donderdag 20 mei 2010

III/AR 311 ?

Deze studie is net een grote puzzel, lang geleden eens gelegd door veel personen. Waarna delen op verschillende plaatsen opgeborgen werden.
Met de hulp van anderen, zijn veel fragmenten gevonden. Het beeld kan nu zover opgebouwd, dat voorstelling, kleuren, en belangrijke details, herkenbaar zijn. Nog altijd duiken onmisbare stukjes uit een verzameling op.

Onlangs kreeg ik een map waardevolle informatie in bruikleen. Beschikbaar gesteld door familie van Elt T.J. Houdret. In mei 1940 in dienst als Verkenner (artilleriewaarnemer) bij I-15 RA. Een uniek pakket. Met rapporten, handgeschreven stukken, eigen kaartjes van de stellingen, en ander bij de gevechten werkelijk gebruikt materiaal. Hieronder ook 2 stafkaarten schaal 1:50.000, uitgave 1939. Eén in zwart-wit druk, nog volgens Bonne-projectie. De andere in kleurendruk, naar luchtfoto's in stereografische projectie, en met coördinaten van het toen nog nieuwe RD-stelsel. Hieronder volgt een belangwekkend deel uit deze kaart.


Op dit deel zijn door Elt Houdret de stellingen, en de afgegeven vuren ingetekend. De afdelings-wp ontbrak in het origineel. Die werd door mij toegevoegd. De plaats daarvan is met coördinaat en al bekend uit de nieuwe stukken. In een boomgroepje aan een onverharde weg. Een paar honderd m Z van de vroegere Jeugdherberg Berg en Dal. Die plaats is in de tekening opgegeven als 167,20 - 443,60. Maar in een begeleidende brief van de Cdt I-15 RA, Maj J.H. Kramer, werd dat verbeterd in 167,20 - 443,00. Dat klopt beter met de kaartgegevens.

Stellingen, wp, en ook de plaats van een batterij van III-8 RA zijn ingetekend op een schets van het Stellingterrein I-15 RA. Die staat al lang op de website van Stichting De Greb en Stichting Kennispunt Mei. Toegevoegd aan het Dagboek van Maj Kramer. Dat kaartje is rechtstreeks te zien via de link http://storage.kennispuntmei1940.nl/images/greb/foto/normal/15/15ra_kaart_01.jpg
Op die schets is een boerderij, blijkt nu, met een vierkantje aangegeven. De wp ligt nog iets verder Z, even boven de lijn 443[,00].

Voor mijn studie van groot belang is, dat in de stukken ook de originele berichten van 12 mei beschikbaar kwamen. Hieronder Bericht Nr. 28, Datum 12 5/40, 15.51.

"Aan 89I [Staf I-15 RA ?]
kh 18.10 men[en] wij de re[chter] vleugel van v.[ijandelijke] art[illerie] te zien
w.p."

Ook die waarneming is met een lijn op bovenstaand fragment ingetekend. Dat leverde weer een verrassende ontdekking op.
Een waarneming op vijandelijke artillerie, zover al op 12 mei vooruitgeschoven ? Zou dat, die dag al, dan III/AR 311 geweest zijn ? Dat lost twee vraagstukken op. De eerste, mijn moeite met het intekenen van alle ingezette batterijen. Zie http://geschutopdewageningseberg.blogspot.com/2010/05/stellingen-12-mei.html
De tweede een afgegeven vuur "Bij de g van Synagoge", om 15.10 afgegeven door beide batterijen van I-15 RA. Er werden die dag blijkbaar twee batterijen in de Westrand van Wageningen waargenomen. Ook dat wijst in de richting van III/AR 311.
Een ondersteunend punt, al eerder genoemd, zijn de veldgraven van tenminste twee kanonniers van 9/AR 311, aan de Afweg in dat gebied. Zie ook http://storage.kennispuntmei1940.nl/images/greb/foto/normal/gr/greb300306_001.jpg

De stukken van Elt Houdret zijn ingescand voor de website www.grebbeberg.nl van Stichting De Greb en Stichting Kennispunt Mei 1940. Ze worden daarmee toegankelijk gemaakt voor iedereen.

Weerbericht

Gisteren was het prima weer om een flink stuk te wandelen. Zon, wind, niet te warm, en niet te koud. Daarom niet achter de computer, maar naar buiten. Op pad, vanaf de veerweg naar Opheusden, langs de Grebbedijk. Bij het Jachthaventje, en in de uiterwaarden tussen de Grebbeberg en Wageningen.
Zo was meteen vast te stellen, of geschut op de Wageningse Berg vanuit buitendijks gebied te zien kon zijn geweest. Mondingsvlammen bij Lexkesveer ? Twijfelachtig, als de Berg niet kaler was vroeger. De begroeiing vormt nu een hoog scherm. Dat blijkt wel uit de volgende foto.


Vanaf een hoog standpunt kan dat nog wel anders geweest zijn. Behalve op de Grebbeberg, waren er Nederlandse uitkijkposten gezet op de steenfabrieken in de Buitenwaarden. Steenfabrieken waren er in dit gebied nogal wat, aan beide zijden van de rivier.

De steenfabriek Blauwe Kamer is nu een ruïne. Dat kan niet het gevolg zijn van de korte beschieting door I-22 RA, vanuit de Betuwe. Men dacht daar, vroeg in de ochtend van 13 mei, een colonne bespannen vijandelijke artillerie te zien. Stilstaand op de veerweg, N van de Blauwe Kamer. Onze kanonnen kregen toestemming om te vuren, en losten enkele schoten. Toen moest het vuren worden gestaakt. Door de ochtendnevel zag men niet genoeg meer. Bij een veldverkenning na de capitulatie, werd daar een stukgeschoten auto gevonden, en zelfs begraven paarden [NIMH, Coll 409, Inv Nr 513028].

De steenfabriek Plasserwaard staat er beter bij. Blijkbaar nog in gebruik, maar wel door een heel ander soort bedrijf.

De gevechtsdagen van mei 1940 waren vrij kil. Met een matige tot krachtige noordenwind. Dat blijkt uit de weergegevens van het KNMI. Een databank vanaf 1901 staat online op http://www.knmi.nl/kd/daggegevens/download.html
Voor artilleristen is het weerbericht van groot belang. Om dagcorrecties op de schietgegevens te kunnen maken. Nodig, als in een hoge baan wordt geschoten. Het hoogste punt (culminatiepunt) kan wel kilometers boven het maaiveld liggen. Dat hangt af van de hoek waaronder het projectiel afgeschoten wordt (richthoek), en van de afstand die het projectiel moet afleggen (dracht). Een paar voorbeelden uit de Schootstafel voor het Kanon van 7 Veld, voor de brisantgranaat nr 1 met normale lading.

Bij een dracht van 4.000 m is de richthoek 9 gr 18 min, culminatiehoogte 200 m.
Bij een dracht van 6.000 m is de richthoek 18 gr 27 min, culminatiehoogte 650 m.
Bij een dracht van 8.000 m is de richthoek 34 gr 30 min, culminatiehoogte 2.000 m.

Zelfs bij vlakbaangeschut, lopen richthoek en culminatiehoogte voor grotere afstanden dus snel op.
Nodig zijn onder meer gegevens over de richting en snelheid van de wind op die hoogten. Een paar keer per dag kwam hiervoor een weerbericht. Blijkbaar op vaste tijden, 5.21, 10.21, en 13.21. Die voor de vroege ochtend van 11 en 12 mei 1940, werden als volgt in het Bericht- en Meldingenregister van III-8 RA opgetekend [NIMH Coll 409, Inv Nr 511016].

11 mei 5.57: W 0521 63 1 04 07 01
12 mei 6.25: W 0521 68 1 58 05 99

Vooraan in beide berichten staat een W, gevolgd door een getal van vier cijfers. W = Weerbericht, 0521 = van 5.21 uur.
Eerste cijfergroep hierachter: Relatieve luchtvochtigheid in %. Volgend cijfer 1 = Bericht voor culminatiehoogte tot 5.800 m. Tweede cijfergroep geeft Windrichting uitgedrukt in o/oo (N = 00 (of doorgeteld 64), W = 16, Z = 32, O = 48). Derde cijfergroep geeft Windkracht in m/sec. Laatste cijfergroep geeft Luchtdruk, waarbij 00 = 100, 01 = + 1%, 99 = -1%, enz.
Hieruit is op te maken, dat de wind in de ochtend van 11 en 12 mei op grote hoogte vrijwel N was. De windkracht was daar toen 7 resp. 5 m/sec, d.w.z. "matig" (4, resp. 3 Beaufort).

woensdag 19 mei 2010

Aanvulling

Nog een kleine aanvulling over de inzet van de DA. Deze werd geleid door Kol J.M. de Kruijff, Cdt 8 RA.
In de ochtend van 11 mei werden mondingsvlammen gezien op de Wageningse Berg. Maj. C.J. Voigt, Cdt III-8 RI (Linkervoorbataljon in het gebied van de Voorposten) schrijft hierover [NIMH Coll 409, Inv Nr 50906]:

"Uitkijkpost meldt vuurverschijnselen van vijandelijke artillerie bij Lexkesveer. Ongeveer 8.00 uur. Daar geen verbinding meer te krijgen is, ordonnansen uitgezonden naar Cdt 8 RI met berichten en verzoeken:
1e Verzoek artillerievuur op Lexkesveer
2e Verzoek om postduiven voor berichten-wisseling
3e Verzoek om één stuk zware mitrailleur en Pag
Van de ordonnansen wordt niets meer vernomen."

Onzeker is, wat hierna gebeurde. Niet alle vuren zijn vastgelegd, of duidelijk genoeg vermeld.
Rond 8.00 uur zijn er drie meldingen gedaan door wp's van 8 RA, die inderdaad op Duits geschut "Bij Lexkesveer", en ook "Bij Dorskamp", duiden. Deze waarnemingen zijn ingetekend op het volgend kaartje. Hierop links de plaatsen van de wp's (O.113 = Wp 3-III-8 RA, GB = Groenebank, LD = Levendaal). Lijnen zijn getrokken naar de torens die als oriëntatiepunten dienden (OT = Oude Toren, NH Kerk, NT = Nieuwe Toren, RK Kerk). Kruisjes geven het grotere stellinggebied (Bosrand, Villawijk) aan. De afstanden werden in de berichten niet opgegeven. Vanuit de post O.113, werd in een bericht tegen middernacht, de afstand naar de batterij "Bij Dorskamp" op rond 8 km geschat. Dat komt uit op een plaats even W van de Diedenweg.

De door mij vermoede stellingen van Duitse artillerie in dit gebied, zijn nog eens op proef met rode blokjes aangegeven. De groepering bij Villawijk is nu aangepast.
Deze oplossing zou opstellingen in Renkum (van III/AR 207) en Heelsum (van IV/AR 256), zoals eerder aangenomen werd, uitsluiten. We kruisen daarom de posities in de Bosrand op 11 mei door. De waarneming richting Dorskamp, vanuit Levendaal, zou dan de derde batterij van II/AR SS aangesneden moeten hebben. Zoals het kaartje laat zien, is dat alleen met een flinke meetfout mogelijk.


II-19 RA gaf in de ochtend van 12 mei tussen 2.30 en 2.55 uur een storend vuur af op Wageningen. Dit lag even voorbij Hotel "De Wereld". Vlak ten O van de splitsing in de weg naar Arnhem, met de weg naar het Lexkesveer.

Gisteren zette ik een vraagteken bij de melding van 12 mei (4.55), waarin aan IV Div om vernieling van de Oude Toren werd gevraagd. Als dat klopte, zou deze toren toen voor de tweede keer onder vuur genomen zijn. Dat is nu verder uitgezocht.
Inderdaad zijn er twee meldingen. Voor 11 mei (10.02 - 10.21) bij 2-III-8 RA [NIMH Coll 409, Inv Nr 511014]. Die keer werd de toren in brand geschoten. En voor 12 mei (5.08) bij 1-II-19 RA [SG, III.3, p. 342; NIMH Coll 409, Inv Nr 502027, en 028]. De tweede keer legden de granaten kerk en omgeving in puin. Er werd met tijdvuur ingeschoten. Voor de vernieling waren 60 GKT beschikbaar gesteld.

Beide vuren zijn opgedragen, omdat Duitse artilleriewaarnemers de toren, en andere hoge punten, als uitkijkpost gebruikten. Net als wij. Om doelen te verkennen, en het eigen vuur te leiden. Een hoog standpunt vergroot, bij helder weer, het gezichtsveld. Op 10 m hoogte kan in theorie al meer dan 10 km ver gekeken worden, op 50 m hoogte bijna 40 km. Kap G.A. Geel, Schietinstructeur bij de IIe Artillerie-brigade (van 4 RA en 8 RA), gaf hiervoor in 1937 een handige formule. Gezichtsveld = de wortel uit (13 x h). Hoogte (h) hierbij in m, gezichtsveld in km.
In de stukken zijn als vermoede Duitse wp's aangetroffen: de Watertoren van Ede, de Kerktoren van Bennekom, OT en NT van Wageningen, huizen in de Oostrand, de Korenmolen daar. Arko 22 meldde op 13 mei, dat er ook waarnemers van IV/AR 256 en Staf/AR 207 op de Grebbeberg waren [NIMH Coll 401, Inv Nr 2030].

dinsdag 18 mei 2010

Toelichting

Om een wat vollediger beeld te geven van de gang van zaken in de cp van II LK, volgen hier nog enkele punten in eigen samenvatting. Die zijn beperkt tot de dagen 10 tm 12 mei. In de ochtend van 13 mei ging veel aandacht naar de Tegenstoot. Daarna werden vooral de bevelen voor de Terugtocht uitgewerkt, afgegeven, en uitgevoerd.

10 mei - Cdt IV Div (Tijdstip niet bekend): Regimentspatrouille door 8 RI uitgevoerd tot Oosterbeek. Die plaats bezet aangetroffen. Cdt 4 RH (13.25): Bij Heelsum vijandelijke vechtwagens waargenomen. Idem (17.45): 4 RH trekt voor overmacht terug. Indruk aan het eind van de dag: Gemotoriseerde afdelingen, blijkbaar gekomen uit Arnhem e.o., zijn op het front Wageningen-Ede aangekomen. Geen gegevens omtrent sterkte, of wat daarachter komt. Aan LKAC wordt opdracht gegeven, gedurende de nacht bepaalde storende vuren af te geven.

11 mei - Cdt IV Div (8.00): O.a. 16 MC ligt onder vuur van artillerie [avu] uit richting Wageningen. AID (8.11): Avu op Rhenen. Idem (9.15): Grebbeberg zwaar onder avu. Opdracht aan LKAC die vij bt op te sporen en onder vuur te nemen. LKAC (9.30): Volgens [2] AMC ligt de vurende vij zw[are] bt op 22 km, dus [!] buiten vuurbereik. C-IV Div (10.15): Avu verplaatst zich naar het N. Idem (10.55): Avu op station Rhenen. Uit richting Wageningen avu van 15 cm kaliber. HKV Sie I3 (12.25): In Apeldoorn passeren grote vij colonnes. C-IV Div (12.35) Vij patrouilles voor de voorposten van 8 RI worden talrijker. Kleur uniformen zwart, bruin, en groen. Idem (13.40): Vij nadert tussen Grebbedijk en Rijn. Stormvuur is aangevraagd, maar niet afgegeven, omdat de indruk is, dat voorposten niet terugtrekken [gevaar van vuur op eigen troepen]. AID (14.35): Vij motorrijders en Hw 15 cM in Ede. Daar 14 pantserwagens gezien. C-IV LK (18.50): Volgens vliegerverkenning Apeldoorn verlaten, en op wegen Apeldoorn - Amersfoort niets te zien [van vij activiteit]. Indruk van de LKC aan het einde van de dag: Vermoedelijk nog slechts zwakke vij troepen, in hoofdzaak tegen het Grebbe-acces. Aantal batterijen vermoedelijk vrij gering, doch zeer beweeglijk, waardoor plaatsbepaling door AID slechts bij uitzondering lukt. Aanwezigheid van vij 15 cM-batterijen staat vrijwel vast, evenzo die van minstens één batterij met grote dracht. LKC denkt hierbij aan lange kanonnen van 15 cM. [Daarmee denkt hij een zeldzame vogel te zien. Dat was, zoals nu bekend, oud geschut uit WOI, of nieuw geschut, dat nog maar in zeer beperkte mate, totaal 21 stukken, bij het Duitse leger voorhanden was. De dracht hiervan was inderdaad 22 km, de afstand die was gemeld].

12 mei - Cdt I-8-RI (0.07): Vij N van Grebbesluis in frontlijn doorgedrongen. AID (1.50): [Van C-IV Div (0.50) !]: Vij avu verplaatst zich van Grebbe[berg] in N richting. Enige projectielen gevallen in Achterberg, Dijk, en op een O&O-barak. Het vuur komt van achter de inundatie. Gezien van cp Cdt III-19 RI [Aan de Snijdersteeg bij Achterberg] uit ZO richting. Het is regelmatig vuur, 3 à 4 schoten per minuut [D.w.z. voor 15 cM s FH 18 ongeveer op hoogste snelheid, voor 10,5 cM le FH op de helft daarvan. Dit vuur zal door II/AR SS, of door IV/AR 256 zijn afgegeven. Vermoedelijk door de SS-Afdeling. Richting ZO is zeker fout, in de Betuwe was geen Duits 15 cM-geschut]. Cdt I-15 RA (2.45): Li bt onder vij avu. Wp Groenebank van III-8 RA (zelfde tijd): Vurende bt, 80 o/oo li van RK kerk Wageningen, achter laan Nieuwe Haven, in vt 173-442. Afstand onbekend. 2 AMC tracht te peilen. Cdt 19 RI (5.25): Avu op Cuneraweg en Koerheuvel. Een Duitse uitkijkpost waargenomen op de Z toren van Wageningen [PK, Oude Kerk]. Te 4.55 is aan IV Div om vernieling van die toren gevraagd. [Is de datum of het doel wel juist ? De dag ervoor werd de toren van de Oude Kerk door 2-III-8 RA in brand geschoten, met waarneming door 1-III-8 RA]. III Verk Gr (7.45): Door deze vliegtuigen verkend de weg Ede-Arnhem-Westervoort. Nergens vij activiteit gezien. Westervoort in Duitse handen, Arnhem vermoedelijk niet. AID (8.35): Rhenen wordt beschoten met zeer zwaar kaliber, 24 à 25 cm; scherfdikte 5 cm. Snelvuur 2 min [Dit is tegenstrijdige info. Snelvuur met zeer zwaar geschut is door gewicht munitie en gescheiden lading onmogelijk]. I-15 RA: (z.t.): Afdeling onder avu. II-19 RA (z.t.): Afd met behulp van vliegerwaarneming beschoten. Kan vlieger worden verjaagd ? Aangetekend: "Met LKAC besproken" [Verdere actie ?]. IV LK Sie I5 (9.30): 7.00 [!] Geen vij te Apeldoorn. Zeer stil, geen verkeer. Spoorbrug Deventer intact. Bij Zwolle beide bruggen ingestort [Die waren opgeblazen door eigen troepen], geen brugslag. Te 8.15 in Elburg, Harderwijk, Nijkerk niets waargenomen. Geen verkeer op hoofdwegen. Geen spoortreinen. C-IV Div (9.50): Dikke rookwolken op weg Wageningen tot Grebbedijk. Mogelijk [!] wordt aanval voorbereid. Opstellingen op Grebbeberg liggen al 1 - 1,5 uur onder avu. Waarschijnlijk vij art op Wageningse Berg, Zuid [!] van kunstweg Wageningen-Renkum. Verzoekt hierop avu. Opdracht aan LKAC [Gegeven en uitgevoerd ?]. Brig A (9.55): I-22 RA regelmatig onder avu uit richting Wageningen. LKC (voor 10.35): Bezoek aan II-19 RA. Daarna aan CV om hem op de hoogte te brengen van genomen maatregelen. CV geeft LKC de plaats van vastgestelde vij batterij, met bevel deze tot zwijgen te brengen [Bedoeld wordt Dorskamp, vt 176-443 [Enq IB, p. 155]]. LKAC (11.40): Plaatsbepaling door AMC van door wp I-8 RI gemelde vuurverschijnselen niet mogelijk door bosbrand. [Late reactie op melding van 2.45 ?]. C-IV Div, van I-8 RI (12.10): Vij art schiet buitengewoon goed, hevig en onafgebroken uit richting Wageningse Berg. Van I-8 RI (z.t.): Vij art. zelfde indruk als Cdt I-8 RI. Avu is van zwaarder kaliber dan gisteren en zeer hevig. B.v. op 16 MC werden in 3 min 15 goed gerichte granaten afgegeven. [Het laatste lijkt, gelet op dit tempo, van 10,5 cM le FH. Vuur van zwaarder kaliber blijkt wel uit andere bronnen]. C-IV Div (13.00): Vraagt aan LKC een avu op 171.90-444.25 [Dat ligt in het Binnenveld, N van het Nieuwe Kanaal], dat geheel tot de taak van de DA behoort [Deze bestreed de vanuit de eigen stellingen zichtbare vij art]. Het bos achter Cdt 19 RI [Bij de vooruitgeschoven stellingen I-12 RA] staat in brand. Idem (14.35): Vermoedelijk zijn kazematten 5, 6, 7 en 8 [op de voorrand van de Grebbeberg, Z van de weg] door Duitsers bezet. Idem (14.55): Vij onmiddellijk N van de weg Rhenen-Wageningen doorgedrongen. De spoorweg [ruglijn] wordt bezet. Idem (16.00): N deel van de stoplijn houdt tot nu toe stand. LKC aan LKAC (17.15): Zie citaat in voorgaande aflevering. C-IV Div (18.00) Vij voor stoplijn tot staan gebracht. II-8 RI houdt stand. Cdt I-8 RI via Kapt-adj J.J. Greter, van 5 RA (z.t.) Voorste lijn en stoplijn hebben twee dagen onder hevig vij avu gelegen, waardoor Hoornwerk en Koepels op de Grebbeberg buiten gevecht zijn gesteld. Thans ligt de stoplijn weer onder hevig avu uit richting Wageningen, vermoedelijk in stelling op de Wageningse Berg. Dit avu moet tot zwijgen gebracht. Dit is op 11 mei door mij tweemaal aan de RC [Cdt 8 RA, LKol W.F. Hennink] gemeld. Idem (19.00) Verband [contact] opgenomen met Cdt I-8 RI, die zich in de stoplijn handhaaft, maar nadrukkelijk verzoekt om krachtige artilleriebestrijding [Dat vond niet meer plaats op 12 mei. De volgende ochtend werd nog wel een bombardement uitgevoerd bij Dorskamp. De daar inderdaad aangetroffen batterijen werden niet tot zwijgen gebracht]. Chef staf IV Div (z.t.): Vak II-8 RI ten N van Heimerstein [in het lagere terrein onmiddellijk N van de Grebbeberg] heeft zich volledig gehandhaafd. In vak I-8 RI bleef de stoplijn in onze handen. Bezetting van de stoplijn versterkt met III-11 RI [uit reserves]. Van alle kanten berichten dat vij infanterie zwak is. Art is moorddadig. Vraagt met klem al het mogelijke te doen om vij art te bestrijden. Idem (19.50): II-8 RI is teruggevallen op Achterberg. Stoplijn in N deel doorbroken. II-11 RI in ruglijn bij Achterberg. C IV Div (19.55): Stoplijn na het sneuvelen van Maj J.H.A. Jacometti [C II-8 RI] is vrijwel [!] gevallen. Cp van Cdt 8 RI wordt bedreigd, maar is, zover bekend, nog niet genomen. Naar zeggen van twee teruggetrokken onderofficieren bevindt de vij zich op ongeveer 500-700 m O van de spoorbaan Rhenen-Veenendaal, 500 m ZO van pl 25 [bij Achterberg], in het bosterrein. LKAC (21.05): I-12 RA is uit de vooruitgeschoven stellingen naar de normale stellingen overgebracht [Dat gebeurde niet, het bevel hiertoe is later ingetrokken]. Cdt 4e Cie LuMi (21.30): Vij luchtactie uiterst gering. Enkele bombardementsvliegtuigen op zeer grote hoogte. Vij art verkenner bij Remmerden blijft angstvallig buiten bereik van ons geschut.
Beoordeling van LKC in de late avond van 12 mei [Voor het eerste deel al eerder geciteerd]: Vij avu is ongetwijfeld aanmerkelijk in kracht toegenomen. Toch worden slechts weinig vij batterijen door AID gemeld. Wel is geconstateerd [hoe ?], dat vij art zeer mobiel is en veelvuldig van stelling verandert. Sterkte vij art is sedert de vorige dag wel groter geworden, maar betwijfeld wordt, of het aantal batterijen inderdaad groot is. Zij zijn echter erg actief, en schieten zeer goed. (..)
De lijn spoorweg van Rijn, tot pl 25 bij Achterberg, naar stoplijn van 19 RI is [weer] vast in onze hand. De van alle kanten oprukkende versterkingen geven grond aan de verwachting, dat wij nu op het frontdeel bij de Grebbeberg over een sterke overmacht beschikken, en dat de in de vroege morgen van 13 mei te ondernemen tegenstoot succes zal hebben. Enige bezorgdheid bestaat ten aanzien van het vak van II Div [Bij Scherpenzeel]. Indien onze troepen zich daar [alleen daar ?] onverhoopt niet zouden handhaven, zijn bijna geen reserves meer aanwezig om een doorbraak te stuiten. De gevolgen zouden voor alle bij de Grebbe strijdende troepen fataal zijn.

maandag 17 mei 2010

Lessen voor II LK

Kritiek leveren is gemakkelijk. Alle respect voor ieder die zo'n 70 jaar geleden voor onze vrijheid vocht. Ik heb zeker niet de pretentie, dat ik het zelf anders, (beter ?) zou hebben gedaan. Mijn volgende opmerkingen zijn eerder ingegeven door verbazing, dan door betweterij. Maar ik meen dat leven leren is.

Uit alle gevechtsverslagen en rapporten blijkt, dat de vuurkracht van II LK maar zeer onvolledig werd gebruikt. Er was sprake van grote versnippering, met gebruik op nevendoelen. Vijandelijke artillerie werd nauwelijks bestreden. Vuren verder O dan Wageningen zijn niet afgegeven. Gereedstellingen en voor de hand liggende opmarslijnen in dat gebied werden niet bestookt.
GenMaj J. Harberts en Kol J.P.A. Bartels, zijn Cdt Legerartillerie, reageerden van zich af wijzend. Met het excuus, dat er te weinig gegevens waren om mee te werken. Kolonel Bartels vertelde ook, dat hij werk gedelegeerd had, zonder hiervoor Generaal Harberts lastig te vallen. In een afgelegde verklaring zei hij [NIMH Coll 409, Inv nr 502013]:

"Ik heb overigens - voor zover ik mij herinner - weinig contact gehad met de Divisiecommandant. Ik weet niet, of de Divisie Artillerie te weinig afsluitingsvuren heeft afgegeven.
Ik heb vijandelijke artillerie, welke zichtbaar was [Infanteriegeschut, mogelijk toch ook III/AR 311], door eigen Divisie Artillerie laten bestrijden, zonder dat te vragen aan Commandant IIe Legerkorps. Met Generaal Harberts heb ik weinig contact gehad. (..)
Ik weet, dat Majoor Landzaat [Cdt I-8 RI] steeds heeft aangedrongen op bestrijding van vijandelijke artillerie. Ik heb in verband hiermede vliegtuigen aangevraagd. Behalve op zichtbare [!] vijandelijke artillerie kon ik geen vijandelijke artillerie bestrijden wegens gemis aan voldoende kennis omtrent haar opstelling. De inkomende berichten en meldingen hier omtrent waren veel te vaag. Zelf had ik geen waarnemingspost, doch was enkele malen in staat gebruik te maken van de waarneming uit de vooruitgeschoven posten mijner afdelingen. (..)
De met het oog op de aanval, zoals deze zich aftekende, meest geschikte waarnemingspost lichtmeetdienst, is de eerste dag reeds buiten gevecht gesteld, waarbij den Commandant (een wachtmeester) naar ik meen [!] is gesneuveld. (..)
Van 2 AMC is geen enkel bericht binnen gekomen. De geluidmeetdienst kon geen peilingen doen; de lichtmeetdienst had onvoldoende uitzicht in het aanvalsterrein."

De bij II LK vastgelegde berichten bevestigen dit beeld. En ze laten verder zien, dat Generaal Harberts, de vijand zwaar onderschatte. Er werd weinig artillerie opgespoord. Aan artilleriebestrijding werd dan ook weinig gedaan. Eigenlijk werd alleen gevuurd op de artillerie "Bij Dorskamp". Ook werd die een keer of twee gebombardeerd.

Geen verontschuldiging mag zijn, dat de Generaal, met zijn staf, de aandacht moest verdelen over de fronten van twee divisies. Dat was aan Duitse zijde niet anders. Ook was het gebrek aan goede informatie geen bijzonder geval.
Maar, waarom liet hij niet verkennen, ging hij niet meteen in op dringende aanvragen van Majoor Landzaat om bestrijding van vijandelijke artillerie [vermoed (!) op de Wageningse Berg, bij de Landbouwhogeschool, Z (!) van de Kunstweg], en werd de lange commandoketen gevolgd, van bataljon infanterie naar batterij artillerie ?
Pas op 12 mei (17.15 uur) gaf de LKC aan LKAC opdracht "ten nauwste contact te houden met C-IV Div", [en] zich geheel te gedragen overeenkomstig zijn wensen, zowel voor artillerie bestrijding, als vuren op oprukkende Duitse reserves." Kolonel Bartels antwoordde hierop, dat "I-15 RA op dat ogenblik al een afsluitingsvuur op de Grebbesluis afgaf, overeenkomstig de wensen van de Cdt IV Div" [NIMH Coll 409, Inv Nr 502001].

Uit nadere bestudering van de stukken, ontstaat het volgende beeld over de gang van zaken bij II LK:

* Na het geven van een bevel, werd niet steeds vastgesteld, of dat ook tijdig en juist werd uitgevoerd.
* In een aantal gevallen is niet, of te laat op een bevel gereageerd.
* Uitvoering bleef soms om onduidelijke redenen achterwege.
* Zij het met knorrige aantekeningen daarbij, werd toch genoegen genomen met vage meldingen.
* In artillerie-waarnemingen ontbraken te vaak belangrijke gegevens (Plaats wp, Richting, Afstand).
* De AID (en 2 AMC) hebben onder de gegeven omstandigheden minder gepresteerd, dan verwacht werd.

Wat het laatste punt betreft, waren de verwachtingen waarschijnlijk ook te hoog gespannen. Er zijn goede redenen aan te voeren, waarom peilingen toen en daar slecht gelukt zijn. Het terrein bemoeilijkte waarneming. Wind, weinig zon, lage temperaturen, bij hoge relatieve luchtvochtigheid (nevel ?), waarschijnlijk ook. De opstellingen van Duitse artillerie waren zo gekozen, dat geluid van licht geschut opging in het geluid van daarachter opgestelde zware batterijen. Door, waar mogelijk, een opstelling te kiezen achter gebouwen, werd waarneming nog meer bemoeilijkt.
Zwak punt in eigen hand was, dat weinig verkenning heeft plaatsgevonden, waar dat nog kon. De huzaren waren teruggenomen. Luchtwaarneming was vrijwel uitgeschakeld. Verbindingsmiddelen faalden. Blijkbaar is de werking van apparatuur en opstellingen, niet vooraf onder zware gevechtscondities getoetst. Meetposten hadden een te korte meetbasis, de wp's lagen teveel in één richting. Artillerieverkenners zijn niet ver genoeg vooruitgeschoven. Zij hadden daarvoor ook de goede oefening, transport- en verbindingsmiddelen niet.

Uit het voorgaande zijn (zoals ik het nu van grote afstand zie), als lessen te trekken:

(1) Opvolging van een bevel moet meteen worden gecontroleerd, als terugkoppeling niet tijdig en juist plaatsvindt.
(2) De bevelsketen was te lang en te kwetsbaar, zeker bij de toen beschikbare verbindingsmiddelen.
(3) De slagvaardigheid kan worden vergroot door het geven van ruimte voor eigen initiatief aan lagere echelons.
(4) Zonder mogelijkheid voor grondverkenningen is een commandant blind, in een mist van onzekerheid.
(5) Vooraf moet (ook) de beschikbaarheid van verkenningsmiddelen zo goed mogelijk veilig worden gesteld.
(6) Voor goede waarneming was een meer uitgebalanceerde plaatsing van posten en apparatuur nodig. Daarnaast mogelijk ook betere oefening onder veldcondities, met de voorhanden apparatuur. Dat laatste is niet na te gaan.

zaterdag 15 mei 2010

Toelichting

Mijn gisteren opgeschreven slotsom, verdient een nadere toelichting. Daarvoor is het nodig, iets meer te vertellen over de oorspronkelijke opstellingen van 10 en 11 mei, de daarin gemaakte veranderingen, en de uitval door verschillende oorzaken. Het volgend kaartje, geeft een mooi stellingoverzicht [GS, III.3, Bijlage C.5]. Het kaartje is getekend op de ondergrond van een stafkaart volgens Bonne-projectie. Hierin is het raster, vergeleken met tegenwoordige stafkaarten, verschoven, en iets gedraaid.


Eerst de Legerkorpsartillerie (LKA). Deze bestond op 10 mei nog uit:

I-12 RA, 16 stukken 10 cM L/40 (1927), dracht 16,5 km
I-15 RA, 8 stukken 15 cM L/15 (1919), dracht 8,5 km
II-19 RA, 12 stukken 12 cM L St (1878), dracht 7,65 km

Deze afdelingen stonden bij Elst (Plantage Willem III), bij Remmerden (Remmerdense Laan), en vooruitgeschoven in Rhenen (op de Grebbeberg).

I-12 RA stond vrij ver NO gericht, om vooral het vak van II Div te bestrijken. De batterijen in de vooruitgeschoven stelling bij Veenendaal (Dikkenberg) stonden in goed gemaskeerde geschutputten, die het schootsveld naar het O toe sterk beperkten. Dat was niet volgens het afgegeven Artilleriebevel. Dat eiste, dat I-12 RA vanuit deze stellingen artillerie moest kunnen bestrijden tot de lijn Pompstation (straatweg naar Arnhem, op de grens van Wageningen met Renkum) - kp 78 op de spoorbaan Utrecht - Arnhem. Vanuit de normale stellingen moest I-12 RA kunnen vuren tot de lijn Begraafplaats (op de Eng) - Kasteel Hoekelom (bij Ede) [NIMH Coll 418, Inv Nr 639002].
Op bevel van OLZ was 3-I-12 RA op 11 mei 15.45 in mars gezet naar Gouda, voor inzet op het Oostfront van de Vesting Holland. De batterij kwam in de ochtend van 13 mei terug. Ze betrok toen de voorste stelling rechts in de normale stellingen [NIMH Coll 409, Inv Nr 502019].
Volgens de gevechtsberichten hebben alleen 1- en 4-I-12 RA aan artilleriebestrijding deelgenomen in het vak van IV Div. Zij gaven op 12 mei vier maal een vuurconcentratie af, op vijandelijke artillerie in de Bosrand, vt 176,12 - 443,05 (2,5 km NO van Wageningen). [NIMH Coll 409, Inv Nr 502013, 502016, 502017, 502020].
Met totaal vier vuren, afgegeven door twee batterijen, werd I-12 RA nauwelijks voor dit doel benut.

I-15 RA stond wel goed gericht, vrijwel O. Deze afdeling heeft dan ook intensief gevuurd. Door de beperkte dracht echter nauwelijks op vijandelijke artillerie. Door technische storingen viel voor korte tijd soms één van de stukken uit. Volgens het Dagboek van Cdt I-15 RA, Maj. J.H. Kramer, werd op 12 mei 15.12 met alle stukken het vuur geopend op vijandelijke artillerie in [!] Wageningen. Ook werd in de vroege ochtend een snelconcentratie op Wageningen afgegeven. Dat vuur werd nog viermaal herhaald. Verder werden die dag enkele afsluitingsvuren afgegeven [NIMH Coll 409, Inv Nr 502022].
I-15 RA is dus intensief benut. De vuren op 12 mei hebben mogelijk III/AR 311 getroffen.

II-19 RA stond op 11 mei nog in de vooruitgeschoven stellingen op de Grebbeberg. De afdeling kon, zoals kaartje C.5 laat zien, door de beperkte dracht, juist de grens van de Eng (Diedenweg) bereiken. Al het Duitse geschut was in de eerste fase van de aanval daardoor buiten bereik. Op 12 mei werd de afdeling bovendien uit de stelling gehaald, omdat Duits vuur het werken in de batterij te zeer belemmerde. Bij gebrek aan eigen tractie bleef bijna al het geschut, onklaar gemaakt, op de Berg achter. Twee stukken werden op 12 mei overgebracht. Zij betrokken toen een stelling, even voor Remmerden (bij kp 104 aan de Rijksstraatweg) [NIMH Coll 409, Inv Nr 5020027].
II-19 RA heeft dus niet op vijandelijke artillerie kunnen vuren.

Aan Divisie-artillerie (DA) stonden op 11 mei tot vuren gereed:

III-8 RA, 12 stukken 15 cM L17 (1918), dracht 8,7 km
I-8 RA, 12 stukken 7 Veld (1904), dracht 10,5 km

In de avond van 12 mei kwam daarbij:

I-16 RA, 12 stukken 7 Veld (1904), dracht 10,5 km

De DA is vrijwel alleen ingezet op vuren in het terrein W van Wageningen. Op 13 mei werd nog op groter afstand, bij de O-uitgang van Wageningen, een snelconcentratie afgegeven door I- en III-8 RA [NIMH Coll 409, Inv Nr 511002, 511003; GS, III.3, Bijlagen C5, C10, C13].

De DA werd dus niet voor het bestrijden van vijandelijke artillerie benut.

Samengevat, werd maar een zeer klein deel van de beschikbare vuurkracht op artilleriebestrijding ingezet.

vrijdag 14 mei 2010

Artilleriebestrijding

Op vrijdag 7 mei bleef de vraag open, waarom de beschikbare Nederlandse artillerie niet veel [eerder en] meer ingezet werd op de bestrijding van vijandelijke artillerie.

Eerst wat toelichting op deze slotopmerking van enkele afleveringen geleden.
Mijn oordeel steunt vooral op opmerkingen van twee direct betrokken hoge officieren. Neergeschreven al kort na de oorlog. In grote lijnen vermoedelijk wel terecht. Maar naar conclusie op de persoon aanvechtbaar, omdat de Zwarte Piet m.i. op de verkeerde plaats wordt gelegd.

Opvallend genoeg, liet GenMaj. Nierstrasz zich vrij kritisch uit over de inzet van Nederlandse artillerie bij IV Div. Opvallend, want hij was wel tevreden over de inzet bij II Div, de andere divisie van II LK. En over het algemeen was Nierstrasz zeer zuinig met lof en met kritiek. Zijn oordeel werd wel sterk afgezwakt. Door het aanvoeren van de in ruimere kring benadrukte tekortkomingen van ons leger toen, om oorlogstaken goed uit te kunnen voeren. Dat waren: Gebrek aan oefening in grotere verbanden, Onvoldoende en te weinig modern materiaal, Falende verbindingen, Snelle uitschakeling van een groot deel van onze vliegtuigen, waardoor nauwelijks meer luchtverkenning mogelijk was.
Tegen deze achtergrond gezien, is de generaal hard in zijn eindoordeel over het verloop van 12 mei. Hij wijst daarin naar Kolonel A.M. van Loon, Cdt IV Div [GS, III.3, p. 347]:

"Uit het voorgaande blijkt, dat het spel met de artillerie niet juist is gespeeld, en dat de D.C. [Cdt IV Div] er niet toe gekomen is om, behalve met infanterie, de vijand met alle artillerie, waarover hij beschikte, krachtig aan te grijpen."

Het onderzoek "De Krijgsverrichtingen in mei 1940" werd meteen na de capitulatie al opgepakt. Hierbij kwam ook GenMaj J. Harberts onder vuur te liggen. Hij verdedigde zich met een lijvig dossier. Een verslag, met aanvulling en bijlagen, met kanttekeningen op de verslagen van zijn beide ondercommandanten. Ook de gevechtsberichten van de lagere eenheden voorzag hij van commentaar, bijgeschreven in het rood.
In zijn Aanvullend Verslag trekt hij van leer tegen het bevel van de CV aan hem, om "een Duitsche batterij bij Dorskamp" tot zwijgen te brengen. Omdat die plaats niet nauwkeurig was vastgesteld, en de kans, zelfs een vastgestelde batterij tot zwijgen te brengen, nog van "tal van factoren afhankelijk" is. En "iemand [vooral hem] persoonlijk voor dat resultaat verantwoordelijk stellen", was helemaal onzin. De batterij bleek gemeld "door één waarnemingspost van de infanterie" [!]. Terwijl iedere ingewijde [!] weet, "welke uiterst geringe waarde men aan één zodanige melding kan hechten; weet dat fouten van vele honderden meters bij dergelijke meldingen heel gewoon zijn" [NIMH Coll 409, Inv Nr 502001?].
Generaal Harberts was, als pas afgetreden Inspecteur der Artillerie, zeker deskundig, en een ingewijde. Maar zijn opmerkingen negeren een veel belangrijker punt. Waarom werd niet eerder en vollediger alle daarvoor beschikbare artillerie ingezet, om waargenomen (of zelfs maar vermoede) vijandelijke artillerie te bestrijden ?

In mei 1940 zag men bestrijding van vijandelijke artillerie vooral als een taak van de Leger- en Legerkorpsartillerie. De Divisie-artillerie moest de eigen infanterie steunen. Dat wil zeggen: aanvallende troepen onder vuur nemen, en vijandelijke zware wapens zoveel mogelijk in dekking dwingen, en zo mogelijk zelfs uitschakelen. Deze batterijen hadden dus net zo goed een taak bij het bestrijden van vijandelijke artillerie.

De gestelde vraag geldt vooral voor 11 en 12 mei. Want vijandelijke artillerie moet zo snel mogelijk worden bestreden. En pas op 11 mei kwam die aan op het Grebbefront.
Opvallend is, dat (voorzover bekend), O van Wageningen alleen wat storende vuren werden voorbereid. Een vuurkaart van 1-III-8 RA, te vinden op http://storage.kennispuntmei1940.nl/images/greb/foto/normal/ka/kaart_138RA.jpg geeft dat tenminste aan. En blijkbaar werd het gebied O van de Diedenweg als betrekkelijk veilig gebied beschouwd, want daar werd niet geëvacueerd. Werd Duitse artillerie dan alleen dichterbij verwacht ? Nee, dat niet. Dat blijkt wel uit het afgegeven Artilleriebevel voor I-12 RA, I-15 RA en II-19 RA [NIMH Coll 418, Inv Nr 639002].

Mijn conclusie is, dat vooral de afdeling I-12 RA vollediger voor artilleriebestrijding ingezet had moeten worden. Waarom stonden de drie vooruitgeschoven batterijen vooral op de sector van II Div gericht, zoals het door Nierstrasz aanvaarde excuus luidt, en werden eigenlijk alleen de eerste en de vierde batterij benut in het vak van IV Div [GS, III.3, p. 205] ?

Ook hadden de batterijen 7 Veld van de Divisie-artillerie (van I-8 RA, en vermoedelijk toch ook van I-16 RA), ingezet kunnen worden voor dat doel. I-16 RA kwam pas in de avond van 12 mei, na een langdurige verkenning van mogelijke batterijlocaties, in stelling [GS, III.3, p. 343, 344, 346].
Bijna al de vijandelijke artillerie stond binnen 8,5 km van Rhenen. Hierop had door de 7 Veld-batterijen daar, minstens storend vuur afgegeven kunnen worden. Met dit gemoderniseerde en relatief ver dragende geschut, was meer mogelijk geweest. Ook afsluitingsvuren en concentraties (in kaartvuur), verder O van Wageningen dan voorbereid.
Het gaat niet aan, om hiervoor naar Kol. Van Loon te wijzen. Door andere faktoren werd waarschijnlijk veel meer aan vuurkracht onbenut gelaten. Die faktoren waren vooral: Omslachtige bevelslijnen, Strakke regels, Krampachtig mijden van munitieverspilling, Slechte verbindingen, Beperkte waarnemingsmogelijkheden.

donderdag 13 mei 2010

Achtervolging

Van Duitse kant bezien, waren de gevechtsdagen bij de Grebbeberg van ID 207 samen te vatten in de trefwoorden:

11 mei - Strijd om de Voorposten
12 mei - Inbraak bij de Grebbesluis
13 mei - Doorbraak van de Stoplijn
14 mei - Doorbraak bij Rhenen, en Achtervolging naar Utrecht

Om 0.35 uur, in de vroege ochtend van 14 mei, waren voor voertuigen geschikte noodbruggen over de spoorweg bij Rhenen gereed, zodat de achtervolging kon worden ingezet [GS, III.3, p. 697].
Tussen de regels door is te lezen, dat de achtervolging daarna nog veel tijd vroeg. Een SS-voorhoede [!] bereikte pas rond 5.50 uur Amerongen. Omstreeks 10.20 kwam de spits van de hoofdmacht in Doorn aan, tegen 13.20 uur werden de "buitenforten van Utrecht" (met name Fort Vechten) bereikt.

De achtervolging is in hoofdlijnen mooi zichtbaar gemaakt op de volgende schets uit het verslag van Hauptmann i.G. Rechlin [NIMH Coll 401, Inv Nr 1306].


ID 207 was in mars gezet naar Utrecht. In een door X AK voor die dag bevolen "Achtervolging zonder rust te nemen, daarbij het uiterste vragend van de marsvaardigheid van man en paard". Kleine gemotoriseerde SS-Groepen werden op verkenning vooruitgestuurd. Ze moesten tegelijk de nodige flankdekking geven. Bij de vooruitgezonden afdelingen waren (zoals ook bij de Opmars op 10 mei gebeurd was) enkele batterijen gemotoriseerd geschut ingedeeld. In de Betuwe had de versterkte Afdeling Panzerjägers van Maj. Brückner ook de achtervolging ingezet. Daarbij nog altijd één batterij lichte houwitsers van de Divisie-artillerie. De door II/AR 207 afgestane 5e batterij.

Op de schets vormt IR 322 (N = Cdt Neidholdt) de spits. Hierachter volgt IR 368 (v Oe = Cdt Von Oesterreich). Dan zijn twee eenheden naast elkaar getekend. Rechts de Divisie-artillerie (M = Cdt Metger), die IR 374 (K = Cdt Klemm) inhaalt. Het laatste regiment vormde de Divisie-reserve, en was op 13 mei aangetrokken naar Wageningen. De hoofdmarsgroep wordt gesloten door de Pioniersgroep uit Arnhem (P = Pi Gruppe, Hinze). Bij Wageningen is nog een achterhoede aangeduid. De SS-groepen zijn met een SS-teken aangegeven.

Waar was, behalve de Gruppe Metger die hiermee opgespoord is, de rest van de Duitse artillerie ?
Hierover meldt ons krijgsgeschiedkundig hoofdwerk [GS] weinig of niets. Deel III.1 [p. 697] geeft wel aan, dat er bij het Lek-acces nog wat schermutselingen plaatsvonden. Duitse troepen hadden het overzetten van "sterke terugtrekkende vijand" over de Lek, van Culemborg naar Wijk bij Duurstede, bemerkt. Hierop werd een SS-eenheid ingezet, waarbij een batterij van IV/AR 256 was ingedeeld. Deel III.1 [p. 227] geeft (in aanvulling hierop ?) aan, dat er gevechtscontact is geweest met een achterhoede-bataljon van I-14 RI, bij Ne[d]erlangbroek. Dat ligt ruwweg 4 km N van Wijk bij Duurstede.

Hauptmann i.G. Rechlin geeft nog wat interessante aanvullende gegevens. Niet uit te maken is, in hoeverre die betrouwbaar zijn. Hij overdreef in elk geval flink over de heldendaden van ID 207, waarbij hij Ic (inlichtingenofficier) was. Nadat hij verteld heeft, dat IR 322 op 14 mei optrekt naar Utrecht, vervolgt hij [NIMH Coll 401, Inv Nr 1303]:

- Citaat in mijn vertaling. Tussen haken wordt hier en daar een korte toelichting gegeven. Soms ook een ontbrekend woord aangevuld. Het origineel is door brandschade aangetast. Achter zo'n aanvulling is dan een vraagteken gezet.-

"Dicht daarop volgen de regimenten Klemm [IR 374] en Von Oesterreich [IR 368]. (..) Daartussen geschoven, en in draf inhalend, [naderen] de afdelingen van het Artillerie-Regiment Metger [Ruimer te interpreteren als Groep Metger, Divisie-artillerie. Niet alleen AR 207, het regiment waarvan Oberst Metger commandant was]. De batterijen van de zware gemotoriseerde afdeling Andreae, de "Brummer" [Daarmee werd het geschut van s Art Abt 735 bedoeld. De Mörsers werden "Brummbären" (bromberen) genoemd], die de mensen uit Pommeren en de [Ost ?]mark op grond van eerdere ervaringen bijzonder [waarderen ?], beveiligen met hun doorslaggevende inzet de achtervolging. Eén [batterij ?] wordt zelfs, onder beveiliging van enkele Kradschützen [motorrijders], [uit het groter verband losgemaakt ?].
De afdelingscommandant zelf, in de richting van Wijk bij Duurstede vooruitgegaan, meldt in de avond, dat hij, samen met een hem nagezonden compagnie van het Regiment Keppler [SS "DF"], om 20.00 uur [Duitse tijd] de aanval zal openen op de vesting NW van Culemborg [Op de forten in de Nieuwe Hollandse Waterlinie, dus op Fort Honswijk ?]. Door het [neerleggen van de wapens ?] [Nederlandse capitulatie] komt die aanval niet meer tot uitvoering."

Mijn conclusie is, dat aan Duitse zijde, ook op 14 mei, meer ingezet werd dan maar één batterij van IV/AR 256.
Aangenomen mag worden, dat beide batterijen van IV/AR 256, en waarschijnlijk ook II/AR SS, in voorste lijn mee gingen. Interessant is de suggestie, dat zelfs de Mörsers weer bij ID 207 optraden. Tot nu toe leek vast te staan, dat die in de eindfase bij ID 227 waren, en op 14 mei weer Korpsreserve werden. Uit het bevel voor 16 mei van AOK 18 [GS, III.1, p. 304] blijkt in elk geval, dat de Heerestruppen (Arko 22, Beob Abt 30, IV/AR 256, en s Art Abt 735) door de hogere legerleiding (AOK 18) uit het verband van X AK werden gehaald.