading. Brisantgranaat nr 1 met schokbuis nr 28, normale lading. Dracht hiermee tot 8.400 m.

De tweede regel onder de kop geeft aan, dat de helft van de schoten alleen al door technische oorzaken op een afstand van 4.000 m meer dan 60 m achter of voor het doel zouden vallen, en meer dan 1,8 m links of rechts ernaast. Hierbij is nog niet eens rekening gehouden met een reeks verstorende invloeden (waarnemings-, meet- en richtfouten, naast temperatuur, luchtvochtigheid, windrichting en -kracht). Een schootstafel geeft uitkomsten onder ideale omstandigheden. Het is dan erg onwaarschijnlijk, dat enkele schoten van vuur 122 van I-8 RA in het Hoornwerk gevallen zouden zijn, maar de kans is niet nul. Meestal werd ook wel gemeld, dat de schoten "goed op het doel lagen", enkele schoten kunnen toch ver mis zijn geweest. Dat waren dan de "afzwaaiers".

Deze lange inleiding was nodig, om het volgend kaartje wat te nuanceren. Het geeft (in blauw, paars, en rood) de door de Nederlandse artillerie afgegeven vuren aan (op resp. 11, 12, en 13 mei 1940).
Ondergrond: Stafkaart ELt T.L. Houdret, I-15 RA. Bruikleen van Fam. Houdret.

Te zien is, dat op 12 mei vuur pal op het Hoornwerk werd afgegeven. Dat gebeurde volgens Nierstrasz [Schets/Kaart C.10] door de 15 cm houwitsers van I-15 RA, van 16.16 [?] - 16.46 [?] en van 16.52 [17.00 ?]- 17.30. * Dit was krombaangeschut, in tegenstelling tot de kanonnen 7 Veld van I-8 RA en I-22 RA, en de kanonnen 12 Lang Staal van II-19 RA. Elk soort geschut heeft zijn eigen baankenmerken. De schoten van houwitsers hebben sterker gekromde banen (en daarom grotere lengte- en breedtespreiding) dan die van kanonnen.

Volgens de gegevens uit het Gevechtsbericht van I-15 RA [NIMH Coll 409, Inv Nr 502022] was het door deze afdeling afgegeven vuur op het Hoornwerk een snelvuur van 30 minuten. Het werd afgegeven door beide batterijen en tegen 17.00 nog een keer herhaald. Daarbij zullen ruim 450 brisantgranaten van ca. 50 kg op dit gebied zijn afgeschoten. Onduidelijk is. of die na het staken van de strijd allemaal geruimd zijn
Duidelijk zal zo wel zijn, dat niet precies te zeggen is, waar de schoten van Duits en Nederlands geschut vielen. Van het Duits geschut is veel minder bekend over afgegeven vuren en doelen. Het waren alle ook houwitsers. Daarom is de onzekerheid over de inslagpunten van de op 12.5.40 bevolen vuurconcentratie op het Hoornwerk groter. Dat vuur werd, zoals eerder gezegd, vermoedelijk afgegeven door 44 tot 52 stukken. Zeker van II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311, 10 en 11/AR 256. Mogelijk nog van 4 en/of 6/AR 207.


* De door Nierstrasz opgegeven tijden lijken me niet helemaal betrouwbaar.
Het vuurbevel van 16.16 luidde volledig: Op mijn bevel [volgt ?] snelvuur 30' tempo 1 [Duur 30 minuten, 1 Bg per minuut per stuk] op Hoornwerk 170,190 - 440,540 tot 170,300 - 440,815 bg [brisantgranaat] vsn [versnelde buis] lad 3 [lading 3] niet vvb [niet vuurverbreden] niet strooien dc [dagcorrectie] voor de lengte -150 m [!]. Er kan in dit vuur dus een flinke fout hebben gezeten, omdat het kaartvuur was en de dagcorrectie een benadering. Daar boven op kwam nog de normale spreiding [LS50 > 50 m]. De afstand was ca. 4,7 km.