donderdag 27 mei 2010

Afronding

Mijn reconstructie van de stellingen van Duitse artillerie bij Wageningen is, zover als dat kan, voltooid. Deze steunt op gegevens uit verschillende bronnen. Vooral de Duitse KTB's met Bijlagen, Nederlandse Gevechtsverslagen, en drie verslagen van ooggetuigen uit Renkum en Wageningen. Daarnaast op door meelezers ingebrachte opmerkingen en materiaal, teveel om op te noemen.

Op grond van de nu bekende gegevens, zijn de volgende verplaatsingen aangenomen:
11 mei: II/AR SS betrekt stellingen in en bij de Villawijk. In de late avond, of vroege ochtend, volgen IV/AR 256 en III/AR 207 naar het ruime gebied rond de Eng.
12 mei: III/AR 311 komt tegen de middag bij Wageningen aan. In de loop van de middag ook s Art Abt 735. In de late avond of vroege ochtend werd de Divisie-artillerie, en vermoedelijk ook IV/AR 256, verplaatst. III/AR 311 ging naar stellingen W van Wageningen. S Art Abt 735 kwam in de Bosrand, en was in de ochtend van 13 mei tot vuren gereed. II/AR SS bleef in en bij de Villawijk.
13 mei: II/AR SS werd opnieuw niet verplaatst. De rest van de Divisie-artillerie gaat verder naar voren. III/AR 311 mogelijk naar de Blauwe Kamer.
14 mei: ID 207 zet de Achtervolging in op het terugtrekkend Nederlands leger. De divisie trekt op naar Utrecht. Verkennende SS-groepen gaan vooruit, en beschermen de flanken.

Stellingen van II/AR SS, aan de westzijde van de Villawijk, zijn voor twee batterijen bevestigd. Stellingen van IV/AR 256, en s Art Abt 735 in de Bosrand ("Bij Dorskamp") zijn ook vrij zeker.
De schets van Rechlin, uitgewerkt door Weidinger (situatie 12 mei, rond 14.20 uur) wordt door mij opgevat als aanduiding van de ingezette vuurkracht voor directe steun. Hun doel was niet, de plaats van elke eenheid aan te geven. III/AR 207 en III/AR 311 kunnen toen al wel W van de Diedenweg hebben gestaan.

De stellingen zijn niet allemaal met voldoende zekerheid te bepalen. Twijfelgevallen zijn vooral, of:
* s Art Abt 735 nog op 12 mei in actie kwam, en of de Mörsers nog op 14 mei bij de divisie waren
* IV/AR 256 in de Bosrand heeft gestaan, en waneer dit geschut W van de Diedenweg stelling nam
* III/AR 311 in de middag van 12 mei W van Wageningen kwam, en later bij de Blauwe Kamer heeft gestaan

Mocht nieuw materiaal aanleiding geven tot andere gezichtspunten en conclusies, dan zal dat worden gemeld.

Dit onderzoek heeft verrassingen opgeleverd. Eerder onbekende details over opmars, inzet, en samenstelling van de Duitse artillerie. Hieronder:
1) De Opmarswegen en Oorlogssamenstelling van deze Divisie, zijn nu per eenheid bekend. Duidelijk is, dat niet meer dan 50 vuurmonden zijn ingezet. AR 207 had geen IV/AR 207. Wel, als eigen "zware" afdeling, III/AR 311. Afkomstig uit een Landweerregiment. De artillerie was voor een deel nog niet gemotoriseerd. III/AR 207 en III/AR 311 beschikten nog niet over modern geschut. Het bestond volledig uit Houwitsers en Mörsers, met de volgende specificaties:


2) Net zoals in het Nederlandse leger, werden codes en schuilnamen gebruikt. Als verbindingsmiddelen radio's, telefoons met veldkabel, en lichtsignalen. Er zijn twee verbindingsschetsen van ID 207 aangetroffen.
3) De plaatsen van legering en van commandoposten zijn nader vastgesteld. Hiermee werd duidelijk, dat in de namiddag van 11 mei, de cp van ID 207 in Hotel de Wageningse Berg kwam. De cp van de artilleriecommandant, Oberst Metger, in Landhuis Belmonte. Op 13 mei was de cp van SS "DF" in Anna's Hoeve. Op 14 mei had IR 322 een cp bij Blauwe Kamer.
4) Van II/AR SS zijn verschillende foto's opgespoord. Hierop is steeds maar één stuk te zien, opgesteld aan de rand van de Villawijk. Daarmee zijn twee batterijlocaties van II/AR SS bekend. De tweede was volgens Nederlandse meldingen bij het Lexkesveer, Z van de straatweg Arnhem - Rhenen. Mogelijk werd die batterij nog verplaatst. De plaats van de derde batterij is nog niet vastgesteld.
5) Stellingen van III/AR 207, IV/AR 256, en s Art Abt 735, zijn maar bij benadering bekend. Op de Eng, en in de Bosrand.

Tot slot nu: Veel dank, voor alle ontvangen hulp en materiaal. Ook voor de boeiende discussies.
Zonder anderen tekort te willen doen, noem ik eerst Stichting De Greb. Daarvan de heren Goossens, Bol, en Bruinsma, die belangrijke bijdragen leverden. Door het beschikbaar stellen van een berg eigen materiaal, respons in de Discussiegroep op www.grebbeberg.nl, en door gedachtenwisselingen in mails.
Veel hulp en informatie kreeg ik verder van de Oudheidkundige Vereniging Oud Wageningen. Met name van de heren Van den Burg, Everdij, Olinga, en De Wit.
Speciale dank aan twee ooggetuigen, de heren Van der Schouw, en Van Tricht. Zij gaven mij nog informatie uit de eerste hand. Dergelijke bronnen zijn nu helaas schaars.
Lkol b.d. Brongers was zo vriendelijk mij nadere gegevens te verschaffen, over de inzet van s Art Abt 735.
Een bijzondere bijdrage leverde de familie Houdret. Van hen kreeg ik een map van Elt T.J. Houdret, Verkenner bij I-15 RA in mei 1940, in bruikleen. Uniek materiaal. Daarvan heb ik dankbaar gebruik gemaakt. Het leverde al enkele vondsten op.

woensdag 26 mei 2010

Vragen en antwoorden

Zeker is, na dit onderzoek, dat er op de Wageningse Berg Duitse artillerie in stelling heeft gestaan. II/AR SS stond in de Villawijk. IV/AR 256 eerst, en s Art Abt 735 waarschijnlijk daarvoor in de plaats gezet, in de Bosrand. Ruim genomen ook, III/AR 207 en III/AR 311 in het gebied tussen Wageningen en de Berg.

Er blijven belangrijke vragen open, over de inzet van al het geschut bij de Grebbeberg. Antwoorden daarop zijn, met de gegevens van nu, niet te vinden. Getuigen zijn er weinig meer. Herinneringen zijn verkleurd en vervaagd. Veel materiaal ging verloren.

Mogelijk, dat later toch nog een ontbrekend stuk informatie gevonden wordt. Bij mensen thuis, en verspreid over grote archieven, moet nog heel wat aanwezig zijn. Er worden nieuwe methoden voor opsporing en ontsluiting ontwikkeld. Digitaal te raadplegen verzamelingen en archieven, zijn in elk geval een grote verbetering. Soms, onverwacht, valt dan weer een stukje op zijn plaats. Dergelijke verrassingen vormen de motor voor mijn onderzoek.

Hoofdvraag van deze studie was, welke eenheden Duitse artillerie bij de strijd om de Grebbeberg zijn ingezet, en waar die (vermoedelijk) hebben gestaan. De gevonden antwoorden zijn, van dag tot dag, samengevat in de volgende tabel.


Er zijn verschillende vragen, die met de beschikbare gegevens geen afdoende antwoord kunnen krijgen. Het zou geweldig zijn, als daarvoor nog nieuw materiaal bovenkomt. Bijvoorbeeld:

1) Wat werd met de indeling bij de opmarsgroepen van Spoorweggeschut beoogd ? Nu is alleen een algemeen doel bekend. Vernieling van grote bunkercomplexen, om een plaatselijke doorbraak te forceren. Door de Duitse legertop werd daarbij zeker gedacht aan Kornwerderzand. Maar misschien ook aan de forten Pannerden, Westervoort, en de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie ?

2) Hoe vaak, met welke batterijen, en hoe veel heeft I-12 RA gevuurd op de stellingen "Bij Dorskamp" ? En heeft dit vuur doel getroffen ? De gevechtsberichten zeggen hierover weinig of niets. De Cdt van 4-I-12 RA geeft alleen aan, dat de batterij op 12 mei zonder ophouden vuurde. De LKA, Kol Bartels, gaf een overzicht vuren van de LKA. Hieruit blijkt, dat vooral die dag vijandelijke artillerie werd bestreden. Onder meer door I-12 RA. Op de plaatsen "NO van Wageningen" en in "vt 176.12 - 443.05". En op de tijdstippen 11.05, 13.45, 17.00, 18.38. GenMaj tit. b.d. Nierstrasz schrijft deze aan 4-I-12 toe. Maar heeft 2-I-12 RA (de batterij in stelling rechtsvoor) ook niet op deze doelen gevuurd ? Vanzelfsprekend kon men tijdens de gevechten niet vaststellen in welke mate deze vuren de beoogde doelen troffen. Maar heeft men dit niet na de capitulatie verder onderzocht ?

3) Eén of tweemaal, dat is uit de stukken niet helemaal duidelijk, zijn de stellingen van Duitse artillerie in de bosrand NO van Wageningen gebombardeerd, en beschoten, door Nederlandse vliegtuigen. Hebben deze acties doel getroffen, en is daarmee persoonlijke of materiële schade aangericht ? Bekend is, dat de Bosrand benut werd voor de gereedstelling van IR 322. En er is een Duits verslag van een Obergefreiter van 3/Bb [Beobachtungsabteilung] 30, over de Pinksterdagen voor de Grebbeberg. Blijkbaar had zijn eenheid een plaats betrokken in de Bosrand. Hij zegt, dat bommen 40 - 50 meter voor het rechter stuk, van de Mörser batterij die daar stond, ingeslagen zijn. Nederlandse geschutfilms zijn niet gevonden, en de gevechtsberichten zijn te vaag. Zou er ergens bij het NIMH, of in het Centraal Archieven Depot van Defensie, niet toch nog een brokje nadere informatie zijn ?

Tot slot nog dit over vragen en antwoorden, in een breder onderzoek van derden.
Op het ogenblik doen leden van de Historische Vereniging Oud Wageningen research voor een boek over Wageningen in oorlogstijd. Onder meer is het de bedoeling, daarin de geheimzinnige vondst te behandelen van enkele burgerslachtoffers in dit gebied. Neergelegd in een ondiepe kuil. Ergens tussen 10 en 14 mei 1940. Hielden die gruwelijke vondsten verband met de prominente Duitse aanwezigheid in dit gebied ? Werden zij misschen omgebracht, verdacht van spionage ? In verband gebracht met de Nederlandse beschietingen op de artillerie "Bij Dorskamp", en de bombardementen op de stelling(en) in de Bosrand ? Dat zijn belangrijke vragen. De hypothese past goed in de bekende gegevens. Maar echt bewijs, of tegenbewijs, zal moeilijk te leveren zijn.

dinsdag 25 mei 2010

Stoelendans

Het lijkt erop, alsof in het gebied "O van Wageningen" door de Duitse batterijen een soort stoelendans werd uitgevoerd.
Dat is de gedachte die bovenkomt, bij het intekenen van de mogelijke stellingen, aan de hand van de nu bekende gegevens.
De beperkte ruimte op geschikte locaties dwong daartoe. Vooral ook, omdat op 12 mei nog twee afdelingen een plaats moesten vinden. De volgende figuur geeft de verplaatsingen in de nacht van 12 op 13 mei 1940 weer. Ondergrond is de eerder gebruikte luchtfoto, uit de Speciale Collecties van de WUR.


De ingetekende stellingen zijn een "educated guess". Beredeneerd giswerk. Gegrond op enkele aannames, puzzelen met de beschikbare informatie, passen en meten in de beperkte ruimte, en (na zoveel tijd) weinig harde feiten meer. Sporen, documenten, en herinneringen, zijn bijna allemaal verloren gegaan.

Als volgorde van opkomst blijft het eerder gepubliceerd schema (Toets 1: Ervaringen, 11 mei 2010) goed overeind. Wel wordt nu verondersteld, dat de batterijen bijna elke avond een stap naar voren maakten. Daarmee de infanterie volgend. Alleen II/AR SS bleef van 11 mei tm 13 mei in de Villawijk.

We gaan ervan uit, dat II/AR SS al in de ochtend van 11 mei in Wageningen aankwam. Dat was immers een volledig gemotoriseerde afdeling, die snel vooruit kon komen. Bovendien werd deze ingedeeld als steun aan I/SS "DF", voor de aanval N van de weg Wageningen-Rhenen. De SS-bataljons traden vanuit Renkum aan, II/AR SS kon daarachter volgen. Stellingen waren waarschijnlijk al verkend.

De afdelingen III/AR 207, en IV/AR 256, maakten een tussenstop in Renkum. Van daar uit, gaf III/AR 207 vuursteun Z van de weg naar Rhenen aan III/SS "DF". IV/AR bestreed onze artillerie, met hulp van Vliegtuigverkenners en een Lichtmeetafdeling.

In de nacht van 11 op 12 mei kwam IV/AR 256 in de Bosrand. Met een batterij N, en een batterij Z, van de Geertjesweg. Dat kon niet anders, omdat er 300 - 500 m ruimte tussen zware batterijen moest zijn. Het Landhuis "De Dorschkamp" (waarschijnlijk waren daar Duitse officieren ingekwartierd) maakte ook een ruime plaatsing nodig. Een opstelling dichterbij vergrootte het lawaai, en het risico van aanzienlijke schade.

Op grond van opmerkingen in de KTB's over "verlate, gedeeltelijk [?] bespannen afdelingen", mogen we aannemen, dat III/AR 207 niet vroeg in de ochtend van 12 mei op de Eng verscheen. Deze afdeling nam W van de Diedenweg posities in.

III/AR 311 was nog langer onderweg. Deze afdeling kwam uit Oosterbeek. De dag tevoren waren al mogelijke plaatsen verkend O van Wageningen, voor inzet op 12 mei. Vanwege de kortere dracht, zal deze afdeling het meest westelijk in stelling zijn gezet.
Omdat de aanval op het voorpostengebied veel moeizamer liep dan verwacht, werd meer artillerie aangevraagd bij ID 207. Dat gebeurde nog in de nacht van 11 op 12 mei. In totaal zouden de volgende dag drie lichte, en twee zware afdelingen worden ingezet. Dat vermeldde het "Vuurplan voor de inbraak in de Grebbelinie". Niet vast staat, of dat werkelijk uitgevoerd kon worden. III/AR 311 is hierbij blijkbaar tot de lichte afdelingen gerekend.

Het duurde waarschijnlijk nog de hele dag, voordat alle versterkingen in Wageningen waren. De KTB's geven slechts aan, dat vier nieuwe eenheden bij ID 207 onder bevel kwamen, en "tot aan de avond" aangetrokken werden. Dat waren: Artilleriekommandeur 22 (Walter Büchs), met zijn staf, Waarnemingsgroep 30, (zeer) zware Artillerie Afdeling 735, en Rijnbeveiligingsafdeling 1.
De eerste drie versterkingen kwamen uit Velp. Daar waren zij als Korpsreserve ondergebracht. Daar was ook het Stafkwartier van X AK gevestigd.

De zeer zware Artillerie Afdeling 735, uitgerust met twee batterijen moderne 21 cM Mörsers, legde een nog veel grotere afstand af. De Afdeling behoorde tot de Heerestruppen. Legerreserves, naar de ontwikkeling van de gevechten, in te delen. Ze werd aan een buurdivisie in Noord Brabant onttrokken.
De Mörserafdeling verdreef IV/AR 256 uit de stellingen in de Bosrand. Vermoedelijk ging IV/AR 256 toen, in de avond van 12 op 13 mei, naar stellingen N van de Dolderstraat. Mogelijk kwamen de Mörsers die dag niet meer tot vuren, of werden ze in voorlopige stellingen geplaatst. Anders is niet te verklaren, dat Walter Büchs op 13 mei in zijn dagrapport meldde, dat s Art Abt 735 bij het aanbreken van de dag tot vuren gereed stond. Dat was alleen nodig na aankomst, stellingwissel, of uitval.

De Divisie-artillerie werd ook naar voren verplaatst. Zoals al gezegd, nog met uitzondering van II/AR SS.
III/AR 311 verscheen in de Westrand van Wageningen. II/AR 207 kwam ergens N(O) van Wageningen in stelling. Mogelijk in de door III/AR 311 juist verlaten stellingen.

Verder kunnen we slechts raden.
Vermoedelijk ging III/AR 311 al in de vroege ochtend van 13 mei nog meer naar voren, om het vers aangetrokken infanterieregiment IR 322 te steunen. Dit had een commandopost in de Buitenwaarden betrokken, bij Blauwe Kamer.
II/AR SS ging pas een dag later naar voren, om rechtstreekse steun te geven aan SS "DF", die richting Achterberg opgetrokken was.

De verplaatsingen op 14 mei, tot aan de capitulatie, zijn eerder in kaart gebracht met het verhaal van Hubert Rechlin (Achtervolging, 13 mei).

maandag 24 mei 2010

De Dorskamp ?

Aan de slotafleveringen zijn we nog niet toe. Bij het ordenen van mijn gegevens, vielen me enkele dingen op. Ondermeer, dat een belangrijke melding bij III-8 RA een verschrijving bevat. Verder, dat de stellingen in het ruime gebied van de Eng (Eng, Bosrand, Villawijk, voorliggend gebied) nog erg onduidelijk zijn.

Eerst terug naar de waarnemingen (Toets 2: Meldingen 12 mei, gepubliceerd op zaterdag 22 mei 2010).

Vreemd is, dat in bericht Nr 53 woordje "nog" wordt gebruikt. Er is geen eerdere melding van neerkomend vuur in dit register, waarin een afstand van 8 km wordt genoemd. De nummering loopt wel door. Het eerder bericht is dus verloren gegaan. Mogelijk in de drukte niet op een briefje gezet, en zodoende niet in het register gekomen.

Vreemd is ook, dat op GS, III.3, Schets/Kaart C 10, een belangrijke waarneming werd ingetekend in de Bosrand. Het ging om de plaats van vermoede Duitse artillerie op 12 mei, gepeild door de Geluidmeetafdeling van 2 AMC. Deze kreeg het label "Art. opstelling onnauwkeurig vastgesteld". Dat blok ligt in het veld N van de Geertjesweg. Omgerekend zou de ingemeten stelling ongeveer 70 m bij 350 m geweest zijn. Het eerste getal (breedte) W - O gemeten, het tweede (lengte) N - Z gemeten.
De Bosrand is niet verrassend. Want vermoedelijk hebben daar juist de twee afdelingen zwaar geschut gestaan. Maar de op het kaartje ingetekende plaats is veel verder N dan verwacht. Omdat later op (deze ?) vermoede stellingen artillerievuur werd uitgebracht, en bombardementen zijn uitgevoerd. Die kregen de labels "Bij de D van Dorskamp", "Bij de O van Oranje Nassau Oord", "2,5 km NO van Wageningen", en "176,12 - 443,05". Het Landhuis "De Dorschkamp" lag duidelijk Z van de Geertjesweg. Ongeveer op 176,1 - 442,8.
Boszoom (N van Geertjesweg) en Dorskamp (Z van Geertjesweg) zijn verschillende waarnemingen geweest. De gemiddelde meetfout voor geluidmeting was 50 m voor de breedte (dwars op de peilrichting), 100 m voor de lengte (in de peilrichting). Dit houdt in, dat in de richting N - Z wel een verschuiving met 100 - 200 m mogelijk is, in de richting W - O met 200 - 400 m. De peiling kan dus geen positie Z van de Geertjesweg aangeven. Wel een stelling op de Eng. Een plaats iets verder N is ook nog wel aannemelijk, verder O niet.
De peiling komt vrij goed overeen met de plaats die twee batterijen zwaar geschut nodig hebben. Twee batterijen N - Z naast elkaar, vragen een blok van circa 50 m breed bij 450 m lang.

Vreemd is tenslotte, dat in bericht Nr 1 van 12 mei, de stellingen in "vt 173 - 443" werden vermoed. Dat is een vierkant W van Wageningen. Zoals blijkt uit het volgend kaartje met ingetekende meldingen, zal er een verschrijving zijn gemaakt voor "vt 176 - 443" ("Bij Dorskamp").

Als ondergrond is de gekleurde kaart van Elt Houdret 1:50000 (uitgave 1939), met RD-coördinaten, gebruikt. De kaartpunt rechtsonder ligt op 177 - 439.


Toegevoegd zijn de plaatsen van "2,5 km NO van Wageningen", en van de peiling in de Bosrand door 2 AMC. De laatste is door een arcering aangegeven. De ligging van het Landhuis "De Dorschkamp" blijkt al uit de kaart zelf. Het blokje ligt inderdaad ongeveer op het punt "176,1 - 442,8". De waarneming "176,12 - 443,05" verschilt hiervan zó weinig, dat die niet ook is ingetekend.

Een verschrijving in bericht Nr 1 van 12 mei is hiermee zo goed als zeker. Vooral als we het bericht van O 11 [Cdt III-8 RA] aan K 88 [Cdt 8 RA, DAC IV Div] in samenhang met twee even eerdere berichten lezen. We schrijven die uit in de vorm: * Datum, Nummer, (Tijd) * Van wie, Aan wie * "Bericht" *.

* 11 mei, Nr 53, (23.35) * Wp 113, Niet ingevuld * "De batterij, waarvan de projectielen in deze omgeving neerkomen, ligt 120 o/oo Noord van Wageningen, de afstand nog gelijk geschat op 8 km" *
* Idem, Nr 55, (Niet ingevuld) * Wp 112, O 11, "Zuidwest van wp 2e batterij slaan projectielen in, geschoten vanaf het midden tussen Wageningen en Bennekom" *
* 12 mei, Nr 1, (0.30) * O 11, K 88, "Ingekomen berichten van waarnemingsposten wijzen op [vijandelijke] artillerie stellingen in vt 173 - 443 *

De peiling uit het eerste bericht komt uit bij de Diedenweg. Als dit een peiling op stellingen "Bij Dorskamp" zou zijn, heeft de waarnemer de afstand ongeveer een km onderschat. Niet helemaal kan worden uitgesloten, dat op dit punt een zware batterij (van IV/AR 256) werd aangeprikt. Maar als we de aangenomen verplaatsingen in kaart brengen, is dat toch minder waarschijnlijk.

zaterdag 22 mei 2010

Toets 2 (vervolg): Toewijzing

Een eerste groep meldingen wijst naar de Villawijk.
II/AR SS was daar opgesteld, zoals uit drie bekende foto's blijkt.

Een tweede groep berichten duidt op stellingen in de Bosrand, N en/of Z van de Geertjesweg.
IV/AR 256 trok veel op met de SS-eenheden, en stond vermoedelijk in het Z deel van de Bosrand, bij "De Dorskamp".

De s Art Abt 735 (Mörsers) zal dan N in de Bosrand hebben gestaan.

III/AR 311 zou, op grond van melding 1, ("Berichten van wp's wijzen op [vijandelijke] artillerie-stellingen in vt 173-443")
W van Wageningen te plaatsen zijn.

III/AR 207 is hiermee nog spoorloos. Die afdeling kan heel goed op de Eng hebben gestaan. In een relatief laag deel van het terrein, moeilijk in te zien. Gemaskeerd door struikgewas, en hoge bomen. Bovendien door de lintbebouwing tussen Wageningen en Bennekom. Daardoor vrijwel verborgen voor Lichtmeting. De mondingsknallen van deze afdeling werden afgebogen door terreinplooien en obstakels. En kunnen zijn overstemd, door het achter de lichte batterijen opgesteld zware geschut. Dat maakte ook inpeilen door Geluidmeting zeer lastig.

We hebben zo de beschikbare informatie verwerkt. Niet alle stukjes van de puzzel zijn gevonden, maar de meeste waarschijnlijk wel. En het beeld voldoet. Enkele tegenstrijdigheden zijn nog als volgt opgelost.

Volgens de KTB's werden op 12 mei vijf afdelingen ingezet, alle O van Wageningen. Ook wordt duidelijk vermeld, dat III/AR 311 "Op 11 mei stellingen verkende O van Wageningen, voor de inzet op 12 mei".

Vreemd genoeg zijn, op een eerder opgenomen schets (Duitse bronnen, 29 juni 2009), maar drie eenheden aangegeven. Twee van 10,5 cM le FH, een derde van 15,0 cM s FH. Met stellingen in het gebied tussen Bennekom, Wageningen en Renkum. Die zijn ingetekend achter de bebouwde kom van Wageningen-stad. De divisievlag levert een oriëntatiepunt op. We weten dat de cp van ID 207 vanaf 11 mei, (rond 17.00 uur onze tijd), in Hotel de Wageningse Berg ondergebracht was. Hieronder een uitsnede van de eerder getoonde schets.


Een mogelijke interpretatie van dit plaatje is, dat de schets alleen de Divisie-artillerie betreft. Dat waren twee afdelingen 10,5 cM le FH, en één 15,0 cM s FH (II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311). Strikt genomen, behoorde II/AR SS niet tot de Divisie-artillerie. Ook is de gebruikelijke aanduiding voor de (gemotoriseerde) 10,5 cM le FH 18 van II/AR SS anders, dan die voor de (bespannen) 10,5 cM le FH 16 van III/AR 207. Dat geven de indelingsoverzichten ook aan. De aanduiding voor III/AR 311 klopt weer wel.

Een laatste breinbreker vormde het verslag van de heer J. van Tricht. Die vertelde, dat op 12 mei 1940 al geschut op de Eng bij de Geertjesweg heeft gestaan. Later, in de nacht, of vroege ochtend, kwam daar een nieuwe eenheid bij. Die nam achter zijn ouderlijk huis stellingen in. Deze herinneringen voor waar aannemend, blijft de nieuw aangekomen eenheid moeilijk in te passen. Welke eenheid moet dat dan geweest zijn ?
Alleen II/AR 207 was beschikbaar, maar die was in Heelsum, gereedgesteld. Oplossing is, dat in de nacht van 12 op 13 mei een eerder in Wageningen aangekomen eenheid, doorschoof naar een nieuwe plek. We vermoeden, dat verplaatsingen doorgaans in de nacht uitgevoerd werden. Volgens het verslag van Arko 22 (Oberst Walter Büchs) voerde de Divisie-artillerie "in de vroege ochtend van 13.5 de bevolen stellingwisseling uit". Tot deze groep rekende hij ook II/AR SS. Maar die bleef in de oude stellingen staan. De s Art Abt 735 veranderde waarschijnlijk wel van plaats. Oberst Büchs vermeldt tenminste in zijn dagrapport, dat deze afdeling "bij het aanbreken van de dag tot vuren gereed" was.

Niet beslisbaar is, of III/AR 311 rond de middag van 12 mei al W van Wageningen verscheen. Dat gebeurde op zijn laatst in de nacht van 12 op 13 mei. Er vielen drie slachtoffers bij 9/AR 311. Kanonier Niesswandt (12.5), Unteroffizier Schröder (12.5), en Kanonier Steckelies (13.5). De Korpsveearts, sprak van een slachting onder de paarden van deze afdeling in die nacht. Maar door welk vuur moet dat dan zijn geweest ?

Zolang niet anders blijkt, wordt de hierboven aangegeven, eerste en beste, oplossing gekozen. Met het zware geschut in de Bosrand, het lichte geschut daarvoor. De afdeling met de kortste dracht het verst vooruitgeschoven. Dat is de opstelling die, artilleristisch gezien, het meest voor de hand ligt. Het tijdstip waarop III/AR 311 in de westrand van Wageningen kwam, laten we dan maar in het midden.

Tot slot van deze blog zijn nog twee afleveringen gepland. Een revisie van de stellingen per dag, en een samenvatting.

Toets 2: Meldingen 12 mei

Aan vastgelegde waarnemingen kunnen de vermoede posities van Duits geschut nog eens worden getest. I-8 RA, en vooral III-8RA, legden veel meldingen vast. Voor 11 mei werd al een toets gemaakt (Aanvulling, 19 mei 2010). Op 13 mei zijn er nauwelijks berichten ingeschreven. Rest nu vooral 12 mei.

De voornaamste meldingen zijn in het volgend kaartje ingetekend. Het kaartje is in Bonne-projectie. Dus de N-Z lijn iets van linksboven naar rechtsonder gedraaid.


Het Vuurregelingregister van I-8 RA levert voor deze dag weinig bijzonderheden op.
Opvallend is wel, dat om 17.16 uur de Artillerieofficier-Inlichter (AOI) vuren 143, 144, 165, en 166 blokkeerde. De Divisie-Artillerie Cdt (DAC) verbood om 19.26 uur zonder zijn bevel vuren in de hoofdweerstandsstrook (op de Grebbeberg). Allebei in verband met daar nog mogelijk aanwezige eigen troepen [NIMH Coll 409, Inv Nr 511007].
De AOI vormde, op de cp van het infanteriebataljon dat van zijn afdeling vuursteun kreeg, de verbindingsschakel met zijn commandant. Hij gaf daar ook artilleristisch advies.
De DAC coördineerde de inzet van de Divisie-artillerie. Hij beoordeelde de aanvragen om vuursteun en besliste, of die urgent genoeg en uitvoerbaar waren. Gaf daarna de nodige bevelen aan de commandanten van de beschikbare artillerie-eenheden.

Het Bericht- en meldingenregister van III-8 RA is veel gedetailleerder.
Uit de berichten van 10 mei is voor de latere waarnemingen van belang:
Nr 31 ( --.-- ) Van O.111: Brand 5 o/oo re van Prot Kerk [NH Kerk, Oude Kerk]

Uit de berichten van 11 mei, nemen we nog 2 berichten uit de late avond mee:
Nr 53 (23.35) Van Wp O.113: Batterij 120 o/oo N van Wageningen, afstand nog gelijk geschat op 8 km
Nr 55 ( --.-- ) Van Wp O.112: Projectielen, geschoten van het midden tussen Wageningen en Bennekom.
Beide berichten zijn erg onduidelijk. Waar ligt de N grens van Wageningen ? En waar is het midden tussen Wageningen en Bennekom ? Ze wijzen mogelijk op een stelling N van de Geertjesweg, in de Boszoom. Maar ook "De Dorskamp", Z van de Geertjesweg, is niet uitgesloten.

Op 12 mei zijn 62 berichten ingeschreven. Hieronder veel over Duitse lichtkogels en vuurpijlen. De waarnemingen op vijandelijke artillerie waren [NIMH Coll 409, Inv Nr 511016]:
Nr 1 ( 0.30) Van O.11: Berichten van wp's wijzen op [vijandelijke] artillerie-stellingen in vt 173-443
Nr 9 ( 0.48) Van Wp Groenebank: Mondingsvlam 60 o/oo li brand Wageningen, verder dan Wageningen
Nr 10 ( 1.05) Idem: Mondingsvuur 40 o/oo li brand Wageningen, ongeveer richting Nieuwe Kerk
Nr 22 ( 2.35) Van Wp O.113: Verplaatsing art langs de weg Wageningen-Bennekom (Diedenweg ?)
Nr 24 ( 2.26) Idem: Mondingsvlam ri Ede
Nr 27 ( 3.14) Van Wp Levendaal: Vurende batterij 80 o/oo li Kath kerk, achter laan Nwe Haven, en vurende batterij achter Wageningsche Berg
Nr 33 ( --.-- ) Idem: vermoed tussen Nwe Kerk en schoorsteen 90 o/oo re daarvan, mogelijk 1 stuk
Nr 47 (11.03) Van Wp O.113: Mondingsrook 12 o/oo li Nwe toren, voor Wageningse Berg, verder dan kerk, afstand niet te schatten
Nr 51 (11.57) Idem: 3 mondingsvlammen 15 o/oo li Nwe kerktoren
Nr 57 (12.35) Idem: Herhaald duidelijk mondingsvuren op 15, 20, en 25 o/oo li toren Nwe kerk
Nr 58 (12.21) Idem: Mondingsvuren 30 o/oo li Nwe toren

Opvallend is, dat op 12 mei vanuit Wp O.113 rond de middag alleen vuren in een beperkt gebied zijn gezien. Toen werd toch met alle (50) beschikbare Duitse vuurmonden geschoten. Mondingsvlammen werden gemeld tussen 12 en 30 o/oo links van de toren van de RK kerk. Bij intekenen op de kaart, wijst deze groep waarnemingen naar de Villawijk.

Het "Overzicht van de vuren der Legerkorpsartillerie" van Kol Bartels vermeldt op 12 mei als vuren op vermoede Duitse batterijen [NIMH Coll 409, Inv nr 502013]:
(11.05) Onnauwkeurig gepeild door GMA: 2,5 km NO van Wageningen. Aangegeven op GS, III.3, Schets/Kaart C13.
(13.45) Bron onbekend [2 AMC ?]: 176,12 - 443,05. Herhaald om 17.00 en 18.38.

Op 13 mei werden weinig waarnemingen gedaan:
Nr 10 ( --.-- ) Van Cdt 2-I-12 RA, "Vijandelijke vurende batterij ri kh 18.20, maar buiten bereik, teveel naar rechts" [NIMH Coll 409, Inv nr 502018].
Nr n.a. (11.42) Van Wp I-15 RA, "Vurende vijandelijke artillerie in lijn 173,00-442,80 naar 175,00-442,75, breed 100 m" [NIMH Coll 409, Inv nr 502018].

Beide berichten geven, net als Nr 53 van 11 mei (niet zeker), en Nr 27 van 12 mei, de richting aan van "De Dorskamp". Blijkbaar bleef deze stelling dus vanaf de late avond van 11 mei, of vroege ochtend van 12 mei, tot de middag van 13 mei bezet.

vrijdag 21 mei 2010

Lessen voor X AK

Op de eerste gevechtsdag bij Wageningen, zondag 11 mei 1940, werd ons artillerievuur aan Duitse kant ervaren als "zwak, en versplinterd". Te weinig geconcentreerd op belangrijke doelen. Men dacht zelfs, dat het Nederlandse leger misschien al op de Waterlinie teruggetrokken was. Ook aan het begin van de volgende dag, maandag 12 mei, werd ons vuur nog als zwak ervaren. Pas na het inzetten van de aanval op de Grebbeberg, werd sterk verdedigend vuur ontvangen. Toen werd duidelijk, dat het Nederlandse leger de Grebbelinie met kracht verdedigde. Er kwam sterk vuur van de Berg en vanuit de flankerende stellingen. De linie Ochten - De Spees (Betuwe), en de stellingen langs de Grift. Moordend kruisvuur maakte de aanvoer langs de weg Wageningen-Rhenen vrijwel onmogelijk.

De Duitse waarnemers verkenden maar een klein deel van ons geschut. In de ochtend van 12 mei werden 1 - 2 batterijen Kal. 12 cM opgemerkt. Dat was II-19 RA, in de vooruitgeschoven positie op de Grebbeberg. Misschien ook het storend vuur van I-12 RA. In de avond waren door Duitse waarnemers ca. 6 batterijen N van Rhenen vastgesteld. Maar daar stonden toen I-8 RA, III-8 RA, en I-16 RA, met 9 batterijen. Ook nog I-15 RA, en veel verder naar achteren, bij Veenendaal, I-12 RA. De batterijen stonden bij Rhenen zo dicht achter elkaar, dat ze moeilijk op licht en geluid van elkaar te onderscheiden waren.

Op 11 en 12 mei werden (volgens de Schetsen/Kaarten uit GS deel III.3) nog alleen vuren afgegeven door een enkele afdeling, of zelfs maar een enkele batterij. Daarbij werd een vuur op een bepaalde plek later soms herhaald door dezelfde eenheid, of door een andere, die dan beschikbaar was.
Op 13 mei werden voor het eerst "vuurconcentraties" afgegeven. Daarbij legden verschillende batterijen tegelijk afsluitingsvuren op de naderingswegen. Vooral pal O van Wageningen-Stad.
Ook dat vuur heeft blijkbaar weinig indruk op de Duitse troepen gemaakt. Over 13 mei wordt in het verslag van ID 207 om 6.15 uur (ca. 4.35 Ned tijd) melding gemaakt van een "vuuroverval met ca. 6 batterijen op een gevechtspost van de SS". Uit het verslag van Arko 22 over die dag is bekend, dat "de Staf van de Mörser Afd uit een gevechtspost weggeschoten werd" (dezelfde plaats ?) [NIMH Coll 401, Inv Nr 00145, 02030]. Uit Schets/Kaart C13 blijkt, dat de eerste melding waarschijnlijk betrekking heeft gehad op vuur 652, afgegeven rond 4.30 bij Anna's Hoeve, door I-8 RA en II-4 RA.


Aan Duitse kant werd de Westfeldzug achteraf nader beoordeeld. De Generaal belast met de Artillerie-opleidingen bij het OKH, legde hierover de volgende opmerkingen vast - ingekort, mijn vertaling - [NIMH Coll 401, Inv Nr 75004].

Het zwaarste vlakbaangeschut (Spoorweggeschut) zou vooral ingezet moeten worden tegen de verbindingslijnen, stations, en wegkruisingen in bewoonde gebieden, verder ook tegen gereedstellingen in het bos. Bij het laatste werd de uitwerking vergroot door detonaties op halve hoogte in de bomen. De inzet moet niet vertraagd worden, totdat de spoorlijn voor het stellinggedeelte vrijgegeven is.
Het zwaarste steilbaangeschut (Mörsers) heeft zoals verwacht, geen effect gehad op moderne bunkerstellingen. Het vuur werd vaak niet genoeg geconcentreerd op het beslissende punt, er werd ook onvoldoende munitie beschikbaar gesteld. Samenwerking met lichtere houwitsers vergroot de kans van slagen op het uitschakelen van versterkte posities.
Losstaande bunkers zijn geen geschikte doelen, omdat daarvoor onevenredig veel munitie nodig is. Versterkte stellingen met bunkergroepen wel, omdat daarbij elk schot een doel kan treffen.
Artilleriewaarnemers (Beob Abt) hebben hun nut bewezen voor het opsporen van vijandelijke artillerie. Ze moeten wel tijdig worden ingezet. In de regel onder bevel gesteld van de Divisies. Het is zeer effectief gebleken, de Geluidmeetafdeling (Schallbatterie) te laten samenwerken met een eenheid s FH. De Lichtmeetafdeling (Lichtmess-Batterie) kan het beste gekoppeld worden aan afdelingen, uitgerust met kanonnen. Ze moeten die dan ook in de beweging volgen.
Meetafdelingen (Vermessungs Abt) zijn eveneens waardevol gebleken. Beslissend was, of zij het voor kaartvuren benodigd materiaal tijdig konden aanleveren.
Er is te weinig ingeschoten met hoge springpunten, hoewel dat de uitwerking van kaartvuur op grote afstanden sterk kan verbeteren. Verkenning van vijandelijke batterijen moet altijd direct plaatsvinden, bij het gevecht in voorste lijn, om zeker te zijn van succes. De aanbevolen bestrijding van vijandelijke artillerie door vuurovervallen, bewees zich als bijzonder effectief. Krijgsgevangenen vertelden ook, dat dit soort vuren bijzonder werden gevreesd.
Het uitschakelen van bunkers lukte vooral, als de regels daarvoor werden gevolgd. Die geven aan, dat op losstaande versterkingen met het enkele stuk geschoten dient te worden in puntvuur. Daarbij behoort men zo dicht mogelijk vooruit te gaan, voorzover de stabiliteit van het geschut en de dekkingsmogelijkheden dat toelaten. Tegen bunkers moeten de speciale betondoorborende granaten worden gebruikt. Tegen pantserkoepels de pantserdoorborende granaten. De hoogterichting dient niet te worden bepaald met de vloeistofwaterpas, maar door inmeting op een vast punt.
Het geschutmateriaal, vooral de types [le FH, s FH, en Mörser] 18, heeft zich volledig bewezen. De s FH heeft zich opnieuw bewezen, als het geschut dat de beslissing brengt in de strijd. De Mörser heeft zijn bruikbaarheid als geschut op gevechtszwaartepunten volledig waar gemaakt. Zijn grote beweeglijkheid is vaak nog onvoldoende bekend. Anders zou dit geschut niet, zoals meerdere keren gebeurde, ver achteraan aangevoerd, dan wel ongebruikt zijn gebleven.

donderdag 20 mei 2010

Waarnemingen

Waarnemingen werden opgetekend in een Vuurregelingregister (VRR), of in een Bericht- en Meldingenregister (BMR). Elke afdeling had die. Aangetroffen zijn van de Divisie-artillerie:

Het VRR van I-8 RA [NIMH Coll 409, Inv Nr 511007]
Het BMR van III-8 RA [NIMH Coll 409, Inv Nr 511016]

Berichten over waarnemingen op vijandelijke artillerie uit het eerste document waren onder meer:
11 mei (tijd onbekend, tel) Nr. 14, Van wp Levendaal. "Vijandelijke art 80 o/oo links van RK Kerk, waarschijnlijk iets verder".
11 mei (15.40, tel) Nr 60, Van G 503. "Vijandelijke art waargenomen aan de Haarweg. Mogen wij vuren".
12 mei (13.19, tel) Nr 19, Van Lt Smit. "Waargenomen schietende batterij onder O van Synagoge, vt 173 - 441".

Hieruit blijkt, dat vaak belangrijke informatie ontbrak. Tenminste niet opgetekend werd. Dat waren: Afzender, Wijze van waarnemen, Gebruikte kaartversie, Plaats wp, Aard van het doel, Richting, Afstand. Zo mogelijk ook: Breedte en Diepte van het Doel. Nodig, om de waarneming in kaart te kunnen brengen. Vervolgens dan een gewenst vuur te kunnen berekenen.
Wij moeten, door vergelijking van verschillende bronnen, zien vast te stellen, wat waarschijnlijk waar werd gezien.

De Afzender is vaak slecht aangegeven. Niet, gecodeerd, of onvolledig. Hierboven bijvoorbeeld "Wp Levendaal". Was dat die van 8 RI, of van I-8 RA (Kaartje in: SG, III.3, p. 305) ? Wie was G 503 ? En wie was Lt. Smit ? Aanvullende bronnen geven, ook na veel naslagwerk, toch niet altijd een bruikbare oplossing. De gecodeerde aanduidingen bleven lang duister. Tot een codetabel, lopend tot bataljons- en afdelingsniveau, werd gevonden in een map uit een andere NIMH-Collectie dan de Nederlandse gevechtsverslagen.

De beschikbare apparatuur zal op de wp's van de artillerie meestal wel hetzelfde zijn geweest. Batterijkijker, Richtkompas, Telefoon.


Richtingen waren met de voorhanden instrumenten niet op een duizendste nauwkeurig te meten, en in te tekenen. Afstanden moesten worden afgelezen op kruisdraden in de kijker, en geschat aan de hand van bekende merkpunten. Van de batterijen werd vaak alleen kort een mondingsvlam gezien. Daarop valt niet scherp te stellen. De afstand kon verder nog ingeschat worden door tellen van tijdsverloop, tussen het zien van de mondingsvlam en het horen van de afvuurknal. Dat kan ook geen erg nauwkeurige resultaten hebben gegeven. 2 AMC had gevoeliger licht- en geluidmeet-apparatuur. Die toestellen gaven evenmin feilloze resultaten. Ze hadden hun eigen kwetsbare punten.

De kaartversie wordt in geen enkel bericht genoemd. Dat is een ernstig tekort. Met name als een kaarthoek wordt aangegeven, of een punt ten opzichte van een gegeven op de kaart. Zoals de "H van Haarweg". Het kaartmateriaal was allesbehalve uniform. Nieuw kaartmateriaal was nog maar beperkt aanwezig. Gen Harberts, Kol Van Loon, en hun ondercommandanten gebruikten niet allen dezelfde kaartversies. Dat moet tot grote spraakverwarring hebben geleid.

De plaats van de wp zal aan de geadresseerden toen, meestal wel kaartnauwkeurig bekend geweest zijn. Maar nu moeten wij nogal eens een inschatting maken. In dezelfde omgeving waren er vaak verschillende, ook van de infanterie. Nierstrasz heeft een aantal "wp's van de artillerie" op zijn Schetsen/Kaarten laten intekenen. Dat lost een deel van de problemen op. Maar niet alle. De aangegeven posten werden verder niet van tekst voorzien. Daardoor bleef onduidelijk waar Groenebank was. Gelukkig heeft 8 RA de eigen posten op een kaartje ingetekend. In enkele gevallen werd dan, omdat men teveel onder vijandelijk vuur kwam, verhuisd naar een minder nauwkeurig aangegeven plek. De wp's van de LKA zijn nog maar voor een klein deel bekend.

Een overbrugbaar probleem is tenslotte de omrekening van Bonne- naar RD-coördinaten. Daar bestaat een benaderende formule voor. De uitkomsten zijn dus niet in drie decimalen precies. Maar dat zullen de (in)metingen ook niet geweest zijn.