In veel al lang tot "mythe" bestempelde oorlogsverhalen zou best eens een kern van waarheid kunnen zitten.
Het is nu een geschikt moment om daar iets meer over te zeggen. Het zal namelijk nog wel even duren, voor alle reacties van de door mij ingeroepen experts binnengekomen en verwerkt zijn. Daarom wat meer over het in de voorgaande regels genoemd dagboekje van mijn oom.
Kort iets over de historische kwaliteit van dit document, daarna wat meer over mijn oom, tenslotte nog enkele nieuwe gezichtspunten die het lezen van het dagboekje mij opleverde. Voor geïntereseerden: het Dagboek, zoals ik het voortaan zal noemen, is van Dpl sgt A. Vink, 1e Sectie 1-II-8 RI. Het nummer van het onderdeel bij 8 RI wist mijn familie niet helemaal meer zeker. Dat zal dus nader uitgezocht moeten worden. Mogelijk blijkt dat wel uit andere documenten die nog in het bezit van mijn familie zijn. Dat zullen we eens onderzoeken. Het Dagboek staat al on line bij "Erfgoed van het Verleden", Oorlogsdagboeken. Wie de zoekfunctie gebruikt en op de site van Erfgoed "Oorlogsdagboeken, Vink" intypt komt vanzelf bij dit Dagboek terecht.
Het Dagboek is historisch gezien waardevol. Het is een vrij uniek werkstuk als persoonlijk verslag. Het werd vlak op de gebeurtenissen (gevechtsdagen en krijgsgevangenschap) op papier gezet. Waarschijnlijk even na 16 juni 1940. Basis hiervoor waren de aantekeningen gemaakt in een notitieboekje tijdens de gebeurtenissen zelf. Het zal daardoor veel betrouwbaarder zijn dan de soms jaren later uit het geheugen gemaakte gevechtsverslagen. Zo'n bron heet bij wetenschappers in de geschiedenis (waaronder mijn jongste zoon) in vaktermen een "contemporain document van hoge kwaliteit".
Zoals gezegd is het Dagboek van een oom van me, die ik lang heb meegemaakt en dus goed meende te kennen. Dat beeld (het zal niet op alle punten zonder vertekening zijn), blijkt nu toch aardig te kloppen. Wat me vooral trof, was zijn grote eerlijkheid, zijn nauwgezetheid, zijn bereidheid zich voor "zijn" mannen op te offeren. Die sprak voor mij uit verschillende passages. Die kwalificaties had hij voor mij al lang verdiend.
Het document wordt -met nog wat aanvullende informatie- op de site www.grebbeberg.nl geplaatst, waar het naar mijn mening ook het meest thuishoort. Mijn oom overleefde de strijd en kreeg op het Ereveld dus geen laatste rustplaats. Toch, hierbij, een klein monument tussen zijn makkers. Voor iemand die naar zijn idee gewoon zijn plicht deed, en naar de oorlog ging toen hij opgeroepen werd.
Als getraind wetenschappelijk onderzoeker werd mij geleerd zo objectief mogelijk te blijven. Daarom eerst wat meer gegevens. Daarna mijn bijgestelde interpretaties. Houvast geven enkele letterlijke citaten uit het Dagboek.
De eerste laat zijn eerlijkheid zien. Die blijkt voor mij vooral uit de manier waarop hij zijn [!] besluit tot overgave en de hierna volgende gevangenneming beschrijft, op maandag 13 mei 1940.
"Tweede Pinksterdag. Bij het aanbreken van de dag konden we [na de nacht waarin geen hand voor ogen kon worden gezien] het voorterrein weer overzien. We waren nu bijzonder op onze hoede, daar we elk ogenblik iets [een vijandelijke aanval] verwachten konden.
In het voorterrein konden we [ook de uitkijkposten die in bomen waren geklommen] niets ontdekken. Wel meenden we rechts van ons op grote afstand op de Grebbeberg iets te zien bewegen. Zekerheid hadden we echter niet. Omstreeks half acht ontdekten we de groep van [vaandrig] Nijlunsing. Nog een ogenblik haalden we de mitrailleur uit het mitrailleurnest en plaatsten deze achter bij de uitgang, waar we een enkel schot losten. Het bleek evenwel, dat we geheel zaten ingesloten en tegenstand dus geheel nutteloos zou zijn. Na overleg met enkele anderen [wie ?] deelde ik mede dat we ons over zouden geven.
Inmiddels werd door enkele geweerschutters die ik niet bereiken kon [!] nog gevuurd. Ik bond mijn zakdoek aan mijn bajonet en stak mijn geweer omhoog. Daarna wachtte ik in het mitrailleurnest het verdere verloop af. Het duurde nog enige tijd voor de Duitsers bij ons waren. Ongeveer [om] acht uur waren zij onze stelling genaderd en wierpen een handgranaat naar binnen [is dat geen oorlogsmisdaad ?]. Door de luchtdruk woei mijn haar onder mijn helm vandaan. Ik zag een vuurstraal [!] en wist zelf niet of ik door scherven in mijn gezicht geraakt was of niet. Ik voelde met mijn handen aan mijn gezicht en merkte dat ik ongedeerd was. Ook de anderen waren niet getroffen. Voorzien van een witte zakdoek die ik voor me uithield, verliet ik [voorop] de stelling, waarna de anderen mij volgden."
Alleen deze passage al leverde mij de volgende nieuwe gezichtspunten op.
1) Over het vermeend (?) wederzijds schieten uit bomen. Mijn tante vertelde me, dat er elke dag uitkijkposten in bomen werden uitgezet. Die mededeling past heel goed in andere gegevens.
Uit de "Handleiding artillerie te velde" (1933) voor reserve-officieren bij de bereden artillerie (Pag. 19) bijvoorbeeld. In Hoofdstuk V. Aanwijzingen voor de terreinverkenning staat, dat de verkenner onder meer voorzien moet zijn van zn. [zogenaamde] klimsporen, kniptang, zaklantaarn.
In mijn exemplaar [schenking van het Nederlands Artilleriemuseum] staat in potlood bijgeschreven "kijker". Die behoorde inderdaad in mei 1940 nog niet in lagere rangen tot de standaarduitrusting. Alleen bij officieren. Het werd daarom wel als statussymbool opgevat en omgehangen. Dat is een tweede aanvullend detail.
(2) Over de vermeende (?) oorlogsmisdaden van Duitsers. Voorzover ik begrijp (maar ik ben geen deskundige in het oorlogsrecht) was het verboden om krijgsgevangenen (in mijn opvatting ook ieder die de strijd staakte en de witte vlag toonde, en zich daarmee als krijgsgevangene had aangeboden) slecht te behandelen of hun leven in gevaar te brengen. Valt het binnenwerpen van een granaat in een stelling waarin de witte vlag getoond wordt dan niet in de categorie oorlogsmisdaad ?
(3) Over de interpretatie van vlammen, gemeld in gevechtsverslagen. In veel rapporten en gevechtsverslagen komen vlammen of vlamverschijnselen voor. Niet altijd met de vermoedelijke bron (soort wapen) daarbij. Naar mijn mening zijn de mogelijkheden hier (van meest naar minst waarschijnlijk):
* Mondingsvlammen van vurende (vijandelijke) artillerie. Zelfs overdag waren bij een schot mondingsvlam en mondingsrook te zien. Het eerste kon alleen maar worden gemaskeerd. Het laatste voor een groot deel door gebruik van vlamvrij kruit en een kardoes met zoutkristallen worden onderdrukt. Interpretatie was in deze gevallen meestal niet moeilijk. Er vielen één of meerdere schoten na elkaar, met vlam en knal. Dan is eigenlijk alleen verwarring met infanteriegeschut mogelijk.
* Vuurvlam van een mitrailleur. Een vijandelijke mitrailleur kon bijvoorbeeld door het schietgat van een kazemat een bundel vuur afgeven, met de bedoeling dat wapen tenminste tijdelijk uit te schakelen. Dat vuur was voor het personeel bijzonder gevaarlijk. Het kwam binnen als een bundel gloeiend (vloeibaar) lood.
* Vlam van een binnengeworpen handgranaat. Bij het veroveren van kazematten en stellingen werd vaak een handgranaat naar binnen geworpen (voorbeeld zie boven). Tot nu toe had ik me niet gerealiseerd, dat dit behalve de veel bekendere effecten (schokwerking, verdoving, scherfwerking) ook een vlam kon doen ontstaan.
* Vlam van een vlamspuit. Bekend is, dat de Duitse troepen bij de Grebbeberg uitgerust waren met enkele vlammenwerpers. Er is mij maar één geval bekend (bij het Hoornwerk) waarin dat wapen ook echt gebruikt zou kunnen zijn.
PS Eén van mijn vaste correspondenten wees me erop, dat de witte vlag geen teken van overgave was. Het werd gebruikt om aan te geven, dat men bereid was te onderhandelen, of een parlementaire actie aan het uitvoeren was (zoals in Rotterdam). Dat betekent dat de Duitsers in het "Denkschrift" het gebruik van de witte vlag óók verkeerd hebben geïnterpreteerd.
maandag 12 december 2011
donderdag 8 december 2011
Geschut, munitie, doelen (2)
Over de munitie die bij de aanval richting Grebbeberg werd gebruikt zijn we tot nu toe slecht geïnformeerd. Toch is wel ongeveer vast te stellen welke munitie in de uitrusting was, hoe hoog het verbruik, welke munitie werd gebruikt, en op welke manier.
Volgens een document uit de Praagse Collectie (NIMH Coll 410, Inv Nr 75079) was eind april in een schip munitie opgeslagen voor X. AK. SS "DF" moest toen brisantgranaten afstaan in ruil voor nevelgranaten, die volgens een ander document (NIMH Coll 410, Inv Nr 75082) schaars waren. Het aandeel in de Kalibereinheiten (KE) zou tot nader bericht wegvallen. Inplaats van nevelgranaten werden brisantgranaten met schokbuis geleverd. Op 30.4.40 werd dat ongedaan gemaakt door terugruil:
"1) SS-Rgt "Der Führer gibt ab
72 FH Gr mit AZ 23 v (0,25)
und empfängt dafür:
72 FH Gr Nb mit kl AZ 23 Nb.
Dat jargon kan als volgt worden uitgeschreven:
Af: 72 Brisantgranaten met schokbuis instelbaar tot 0,25 sec vertraagd.
Bij: 72 Nevelgranaten met kleine schokbuis voor nevelmunitie.
Hoe de munitie-uitrusting er verder uitzag bij 207. ID is niet in detail bekend.
Het eerste document geeft wel aan, wat er voor Leibstandarte "Adolf Hitler" in voorraad lag als belading voor een leichte Artillerie Kolonne (voor de 10,5 cm le FH 18). Totaal 1.050 granaten (756 Brisant met schokbuis, 66 Brisant met tijd/schokbuis, 156 Pantsergranaten, 72 Nevelgranaten). Aannemelijk is, dat de belading voor SS "DF" hetzelfde was.
Van het verbruik van 207. ID is bekend, dat tot 13.5.40 250 ton munitie was verschoten. Dat werd blijkbaar veel gevonden, want het werd verklaard met het "vastlopen van de aanval" (NIMH Coll 401, Inv Nr 0014). In een bericht van de Quartiermeisterabteilung Gen Kdo X. AK van 13.5.40 staat onder het kopje "Munitionswesen" (NIMH Coll 401, Inv Nr 2001):
"Die Kolonnen des Korps sind bis 13.5.40 10.00 Uhr nach Wolfheze (Mun. Ausgabestelle der 207. Div.) zugeführt: (Fernmündlich voraus)
3 KE l.F.H.18
1 KE 3,7 cm Pak (Pzgr.Patr.)
je 3000 Schuss 2 cm Pzgr.Patr. u. 2 cm Sprgr.Patr. für Kw.K."
Dat maakt duidelijk dat II/AR SS (de enige Afdeling bij 207. ID met le FH 18) op 12.5.40 blijkbaar veel gevuurd had. Ook Pak en Pantserwagens hadden daardoor dringend behoefte aan aanvulling. Deze hoeveelheden komen samen neer op 1/4 tot 1/3 (eigen schatting) van de gerapporteerde 250 ton.
Of er wel betongranaten voor de op 12.5 ingezette artillerie beschikbaar waren en gebruikt werden is onzeker. Maar het is zeer onwaarschijnlijk. Er zijn geen sporen op kazematten of in terrein van gevonden, en ze worden in bovenstaande opsommingen niet genoemd. Pas in verband met de aankomst van s Art Abt 735 (NIMH Coll 401, Inv Nr 0012). Die aantekening staat in het KTB X. AK/ Ib op 12.5 16.00 Uhr, samen met nog twee aanvragen voor het andere geschut:
"a) Antrag bis Q.Qu.: Heranführen von 130 t Mun. für s.Art.Abt 537 [moet zijn 735] aus Wissem. Bahnzuführung bis Zevenaar zugesichert.
b) Zuführung von 2 30 t-Kol. für s.F.H.18 und l.F.H. 16 - Mun. nach Mun.-Ausgabestelle Wolheeze, westnordwestl. Arnheim. Als Rückhalt für planmässigen Angriff auf den Grebbeberg bei Rhenen (Angriffsbeginn 12.5. nachmittags).
c) Anforderung von 3 KE l.FH.18 [zie boven] für Ausfüllung am 13.5. Hierzu Befehl des Kdr.Generals v. 12.5.40."
Het verbruik van 227. ID tot 14.5 is wel bekend uit een overzicht in het KTB 227. ID/Ia. Hierin komen geen Betongranaten voor (NIMH Coll 401, Inv Nr 1785).
In de Nederlandse bronnen zijn over de Duitse munitie gebruikt op 12.5.40 genoeg opmerkingen gemaakt die wat zeggen. Voor het contrast worden ook enkele eerdere opmerkingen meegenomen.
Voor 11.5.40:
Tlt J.U. Terpstra, Staf I-8 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 511005)
"(11 mei) Vijandelijke artillerie gaat intussen door met schieten op de Grebbeberg en de Voorpostenstrook. Explosies bij Anna's Hoeve, waarbij veel zand opgeworpen wordt, doen vermoeden dat de vijand daarop inschiet, niet versneld. [..] Vijandelijke artillerie houdt dit gedeelte onder vuur met enkele schoten die tijdprojectielen schijnen te zijn, daar een er van, die niet ver van mij springt, volstrekt geen zand opgooit."
Kapt H. Ballot, Cdt 1-III-8 RA, Dagboek (NIMH Coll 401, Inv Nr 511019)
We komen meer onder vuur te liggen, de projectielen knallen met een scherpe droge knal boven ons hoofd. Het is blijkbaar tijdvuur van licht geschut. Men brengt mij wat scherven en buizen. De laatsten zijn van een bijzonder licht soort witmetaal [aluminium] met weinig koper eraan. Veel van 's vijands vuur begrijpen wij niet, maar het is gemakkelijk dat hij in deze storende vuren zo methodisch te werk gaat."
Dr S.J. de Groot, "Vestingartillerie in het Veldleger" (2002)
(pag. 158) "De 1e en 2e batterij lagen [11 mei] voortdurend onder vijandelijk artillerie en mitrailleurvuur. De ligging van deze batterijen [van de 3e niet] was de vijand kennelijk goed bekend. Naast mijn commandopost is de telefooncentrale geheel vernield. De vijand schoot met schokprojectielen met zeer gevoelige buizen, kaliber 15 à 20 cm."
Voor 12.5.40:
Kapt. H. van Joolen, Cdt 3-1-8 RA, Verklaring (NIMH Coll 401, Inv Nr 511011)
Op de eerste dag kregen wij veel projectielen met knaleffect [signaalmunitie ?]. Later zijn de projectielen zwaarder geworden, ik denk 7,5 en 10,0 cm."
Gd H.H. Clement, 3-I-8 RA, Brief (NIMH Coll 401, Inv Nr 511011)
"Zo brak de Zondag 1e Pinksterdag aan, het artillerievuur van de vijand werd steeds heviger."
Kapt J. van 't Land, Cdt III-8 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 511014)
"De beschieting van onze eigen opstellingen neemt toe in zwaarte en kaliber. De waarnemingspost Groene Bank moet wegens de voortdurende beschieting worden ontruimd en teruggetrokken naar de mitrailleuropstelling in de bomen van de middenbatterij."
Kapt H. Ballot, Cdt 1-III-8 RA, Dagboek (NIMH Coll 401, Inv Nr 511019)
"Als de alarmtoestand [in de ochtend] over is ga ik met Malten weer eens in de [villa] "Lijstereng" kijken. Alles is in orde. In de keuken wassen en scheren wij ons eens lekker. We vinden nog wat rookbaars [sigaren en sigaretten] in huis en nemen ook wat blikjes mee. We nemen aan dat ons dit door de familie Sandbrink, die altijd zo aardig en gastvrij voor ons was, wel gegund zal zijn. Op de terugweg naar de batterij overvalt ons weer vijandelijk vuur en haastig zoeken wij dekking als 50 meter vóór ons een granaat ontploft. Het is zwaarder kaliber dan gisteren, en het zijn ook schokprojectielen. [..] Ook wij liggen meer en meer onder gericht vuur."
Elt. H.W. Felderhof, Cdt 2-I-12 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 502018)
"11.00 uur [..] Vijandelijk artillerievuur op de batterij en de commandopost. Ligging van dit vuur in het algemeen iets te ver. Aanvankelijk schokvuur, later tijdvuur. Gevonden scherven in de nabijheid tonen aan, dat gietijzeren projectielen worden gebruikt."
S.L. Groenewoud, 4-I-12 RA, "Artillerie in de Grebbeslag 1940", "Ons Leger jul-aug 1946". Overdruk, pag. 5.
"Nadat het vuur blijkbaar verder weg komt te liggen, commandeert de Bt.C. [Batterijcommandant]: "Op uw posten. Kijken !" Wij zien grote stof- en rookwolken en wennen tevens aan het gefluit der vijandelijke granaten boven ons hoofd. Tevens geeft de Bt.C. een korte theorie: "Kijk, die stommelingen schieten helemaal mis. Is het voor ons bedoeld, dan is het mis, enige honderden meters te ver. Is het voor de straatweg [bij Plantage W III, Elst] dan is het eveneens mis en is de verste afstand bestemd voor die schepen op de rivier, dan is het ook mis. Verder is er in dit gebied niets belangrijks aanwezig.""
Maj. J. H. Kramer, Cdt I-15 RA, Verklaring (NIMH Coll 401, Inv Nr 502023)
Op 12 Mei heb ik af en toe vijandelijk artillerievuur gehad, naar ik meen 8 cm projectielen."
Dr S.J. de Groot, "Vestingartillerie in het Veldleger" (2002)
(pag. 109) "De vijand zette zijn artilleriebeschieting met 24 à 25 cm geschut voort, waarbij de gehele afdeling systematisch onder vuur genomen werd. 9.30 uur [..]."
(pag. 123) "Gedurende dit vuur [volgens verslag op de toren van de NH Kerk van Wageningen], lagen wij zelf ook reeds geregeld onder vijandelijk vuur, dat hoe verder de dag verstreek steeds in hevigheid toenam en slechts kleine onderbrekingen vertoonden. [..] Juist waren deze voorbereidingen [voor stellingwisseling] getroffen of een ontzettend vijandelijk trommelvuur brak los, dat ons geruime tijd in onze schuilplaatsen gevangen hield. Hierbij werd een kaliber gebruikt van 20 à 24 cm. Naar wij later vernamen stonden deze batterijen in Bennekom en zelfs in Duitsland (spoorweggeschut) opgesteld. Hiermee werd de Grebbeberg regelmatig afgegraasd. Gedurende dit vuur kwam een autocolonne om de munitie te halen, de 7 man werden door granaatscherven gedood en de rest maakte rechtsomkeert. [..] Als door een wonder was van de gehele Afdeling niemand gedood en slechts één man licht gewond. Dit was wel te danken aan het feit, dat de stellingen goed waren ingegraven en de schuilplaatsen in een bos lagen terwijl de vijand versnelde buizen gebruikte die boven in de bomen sprongen waardoor slechts weinig voltreffers voorkwamen."
(pag. 134) "Naar onze opvatting wordt afwisselend met Brisantgranaatvuur en Kartetsvuur geschoten. In een vuurpauze laat de Batterijcommandant enige scherven zoeken om het kaliber vast te stellen; aangenomen wordt 15 cm en de scherven doorgezonden naar de Afdelingscommandant. [..] Tegen 11.30 uur, als het meer dan een uur rustig is geweest [geen vijandelijk vuur] komt de Afdelingscommandant Majoor Dr. H. de Groot persoonlijk zich op de hoogte stellen, omdat hij voortdurend vuur op onze stelling waarneemt. Er zijn tot nu toe gelukkig geen doden of gewonden te melden. [..] Het vuur blijft voortdurend op ons en onze omgeving liggen, o.a. naar onze mening op het vlakbij gelegen Stafcommando van 8 R.I. [..] Een Rode Kruis ordonnans op motorrijwiel wordt op 10 m achter de Batterijcommandopost door een scherf van een uiteenspattende granaat getroffen en is op slag dood; zijn oorlogszakboekje vermeldt de naam Tebrunsvelt, wonende te Amsterdam. Een controle in loopgraven en geschutsopstellingen wijst uit dat op enkele plaatsen treffers zijn geweest waardoor houten schuttingen door aardverschuivingen ontzet zijn. [..] Voortdurend wordt de stelling bij tussenpozen beschoten doch men dekt zich nauwelijks en weet aan het fluiten der projectielen nauwkeurig te onderscheiden voor welk doel ze bestemd zijn."
(pag. 156) "Des Zondags (12 Mei) werd Rhenen in elkaar geschoten, braken branden uit en hadden we vooral des middags van artillerie vuur te lijden. Er waren stukken van verschillend kaliber die ons tot doel hadden en 1e Luitenant Ir H.A. Kloosterman verzamelde scherven om het kaliber te kunnen vaststellen. Doordat we in de onderkomens vluchtten en er met versnelde projectielen geschoten werd zag ik geen slachtoffers bij ons eigen onderdeel. [..] Van de achterste batterij [..] werd een stuk vernield door het vuur der Duitsers, overigens wist Kapitein Vorstman (2e Batterij) zijn stukken te redden."
Zover de bronnen. Interpretatie van dit soort gegevens is niet eenvoudig, zelfs voor deskundigen niet. Toch volgt hierna een samenvatting met eigen conclusies. Die wordt eerst door een munitie-expert en twee artilleristen kritisch gelezen. Als een andere opvatting wordt voorgesteld, zal dat daarbij worden aangegeven.
Even nog het volgende. De officiële gevechtsrapporten en vuurregisters die bij het NIMH worden bewaard, zijn nogal eens achteraf gereconstrueerd en dan niet helemaal volledig. Dat blijkt ook uit een dagboekje van een oom van me. In mei 1940 sergeant bij Lt. Emous, 1e Sectie 1-II-8 RI. In zijn beleving werd er in de nachten van 10 tot 13 mei door geschut van beide partijen over hun hoofden heen stevig gevuurd. Hij schatte die nachtelijke schotenwisselingen in als artillerieduels. Het zou om een aantal storende vuren kunnen gaan.
Volgens een document uit de Praagse Collectie (NIMH Coll 410, Inv Nr 75079) was eind april in een schip munitie opgeslagen voor X. AK. SS "DF" moest toen brisantgranaten afstaan in ruil voor nevelgranaten, die volgens een ander document (NIMH Coll 410, Inv Nr 75082) schaars waren. Het aandeel in de Kalibereinheiten (KE) zou tot nader bericht wegvallen. Inplaats van nevelgranaten werden brisantgranaten met schokbuis geleverd. Op 30.4.40 werd dat ongedaan gemaakt door terugruil:
"1) SS-Rgt "Der Führer gibt ab
72 FH Gr mit AZ 23 v (0,25)
und empfängt dafür:
72 FH Gr Nb mit kl AZ 23 Nb.
Dat jargon kan als volgt worden uitgeschreven:
Af: 72 Brisantgranaten met schokbuis instelbaar tot 0,25 sec vertraagd.
Bij: 72 Nevelgranaten met kleine schokbuis voor nevelmunitie.
Hoe de munitie-uitrusting er verder uitzag bij 207. ID is niet in detail bekend.
Het eerste document geeft wel aan, wat er voor Leibstandarte "Adolf Hitler" in voorraad lag als belading voor een leichte Artillerie Kolonne (voor de 10,5 cm le FH 18). Totaal 1.050 granaten (756 Brisant met schokbuis, 66 Brisant met tijd/schokbuis, 156 Pantsergranaten, 72 Nevelgranaten). Aannemelijk is, dat de belading voor SS "DF" hetzelfde was.
Van het verbruik van 207. ID is bekend, dat tot 13.5.40 250 ton munitie was verschoten. Dat werd blijkbaar veel gevonden, want het werd verklaard met het "vastlopen van de aanval" (NIMH Coll 401, Inv Nr 0014). In een bericht van de Quartiermeisterabteilung Gen Kdo X. AK van 13.5.40 staat onder het kopje "Munitionswesen" (NIMH Coll 401, Inv Nr 2001):
"Die Kolonnen des Korps sind bis 13.5.40 10.00 Uhr nach Wolfheze (Mun. Ausgabestelle der 207. Div.) zugeführt: (Fernmündlich voraus)
3 KE l.F.H.18
1 KE 3,7 cm Pak (Pzgr.Patr.)
je 3000 Schuss 2 cm Pzgr.Patr. u. 2 cm Sprgr.Patr. für Kw.K."
Dat maakt duidelijk dat II/AR SS (de enige Afdeling bij 207. ID met le FH 18) op 12.5.40 blijkbaar veel gevuurd had. Ook Pak en Pantserwagens hadden daardoor dringend behoefte aan aanvulling. Deze hoeveelheden komen samen neer op 1/4 tot 1/3 (eigen schatting) van de gerapporteerde 250 ton.
Of er wel betongranaten voor de op 12.5 ingezette artillerie beschikbaar waren en gebruikt werden is onzeker. Maar het is zeer onwaarschijnlijk. Er zijn geen sporen op kazematten of in terrein van gevonden, en ze worden in bovenstaande opsommingen niet genoemd. Pas in verband met de aankomst van s Art Abt 735 (NIMH Coll 401, Inv Nr 0012). Die aantekening staat in het KTB X. AK/ Ib op 12.5 16.00 Uhr, samen met nog twee aanvragen voor het andere geschut:
"a) Antrag bis Q.Qu.: Heranführen von 130 t Mun. für s.Art.Abt 537 [moet zijn 735] aus Wissem. Bahnzuführung bis Zevenaar zugesichert.
b) Zuführung von 2 30 t-Kol. für s.F.H.18 und l.F.H. 16 - Mun. nach Mun.-Ausgabestelle Wolheeze, westnordwestl. Arnheim. Als Rückhalt für planmässigen Angriff auf den Grebbeberg bei Rhenen (Angriffsbeginn 12.5. nachmittags).
c) Anforderung von 3 KE l.FH.18 [zie boven] für Ausfüllung am 13.5. Hierzu Befehl des Kdr.Generals v. 12.5.40."
Het verbruik van 227. ID tot 14.5 is wel bekend uit een overzicht in het KTB 227. ID/Ia. Hierin komen geen Betongranaten voor (NIMH Coll 401, Inv Nr 1785).
In de Nederlandse bronnen zijn over de Duitse munitie gebruikt op 12.5.40 genoeg opmerkingen gemaakt die wat zeggen. Voor het contrast worden ook enkele eerdere opmerkingen meegenomen.
Voor 11.5.40:
Tlt J.U. Terpstra, Staf I-8 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 511005)
"(11 mei) Vijandelijke artillerie gaat intussen door met schieten op de Grebbeberg en de Voorpostenstrook. Explosies bij Anna's Hoeve, waarbij veel zand opgeworpen wordt, doen vermoeden dat de vijand daarop inschiet, niet versneld. [..] Vijandelijke artillerie houdt dit gedeelte onder vuur met enkele schoten die tijdprojectielen schijnen te zijn, daar een er van, die niet ver van mij springt, volstrekt geen zand opgooit."
Kapt H. Ballot, Cdt 1-III-8 RA, Dagboek (NIMH Coll 401, Inv Nr 511019)
We komen meer onder vuur te liggen, de projectielen knallen met een scherpe droge knal boven ons hoofd. Het is blijkbaar tijdvuur van licht geschut. Men brengt mij wat scherven en buizen. De laatsten zijn van een bijzonder licht soort witmetaal [aluminium] met weinig koper eraan. Veel van 's vijands vuur begrijpen wij niet, maar het is gemakkelijk dat hij in deze storende vuren zo methodisch te werk gaat."
Dr S.J. de Groot, "Vestingartillerie in het Veldleger" (2002)
(pag. 158) "De 1e en 2e batterij lagen [11 mei] voortdurend onder vijandelijk artillerie en mitrailleurvuur. De ligging van deze batterijen [van de 3e niet] was de vijand kennelijk goed bekend. Naast mijn commandopost is de telefooncentrale geheel vernield. De vijand schoot met schokprojectielen met zeer gevoelige buizen, kaliber 15 à 20 cm."
Voor 12.5.40:
Kapt. H. van Joolen, Cdt 3-1-8 RA, Verklaring (NIMH Coll 401, Inv Nr 511011)
Op de eerste dag kregen wij veel projectielen met knaleffect [signaalmunitie ?]. Later zijn de projectielen zwaarder geworden, ik denk 7,5 en 10,0 cm."
Gd H.H. Clement, 3-I-8 RA, Brief (NIMH Coll 401, Inv Nr 511011)
"Zo brak de Zondag 1e Pinksterdag aan, het artillerievuur van de vijand werd steeds heviger."
Kapt J. van 't Land, Cdt III-8 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 511014)
"De beschieting van onze eigen opstellingen neemt toe in zwaarte en kaliber. De waarnemingspost Groene Bank moet wegens de voortdurende beschieting worden ontruimd en teruggetrokken naar de mitrailleuropstelling in de bomen van de middenbatterij."
Kapt H. Ballot, Cdt 1-III-8 RA, Dagboek (NIMH Coll 401, Inv Nr 511019)
"Als de alarmtoestand [in de ochtend] over is ga ik met Malten weer eens in de [villa] "Lijstereng" kijken. Alles is in orde. In de keuken wassen en scheren wij ons eens lekker. We vinden nog wat rookbaars [sigaren en sigaretten] in huis en nemen ook wat blikjes mee. We nemen aan dat ons dit door de familie Sandbrink, die altijd zo aardig en gastvrij voor ons was, wel gegund zal zijn. Op de terugweg naar de batterij overvalt ons weer vijandelijk vuur en haastig zoeken wij dekking als 50 meter vóór ons een granaat ontploft. Het is zwaarder kaliber dan gisteren, en het zijn ook schokprojectielen. [..] Ook wij liggen meer en meer onder gericht vuur."
Elt. H.W. Felderhof, Cdt 2-I-12 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 502018)
"11.00 uur [..] Vijandelijk artillerievuur op de batterij en de commandopost. Ligging van dit vuur in het algemeen iets te ver. Aanvankelijk schokvuur, later tijdvuur. Gevonden scherven in de nabijheid tonen aan, dat gietijzeren projectielen worden gebruikt."
S.L. Groenewoud, 4-I-12 RA, "Artillerie in de Grebbeslag 1940", "Ons Leger jul-aug 1946". Overdruk, pag. 5.
"Nadat het vuur blijkbaar verder weg komt te liggen, commandeert de Bt.C. [Batterijcommandant]: "Op uw posten. Kijken !" Wij zien grote stof- en rookwolken en wennen tevens aan het gefluit der vijandelijke granaten boven ons hoofd. Tevens geeft de Bt.C. een korte theorie: "Kijk, die stommelingen schieten helemaal mis. Is het voor ons bedoeld, dan is het mis, enige honderden meters te ver. Is het voor de straatweg [bij Plantage W III, Elst] dan is het eveneens mis en is de verste afstand bestemd voor die schepen op de rivier, dan is het ook mis. Verder is er in dit gebied niets belangrijks aanwezig.""
Maj. J. H. Kramer, Cdt I-15 RA, Verklaring (NIMH Coll 401, Inv Nr 502023)
Op 12 Mei heb ik af en toe vijandelijk artillerievuur gehad, naar ik meen 8 cm projectielen."
Dr S.J. de Groot, "Vestingartillerie in het Veldleger" (2002)
(pag. 109) "De vijand zette zijn artilleriebeschieting met 24 à 25 cm geschut voort, waarbij de gehele afdeling systematisch onder vuur genomen werd. 9.30 uur [..]."
(pag. 123) "Gedurende dit vuur [volgens verslag op de toren van de NH Kerk van Wageningen], lagen wij zelf ook reeds geregeld onder vijandelijk vuur, dat hoe verder de dag verstreek steeds in hevigheid toenam en slechts kleine onderbrekingen vertoonden. [..] Juist waren deze voorbereidingen [voor stellingwisseling] getroffen of een ontzettend vijandelijk trommelvuur brak los, dat ons geruime tijd in onze schuilplaatsen gevangen hield. Hierbij werd een kaliber gebruikt van 20 à 24 cm. Naar wij later vernamen stonden deze batterijen in Bennekom en zelfs in Duitsland (spoorweggeschut) opgesteld. Hiermee werd de Grebbeberg regelmatig afgegraasd. Gedurende dit vuur kwam een autocolonne om de munitie te halen, de 7 man werden door granaatscherven gedood en de rest maakte rechtsomkeert. [..] Als door een wonder was van de gehele Afdeling niemand gedood en slechts één man licht gewond. Dit was wel te danken aan het feit, dat de stellingen goed waren ingegraven en de schuilplaatsen in een bos lagen terwijl de vijand versnelde buizen gebruikte die boven in de bomen sprongen waardoor slechts weinig voltreffers voorkwamen."
(pag. 134) "Naar onze opvatting wordt afwisselend met Brisantgranaatvuur en Kartetsvuur geschoten. In een vuurpauze laat de Batterijcommandant enige scherven zoeken om het kaliber vast te stellen; aangenomen wordt 15 cm en de scherven doorgezonden naar de Afdelingscommandant. [..] Tegen 11.30 uur, als het meer dan een uur rustig is geweest [geen vijandelijk vuur] komt de Afdelingscommandant Majoor Dr. H. de Groot persoonlijk zich op de hoogte stellen, omdat hij voortdurend vuur op onze stelling waarneemt. Er zijn tot nu toe gelukkig geen doden of gewonden te melden. [..] Het vuur blijft voortdurend op ons en onze omgeving liggen, o.a. naar onze mening op het vlakbij gelegen Stafcommando van 8 R.I. [..] Een Rode Kruis ordonnans op motorrijwiel wordt op 10 m achter de Batterijcommandopost door een scherf van een uiteenspattende granaat getroffen en is op slag dood; zijn oorlogszakboekje vermeldt de naam Tebrunsvelt, wonende te Amsterdam. Een controle in loopgraven en geschutsopstellingen wijst uit dat op enkele plaatsen treffers zijn geweest waardoor houten schuttingen door aardverschuivingen ontzet zijn. [..] Voortdurend wordt de stelling bij tussenpozen beschoten doch men dekt zich nauwelijks en weet aan het fluiten der projectielen nauwkeurig te onderscheiden voor welk doel ze bestemd zijn."
(pag. 156) "Des Zondags (12 Mei) werd Rhenen in elkaar geschoten, braken branden uit en hadden we vooral des middags van artillerie vuur te lijden. Er waren stukken van verschillend kaliber die ons tot doel hadden en 1e Luitenant Ir H.A. Kloosterman verzamelde scherven om het kaliber te kunnen vaststellen. Doordat we in de onderkomens vluchtten en er met versnelde projectielen geschoten werd zag ik geen slachtoffers bij ons eigen onderdeel. [..] Van de achterste batterij [..] werd een stuk vernield door het vuur der Duitsers, overigens wist Kapitein Vorstman (2e Batterij) zijn stukken te redden."
Zover de bronnen. Interpretatie van dit soort gegevens is niet eenvoudig, zelfs voor deskundigen niet. Toch volgt hierna een samenvatting met eigen conclusies. Die wordt eerst door een munitie-expert en twee artilleristen kritisch gelezen. Als een andere opvatting wordt voorgesteld, zal dat daarbij worden aangegeven.
Even nog het volgende. De officiële gevechtsrapporten en vuurregisters die bij het NIMH worden bewaard, zijn nogal eens achteraf gereconstrueerd en dan niet helemaal volledig. Dat blijkt ook uit een dagboekje van een oom van me. In mei 1940 sergeant bij Lt. Emous, 1e Sectie 1-II-8 RI. In zijn beleving werd er in de nachten van 10 tot 13 mei door geschut van beide partijen over hun hoofden heen stevig gevuurd. Hij schatte die nachtelijke schotenwisselingen in als artillerieduels. Het zou om een aantal storende vuren kunnen gaan.
woensdag 7 december 2011
Geschut, munitie, doelen (1)
Het Terreinbezoek in mei 1940 en de kort na de slag gemaakte foto's geven een zeer onduidelijk en onvolledig beeld van het effect van de Duitse beschietingen. Zo te zien zijn de trefferbeelden op de kazematten vooral toe te schrijven aan 3,7 cm Pak. Bekend is verder dat de pantserwagens op enkele objecten hebben gevuurd. Tenslotte zal een deel van de zichtbare schade zijn aangericht door eigen (Nederlands) vuur.
Resteert de tweede benadering. Het bestuderen van ander archiefmateriaal. Voornaamste bronnen zijn dan het BA-MA en het NIMH. Veel informatie is op www.grebbeberg.nl al toegankelijk gemaakt. Om copyright redenen kunnen jammer genoeg niet alle belangrijke documenten on line worden gezet of uitgewisseld.
Zoals eerder aangekondigd, zijn nu het eerst de gegevens over geschut, munitie en doelen aan de beurt. Die onderwerpen kunnen samen genomen worden. Ook is daarover al het een en ander gezegd. Zelfs behoorlijk wat, in mijn eerdere posts op deze blog. Dat maakt nu een sterk verkorte behandeling mogelijk.
De eerder genoemde publicaties zijn het niet helemaal eens over het op 12.5.40 ingezette Duitse geschut. Dat is niet verwonderlijk. De KTB's en bijlagen zijn daar ook verre van duidelijk over. Er zijn drie brondocumenten die nogal verschillende interpretaties mogelijk maken. Kort gezegd is de vraag: Vier of vijf (gedeeltelijk incomplete) afdelingen en welke dan ?
(1) Een eerste antwoord geeft het KTB van 207. ID in het ochtendrapport van Kdr AR 207 (Tätigkeit der Artl. bis 6.15 Uhr). Gemakshalve hier de complete passage in eigen vertaling. Tijden omgezet naar Nederlandse tijd.
"22.50 - 3.50 Storingsvuur op en noord van Rhenen door 2 Afdelingen.
2.50 Vuuroverval op de Grebbeberg.
Vanaf 3.20 uur III/AR 311 gereed tot vuren .
II/AR 207 in Heelsum gereed gesteld met de Munitiecolonne.
Vanaf 3.50 vrij vuren om de Grebbelinie te vernielen.
III/[AR] 207 en III/AR 311 op de versterkingen noord van de Straatweg Wageningen - Rhenen (directe steun aan I/SS "DF").
IV/[AR] 256 [min 12] en II/AR SS op de versterkingen zuid van de Straatweg Wageningen - Rhenen."
Mogelijk is het vervolg van de laatste regel door brandschade aan het document weggevallen. Er kan nog hebben gestaan dat deze beide eenheden directe steun gaven aan III/SS "DF".
(2) Tweede bron is een document opgesteld door Hptm Rechlin. Het draagt de titel "Der Kampf um die Grebbe-Linie zwischen Wageningen und Rhenen. Auszug aus dem Kriegstagebuch der 207. ID." Op blad 3 en 4:
"Vuurplan voor ondersteuning van de Inbraak [van de Grebbelinie bij de Grebbesluis]:
Vuurconcentratie van 5 afdelingen artillerie op het punt van de beoogde inbraak van 12.20 - 12.40.
Gevuurd wordt door:
1 afdeling op de versterkingen 47 a - c [Grift, noord van de Grebbesluis]
2 afdelingen op 36 a en b [S.12 en S.13 ?]
1 afdeling op hoogte 53 [bij Zuivelfabriek de Eendracht, buurtschap De Dijk]
1 afdeling op de versterkingen 33 a - c (zuid van de Neder Rijn) [bij De Spees]"
Verwezen werd naar een stellingkaart 1:50.000. Een exemplaar daarvan staat op www.grebbeberg.nl in de rubriek Staf- en overzichtskaarten onder nummer 21. Terecht staat in het bijschrift hierbij, dat hierop de (vermeende) stellingen etc. zijn aangegeven. De Nederlandse stellingen waren aan Duitse zijde maar bij benadering bekend. De aangegeven objectnummers zijn daarom niet met volledige zekerheid naar Nederlandse posities te vertalen. Ook niet, omdat aan Nederlandse zijde tot het laatst toe wijzigingen in de opstellingen werden aangebracht.
Bij deze bron moet bedacht worden dat het gaat om een vuurplan, dat mogelijk niet precies zo werd uitgevoerd.
Er staat bij dit stuk in handschrift bijgeschreven "Ca 60 Rohre" [vertaald: Ongeveer 60 stukken]. Dat aantal kan in elk geval nooit helemaal zijn ingezet.
De twee laatste opmerkingen worden nog nader uitgewerkt.
(3) Derde bron is een document uit NIMH Coll 409 (Nederlandse gevechtsverslagen), Map 550, Inv Nr 0018. Het document is waarschijnlijk door Nierstrasz gebruikt bij het schrijven van de Groene Serie. Het is een verslag van de bespreking van Gen Maj van Hilten en Maj v.d. Kloet met twee hoge krijgsgevangen Duitse officieren in een kamp te Neustadt. De bespreking vond op 7.8.1947 plaats. Gesproken werd met General der Waffen SS Georg Keppler. Uit de stukken blijkt, dat hij zich niet goed meer kon herinneren welke eenheden artillerie vanuit welke stellingen werden ingezet. Hierin op blad 1 en 2:
"In de avond van 11 Mei was Wageningen gepasseerd en werd, met de spits, de Grebbeberg bereikt.- Eerst had Keppler plan, de Grebbeberg nog in de nacht (11/12 Mei) aan te vallen, doch toen hevig vuur werd ontvangen *, zag hij van de nachtaanval af. Hij ging zelf terug naar Arnhem, voor een bespreking met C.-207e Div. (Gen Lt v. Tiedemann) omtrent een aanval op 12 Mei. Bij deze bespreking werd hem alsnog de beschikking gegeven over twee zware artillerie afdelingen en één lichte art. afd. van het A.K., zodat hij nu over 5 afdelingen (2 lichte, 3 zware) kon beschikken."
Bij deze bron moet bedacht worden, dat de SS-verslagen vaak sterk vertekend zijn. Verder werd de informatie door Keppler uit het geheugen gegeven, ruim zeven jaar na de strijd.
Op een naar aanleiding van het interview gemaakte schets van de opstellingen op 11 mei [NIMH Coll 409, Map 550, Inv Nr 0022] werd aangetekend, dat deze niet helemaal bekend waren. Ook was IV/AR 207 [!] naast II/AR SS, III/AR 207 en IV/AR 256 ingeschetst als afdeling voor directe steun. Rond IV/AR 207 was een kring gezet, onderaan toegevoegd "IV/AR 207 was niet aanwezig".
Inmiddels is bekend, dat III/AR 311 de eigen vierde afdeling van AR 207 was. Eind 1939 zijn de bespannen vierde afdelingen (gedeeltelijk bewapend met kanonnen) afgegeven aan het Heer. Voor zover mogelijk gemotoriseerd en volledig herbewapend met moderne FH. Dan daar gehouden als Heeresartillerie. Anders opnieuw ingedeeld als Divisieartillerie, eventueel na verwapening tot zuivere FH-afdeling met ouder geschut. Later werd daar ook buitgeschut voor gebruikt.
Duidelijk is zo, dat de herinnering van Keppler in 1947 al was vervaagd. Ook was de informatie over de opbouw van de Duitse aanvalsmacht toen nog niet helemaal juist en volledig.
Uit de KTB's met bijlagen is op te maken dat op 11.5.40 drie incomplete afdelingen zijn ingezet. II/AR SS, III/AR 207, 10 en 11/AR 256. III/AR 311 stond gereed in Heelsum (zie boven). Beschikbaar was ook II/AR 207, waarvan de vijfde batterij op 12.5.40 naar Gruppe Brückner in de Betuwe ging. Uit de KTB's blijkt nog, dat s Art Abt 735 werd aangetrokken. Die was onderweg uit N Brabant en werd pas de volgende ochtend gereed gemeld.
Na nieuwe afweging is mijn conclusie geworden, dat op 12.5.40 zijn ingezet:
o II/AR SS, met 12 stukken 10,5 cm le FH 18
o 4 en/of 6/AR 207, met 8 stukken 10,5 cm le FH 16 (met voorbehoud)**
o III/AR 207, met 12 stukken 10,5 cm le FH 16
o III/AR 311, met 12 stukken 15,0 cm s FH 13
o 10 en 11/AR 256, met 8 stukken 15,0 cm s FH 18
Totaal op zijn hoogst [!] 52 stukken, waarvan 32 lichte en 20 zware FH.
Hierna wordt deze interpretatie nog nader toegelicht en onderbouwd.
* In de avond van 11.5.40 werd vijand vlakbij vermoed. Daarom werd ook hevig mitrailleur- en geweervuur afgegeven vanuit de HWL. Door een deel van II-19 RA en door I-22 RA (Twaalf Lang Staal resp. Zeven Veld) een voorbereid stormvuur uitgebracht ongeveer 200 m voor het Hoornwerk. Er was juist in dat gebied veel dekking van begroeiing. Het gereedstellingsgebied van de eerste aanvalsgroepen zal daar dan gelegen hebben. Het ontvangen artillerievuur werd aan Duitse zijde ingeschat als van 1 - 2 batterijen 12 cm.
** Er zijn me geen documenten bekend waaruit duidelijk wordt of deze batterijen inderdaad op 12.5.40 bij Wageningen in stelling kwamen. Vanuit een stelling bij Heelsum of bij Oosterbeek kan niet zijn bijgedragen aan het vuur op de HWL. De afstand HWL (De Spees ?, zie hierna) - Heelsum is minstens 10 km. Oosterbeek ligt nog een 6 km verder oost. De dracht van dit type geschut was 9.225 m. Inzet bij Wageningen is wel zeer aannemelijk, ook omdat s Art Abt 735 niet tijdig aankwam.
Resteert de tweede benadering. Het bestuderen van ander archiefmateriaal. Voornaamste bronnen zijn dan het BA-MA en het NIMH. Veel informatie is op www.grebbeberg.nl al toegankelijk gemaakt. Om copyright redenen kunnen jammer genoeg niet alle belangrijke documenten on line worden gezet of uitgewisseld.
Zoals eerder aangekondigd, zijn nu het eerst de gegevens over geschut, munitie en doelen aan de beurt. Die onderwerpen kunnen samen genomen worden. Ook is daarover al het een en ander gezegd. Zelfs behoorlijk wat, in mijn eerdere posts op deze blog. Dat maakt nu een sterk verkorte behandeling mogelijk.
De eerder genoemde publicaties zijn het niet helemaal eens over het op 12.5.40 ingezette Duitse geschut. Dat is niet verwonderlijk. De KTB's en bijlagen zijn daar ook verre van duidelijk over. Er zijn drie brondocumenten die nogal verschillende interpretaties mogelijk maken. Kort gezegd is de vraag: Vier of vijf (gedeeltelijk incomplete) afdelingen en welke dan ?
(1) Een eerste antwoord geeft het KTB van 207. ID in het ochtendrapport van Kdr AR 207 (Tätigkeit der Artl. bis 6.15 Uhr). Gemakshalve hier de complete passage in eigen vertaling. Tijden omgezet naar Nederlandse tijd.
"22.50 - 3.50 Storingsvuur op en noord van Rhenen door 2 Afdelingen.
2.50 Vuuroverval op de Grebbeberg.
Vanaf 3.20 uur III/AR 311 gereed tot vuren .
II/AR 207 in Heelsum gereed gesteld met de Munitiecolonne.
Vanaf 3.50 vrij vuren om de Grebbelinie te vernielen.
III/[AR] 207 en III/AR 311 op de versterkingen noord van de Straatweg Wageningen - Rhenen (directe steun aan I/SS "DF").
IV/[AR] 256 [min 12] en II/AR SS op de versterkingen zuid van de Straatweg Wageningen - Rhenen."
Mogelijk is het vervolg van de laatste regel door brandschade aan het document weggevallen. Er kan nog hebben gestaan dat deze beide eenheden directe steun gaven aan III/SS "DF".
(2) Tweede bron is een document opgesteld door Hptm Rechlin. Het draagt de titel "Der Kampf um die Grebbe-Linie zwischen Wageningen und Rhenen. Auszug aus dem Kriegstagebuch der 207. ID." Op blad 3 en 4:
"Vuurplan voor ondersteuning van de Inbraak [van de Grebbelinie bij de Grebbesluis]:
Vuurconcentratie van 5 afdelingen artillerie op het punt van de beoogde inbraak van 12.20 - 12.40.
Gevuurd wordt door:
1 afdeling op de versterkingen 47 a - c [Grift, noord van de Grebbesluis]
2 afdelingen op 36 a en b [S.12 en S.13 ?]
1 afdeling op hoogte 53 [bij Zuivelfabriek de Eendracht, buurtschap De Dijk]
1 afdeling op de versterkingen 33 a - c (zuid van de Neder Rijn) [bij De Spees]"
Verwezen werd naar een stellingkaart 1:50.000. Een exemplaar daarvan staat op www.grebbeberg.nl in de rubriek Staf- en overzichtskaarten onder nummer 21. Terecht staat in het bijschrift hierbij, dat hierop de (vermeende) stellingen etc. zijn aangegeven. De Nederlandse stellingen waren aan Duitse zijde maar bij benadering bekend. De aangegeven objectnummers zijn daarom niet met volledige zekerheid naar Nederlandse posities te vertalen. Ook niet, omdat aan Nederlandse zijde tot het laatst toe wijzigingen in de opstellingen werden aangebracht.
Bij deze bron moet bedacht worden dat het gaat om een vuurplan, dat mogelijk niet precies zo werd uitgevoerd.
Er staat bij dit stuk in handschrift bijgeschreven "Ca 60 Rohre" [vertaald: Ongeveer 60 stukken]. Dat aantal kan in elk geval nooit helemaal zijn ingezet.
De twee laatste opmerkingen worden nog nader uitgewerkt.
(3) Derde bron is een document uit NIMH Coll 409 (Nederlandse gevechtsverslagen), Map 550, Inv Nr 0018. Het document is waarschijnlijk door Nierstrasz gebruikt bij het schrijven van de Groene Serie. Het is een verslag van de bespreking van Gen Maj van Hilten en Maj v.d. Kloet met twee hoge krijgsgevangen Duitse officieren in een kamp te Neustadt. De bespreking vond op 7.8.1947 plaats. Gesproken werd met General der Waffen SS Georg Keppler. Uit de stukken blijkt, dat hij zich niet goed meer kon herinneren welke eenheden artillerie vanuit welke stellingen werden ingezet. Hierin op blad 1 en 2:
"In de avond van 11 Mei was Wageningen gepasseerd en werd, met de spits, de Grebbeberg bereikt.- Eerst had Keppler plan, de Grebbeberg nog in de nacht (11/12 Mei) aan te vallen, doch toen hevig vuur werd ontvangen *, zag hij van de nachtaanval af. Hij ging zelf terug naar Arnhem, voor een bespreking met C.-207e Div. (Gen Lt v. Tiedemann) omtrent een aanval op 12 Mei. Bij deze bespreking werd hem alsnog de beschikking gegeven over twee zware artillerie afdelingen en één lichte art. afd. van het A.K., zodat hij nu over 5 afdelingen (2 lichte, 3 zware) kon beschikken."
Bij deze bron moet bedacht worden, dat de SS-verslagen vaak sterk vertekend zijn. Verder werd de informatie door Keppler uit het geheugen gegeven, ruim zeven jaar na de strijd.
Op een naar aanleiding van het interview gemaakte schets van de opstellingen op 11 mei [NIMH Coll 409, Map 550, Inv Nr 0022] werd aangetekend, dat deze niet helemaal bekend waren. Ook was IV/AR 207 [!] naast II/AR SS, III/AR 207 en IV/AR 256 ingeschetst als afdeling voor directe steun. Rond IV/AR 207 was een kring gezet, onderaan toegevoegd "IV/AR 207 was niet aanwezig".
Inmiddels is bekend, dat III/AR 311 de eigen vierde afdeling van AR 207 was. Eind 1939 zijn de bespannen vierde afdelingen (gedeeltelijk bewapend met kanonnen) afgegeven aan het Heer. Voor zover mogelijk gemotoriseerd en volledig herbewapend met moderne FH. Dan daar gehouden als Heeresartillerie. Anders opnieuw ingedeeld als Divisieartillerie, eventueel na verwapening tot zuivere FH-afdeling met ouder geschut. Later werd daar ook buitgeschut voor gebruikt.
Duidelijk is zo, dat de herinnering van Keppler in 1947 al was vervaagd. Ook was de informatie over de opbouw van de Duitse aanvalsmacht toen nog niet helemaal juist en volledig.
Uit de KTB's met bijlagen is op te maken dat op 11.5.40 drie incomplete afdelingen zijn ingezet. II/AR SS, III/AR 207, 10 en 11/AR 256. III/AR 311 stond gereed in Heelsum (zie boven). Beschikbaar was ook II/AR 207, waarvan de vijfde batterij op 12.5.40 naar Gruppe Brückner in de Betuwe ging. Uit de KTB's blijkt nog, dat s Art Abt 735 werd aangetrokken. Die was onderweg uit N Brabant en werd pas de volgende ochtend gereed gemeld.
Na nieuwe afweging is mijn conclusie geworden, dat op 12.5.40 zijn ingezet:
o II/AR SS, met 12 stukken 10,5 cm le FH 18
o 4 en/of 6/AR 207, met 8 stukken 10,5 cm le FH 16 (met voorbehoud)**
o III/AR 207, met 12 stukken 10,5 cm le FH 16
o III/AR 311, met 12 stukken 15,0 cm s FH 13
o 10 en 11/AR 256, met 8 stukken 15,0 cm s FH 18
Totaal op zijn hoogst [!] 52 stukken, waarvan 32 lichte en 20 zware FH.
Hierna wordt deze interpretatie nog nader toegelicht en onderbouwd.
* In de avond van 11.5.40 werd vijand vlakbij vermoed. Daarom werd ook hevig mitrailleur- en geweervuur afgegeven vanuit de HWL. Door een deel van II-19 RA en door I-22 RA (Twaalf Lang Staal resp. Zeven Veld) een voorbereid stormvuur uitgebracht ongeveer 200 m voor het Hoornwerk. Er was juist in dat gebied veel dekking van begroeiing. Het gereedstellingsgebied van de eerste aanvalsgroepen zal daar dan gelegen hebben. Het ontvangen artillerievuur werd aan Duitse zijde ingeschat als van 1 - 2 batterijen 12 cm.
** Er zijn me geen documenten bekend waaruit duidelijk wordt of deze batterijen inderdaad op 12.5.40 bij Wageningen in stelling kwamen. Vanuit een stelling bij Heelsum of bij Oosterbeek kan niet zijn bijgedragen aan het vuur op de HWL. De afstand HWL (De Spees ?, zie hierna) - Heelsum is minstens 10 km. Oosterbeek ligt nog een 6 km verder oost. De dracht van dit type geschut was 9.225 m. Inzet bij Wageningen is wel zeer aannemelijk, ook omdat s Art Abt 735 niet tijdig aankwam.
dinsdag 6 december 2011
De kracht van de HWL (2)
Soms leidt een voor deskundigen op het eerste gezicht bijna belachelijke suggestie tot verrassend nieuw inzicht. Naar mijn inschatting was de verdediging juist op het gekozen aanvalspunt bij Wageningen zo zwak nog niet. Dat kan ook nader worden onderbouwd.
Eerste punt is, dat de hoofdweerstandsstrook tot op de Grebbeberg gelaagd was ingericht. Dat werkte als een verdediging in de diepte. Voorposten - HWL - Stoplijn - Ruglijn. De Duitse aanval moest daarbij stap voor stap in onoverzichtelijk terrein veld zien te winnen.
Volgende overweging is, dat de trefkans van de vrij kleine objecten in onze verdediging (SPO's, kazematten, koepels, met een toenemende sterkte in die volgorde) niet groot was. Zeker voor de Duitse artillerie die eerst nog op grote afstand bleef. Aan het begin van deze gevechtsdag stonden II/AR SS en 10 en 11/AR 256 nog in Renkum.
In de loop van de ochtend werden deze batterijen verplaatst.
De afdeling le FH 18 naar het gebied van de Wageningse Berg.
De batterijen s FH 18 waarschijnlijk naar de bosrand bij Dorskamp.
De afstand naar het Hoornwerk was toen nog ongeveer 6 km.
Zoals bekend, waren de betonnen kazematten door de s FH 18 met speciale betongranaten te vernielen. Maar alleen (in verband met de anders te grote spreiding) met zware lading en van niet al te grote afstand. Dat vereiste op de grens van het effectief vuurbereik tientallen treffers op bijna dezelfde plek. Enkele gegevens zijn [Deels uit NIMH coll 410, Inv Nr 75096]:
De le FH 18 was in staat om met directe treffers met de gewone brisantgranaat 2 m gronddekking door te slaan. Tegen betonnen kazematten en gietstalen koepels ingebed in beton was er alleen de psychologische uitwerking van de detonatieknallen en van de schokgolven.
De s FH 18 was krachtiger, en was in staat 3 m gronddekking door te slaan. Op een nog betrekkelijk veilige afstand van 4.000 - 5.000 m kon dit geschut (met herhaalde treffers en met gebruik van betongranaten) een betonnen wand van 2,5 m doorboren.
Bekend is de verwoestende werking van de 8,8 cm Flak op betonnen kazematten van het type stekelvarken (S-kazematten). Dit geschut was zelfs in staat het staal van onze gietstalen koepels (G-kazematten) door te slaan. Verschillende kazematten aan de Maaslinie (zelfs een enkele van het type Rivierkazemat) werd zo uitgeschakeld.
Bekend is ook, dat 3,7 cm Pak onder uitzonderlijke condities het 10 cm dikke pantserstaal van een G-kazemat kon doorboren. Beton, pantserluik, of achterdeur van een S-kazemat dan zeker. De S-kazemat was door de grote schietgaten het meest kwetsbaar.
Toch zijn bij de Grebbeberg dit soort verwoestende effecten bijna niet waargenomen. Er vielen enkele voltreffers, die delen van loopgraven en soms een veldversterking vernielden. Het laatste alleen, wanneer de gronddekking nog niet was aangebracht of onvoldoende dikte had.
Voorzover nu nog na te gaan, zijn de betongranaten bij de aanval op de Grebbelinie door de batterijen s FH 18 nauwelijks gebruikt. In elk geval bij 227. ID [NIMH Coll 401, Inv Nr 1785]. Voor 207. ID zal het niet anders zijn geweest. De Mörser van s Art Abt 735 waren deze dag nog onderweg en zijn pas op 13.5.40 bij Wageningen ingezet. Verondersteld mag worden dat het ene stuk 8,8 cm Flak waarover 207. ID beschikte achter bleef, om de rivierovergangen in de buurt van Arnhem te verdedigen.
Nog een laatste argument. De HWL was zó ingericht, dat de voornaamste opmarswegen vanuit verschillende posities werden bestreken. Het was dus (behalve als er al belangrijke punten door andere oorzaken waren uitgevallen) niet voldoende om een enkele positie uit te schakelen. Het effect van uitval door andere oorzaken bleef hier beperkt. De gevechtsverslagen maken dat naar mijn mening duidelijk. Aan het eind van dit hoofdstuk volgt nog een overzicht.
Het zeer feitelijke (en naar verhouding meest objectieve) KTB van 207. ID geeft dan ook aan, dat tot laat in de middag hinderlijk vuur werd ontvangen uit de HWL. Het duurde vanaf het moment dat eindelijk de beslissende aanval werd ingezet (om 12.40 uur) nog bijna 2 uren voordat de Duitse voorhoede de open plek in het bos (roggeakker) op de Grebbeberg had bereikt.
Dat was de hoofdstoot oost-west. Het duurde langer om de linie naar noord en zuid op te rollen en daarmee bijna alle hinderlijke vuurorganen uit te schakelen. Die bij De Spees bleven toen nog over.
Naar mijn gevoel spreekt er dan ook een groot stuk frustratie uit Duitse beschrijvingen van de aanval. Bijvoorbeeld in het "Denkschrift über die niederländische Landesbefestigung" (1941, p. 40) staat *:
"Am 12.5 wurde die Hauptkampflinien gegen 17 Uhr beiderseits der Grebbe-Berges durchgebrochen [..].
Infolge des schlechten Schussfeldes für die schweren panzerbrechenden Waffen mussten die Schartenstände und Panzertürme grösstenteils im Nahkampf genommen werden. Um jede kampfanlage spielten sich erbitterte kämpfe ab. Sie wurden dadurch erschwert, dass der Angreifer, der sich Kampfanlagen näherte, die bereits die weisse Fahne gezeigt hatten, aus Feldstellungen unter Feuer genommen wurde, die abseits in der Flanke lagen."
Natuurlijk hemelde SS "DF" de prestaties van de tegenstander tot in het absurde op. Daarmee werden de eigen matige verrichtingen nog wat opgevijzeld. Maar, zoals gezegd, dat was niet de verslagstijl van 207. ID.
* In deze tekst zitten (volgens mij tenminste) enkele spelfouten. Die zijn niet van mij, maar staan zo in het origineel.
Eerste punt is, dat de hoofdweerstandsstrook tot op de Grebbeberg gelaagd was ingericht. Dat werkte als een verdediging in de diepte. Voorposten - HWL - Stoplijn - Ruglijn. De Duitse aanval moest daarbij stap voor stap in onoverzichtelijk terrein veld zien te winnen.
Volgende overweging is, dat de trefkans van de vrij kleine objecten in onze verdediging (SPO's, kazematten, koepels, met een toenemende sterkte in die volgorde) niet groot was. Zeker voor de Duitse artillerie die eerst nog op grote afstand bleef. Aan het begin van deze gevechtsdag stonden II/AR SS en 10 en 11/AR 256 nog in Renkum.
In de loop van de ochtend werden deze batterijen verplaatst.
De afdeling le FH 18 naar het gebied van de Wageningse Berg.
De batterijen s FH 18 waarschijnlijk naar de bosrand bij Dorskamp.
De afstand naar het Hoornwerk was toen nog ongeveer 6 km.
Zoals bekend, waren de betonnen kazematten door de s FH 18 met speciale betongranaten te vernielen. Maar alleen (in verband met de anders te grote spreiding) met zware lading en van niet al te grote afstand. Dat vereiste op de grens van het effectief vuurbereik tientallen treffers op bijna dezelfde plek. Enkele gegevens zijn [Deels uit NIMH coll 410, Inv Nr 75096]:
De le FH 18 was in staat om met directe treffers met de gewone brisantgranaat 2 m gronddekking door te slaan. Tegen betonnen kazematten en gietstalen koepels ingebed in beton was er alleen de psychologische uitwerking van de detonatieknallen en van de schokgolven.
De s FH 18 was krachtiger, en was in staat 3 m gronddekking door te slaan. Op een nog betrekkelijk veilige afstand van 4.000 - 5.000 m kon dit geschut (met herhaalde treffers en met gebruik van betongranaten) een betonnen wand van 2,5 m doorboren.
Bekend is de verwoestende werking van de 8,8 cm Flak op betonnen kazematten van het type stekelvarken (S-kazematten). Dit geschut was zelfs in staat het staal van onze gietstalen koepels (G-kazematten) door te slaan. Verschillende kazematten aan de Maaslinie (zelfs een enkele van het type Rivierkazemat) werd zo uitgeschakeld.
Bekend is ook, dat 3,7 cm Pak onder uitzonderlijke condities het 10 cm dikke pantserstaal van een G-kazemat kon doorboren. Beton, pantserluik, of achterdeur van een S-kazemat dan zeker. De S-kazemat was door de grote schietgaten het meest kwetsbaar.
Toch zijn bij de Grebbeberg dit soort verwoestende effecten bijna niet waargenomen. Er vielen enkele voltreffers, die delen van loopgraven en soms een veldversterking vernielden. Het laatste alleen, wanneer de gronddekking nog niet was aangebracht of onvoldoende dikte had.
Voorzover nu nog na te gaan, zijn de betongranaten bij de aanval op de Grebbelinie door de batterijen s FH 18 nauwelijks gebruikt. In elk geval bij 227. ID [NIMH Coll 401, Inv Nr 1785]. Voor 207. ID zal het niet anders zijn geweest. De Mörser van s Art Abt 735 waren deze dag nog onderweg en zijn pas op 13.5.40 bij Wageningen ingezet. Verondersteld mag worden dat het ene stuk 8,8 cm Flak waarover 207. ID beschikte achter bleef, om de rivierovergangen in de buurt van Arnhem te verdedigen.
Nog een laatste argument. De HWL was zó ingericht, dat de voornaamste opmarswegen vanuit verschillende posities werden bestreken. Het was dus (behalve als er al belangrijke punten door andere oorzaken waren uitgevallen) niet voldoende om een enkele positie uit te schakelen. Het effect van uitval door andere oorzaken bleef hier beperkt. De gevechtsverslagen maken dat naar mijn mening duidelijk. Aan het eind van dit hoofdstuk volgt nog een overzicht.
Het zeer feitelijke (en naar verhouding meest objectieve) KTB van 207. ID geeft dan ook aan, dat tot laat in de middag hinderlijk vuur werd ontvangen uit de HWL. Het duurde vanaf het moment dat eindelijk de beslissende aanval werd ingezet (om 12.40 uur) nog bijna 2 uren voordat de Duitse voorhoede de open plek in het bos (roggeakker) op de Grebbeberg had bereikt.
Dat was de hoofdstoot oost-west. Het duurde langer om de linie naar noord en zuid op te rollen en daarmee bijna alle hinderlijke vuurorganen uit te schakelen. Die bij De Spees bleven toen nog over.
Naar mijn gevoel spreekt er dan ook een groot stuk frustratie uit Duitse beschrijvingen van de aanval. Bijvoorbeeld in het "Denkschrift über die niederländische Landesbefestigung" (1941, p. 40) staat *:
"Am 12.5 wurde die Hauptkampflinien gegen 17 Uhr beiderseits der Grebbe-Berges durchgebrochen [..].
Infolge des schlechten Schussfeldes für die schweren panzerbrechenden Waffen mussten die Schartenstände und Panzertürme grösstenteils im Nahkampf genommen werden. Um jede kampfanlage spielten sich erbitterte kämpfe ab. Sie wurden dadurch erschwert, dass der Angreifer, der sich Kampfanlagen näherte, die bereits die weisse Fahne gezeigt hatten, aus Feldstellungen unter Feuer genommen wurde, die abseits in der Flanke lagen."
Natuurlijk hemelde SS "DF" de prestaties van de tegenstander tot in het absurde op. Daarmee werden de eigen matige verrichtingen nog wat opgevijzeld. Maar, zoals gezegd, dat was niet de verslagstijl van 207. ID.
* In deze tekst zitten (volgens mij tenminste) enkele spelfouten. Die zijn niet van mij, maar staan zo in het origineel.
maandag 5 december 2011
De kracht van de HWL (1)
Het traditionele beeld over de kracht van de hoofdweerstandslijn (HWL) is dat van een ijle kazemattenlinie die gemakkelijk op te rollen was vanuit een goed gekozen doorbraakpunt.
Voor mij is nog niet duidelijk, wat op het ogenblik de mening van de drie eerder genoemde deskundigen hierover is. In hun drie publicaties was weinig of niets hierover te vinden. Wat dan nog gezegd werd, is mager onderbouwd. Dat levert geen goed startpunt voor een vruchtbare behandeling in een discussiegroep. Een poging om het oude beeld te vernieuwen loopt dan snel vast in een "nietes-welles" geschrijf.
Dat laatste is dan ook precies, wat bijvoorbeeld in februari 2008 gebeurde in de Discussiegroep van www.grebbeberg.nl onder het onderwerp "Bevelen" [?]. Het kostte toen maar 16 stapjes in vijf dagen om dat punt te bereiken. Aan het woord kwamen daarbij drie inzenders (waaronder de heer Brongers) naast twee redactieleden. De heer Goossens als redactielid sloot dit onderwerp toen maar af met de volgende woorden. Daarbij moet voor alle zuiverheid wel worden aangetekend, dat dit een inmiddels gedeeltelijk door hem bijgestelde conclusie zal zijn. Mijn vraagpunten zijn aangegeven met een [?].
"Waar het in feite op neerkwam is het volgende. Zoals het Duitse artillerieverslag [?] duidelijk meldt:
- III/207 und III/311 (totaal 20 stukken 10,5) [?]: Befestigungen nördlich Strasse Rhenen mit II/SS ["DF"]
- IV/256 (8 st 15 cm) und II/SS AR [12 st 10,5 cm] Befestigungen südlich Strasse Rhenen mit III/SS ["DF"]
In klare taal was het zo dat drie [?] afdelingen 10,5 cm de opdracht kregen de bosrand [?] en de posities langs de Grift te beschieten, en de twee batterijen 15 cm [?] specifiek het Hoornwerk [?]. De eerste twee afdelingen deden dit in het vak van II/SS, noordelijk van de Grebbeweg, en de andere twee afdelingen in het vak van III/SS.
Voor vaststelling [?] van de totale schade aan de drie Hoornwerken voor de Grebbeberg verwijs ik gaarne naar bijvoorbeeld de foto's op onze site. Dan kan een ieder zelf vaststellen of er sprake is van zware schade of gewoon de lichte schade die ik kan vaststellen [?].
Overigens werd van alle kazematten slechts de S-14 [?] zwaar getroffen. Niet door artillerievuur maar door vlakbaangeschut [?], direct vuur. Zelfs de zeer lichte PAG kazematten werden niet uitgeschakeld edoch uiteindelijk verlaten door het personeel (bij het sluisje door gevangenname) [?].
Vandaag de dag zijn nog enkele kazematten goed zichtbaar. Een ieder kan waarnemen dat zelfs [?] kogelinslagen moeilijk waar te nemen zijn.
Het noordelijke van de drie Hoornwerken kreeg het meest te verduren [?], overigens vooral ook van Nederlands 15 cm geschut [?]. De andere twee bleven volkomen intact [?]
Ondersteunende verklaringen van naoorlogse (mei 1940) schouwingen te over [?]. Overigens kan een ieder op basis van bovengenoemde foto's zelf zijn inschatting maken. Dat lijkt in deze armoedige wellus-nietus situatie ook het meest verstandig [?]."
Deze regels kapten een interessante discussie af, die anders mogelijk belangrijke nieuwe gezichtspunten had opgeleverd. Dat is de betekenis van het laatste vraagteken. Daarom nu eerst maar wat gegevens over de opbouw van de HWL tussen de Bastions en Kruiponder. Het deel van de linie waarop bijna al het Duitse vuur werd gericht.
Dit deel van de HWL was samen met een stukje van de linie Ochten - De Spees hemelsbreed ruim 5 km lang en omvatte meer dan 55 opstellingen met zware wapens. Die vormden de belangrijkste doelen voor de Duitse artillerie in deze fase. Prioriteit vroegen de posities die het meest hinderlijk waren bij een oprukken naar het beoogd doorbraakpunt. Dat waren er niet veel. Het Duitse vuurbevel (volgt) gaf er maar negen aan.
In genoemd deel van de HWL stonden (als ik het goed heb) in de avond van 11.5.40 de volgende zware wapens:
o Pag in scherfvrije kazemat - P.10 en P.11 (totaal twee stukken)
o Pag in andere opstellingen - 1e S 11 Cie Pag, 1e S 8 Cie Pag
(totaal 4 stukken)
o Lichte mitrailleur in betonnen kazemat - S.4a, S.12, S.13, S.14, S.15, S.23 (totaal ongeveer 7 stukken)
o Lichte mitrailleur in andere opstellingen - 4e S 2-II-8 RI, 3e S I-II-8 RI, 4e S 1-II-8 RI, 2e S 2-I-8 RI, 3e S 2-I-8 RI, 1e S 1-I-8 RI, 2e S 1-I-8 RI, 3e S 1-I-8 RI (totaal ongeveer 24 stukken)
o Zware mitrailleur in gietstalen koepel - G.5, G.6, G.7, G.19, G.21, G.22, G.24 (totaal ongeveer 7 stukken)
o Zware mitrailleur in andere opstellingen (totaal 1 stuk)
Het volgend kaartje laat dat zien. Het is een fragment van Schets/Kaart C.4 uit de Groene Serie, deel III.3. Toestand in de avond van 11 Mei in en achter de hws. bij 8 RI. Het kan worden vergroot door erop te klikken.
Voor mij is nog niet duidelijk, wat op het ogenblik de mening van de drie eerder genoemde deskundigen hierover is. In hun drie publicaties was weinig of niets hierover te vinden. Wat dan nog gezegd werd, is mager onderbouwd. Dat levert geen goed startpunt voor een vruchtbare behandeling in een discussiegroep. Een poging om het oude beeld te vernieuwen loopt dan snel vast in een "nietes-welles" geschrijf.
Dat laatste is dan ook precies, wat bijvoorbeeld in februari 2008 gebeurde in de Discussiegroep van www.grebbeberg.nl onder het onderwerp "Bevelen" [?]. Het kostte toen maar 16 stapjes in vijf dagen om dat punt te bereiken. Aan het woord kwamen daarbij drie inzenders (waaronder de heer Brongers) naast twee redactieleden. De heer Goossens als redactielid sloot dit onderwerp toen maar af met de volgende woorden. Daarbij moet voor alle zuiverheid wel worden aangetekend, dat dit een inmiddels gedeeltelijk door hem bijgestelde conclusie zal zijn. Mijn vraagpunten zijn aangegeven met een [?].
"Waar het in feite op neerkwam is het volgende. Zoals het Duitse artillerieverslag [?] duidelijk meldt:
- III/207 und III/311 (totaal 20 stukken 10,5) [?]: Befestigungen nördlich Strasse Rhenen mit II/SS ["DF"]
- IV/256 (8 st 15 cm) und II/SS AR [12 st 10,5 cm] Befestigungen südlich Strasse Rhenen mit III/SS ["DF"]
In klare taal was het zo dat drie [?] afdelingen 10,5 cm de opdracht kregen de bosrand [?] en de posities langs de Grift te beschieten, en de twee batterijen 15 cm [?] specifiek het Hoornwerk [?]. De eerste twee afdelingen deden dit in het vak van II/SS, noordelijk van de Grebbeweg, en de andere twee afdelingen in het vak van III/SS.
Voor vaststelling [?] van de totale schade aan de drie Hoornwerken voor de Grebbeberg verwijs ik gaarne naar bijvoorbeeld de foto's op onze site. Dan kan een ieder zelf vaststellen of er sprake is van zware schade of gewoon de lichte schade die ik kan vaststellen [?].
Overigens werd van alle kazematten slechts de S-14 [?] zwaar getroffen. Niet door artillerievuur maar door vlakbaangeschut [?], direct vuur. Zelfs de zeer lichte PAG kazematten werden niet uitgeschakeld edoch uiteindelijk verlaten door het personeel (bij het sluisje door gevangenname) [?].
Vandaag de dag zijn nog enkele kazematten goed zichtbaar. Een ieder kan waarnemen dat zelfs [?] kogelinslagen moeilijk waar te nemen zijn.
Het noordelijke van de drie Hoornwerken kreeg het meest te verduren [?], overigens vooral ook van Nederlands 15 cm geschut [?]. De andere twee bleven volkomen intact [?]
Ondersteunende verklaringen van naoorlogse (mei 1940) schouwingen te over [?]. Overigens kan een ieder op basis van bovengenoemde foto's zelf zijn inschatting maken. Dat lijkt in deze armoedige wellus-nietus situatie ook het meest verstandig [?]."
Deze regels kapten een interessante discussie af, die anders mogelijk belangrijke nieuwe gezichtspunten had opgeleverd. Dat is de betekenis van het laatste vraagteken. Daarom nu eerst maar wat gegevens over de opbouw van de HWL tussen de Bastions en Kruiponder. Het deel van de linie waarop bijna al het Duitse vuur werd gericht.
Dit deel van de HWL was samen met een stukje van de linie Ochten - De Spees hemelsbreed ruim 5 km lang en omvatte meer dan 55 opstellingen met zware wapens. Die vormden de belangrijkste doelen voor de Duitse artillerie in deze fase. Prioriteit vroegen de posities die het meest hinderlijk waren bij een oprukken naar het beoogd doorbraakpunt. Dat waren er niet veel. Het Duitse vuurbevel (volgt) gaf er maar negen aan.
In genoemd deel van de HWL stonden (als ik het goed heb) in de avond van 11.5.40 de volgende zware wapens:
o Pag in scherfvrije kazemat - P.10 en P.11 (totaal twee stukken)
o Pag in andere opstellingen - 1e S 11 Cie Pag, 1e S 8 Cie Pag
(totaal 4 stukken)
o Lichte mitrailleur in betonnen kazemat - S.4a, S.12, S.13, S.14, S.15, S.23 (totaal ongeveer 7 stukken)
o Lichte mitrailleur in andere opstellingen - 4e S 2-II-8 RI, 3e S I-II-8 RI, 4e S 1-II-8 RI, 2e S 2-I-8 RI, 3e S 2-I-8 RI, 1e S 1-I-8 RI, 2e S 1-I-8 RI, 3e S 1-I-8 RI (totaal ongeveer 24 stukken)
o Zware mitrailleur in gietstalen koepel - G.5, G.6, G.7, G.19, G.21, G.22, G.24 (totaal ongeveer 7 stukken)
o Zware mitrailleur in andere opstellingen (totaal 1 stuk)
Het volgend kaartje laat dat zien. Het is een fragment van Schets/Kaart C.4 uit de Groene Serie, deel III.3. Toestand in de avond van 11 Mei in en achter de hws. bij 8 RI. Het kan worden vergroot door erop te klikken.
zondag 4 december 2011
12 mei 1940. Een nieuwe interpretatie
Over het verloop van de gevechtsdagen bij de Grebbeberg is al veel geschreven. Belangrijke recente bronnen daarvoor zijn in chronologische volgorde:
* E.H. Brongers, "Grebbelinie 1940" (Aspekt, 2002)
* H. Amersfoort, P. Kamphuis, "Mei 1940" (IMH, 2005)
* www.grebbeberg.nl
Op de laatste website staan onder meer:
o De voornaamste primaire bronnen
o Gegevens over de Nederlandse en Duitse bewapening
o Een globale algemene beschrijving per gevechtsdag
o Kaarten, foto's en ander beeldmateriaal
o Discussiegroep
Duidelijk is hiermee, dat de website een waardevolle bron is. Het bestuderen waard. De informatie is alleen natuurlijk sterk verspreid over alle onderdelen, dus niet snel op een rij te krijgen. Dat geldt (behalve voor de voornaamste primaire bronnen, alleen al doordat de gegevens incompleet en vaak tegenstrijdig zijn), in het bijzonder voor de Discussiegroep. Er komen herhalingen voor, nieuwe gezichtspunten duiken op, tegengestelde meningen worden geuit. Die zijn nogal eens afgesloten met een rammelende conclusie. Dat is trouwens een normaal beeld op internetfora.
Bekend is, dat van beide eerstgenoemde publicaties een nieuwe editie in voorbereiding is. Bij die van "Mei 1940" is Allert Goossens als onderzoeker, vroeger redacteur, en auteur van een groot deel van de onderdelen, van "www.grebbeberg.nl" betrokken. Hij is al jarenlang op die website bezig en heeft een studie (mogelijk een proefschrift) over Zuidfront onderhanden. Tegenhanger daarvan is de serie van Brongers "Opmars naar Rotterdam".
Onbekend is nog welke wijzigingen overwogen worden in de lopende revisies van beide boeken. Dat is begrijpelijk.
Er zit daarom niets anders op, de voornaamste gegevens opnieuw op een rij te zetten en te zien, welke conclusies daaruit te trekken zijn. Het gaat daarbij altijd om interpretaties. Daarbij zijn van elkaar verschillende visies ontwikkeld. Een discussie daarover moet op grond van onderbouwde argumenten worden gevoerd. En in een respectvolle stijl. Elkaar onderuit halen en beledigen levert zelden bruikbare nieuwe gezichtspunten op. De (nieuwe ?) visie van Goossens staat vast. Maar hij wil me die niet op een A4'tje geven.
Voor mij gaat het om enkele hoofdzaken in het gevechtsverloop van deze dag. Vooral bezien door de artilleristische bril. Die zijn voor mij (over die keuze valt te discussiëren):
(1) Hoe moeten we de verdedigende kracht van het Hoornwerk, sleutelpunt in de defensie, inschatten ?
(2) Hoeveel en welk Duits geschut werd deze dag ingezet ?
(3) Op welk deel van de linie en tegen welke doelen ?
(4) Welke munitie was beschikbaar en werd vermoedelijk gebruikt ?
(5) Wat is er bekend over het vuurschema ?
(6) Wat was het effect van de beschietingen ?
In het boek van Brongers lezen we onder meer (pag. 114, 115):
"Nadat de commandant van de Duitse 207de Divisie de nachtaanval had afgelast, besloot hij de Grebbeberg stormrijp te schieten. Tot dusver was er voortdurend storend vuur afgegeven op Rhenen en het gebied ten noorden van het stadje. Voorts was omstreeks drie uur 's nachts de beschieting voor korte tijd op de berg zelf geconcentreerd geweest. Om 03.50 uur begonnen de voorbereidingen voor de grote aanval, toen vijf afdelingen artillerie het vuur openden op onze frontlijn, direct ten noorden en ten zuiden van de weg Wageningen-Rhenen. [..] Toen vanaf 03.50 uur de Duitse artillerie een zwaar en geconcentreerd vuur opende op dit frontdeel, werd de Grebbeberg al spoedig in rook en vlammen gehuld. Verplaatsingen waren bijna niet meer mogelijk en de munitieaanvoer stagneerde."
In het boek van Amersfoort staat hierover (pag. 280, 281)
"Divisiecommandant Karl von Tiedemann was, door het Nederlandse artillerievuur in de nacht, tot de overtuiging gekomen dat hij tegenover een sterk verdedigde stelling stond. "Auf Grund der Kämpfe des 11.5. war das Rgt. zu der Überzeugung gekommen, das[s] ein Angriff auf den Grebbe-Berg ohne starke Artl.-Vorbereitung nicht möglich war." Naast de drie artillerieafdelingen die hij al tot zijn beschikking had (II/AR SS; III/AR 207; IV/AR 256), bracht hij daarom nog een tweetal afdelingen (III/AR 311; II/AR 207) in stelling. De Duitse artillerie werd zo opgesteld dat zij vanuit de Nederlandse stellingen niet zichtbaar was. Machteloos moesten de Nederlandse troepen op de Grebbeberg dan ook het enorme artillerievuur ondergaan. De hele morgen van 12 mei ging het door. Even na de middag werd de beschieting geconcentreerd op het hoornwerk en de voorrand van de Grebbeberg. De Nederlandse troepen werden zo gedwongen volledig in de schuilplaatsen te gaan waar zij angstig de gebeurtenissen afwachten."
Wat volgens Goossens nu de voornaamste conclusies zijn, is me nog niet helemaal duidelijk. Enkele elementen daaruit zijn wel op grond van eerdere contacten aan te geven. Op hoofdpunten verschilden we nog niet van mening. Mocht het volgende correctie behoeven, dan hoor ik het graag.
o Er zijn deze dag met zekerheid tenminste vier afdelingen artillerie ingezet. De vierde niet compleet. Het betrof II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311, 10 en 11/AR 256.
o Er werd door deze eenheden voornamelijk gevuurd met brisantgranaten die hoofdzakelijk scherfwerking veroorzaakten.
o Van langdurige beschietingen kan nauwelijks sprake geweest zijn, behalve rond 12 uur toen de aanval werd ingezet. Die aanval werd sterk vertraagd door de verlate aankomst van gedeeltelijk bespannen afdelingen en door de onoverzichtelijkheid van het terrein.
De eerste punten staan, naar mijn mening, nog niet voldoende vast. Denkbaar is, dat op 12.5.40 toch één of twee batterijen van II/AR 207 zijn ingezet. Verder is niet uitgesloten dat in de beginfase oude munitie werd opgemaakt. Dat kan betekenen dat de afdelingen van AR 207, inclusief III/AR 311, toch met granaatkartetsmunitie hebben gevuurd. Zie de voorgaande post.
Vast staat, dat ook andere wapens zijn ingezet. Een vrijwel complete opsomming is:
o Vlammenwerpers
o Granaatwerpers
o Lichte en zware mitrailleurs
o Geschut van pantserwagens *
o 3,7 cm pantserafweergeschut
o 7,5 cm infanteriegeschut
Het beeld is nog niet helemaal helder.
Onduidelijk is bijvoorbeeld, of het ene stuk 8,8 cm Flak van Flakgruppe Niederstrasser (II/Flak Rgt 241) bij de Grebbeberg tot vuren kwam. Dat is niet waarschijnlijk. Aannemelijker is, dat dit stuk benut werd voor de verdediging van de rivierovergangen tussen Oosterbeek en Westervoort.
Het effect van de beschietingen is nog niet vast te stellen. Het is bovendien sterk subjectief. Een onervaren infanterist zal beschietingen al gauw als "zwaar" en "hevig" beschouwen. Een ervaren artillerist zal die dan mogelijk nog maar als "een matig vuurtje" betitelen.
Er zijn verschillende manieren om hierin duidelijkheid te brengen.
(1) Terreinbezoek. Inventariseren van de treffers. Typering van sporen naar geschuttype, kaliber, munitie.
(2) Opsporen van nadere gegevens over vuurschema, munitie, doelen.
Terreinbezoek heeft tot nu toe geen definitieve conclusies opgeleverd. Een meteen in mei 1940 uitgevoerde verkenning door de infanterist Nierstrasz en de artillerist De Klerck leverde maar weinig concrete gegevens op. Tenminste volgens een kort verslag in de Militaire Spectator (MS 1940, pag. 262-265). Men concentreerde zich toen ook nog op conclusies over de kracht van de uitgevoerde verdediging. De kazematten zijn volgens dit document beschoten met zware mitrailleurs, pantserafweergeschut, infanterie-mortieren. Die zouden in het bijzonder op de kazematten gevuurd hebben. Het aantal treffers lag daarbij hoog, tot 49 per kazemat. Daarbij werd onvoldoende aangegeven aan welk type geschut en munitie die treffers werden toegeschreven. Granaten van houwitsers van 10,5 en 15,0 hebben plaatselijk een verwoestende uitwerking gehad. In het loopgravengedeelte waren zware treffers (kraters en vernielingen) zichtbaar. De foto's bij dit artikel betreffen de stalen kazemat No. 19 (G.19) en de betonkazemat met drie schietgaten (z.g. stekelvarken) No. 13 (S.13). Volgens bijschrift had G.19 49 treffers ontvangen, waarvan 9 op het schietgat, de boldoorvoering en de stalen mitrailleurmantel. Driemaal is de loop verwisseld omdat 1 treffer in de loop ontvangen werd en 1 patroon in de loop gescheurd was. Een eerste foto van S.13 laat flinke trefferschade aan de voorzijde zien. Volgens bijschrift was een treffer (van ?) door het schietgat binnengedrongen. Een tweede foto laat ook flinke trefferschade aan de achterzijde zien. Volgens bijschrift werd een groot aantal treffers (van ?) in de rug ontvangen, vooral in het midden.
Op www.grebbeberg.nl staan een tiental foto's. Bestudering daarvan bevestigt het beeld van het Terreinbezoek. Opvallend is hier ook weer de schade aan de achterzijde van enkele verdedigingswerken. Een gietstalen koepel aan de Grift (G.19 ?) en kazemat S.13 op het noordelijk gedeelte van het Hoornwerk. Er zijn vier foto's die kraters en verwoestingen laten zien aan de stellingen in het Hoornwerk.
Op grond van deze onvolledige gegevens zijn nog geen definitieve conclusies te trekken. Rekening moet worden gehouden met het feit, dat een deel van de schade door eigen (Nederlands) vuur veroorzaakt werd.
* Dat geschut bestond uit 8 mm mitrailleurs en 2 cm kanonnetjes.
* E.H. Brongers, "Grebbelinie 1940" (Aspekt, 2002)
* H. Amersfoort, P. Kamphuis, "Mei 1940" (IMH, 2005)
* www.grebbeberg.nl
Op de laatste website staan onder meer:
o De voornaamste primaire bronnen
o Gegevens over de Nederlandse en Duitse bewapening
o Een globale algemene beschrijving per gevechtsdag
o Kaarten, foto's en ander beeldmateriaal
o Discussiegroep
Duidelijk is hiermee, dat de website een waardevolle bron is. Het bestuderen waard. De informatie is alleen natuurlijk sterk verspreid over alle onderdelen, dus niet snel op een rij te krijgen. Dat geldt (behalve voor de voornaamste primaire bronnen, alleen al doordat de gegevens incompleet en vaak tegenstrijdig zijn), in het bijzonder voor de Discussiegroep. Er komen herhalingen voor, nieuwe gezichtspunten duiken op, tegengestelde meningen worden geuit. Die zijn nogal eens afgesloten met een rammelende conclusie. Dat is trouwens een normaal beeld op internetfora.
Bekend is, dat van beide eerstgenoemde publicaties een nieuwe editie in voorbereiding is. Bij die van "Mei 1940" is Allert Goossens als onderzoeker, vroeger redacteur, en auteur van een groot deel van de onderdelen, van "www.grebbeberg.nl" betrokken. Hij is al jarenlang op die website bezig en heeft een studie (mogelijk een proefschrift) over Zuidfront onderhanden. Tegenhanger daarvan is de serie van Brongers "Opmars naar Rotterdam".
Onbekend is nog welke wijzigingen overwogen worden in de lopende revisies van beide boeken. Dat is begrijpelijk.
Er zit daarom niets anders op, de voornaamste gegevens opnieuw op een rij te zetten en te zien, welke conclusies daaruit te trekken zijn. Het gaat daarbij altijd om interpretaties. Daarbij zijn van elkaar verschillende visies ontwikkeld. Een discussie daarover moet op grond van onderbouwde argumenten worden gevoerd. En in een respectvolle stijl. Elkaar onderuit halen en beledigen levert zelden bruikbare nieuwe gezichtspunten op. De (nieuwe ?) visie van Goossens staat vast. Maar hij wil me die niet op een A4'tje geven.
Voor mij gaat het om enkele hoofdzaken in het gevechtsverloop van deze dag. Vooral bezien door de artilleristische bril. Die zijn voor mij (over die keuze valt te discussiëren):
(1) Hoe moeten we de verdedigende kracht van het Hoornwerk, sleutelpunt in de defensie, inschatten ?
(2) Hoeveel en welk Duits geschut werd deze dag ingezet ?
(3) Op welk deel van de linie en tegen welke doelen ?
(4) Welke munitie was beschikbaar en werd vermoedelijk gebruikt ?
(5) Wat is er bekend over het vuurschema ?
(6) Wat was het effect van de beschietingen ?
In het boek van Brongers lezen we onder meer (pag. 114, 115):
"Nadat de commandant van de Duitse 207de Divisie de nachtaanval had afgelast, besloot hij de Grebbeberg stormrijp te schieten. Tot dusver was er voortdurend storend vuur afgegeven op Rhenen en het gebied ten noorden van het stadje. Voorts was omstreeks drie uur 's nachts de beschieting voor korte tijd op de berg zelf geconcentreerd geweest. Om 03.50 uur begonnen de voorbereidingen voor de grote aanval, toen vijf afdelingen artillerie het vuur openden op onze frontlijn, direct ten noorden en ten zuiden van de weg Wageningen-Rhenen. [..] Toen vanaf 03.50 uur de Duitse artillerie een zwaar en geconcentreerd vuur opende op dit frontdeel, werd de Grebbeberg al spoedig in rook en vlammen gehuld. Verplaatsingen waren bijna niet meer mogelijk en de munitieaanvoer stagneerde."
In het boek van Amersfoort staat hierover (pag. 280, 281)
"Divisiecommandant Karl von Tiedemann was, door het Nederlandse artillerievuur in de nacht, tot de overtuiging gekomen dat hij tegenover een sterk verdedigde stelling stond. "Auf Grund der Kämpfe des 11.5. war das Rgt. zu der Überzeugung gekommen, das[s] ein Angriff auf den Grebbe-Berg ohne starke Artl.-Vorbereitung nicht möglich war." Naast de drie artillerieafdelingen die hij al tot zijn beschikking had (II/AR SS; III/AR 207; IV/AR 256), bracht hij daarom nog een tweetal afdelingen (III/AR 311; II/AR 207) in stelling. De Duitse artillerie werd zo opgesteld dat zij vanuit de Nederlandse stellingen niet zichtbaar was. Machteloos moesten de Nederlandse troepen op de Grebbeberg dan ook het enorme artillerievuur ondergaan. De hele morgen van 12 mei ging het door. Even na de middag werd de beschieting geconcentreerd op het hoornwerk en de voorrand van de Grebbeberg. De Nederlandse troepen werden zo gedwongen volledig in de schuilplaatsen te gaan waar zij angstig de gebeurtenissen afwachten."
Wat volgens Goossens nu de voornaamste conclusies zijn, is me nog niet helemaal duidelijk. Enkele elementen daaruit zijn wel op grond van eerdere contacten aan te geven. Op hoofdpunten verschilden we nog niet van mening. Mocht het volgende correctie behoeven, dan hoor ik het graag.
o Er zijn deze dag met zekerheid tenminste vier afdelingen artillerie ingezet. De vierde niet compleet. Het betrof II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311, 10 en 11/AR 256.
o Er werd door deze eenheden voornamelijk gevuurd met brisantgranaten die hoofdzakelijk scherfwerking veroorzaakten.
o Van langdurige beschietingen kan nauwelijks sprake geweest zijn, behalve rond 12 uur toen de aanval werd ingezet. Die aanval werd sterk vertraagd door de verlate aankomst van gedeeltelijk bespannen afdelingen en door de onoverzichtelijkheid van het terrein.
De eerste punten staan, naar mijn mening, nog niet voldoende vast. Denkbaar is, dat op 12.5.40 toch één of twee batterijen van II/AR 207 zijn ingezet. Verder is niet uitgesloten dat in de beginfase oude munitie werd opgemaakt. Dat kan betekenen dat de afdelingen van AR 207, inclusief III/AR 311, toch met granaatkartetsmunitie hebben gevuurd. Zie de voorgaande post.
Vast staat, dat ook andere wapens zijn ingezet. Een vrijwel complete opsomming is:
o Vlammenwerpers
o Granaatwerpers
o Lichte en zware mitrailleurs
o Geschut van pantserwagens *
o 3,7 cm pantserafweergeschut
o 7,5 cm infanteriegeschut
Het beeld is nog niet helemaal helder.
Onduidelijk is bijvoorbeeld, of het ene stuk 8,8 cm Flak van Flakgruppe Niederstrasser (II/Flak Rgt 241) bij de Grebbeberg tot vuren kwam. Dat is niet waarschijnlijk. Aannemelijker is, dat dit stuk benut werd voor de verdediging van de rivierovergangen tussen Oosterbeek en Westervoort.
Het effect van de beschietingen is nog niet vast te stellen. Het is bovendien sterk subjectief. Een onervaren infanterist zal beschietingen al gauw als "zwaar" en "hevig" beschouwen. Een ervaren artillerist zal die dan mogelijk nog maar als "een matig vuurtje" betitelen.
Er zijn verschillende manieren om hierin duidelijkheid te brengen.
(1) Terreinbezoek. Inventariseren van de treffers. Typering van sporen naar geschuttype, kaliber, munitie.
(2) Opsporen van nadere gegevens over vuurschema, munitie, doelen.
Terreinbezoek heeft tot nu toe geen definitieve conclusies opgeleverd. Een meteen in mei 1940 uitgevoerde verkenning door de infanterist Nierstrasz en de artillerist De Klerck leverde maar weinig concrete gegevens op. Tenminste volgens een kort verslag in de Militaire Spectator (MS 1940, pag. 262-265). Men concentreerde zich toen ook nog op conclusies over de kracht van de uitgevoerde verdediging. De kazematten zijn volgens dit document beschoten met zware mitrailleurs, pantserafweergeschut, infanterie-mortieren. Die zouden in het bijzonder op de kazematten gevuurd hebben. Het aantal treffers lag daarbij hoog, tot 49 per kazemat. Daarbij werd onvoldoende aangegeven aan welk type geschut en munitie die treffers werden toegeschreven. Granaten van houwitsers van 10,5 en 15,0 hebben plaatselijk een verwoestende uitwerking gehad. In het loopgravengedeelte waren zware treffers (kraters en vernielingen) zichtbaar. De foto's bij dit artikel betreffen de stalen kazemat No. 19 (G.19) en de betonkazemat met drie schietgaten (z.g. stekelvarken) No. 13 (S.13). Volgens bijschrift had G.19 49 treffers ontvangen, waarvan 9 op het schietgat, de boldoorvoering en de stalen mitrailleurmantel. Driemaal is de loop verwisseld omdat 1 treffer in de loop ontvangen werd en 1 patroon in de loop gescheurd was. Een eerste foto van S.13 laat flinke trefferschade aan de voorzijde zien. Volgens bijschrift was een treffer (van ?) door het schietgat binnengedrongen. Een tweede foto laat ook flinke trefferschade aan de achterzijde zien. Volgens bijschrift werd een groot aantal treffers (van ?) in de rug ontvangen, vooral in het midden.
Op www.grebbeberg.nl staan een tiental foto's. Bestudering daarvan bevestigt het beeld van het Terreinbezoek. Opvallend is hier ook weer de schade aan de achterzijde van enkele verdedigingswerken. Een gietstalen koepel aan de Grift (G.19 ?) en kazemat S.13 op het noordelijk gedeelte van het Hoornwerk. Er zijn vier foto's die kraters en verwoestingen laten zien aan de stellingen in het Hoornwerk.
Op grond van deze onvolledige gegevens zijn nog geen definitieve conclusies te trekken. Rekening moet worden gehouden met het feit, dat een deel van de schade door eigen (Nederlands) vuur veroorzaakt werd.
* Dat geschut bestond uit 8 mm mitrailleurs en 2 cm kanonnetjes.
zaterdag 3 december 2011
Interpretatie
Mijn beeld over de inzet van de Duitse artillerie bij Wageningen is nog altijd wat in beweging. Er komen soms nieuwe brokjes informatie boven. Op www.grebbeberg.nl schreef ik hierover een item, dat hier onverkort volgt. Het is bedoeld als waarschuwing dat elk beeld (ook dat van mij) gebaseerd is op de informatie waarover men beschikt. Altijd beperkt tot dat deel dat paraat en begrepen is.
Militaire geschiedenis is, als het hele leven, een kwestie van eigen interpretaties op basis van eigen kennis. Meningen worden daarop gevormd. Maar niemand kan alles weten. Dus de gevormde mening kan altijd onjuist zijn. Wie een mening wil bestrijden, moet dus vragen op welke informatie die mening gebaseerd is en aangeven op welke basis de eigen mening gevormd is.
Een wetenschappelijke benadering vereist, dat een theorie toetsbaar is. In wetenschappelijke publicaties zijn noten, registers en andere basisinformatie daarom van groot belang. De bovengenoemde website is geen wetenschappelijke publicatie, vandaar dat noten etc. daar meestal ontbreken. Dat mag ook. Maar in een discussie kan natuurlijk altijd om onderbouwing worden gevraagd. Daarbij mag dan weer niet verwacht worden dat de ander die paraat heeft, maar uiteindelijk zou die wel op tafel moeten komen. Zonder onderbouwing mag een bewering terzijde worden gelegd.
Vooral in historisch onderzoek wordt nogal eens de regel gebruikt, dat een enkele bron niet genoeg is. Bij het bestuderen van mei 1940 is er helaas maar al te vaak een enkele bron of getuige. Er is ook nogal wat van horen zeggen. Dat zou alleen geaccepteerd mogen worden als er ondersteunend bewijs is. Het is echter te kort door de bocht om, als dergelijk bewijs ontbreekt, te zeggen dat iets niet klopt.
Op de bovengenoemde website is veel informatie te vinden. De zoekfunctie is daarbij een handig middel, maar levert niet altijd overzichtelijke en complete informatie. Veel hangt af van het ingegeven zoekwoord. Wie bijvoorbeeld iets wil weten over het gebruik van vlammenwerpers bij de gevechten in mei 1940 uit documenten op die website kan het woord "vlammenwerper", "vlamspuit", of "vlam" intypen. De eerste twee woorden leveren niets op. De laatste het verslag van het Verhoor van Elt Niemantsverdriet. Helaas wordt het NIMH-nummer daarbij niet vermeld, maar dat is vermoedelijk (gezien de documenten in dezelfde serie van 1-I-8 RI) 507007.
Deze week kwam er bij mij nieuwe informatie binnen.
De eerste is, dat mogelijk bij de Duitse aanval toch kartetsen zijn gebruikt. Niet in de vorm van de oude "blikken bus", maar in de vorm van de granaat-kartetscombinatie, kortweg granaatkartets genoemd. Dat was ook niet helemaal uitgesloten. Tenminste niet voor het oudere geschut, waar nog oude voorraden van munitie voor geweest kunnen zijn. Ze zaten in de uitrusting van de le FH 16, het vroegere standaardgeschut van het Reichsheer. Hiervan het volgend plaatje.

In enkele opgaven die ik ken, was er alleen te lezen, dat er in mei 1940 licht-, brisant-, en rookgranaten werd gebruikt. Dergelijke informatie is te vinden in de "Besondere Anordnungen für die Versorgung" en in het KTB van de Ib, de stafofficier Logistiek. Die bronnen zijn bij mijn weten nog nauwelijks bestudeerd. Verder zijn er nog de technische handboeken.
In het standaardwerk van Hogg "German Artillery of World War Two", dat veel informatie over gebruikte munitie geeft, wordt (pag. 45) over de 10,5 cm le FH 16 alleen gezegd dat de munitie van deze FH gelijk is aan die van de le FH 18. Dat zijn onder meer brisant- en rookgranaten, maar (voor zover ik had kunnen vinden) geen (granaat)kartetsen.
Een vaste correspondent op dit gebied gaf me aanvullende informatie. Daaruit bleek, dat de le FH 16 zoals gezegd, vlak na WO I het standaardwapen van het Reichsheer, wel degelijk granaatkartetsen had. Ook wees hij me op het feit dat er zogenaamde "sS" munitie was voor de MG. De afkorting tussen aanhalingstekens betekent "schweres Spitzgeschoss", zware puntmunitie. Dat was standaardmunitie, niet speciaal geschikt voor het beschieten van versterkte posities. Die zal ook bij de Grebbeberg gebruikt zijn, maar het doordringingsvermogen daarvan was gering.
De interpretatie van de treffers op de Nederlandse kazematten is ook niet zo simpel. Er moet rekening worden gehouden dat er ook veel aanslagen zijn van eigen Nederlands vuur. Het ligt voor de hand daaraan te denken bij beschadigingen aan de keelzijde (de van de vijand af gekeerde zijde) van kazematten.
Van een bestuurslid van Stichting Kennispunt Mei 1940, kreeg ik een link naar enkele foto's van gebouwen aan de Straatweg - Cuneraweg, die duidelijk vernield zijn. Ook door Nederlands vuur. Dat is een factor die meegewogen moet worden. Het heeft me opnieuw aan het denken gezet over de oorzaak van het sneuvelen van de groep Geels uit P.10. *
Hierbij een link naar die foto's
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=3664
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=2129
* De groep die in de kazemat west van de Grebbesluis stond. In de officiële lijsten staat als doodsoorzaak opgegeven "Op 16 mei 1940 gevonden in de PAG-stelling zuid langs de straatweg Rhenen - Wageningen, tegenover de roggeakker." Die informatie is onjuist. Op bovengenoemde website wordt ook de juiste informatie vermeld "Behoorde tot de 2e Sectie [SMI Ligthart], en was stukscommandant van de PAG in kazemat P.10 bij de sluis. De bemanning werd bij de Duitse aanval kort na het middaguur op 12 mei uit de kazemat gedwongen. Volgens ooggetuigen verlieten allen de kazemat levend. Vervolgens werden zij gedwongen Duitse PAK de berg op te trekken, tegen de Holle Weg op. Sergeant Geels en zijn gehele stuksbemanning zijn bij die handelingen door Nederlands vuur of door standrechtelijke executie gedood en teruggevonden langs de Grebbeweg tussen het kerkhof en de stoplijn."
Dat werpt weer vragen op over de kracht van de verdediging aan de Grebbeweg (die plaatselijk bekend staat als de Holle Weg).
Militaire geschiedenis is, als het hele leven, een kwestie van eigen interpretaties op basis van eigen kennis. Meningen worden daarop gevormd. Maar niemand kan alles weten. Dus de gevormde mening kan altijd onjuist zijn. Wie een mening wil bestrijden, moet dus vragen op welke informatie die mening gebaseerd is en aangeven op welke basis de eigen mening gevormd is.
Een wetenschappelijke benadering vereist, dat een theorie toetsbaar is. In wetenschappelijke publicaties zijn noten, registers en andere basisinformatie daarom van groot belang. De bovengenoemde website is geen wetenschappelijke publicatie, vandaar dat noten etc. daar meestal ontbreken. Dat mag ook. Maar in een discussie kan natuurlijk altijd om onderbouwing worden gevraagd. Daarbij mag dan weer niet verwacht worden dat de ander die paraat heeft, maar uiteindelijk zou die wel op tafel moeten komen. Zonder onderbouwing mag een bewering terzijde worden gelegd.
Vooral in historisch onderzoek wordt nogal eens de regel gebruikt, dat een enkele bron niet genoeg is. Bij het bestuderen van mei 1940 is er helaas maar al te vaak een enkele bron of getuige. Er is ook nogal wat van horen zeggen. Dat zou alleen geaccepteerd mogen worden als er ondersteunend bewijs is. Het is echter te kort door de bocht om, als dergelijk bewijs ontbreekt, te zeggen dat iets niet klopt.
Op de bovengenoemde website is veel informatie te vinden. De zoekfunctie is daarbij een handig middel, maar levert niet altijd overzichtelijke en complete informatie. Veel hangt af van het ingegeven zoekwoord. Wie bijvoorbeeld iets wil weten over het gebruik van vlammenwerpers bij de gevechten in mei 1940 uit documenten op die website kan het woord "vlammenwerper", "vlamspuit", of "vlam" intypen. De eerste twee woorden leveren niets op. De laatste het verslag van het Verhoor van Elt Niemantsverdriet. Helaas wordt het NIMH-nummer daarbij niet vermeld, maar dat is vermoedelijk (gezien de documenten in dezelfde serie van 1-I-8 RI) 507007.
Deze week kwam er bij mij nieuwe informatie binnen.
De eerste is, dat mogelijk bij de Duitse aanval toch kartetsen zijn gebruikt. Niet in de vorm van de oude "blikken bus", maar in de vorm van de granaat-kartetscombinatie, kortweg granaatkartets genoemd. Dat was ook niet helemaal uitgesloten. Tenminste niet voor het oudere geschut, waar nog oude voorraden van munitie voor geweest kunnen zijn. Ze zaten in de uitrusting van de le FH 16, het vroegere standaardgeschut van het Reichsheer. Hiervan het volgend plaatje.

In enkele opgaven die ik ken, was er alleen te lezen, dat er in mei 1940 licht-, brisant-, en rookgranaten werd gebruikt. Dergelijke informatie is te vinden in de "Besondere Anordnungen für die Versorgung" en in het KTB van de Ib, de stafofficier Logistiek. Die bronnen zijn bij mijn weten nog nauwelijks bestudeerd. Verder zijn er nog de technische handboeken.
In het standaardwerk van Hogg "German Artillery of World War Two", dat veel informatie over gebruikte munitie geeft, wordt (pag. 45) over de 10,5 cm le FH 16 alleen gezegd dat de munitie van deze FH gelijk is aan die van de le FH 18. Dat zijn onder meer brisant- en rookgranaten, maar (voor zover ik had kunnen vinden) geen (granaat)kartetsen.
Een vaste correspondent op dit gebied gaf me aanvullende informatie. Daaruit bleek, dat de le FH 16 zoals gezegd, vlak na WO I het standaardwapen van het Reichsheer, wel degelijk granaatkartetsen had. Ook wees hij me op het feit dat er zogenaamde "sS" munitie was voor de MG. De afkorting tussen aanhalingstekens betekent "schweres Spitzgeschoss", zware puntmunitie. Dat was standaardmunitie, niet speciaal geschikt voor het beschieten van versterkte posities. Die zal ook bij de Grebbeberg gebruikt zijn, maar het doordringingsvermogen daarvan was gering.
De interpretatie van de treffers op de Nederlandse kazematten is ook niet zo simpel. Er moet rekening worden gehouden dat er ook veel aanslagen zijn van eigen Nederlands vuur. Het ligt voor de hand daaraan te denken bij beschadigingen aan de keelzijde (de van de vijand af gekeerde zijde) van kazematten.
Van een bestuurslid van Stichting Kennispunt Mei 1940, kreeg ik een link naar enkele foto's van gebouwen aan de Straatweg - Cuneraweg, die duidelijk vernield zijn. Ook door Nederlands vuur. Dat is een factor die meegewogen moet worden. Het heeft me opnieuw aan het denken gezet over de oorzaak van het sneuvelen van de groep Geels uit P.10. *
Hierbij een link naar die foto's
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=3664
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=2129
* De groep die in de kazemat west van de Grebbesluis stond. In de officiële lijsten staat als doodsoorzaak opgegeven "Op 16 mei 1940 gevonden in de PAG-stelling zuid langs de straatweg Rhenen - Wageningen, tegenover de roggeakker." Die informatie is onjuist. Op bovengenoemde website wordt ook de juiste informatie vermeld "Behoorde tot de 2e Sectie [SMI Ligthart], en was stukscommandant van de PAG in kazemat P.10 bij de sluis. De bemanning werd bij de Duitse aanval kort na het middaguur op 12 mei uit de kazemat gedwongen. Volgens ooggetuigen verlieten allen de kazemat levend. Vervolgens werden zij gedwongen Duitse PAK de berg op te trekken, tegen de Holle Weg op. Sergeant Geels en zijn gehele stuksbemanning zijn bij die handelingen door Nederlands vuur of door standrechtelijke executie gedood en teruggevonden langs de Grebbeweg tussen het kerkhof en de stoplijn."
Dat werpt weer vragen op over de kracht van de verdediging aan de Grebbeweg (die plaatselijk bekend staat als de Holle Weg).
vrijdag 4 november 2011
Wat zag Elt Broekema ?
Het is zo goed als zeker, dat de boom van Groene Bank 1 (GB1) zuid van de Bergweg heeft gestaan. Misschien nog staat, maar dan helaas tever op privéterrein. Met de locatie van die waarnemingspost kan worden vastgesteld wat Elt L.D. Broekema in mei 1940 heeft gezien en heeft kunnen zien. Broekema was luitenant-verkenner bij III-8 RA en heeft veel waarnemingen op vijandelijk vurend geschut gemeld. Alleen niet op dat van II/SS AR, dat volgens bekende foto's (onder meer) in de rand van de Sahara heeft gestaan, pal oost van de Diedenweg. Hij zag door zijn kijker wel het huis van zijn ouders en zelfs mensen als poppetjes daar. Dat staat in een door hem bijgehouden dagboek over de oorlogsdagen van mei 1940.
Het dagboek van Broekema werd gepubliceerd in het tijdschrift "Oud-Wageningen" (Jrg 38, nr 2 (april 2010) pag. 42-51 en nr 3 (september 2010) pag. 83-91). Aan het slot daarvan stelde de redactie van de Historische Vereniging Oud-Wageningen de vraag, of hij dan werd beschoten vanuit de eigen achtertuin. Om precies te zijn, vanuit de achtertuin van zijn ouderlijk huis. Dat zal niet letterlijk zijn gebeurd. Het geschut daar in stelling heeft hij mogelijk ook niet gezien. Zeker niet ten voeten uit. Het stond achter voorliggende bebouwing. Maar de mondingsvlammen van die batterij zullen toch vanuit GB1 vroeg of laat goed zichtbaar zijn geweest.
Die conclusie volgt uit een analyse met Google Earth. Google Earth heeft een tool, waarmee het terreinprofiel langs een zelfgekozen lijn kan worden bepaald. Langs de zichtlijn GB1- ouderlijk huis van Broekema levert dat het volgend beeld op.

Het huis van de ouders van Broekema lag op de rand van een plateau. Iets hoger dan de Diedenweg, vlak ervoor. Het is daarom mogelijk, dat voorliggende bomenrijen en de bebouwing van de Diedenweg de opstellingen van Duits geschut hebben gemaskeerd. Dat geschut stond daar in elk geval op 12 en 13 mei 1940. Broekema moet op zijn minst de mondingsvlammen daarvan hebben gezien. Meldingen daarvan staan niet in het register. Maar de registers zijn zeker niet volledig. De originelen werden in mei 1940 vernietigd en daarna grotendeels uit het hoofd en met hulp van eigen aantekeningen gereconstrueerd. Er zijn in de registers vanuit GB1 wel op 12 mei rond 01.00 uur mondingsvlammen op 40, resp. 60 o/oo links Wageningen en rond 03.00 uur nog 80 o/oo links van de Nieuwe Toren (Toren RK Kerk) vastgelegd. Het huis van Broekema lag in een lijn ongeveer 32 o/oo links van de Oude Toren (Toren NH Kerk). De opgetekende waarnemingen lagen dus verder noord. Naar de plaatsen van de opstellingen valt alleen maar te raden. De eerste aanduidingen zijn niet helder (wat werd bedoeld met links van Wageningen, misschien ongeveer de plaats van de Nieuwe Toren ?) en de afstanden niet vermeld.
Broekema begon volgens zijn dagboek op 12 mei 1940 ongeveer om 03.20 uur zijn dienst weer als waarnemer op GB1. Van hem is dus hooguit de waarneming 80 o/oo links van de Nieuwe Toren. In het register staat hierbij "achter laan Nieuwe Haven". Werd met die laan de Lawickse Allee bedoeld ?
Het zou (op dit tijdstip) kunnen gaan om storend vuur afgegeven door de twee batterijen van IV/AR 256. Maar die stonden eerst nog in Renkum. Broekema schreef over zijn eerste dienst deze ochtend in zijn dagboek:
"Het schijnt dat er nu meer artillerie is. Het regent granaten om mij heen. Helaas moet ik constateren dat er drie [!] batterijen achter de Wageningse Berg zijn opgesteld. Deze zijn voor mij dus niet waarneembaar. Wel kan ik in de ochtendschemering de mondingsvlammen zien en dus de richting vaststellen. Ze staan in het landgoed de Dorschkamp en in het landgoed Oranje Nassau's Oord."
De informatie van Broekema is erg onduidelijk. Ging het nu om twee of drie batterijen in Renkum ? Was misschien nog een batterij van II/SS AR daar achtergebleven ? Hoe kan het dat deze batterijen onzichtbaar waren, maar wel (daarvan) de mondingsvlammen bij Dorskamp en Oranje Nassau's Oord werden gezien ?
Een mogelijke uitleg is, dat Broekema (als echte Wageninger) met de "Wageningse Berg" alleen het zuidelijk deel van de heuvelrug bedoelde. De "berg" tussen Hotel de Wereld en het Pompstation. Dan stond het geschut in Renkum inderdaad "achter de berg". Maar als toen mondingsvlammen in Dorskamp en Oranje Nassau's Oord werden gezien, stond dit geschut dus al niet meer in Renkum. Toch geeft het Kriegstagebuch van IV/AR 256 aan, dat de batterijen pas om 8.20 uur van stelling wisselden "naar het noordoostdeel van Wageningen". In mijn interpretatie naar de Bosrand. Dat geeft weer stof tot verdere overpeinzing. Want waar precies en van welke batterijen heeft Broekema dan toch mondingsvlammen gezien ? Heeft hij misschien feiten verwisseld en de tijden niet goed vastgelegd ? Zoiets komt vaker voor onder gevechtscondities. Vooral bij latere vastlegging. Het geheugen is dan niet 100% betrouwbaar. De tijd-ruimte oriëntatie raakt door stress verstoord. Voorlopig lijkt dat de meest waarschijnlijke verklaring van de tegenstrijdigheden.
Het dagboek van Broekema werd gepubliceerd in het tijdschrift "Oud-Wageningen" (Jrg 38, nr 2 (april 2010) pag. 42-51 en nr 3 (september 2010) pag. 83-91). Aan het slot daarvan stelde de redactie van de Historische Vereniging Oud-Wageningen de vraag, of hij dan werd beschoten vanuit de eigen achtertuin. Om precies te zijn, vanuit de achtertuin van zijn ouderlijk huis. Dat zal niet letterlijk zijn gebeurd. Het geschut daar in stelling heeft hij mogelijk ook niet gezien. Zeker niet ten voeten uit. Het stond achter voorliggende bebouwing. Maar de mondingsvlammen van die batterij zullen toch vanuit GB1 vroeg of laat goed zichtbaar zijn geweest.
Die conclusie volgt uit een analyse met Google Earth. Google Earth heeft een tool, waarmee het terreinprofiel langs een zelfgekozen lijn kan worden bepaald. Langs de zichtlijn GB1- ouderlijk huis van Broekema levert dat het volgend beeld op.

Het huis van de ouders van Broekema lag op de rand van een plateau. Iets hoger dan de Diedenweg, vlak ervoor. Het is daarom mogelijk, dat voorliggende bomenrijen en de bebouwing van de Diedenweg de opstellingen van Duits geschut hebben gemaskeerd. Dat geschut stond daar in elk geval op 12 en 13 mei 1940. Broekema moet op zijn minst de mondingsvlammen daarvan hebben gezien. Meldingen daarvan staan niet in het register. Maar de registers zijn zeker niet volledig. De originelen werden in mei 1940 vernietigd en daarna grotendeels uit het hoofd en met hulp van eigen aantekeningen gereconstrueerd. Er zijn in de registers vanuit GB1 wel op 12 mei rond 01.00 uur mondingsvlammen op 40, resp. 60 o/oo links Wageningen en rond 03.00 uur nog 80 o/oo links van de Nieuwe Toren (Toren RK Kerk) vastgelegd. Het huis van Broekema lag in een lijn ongeveer 32 o/oo links van de Oude Toren (Toren NH Kerk). De opgetekende waarnemingen lagen dus verder noord. Naar de plaatsen van de opstellingen valt alleen maar te raden. De eerste aanduidingen zijn niet helder (wat werd bedoeld met links van Wageningen, misschien ongeveer de plaats van de Nieuwe Toren ?) en de afstanden niet vermeld.
Broekema begon volgens zijn dagboek op 12 mei 1940 ongeveer om 03.20 uur zijn dienst weer als waarnemer op GB1. Van hem is dus hooguit de waarneming 80 o/oo links van de Nieuwe Toren. In het register staat hierbij "achter laan Nieuwe Haven". Werd met die laan de Lawickse Allee bedoeld ?
Het zou (op dit tijdstip) kunnen gaan om storend vuur afgegeven door de twee batterijen van IV/AR 256. Maar die stonden eerst nog in Renkum. Broekema schreef over zijn eerste dienst deze ochtend in zijn dagboek:
"Het schijnt dat er nu meer artillerie is. Het regent granaten om mij heen. Helaas moet ik constateren dat er drie [!] batterijen achter de Wageningse Berg zijn opgesteld. Deze zijn voor mij dus niet waarneembaar. Wel kan ik in de ochtendschemering de mondingsvlammen zien en dus de richting vaststellen. Ze staan in het landgoed de Dorschkamp en in het landgoed Oranje Nassau's Oord."
De informatie van Broekema is erg onduidelijk. Ging het nu om twee of drie batterijen in Renkum ? Was misschien nog een batterij van II/SS AR daar achtergebleven ? Hoe kan het dat deze batterijen onzichtbaar waren, maar wel (daarvan) de mondingsvlammen bij Dorskamp en Oranje Nassau's Oord werden gezien ?
Een mogelijke uitleg is, dat Broekema (als echte Wageninger) met de "Wageningse Berg" alleen het zuidelijk deel van de heuvelrug bedoelde. De "berg" tussen Hotel de Wereld en het Pompstation. Dan stond het geschut in Renkum inderdaad "achter de berg". Maar als toen mondingsvlammen in Dorskamp en Oranje Nassau's Oord werden gezien, stond dit geschut dus al niet meer in Renkum. Toch geeft het Kriegstagebuch van IV/AR 256 aan, dat de batterijen pas om 8.20 uur van stelling wisselden "naar het noordoostdeel van Wageningen". In mijn interpretatie naar de Bosrand. Dat geeft weer stof tot verdere overpeinzing. Want waar precies en van welke batterijen heeft Broekema dan toch mondingsvlammen gezien ? Heeft hij misschien feiten verwisseld en de tijden niet goed vastgelegd ? Zoiets komt vaker voor onder gevechtscondities. Vooral bij latere vastlegging. Het geheugen is dan niet 100% betrouwbaar. De tijd-ruimte oriëntatie raakt door stress verstoord. Voorlopig lijkt dat de meest waarschijnlijke verklaring van de tegenstrijdigheden.
Abonneren op:
Posts (Atom)