woensdag 21 december 2011

Hoornwerk onder vuur

Niet zo goed bekend is, dat het Hoornwerk en omgeving niet alleen onder Duits vuur gelegen heeft. Toch wordt dat in deel III.3 van de Groene Serie door Nierstrasz onder een vast hoofdje "Het gebruik van de artillerie op [datum]" duidelijk genoeg behandeld. Daarbij krijgen twee vragen veel aandacht. (1) Wie bevel gaf voor het vuur en (2) of het wel door deze eenheid (de artillerie van het Legerkorps gezet tegenover die van de Divisie) afgegeven had moeten worden. Dat zijn voor mij minder belangrijke punten. Interessanter is, om welk soort vuren het ging, en waar deze vuren bij benadering hebben gelegen.

Die gegevens staan op drie kaartjes (zie de voetnoot bij de voorgaande post). Ook in zijn begeleidende tekst [Pag. 205-207, 341-347, 438-452]. De kaartjes geven een snelle ingang naar de gevechtsverslagen van de betrokken eenheid (afdeling of batterij). Ze geven niet altijd nauwkeurige informatie over doelgebied en duur van de afgegeven vuren. Op het kaartje [Schets/Kaart C.5] staan voor 11 mei 1940 bijvoorbeeld vier vuren ingetekend, op ongeveer 300 m oost van het Hoornwerk. Van I-8 RA twee, verder nog van II-19 RA en I-22 RA. Het Gevechtsbericht van 8 RA [NIMH Coll 409, Inv Nr 511002] geeft niet al deze vuren aan. Wel, dat het in de avond [bericht van 19.21 uur] ging om vuur 122, 150 m naar rechts. Daar worden we ook niet zoveel wijzer van. De tekst van Nierstrasz vertelt bij I-8 RA [Pag. 206], dat dit een voorbereid stormvuur vóór het Hoornwerk was. Een ander document [Inv Nr 511011] geeft nog wel de doelgebieden voor de vastgestelde vuren in oude coördinaten. Voor vuur 122: Van 30.576-65.810 tot 30.550-66.311. Omgerekend: Van 170,90-440,60 tot 170,88-441,10. Een vak met diepte van ongeveer 20 m en een breedte van 500 m.

Nu is het een illusie te denken, dat vuur precies op zo'n vak gebracht kan worden. Zelfs niet na inschieten en met directe observatie door een artilleriewaarnemer. Daarom mijn gebruik van "bij benadering" en "ongeveer".
De schoten vertonen een zekere spreiding, door allerlei kleine variaties. In hoofdzaak gewicht van het projectiel, kracht van de lading, juiste hoogterichting en juiste zijdelingse richting. Die zijn niet bij elk schot precies gelijk. Bij goede waarneming en correcties komen de schoten toch gemiddeld op het doel.
De spreiding voor de lengte was altijd verreweg het grootst, en nam toe met de afstand tussen vurend stuk en inslagpunt (Dracht). Voor de 7 Veld waren de 50%-spreidingen volgens de officiële schootstafel [Nr 395, 1939]:
Gebruikt is de tafel voor de standaardmunitie en lading. Brisantgranaat nr 1 met schokbuis nr 28, normale lading. Dracht hiermee tot 8.400 m.

De tweede regel onder de kop geeft aan, dat de helft van de schoten alleen al door technische oorzaken op een afstand van 4.000 m meer dan 60 m achter of voor het doel zouden vallen, en meer dan 1,8 m links of rechts ernaast. Hierbij is nog niet eens rekening gehouden met een reeks verstorende invloeden (waarnemings-, meet- en richtfouten, naast temperatuur, luchtvochtigheid, windrichting en -kracht). Een schootstafel geeft uitkomsten onder ideale omstandigheden. Het is dan erg onwaarschijnlijk, dat enkele schoten van vuur 122 van I-8 RA in het Hoornwerk gevallen zouden zijn, maar de kans is niet nul. Meestal werd ook wel gemeld, dat de schoten "goed op het doel lagen", enkele schoten kunnen toch ver mis zijn geweest. Dat waren dan de "afzwaaiers".

Deze lange inleiding was nodig, om het volgend kaartje wat te nuanceren. Het geeft (in blauw, paars, en rood) de door de Nederlandse artillerie afgegeven vuren aan (op resp. 11, 12, en 13 mei 1940).
Ondergrond: Stafkaart ELt T.L. Houdret, I-15 RA. Bruikleen van Fam. Houdret.

Te zien is, dat op 12 mei vuur pal op het Hoornwerk werd afgegeven. Dat gebeurde volgens Nierstrasz [Schets/Kaart C.10] door de 15 cm houwitsers van I-15 RA, van 16.16 [?] - 16.46 [?] en van 16.52 [17.00 ?]- 17.30. * Dit was krombaangeschut, in tegenstelling tot de kanonnen 7 Veld van I-8 RA en I-22 RA, en de kanonnen 12 Lang Staal van II-19 RA. Elk soort geschut heeft zijn eigen baankenmerken. De schoten van houwitsers hebben sterker gekromde banen (en daarom grotere lengte- en breedtespreiding) dan die van kanonnen.

Volgens de gegevens uit het Gevechtsbericht van I-15 RA [NIMH Coll 409, Inv Nr 502022] was het door deze afdeling afgegeven vuur op het Hoornwerk een snelvuur van 30 minuten. Het werd afgegeven door beide batterijen en tegen 17.00 nog een keer herhaald. Daarbij zullen ruim 450 brisantgranaten van ca. 50 kg op dit gebied zijn afgeschoten. Onduidelijk is. of die na het staken van de strijd allemaal geruimd zijn
Duidelijk zal zo wel zijn, dat niet precies te zeggen is, waar de schoten van Duits en Nederlands geschut vielen. Van het Duits geschut is veel minder bekend over afgegeven vuren en doelen. Het waren alle ook houwitsers. Daarom is de onzekerheid over de inslagpunten van de op 12.5.40 bevolen vuurconcentratie op het Hoornwerk groter. Dat vuur werd, zoals eerder gezegd, vermoedelijk afgegeven door 44 tot 52 stukken. Zeker van II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311, 10 en 11/AR 256. Mogelijk nog van 4 en/of 6/AR 207.


* De door Nierstrasz opgegeven tijden lijken me niet helemaal betrouwbaar.
Het vuurbevel van 16.16 luidde volledig: Op mijn bevel [volgt ?] snelvuur 30' tempo 1 [Duur 30 minuten, 1 Bg per minuut per stuk] op Hoornwerk 170,190 - 440,540 tot 170,300 - 440,815 bg [brisantgranaat] vsn [versnelde buis] lad 3 [lading 3] niet vvb [niet vuurverbreden] niet strooien dc [dagcorrectie] voor de lengte -150 m [!]. Er kan in dit vuur dus een flinke fout hebben gezeten, omdat het kaartvuur was en de dagcorrectie een benadering. Daar boven op kwam nog de normale spreiding [LS50 > 50 m]. De afstand was ca. 4,7 km.

dinsdag 20 december 2011

Spreekwoorden

"Waar twee kijven hebben twee schuld". Een oud nederlands spreekwoord, waar veel waars in zit. Wel zijn de betekenissen van de twee sleutelwoorden na eeuwen veranderd. "Kijven" en "schuld" hadden vroeger een veel bredere en minder beladen betekenis. Het eerste woord betekende onder meer geschil, onenigheid. Het tweede oorzaak, verplichting, overeenkomst, schuld. Dat staat in het Middelnederlandsch Handwoordenboek, verplichte kost voor ieder die oude handschriften wil begrijpen. Dat was voor het uitzoeken van mijn familiegeschiedenis (ook een jarenlange studie) nodig.
Het aangehaald spreekwoord kwam bij me op, toen me nieuw materiaal werd toegestuurd. Daarmee kan de draad van dit hoofdstuk weer worden opgepakt.

Het blijkt maar weer eens, dat bij een verschil van mening de waarheid misschien wel (bijna ?) altijd in het midden ligt. Bij een woordentwist hebben niet zelden beide partijen gewoon een stukje van de waarheid in handen. Dat geldt heel duidelijk voor de nietes-welles-discussie die op www.grebbeberg.nl in februari 2008 werd gevoerd.
Daarbij ging het erom, of de Duitse beschietingen van het Hoornwerk op 12.5.40 nu "zwaar" (de mening van de heer Brongers), of "licht" (de mening van de heer Goossens) waren geweest. Er waren enkele argumenten voor en tegen besproken, maar het liep al snel uit op een patstelling. Die werd toen met het uiterste machtsmiddel van de redacteur beëindigd. Door zijn eigen mening maar te herhalen, en de discussie daarop meteen te sluiten.
Toch had en heeft de andere partij (in mijn ogen) het meeste gelijk. Het is wat vroeg om een definitief standpunt te bepalen, maar de balans slaat in mijn ogen naar het "zwaar" door. Zeker als het psychologisch effect wordt ingeschat. Gegevens zijn over de eerst Duitse en later Nederlandse beschietingen op 12.5.40:

* Zes batterijen Duits geschut schoten in op het Hoornwerk. Tegen de middag werd uit al het geschut (minstens 44 stukken) een vuurconcentratie afgegeven op de HWL rond de Grebbesluis. Bron: Als in het stukje geplaatst op 4 december 2011.
* Het Duitse munitieverbruik was toen volgens de Stafofficier Logistiek (de Ib) nogal hoog, doordat de aanval stokte. Volgens zijn opgaaf werd die dag 250 ton munitie verschoten. Naar eigen schatting zal 50 - 100 ton rond het Hoornwerk terecht zijn gekomen. Bron: NIMH Coll 401, Inv Nr 0014.
* In de middag gaf I-15 RA tussen 16.15 en 17.50 uur nog een afsluitingsvuur af in deze zone. Dat werd nog eens herhaald. Volgens Nierstrasz lag het doelgebied pal in het Hoornwerk. Moeilijk in te schatten is, wat dit aan schade veroorzaakte. Bron: Deel III.3, Schets/Kaart C.10.*
* De psychologisch uitwerking op het personeel van beschietingen wordt vaak onderschat. Bovendien is er meestal nog grote nevenschade. In de woorden van één van de experts die me regelmatig adviseert. Het ging hierbij specifiek over de Duitse beschietingen op het Hoornwerk en omgeving.

"Een onderschat effect van een artilleriebeschieting is de demoraliserende werking daarvan op het personeel [dat dat vuur moet ondergaan] ("shell-shock"). Indien het doel (bv een loopgraaf) niet geraakt wordt is er meestal veel nevenschade aan andere infra zoals telefoonverbindingen en ander kwetsbaar materiaal en middelen ["collateral damage"]. Dit frustreert een verwacht verloop van een strijd."

De foto's uit mei 1940 van schade in het Hoornwerk, wijzen naar mijn mening ook beslist niet op "lichte" beschietingen. Dat de nu nog zichtbare schade gering is, zegt me niets. In die beoordeling wordt niet alleen het psychologisch effect te licht aangeslagen, ook de nevenschade.

Kort geleden werd me een lijst toegestuurd met explosieven, aangetroffen bij en op de Grebbeberg. Dat document gaf me op enkele punten verrassende informatie over de op dit gebied afgegeven vuren. Die werden met de onmisbare hulp van mijn vaste panel van deskundigen opgespoord. Het lukte, de meldingen per munitiesoort te koppelen aan begin of eind van de oorlog, en aan een bepaald geschuttype. Soms kon zelfs worden vastgesteld, welke eenheid dan gevuurd had, en in welk schema.
Niet zeker is, dat elke vondst uit de lijst op de oorspronkelijke plek (in situ) gedaan werd. Nadat de meeste munitie opgeruimd was, zijn restvondsten nog wel eens versleept. Dat ligt ook in rapporten van de politie vast.

Mijn (zo mogelijk nog nader te toetsen) conclusie uit dit alles is:

Het Hoornwerk heeft zwaardere beschietingen ondergaan, dan nu nog uit de oppervlakkige aanslagen en scherfsporen op de enkele overgebleven kazematten en uit foto's kan worden opgemaakt.

NB Voor wie eens wat oude spreekwoorden en hun betekenis wil nalezen, de volgende link
http://nl.wikiquote.org/wiki/Nederlandstalige_spreekwoorden


* In dat deel van de Groene Serie drie kaartjes over het gebruik van de artillerie bij IV Div in mei 1940. Nr C.5 voor 11 mei, Nr C.10 voor 12 mei, Nr C.13 voor 13 mei. Hierop zijn de doelgebieden van de (nu nog bekende) afgegeven vuren aangetekend, met het nummer van elke betrokken eenheid en de tijd waarop die ongeveer het vuur opende. Gevechtsverslagen van de betrokken eenheden kunnen zo bijgezocht worden. Die geven details over de gebruikte munitie, de aard van het afgegeven vuur, en de duur van elke beschieting.

maandag 19 december 2011

Nederlandse slachtoffers

Het voorgaand document vraagt, voor alle duidelijkheid, op enkele punten nog een korte toelichting.

Als eerste mijn uitspraak in de inleiding, dat door Duitse oorlogsmisdaden "tientallen Nederlandse soldaten alsnog sneuvelden".
Dat is beslist geen loze kreet. Erg genoeg werden door de Duitsers Nederlandse krijgsgevangenen het eigen vuur in gejaagd, met als gevolg dat daardoor inderdaad tientallen Nederlandse soldaten (lees militairen) alsnog sneuvelden. Hierbij stonden mij, alleen al als slachtoffers van de gevechten op 12 mei 1940, de volgende groepen uit de Lijst Sellies voor ogen:

1 man van Staf I-8 RI (gevonden bij Hotel De Grebbe)
18 man van 1-I-8 RI (gevonden bij Hotel De Grebbe en het Hoornwerk, 1 later overleden)
2 man van 2-I-8 RI (gevonden bij Hotel De Grebbe en het Hoornwerk)
1 man van MC-I-8 RI (gevonden bij Hotel De Grebbe)
8 man van 8 Cie Pag (gevonden bij de Pag-kazemat aan de Grebbesluis en elders, 1 later overleden)

Totaal 30 man, gevallen onder omstandigheden die erop wijzen dat zij eigen vuur werden ingejaagd. Onder meer om vijandelijk geschut te trekken. Anderen werden als "levende schilden" gebruikt. Een enkeling overleed later in een ziekenhuis aan verwondingen. Vermoedelijk opgelopen onder dezelfde omstandigheden.

Het was volgens oorlogsrecht onder meer verboden
- Een vijand te doden of te verwonden, die de wapenen heeft neergelegd of geen middelen ter verdediging meer had, en zich op genade of ongenade heeft overgegeven.
- De witte vlag te gebruiken voor een ander doel dan om aan te geven, dat men aan de tegenpartij een mededeling wil doen (Bijvoorbeeld wapenstilstand wil vragen, overgave aanbieden, onderhandelen).
- Onderdanen van de tegenpartij te dwingen deel te nemen aan daadwerkelijke krijgsverrichtingen, gericht tegen hun land (Men mocht zeker niet gedwongen worden mee te vechten met de vijand. Maar naar mijn idee was die regel ruimer te interpreteren. Uitgebreid tot het onder dwang helpen van de vijand, vooral niet onder eigen vuur. Bijvoorbeeld met het repareren van wegen en bruggen, het trekken van geschut e.d.).

Krijgsgevangenen waren hulpeloos en moesten worden beschermd. Represaillemaatregelen waren verboden. Een krijgsgevangene mocht alleen de doodstraf krijgen
- Wegens vergrijpen die volgens de wet met de dood kunnen worden gestraft, en ook dan alleen nog maar op grond van een rechterlijk vonnis.

Voor mij zijn bijna alle Nederlandse "missers" (misbruik van de witte vlag, of toch gewoon toegestaan gebruik om aan te geven dat men wapenstilstand vroeg, of overgave wilde aanbieden ?) veel onschuldiger dan de bekende zware Duitse misdragingen.
Het gaat zeker niet aan, die tegen elkaar af te strepen.
Er is mij uit de gevechtsverslagen een enkel geval bekend, dat een Duitser neergeschoten werd toen hij zich op de Grebbeberg stond te verkleden in Nederlands uniform. Volgens bericht van C-IV Div op 10.5.40 (20.21 uur ontvangen bij 8 RA) moest iedere Duitser in Nederlands, Belgisch, Frans, of Engels uniform gekleed, als spion worden beschouwd.

Er zijn, onder meer door Jagtenberg in zijn verweerschrift, genoeg schrijnende gevallen van Duitse misdragingen gedocumenteerd.
Er staan er ook op www.grebbeberg.nl onder de kop "Dossier oorlogsmisdaden". Er zijn daar 11 "Duitse schendingen in de omgeving van de Frontlijn (lees HWL) opgesomd. Het Dagboek van mijn oom voegt er nog een paar toe. De verklaring van Sgt W. Hulscher werpt een nieuw licht op de zaak van de acht slachtoffers uit 8 Cie Mr op 13 mei 1940. Brongers gaf al aan, dat die door de Duitsers als vermeende sluipschutters ("Heckenschütze") zonder vorm van proces terecht leken gesteld. Hij beschrijft dit ernstige voorval in "Grebbelinie 1940" (2002), pag. 207, 208 als volgt.

"Nadat de strijd om de commandopost van majoor Landzaat was beslist, drongen de Duitsers weer op in de richting van het viaduct. Daarbij deed zich opnieuw een gruwelijk incident voor. Wellicht herinneren we ons dat het personeel van de mortieren was teruggetrokken nadat alle munitie was verschoten. De reeds gewonde luitenant Schoonderbeek bevond zich met een achttal mortieristen in of bij de toenmalige villa Wilhelmina, aan de noordzijde van de weg, op ongeveer 350 meter van het viaduct. Na aankomst van de Duitsers was elk verweer onmogelijk geworden. De luitenant stuurde een sergeant naar buiten om overgave aan te bieden. Een Duitse majoor gelastte daarop dat de mannen naar buiten moesten komen met achterlating van de wapens. Dat geschiedde. Hoewel krijgsgevangen, werden allen onmiddellijk daarna door de Duitsers in de rug neergeschoten. Slechts één soldaat heeft het wonderlijk genoeg overleefd. Hij werd getroffen door vier kogels: drie in de buikstreek en één door de pols."

Wat de werkelijke verklaring ook is, het gaat bijna zeker om een oorlogsmisdrijf. Er is nu in elk geval ook een tweede verklaring die de eerste ondersteunt. Welke bron Brongers had, wordt nog nagevraagd.

Het is onmogelijk na zoveel jaren sluitend bewijs te leveren dat het -zelfs maar in een deel van de in de dossiers opgenomen gevallen- in juridische zin echt om oorlogsmisdaden ging. Notities en verslagen geven vaak onvoldoende houvast. Sporen zijn helaas al lang verdwenen. Foto's zijn er nog wel, maar zeggen ook niet alles. Getuigen zijn er nauwelijks meer.

Tenslotte over mijn emotionele betrokkenheid een korte verklaring. Onrecht prikkelt mij om te vechten met gepaste middelen. Dat is hierbij gedaan. Betrokkenheid hoeft wetenschappelijke objectiviteit niet in de weg te staan, zelfs niet te vertroebelen.

zondag 18 december 2011

Duitse oorlogsmisdaden

Naar de mening van veel oud-strijders begingen troepen van SS-Standarte "Der Führer" in mei 1940 bij en op de Grebbeberg oorlogsmisdaden, waarbij tientallen Nederlandse soldaten alsnog sneuvelden. Onder meer door Prof. H. Amersfoort werden die wat gemakkelijk weggewuifd. Een vlammend protest van een oud-strijder, toen nog in leven, werd ook naar de prullenbak verwezen.

Dit onderwerp zit me erg hoog. Gisteren werd gelukkig in Trouw en Checkpoint een lang artikel gepubliceerd, waarin de slachtoffers bij huize "Wilhelmina" aangewezen worden als zeer waarschijnlijk standrechtelijk geëxecuteerd. Of dat rechtmatig gebeurde, is hoogst twijfelachtig. Naar mijn inschatting mag het relaas van Wil Hulscher serieus genomen worden. Zo dachten blijkbaar ook Checkpoint en Dagblad Trouw daarover.

Het is niet mijn gewoonte om ruim uit eigen werk te citeren. Toch volgt hier de volledige tekst van een vandaag door mij ingezonden stuk naar de redactie van www.grebbeberg.nl. Toegezegd werd, dat dit zo spoedig mogelijk op de website komt.
Verder hier zonder commentaar of toelichting. Dat lijkt me overbodig.

Duitse oorlogsmisdaden

In enkele gerespecteerde bronnen worden de rapportages in Nederlandse gevechtsverslagen over mogelijke oorlogsmisdaden door de Duitse troepen begaan, nogal gemakkelijk weggewuifd. Bronnen zijn onder meer:

Prof. dr. H. Amersfoort, Drs. P. Kamphuis, "Mei 1940 De strijd op Nederlands grondgebied" (2e herziene druk, 2005). Met name voor zijn conclusie -beter: zijn daar nog niet voldoende onderbouwde stelling- op pag. 381:

"De schendingen van het oorlogsrecht waren dan ook geen systematisch verschijnsel in de zin dat zij behoorden tot de geaccepteerde of zelfs opgedragen [!] Duitse strijdmethoden. Veeleer zijn zij te beschouwen als incidentele afwijkingen van de norm, die in de meeste gevallen, net als aan de Nederlandse kant [!], spontaan voortkwamen uit de hitte van het gevecht. Aan Nederlandse zijde zijn deze voorvallen [!] onder andere toe te schrijven aan het ontbreken van gevechtservaring. Overlevingsdrang en andere zeer primaire emoties als wraak, woede en frustratie bleken soms [!] sterker dan de gevechtsdiscipline".

Deze stelling riep hevig protest op van oud-strijders, onder meer van W.D. Jagtenberg, ing. Met zijn brochure "Geschiedvervalsing over de Meidagen van 1940 [..]" kreeg hij jammer genoeg geen voet aan de grond. Hij werd als een lastige mug weggejaagd.

Amersfoort werkte zijn stelling (naar zijn idee) in een volgend boek voldoende uit en onderbouwde die met voorbeelden uit beide kampen. Dat gebeurde in "Ik had mijn Roode-Kruis band afgedaan; oorlogsrecht en gedragingen van Nederlandse en Duitse militairen in gevecht, mei 1940".

Het heeft, naar mijn mening tenminste, geen zin, de discussie te heropenen op basis van de definitie die Amersfoort gaf. Hij verkleinde de lijst van bekende oorlogsmisdaden namelijk zo bijna tot nul. Uit enkele tientallen bekende en zo goed mogelijk gedocumenteerde gevallen. Die waren voor hem niet meer voldoende om van "structurele" of "systematische" schendingen van het oorlogsrecht te spreken. Ook werd de tegenpartij een spiegel voorgehouden: "Jullie deden het ook". Het zijn allebei bekende debatingtrucs. De auteurs van "Levende schilden en witte vlaggen" liepen nog wel in die valkuilen.

Naar mijn idee staat voldoende vast, dat de Duitsers (van SS-Standarte "Der Führer") oorlogsmisdaden hebben begaan bij de Grebbeberg. In Checkpoint en Trouw wordt er weer één zeer aannemelijk gemaakt, bij Huize Wilhelmina. Een standrechtelijke executie [?] als vergelding voor een beschoten Duits gewondentransport. Of de opgegeven aanleiding daarvoor niet een verzonnen excuus is, kan niet worden vastgesteld. Het werd met eigen oren gehoord. Moeilijk te bewijzen. Zoveel oud-strijders uit die tijd zijn niet meer in leven. Maar in elk geval is een "jij ook" geen geldig excuus. Het geeft de daders geen verschoningsrecht, een wat vreemd klinkende juridische term.

In het Dagboek dat mijn oom Sgt. A. Vink (Groepscommandant bij 1-II-8 RI) schreef, zijn ook nog enkele oorlogsmisdaden opgetekend. Naar mijn lekenoordeel tenminste, ik ben geen deskundige in het oorlogsrecht.

"Na overleg met enkele anderen deelde ik mede dat we ons over zouden geven. Inmiddels werd door enkele geweerschutters die ik niet direct bereiken kon nog gevuurd. Ik bond mijn zakdoek aan mijn bajonet en stak mijn geweer omhoog. Daarna wachtte ik in het mitrailleurnest het verdere verloop af. Het duurde nog enige tijd voor de Duitsers bij ons waren. Ongeveer acht uur waren zij onze stelling genaderd en wierpen een handgranaat naar binnen [was dat geen oorlogsmisdaad ?]. [..] Voorzien van een witte zakdoek die ik voor me uithield, verliet ik de stelling, waarna de anderen mij volgden.
Tijdens de overgave werden Berendsen D.J. en een soldaat van de Pag door een schot gewond [was dat geen oorlogsmisdaad ?]. Of zij hieraan overleden zijn weet ik niet met zekerheid. Korp Kok werd aan de hand gewond. Bij de uitgang stond een Duitser met het geweer in de aanslag. Niet licht zal ik vergeten het duivelse gezicht dat ik toen voor mij zag. Er lag niets menselijks meer in. We moesten direct onze uitrusting afdoen en werden met de handen omhoog en met achterlating van alles opgejaagd. Zo maakten we kennis met de Duitse stoottroepen, SS-mannen en soldaten van het z.g. doodskoppenregiment, mensen die voor niets terugdeinzen en voor wie het leven geen waarde meer heeft als het gaat om de overwinning van het Duitse Rijk."

Voor alle duidelijkheid, mijn oom was boekhouder, zeer precies. Hij maakte aantekeningen in een boekje en werkte die na terugkeer uit krijgsgevangenschap waarschijnlijk kort na zijn verjaardag (16 juni 1940) uit. Het mag daarom beschouwd worden als een contemporain document van hoge kwaliteit. Excuus voor het jargon.

Het zou de redactie van "Mei 1940" sieren, als de bewuste passage op pag. 381 (zie boven) en het te gemakkelijk oordeel over Nederlandse soldaten die net zo goed verkeerde dingen deden, eruit gehaald werd bij de volgende herziene druk.


Dr C.J. Ruissen
Amersfoort, 18 december 2011

zaterdag 17 december 2011

Waarschuwingen

Op 3 december maakte ik een herstart met deze publicatie. Pas toen waren er naar mijn mening duidelijke conclusies te trekken uit het onderzoek. Het eerdere materiaal blijkt nu op bepaalde punten niet juist te zijn geweest. Het loonde voor mij niet, om de eerdere tekst nog eens door te nemen en, waar nodig, te corrigeren.

Het duurt nog even, voordat dit hoofdstuk (vanaf "Interpretatie") kan worden afgerond. Bij de door mij geraadpleegde experts ligt een belangrijk punt op tafel. Op www.grebbeberg.nl werd gisteren door mij nog om reacties op enkele voorlopige conclusies gevraagd.
Er is daarom genoeg tijd om nu enkele onderwerpen te behandelen, die anders zouden zijn blijven liggen.

Eerst iets over gebruiksrecht en verkeersanalyse. Wat heeft dat met mijn blog te maken ?

* Gebruiksrecht
Niets uit deze publicatie mag worden gebruikt verspreid of opgeslagen, op welke manier dan ook, zonder een door mij eerder voor dat doel gegeven uitdrukkelijke schriftelijke toestemming

* Copyright
No part of this publication may be used distributed or stored in any form without my prior consent, explicitly and purposely given in writing

* Toelichting
Bij deze blog hoort een stukje standaard gereedschap, waarmee een verkeersanalyse kan worden gemaakt. Die levert een paar interessante grafieken en tabellen. Daaruit blijkt bijvoorbeeld, hoeveel mensen gericht naar deze site zochten. Vrij gedetailleerd zelfs: Uit welk land, vanuit welke bron, met welke zoekvraag, naar welk onderwerp, op welk tijdstip.

Toppers waren onder de door mij hier behandelde onderwerpen tot nu toe, van meer naar minder vaak bezochte pagina's:

o De SS-afdeling
o Vliegtuigacties
o Spoorweggeschut
o Paardenkerkhof
o Zoekgebied

Er werd vermoedelijk ook al inhoud "geroofd", tenminste eenzijdig en zonder mijn toestemming gebruikt. Dat wordt immers vooral voor plaatjes nogal gemakkelijk gedaan. Er zijn eigen foto's van me bij, maar ook wat met beperkt gebruiksrecht door mij verkregen materiaal. Gebruik door anderen daarvan is strafbaar.
De mogelijkheid om vragen te stellen of een reactie te geven, werd hier nog nauwelijks benut. Sinds de start van mijn onderzoek (april 2009) kwam maar één reactie binnen. Gelukkig veel meer langs andere kanalen.

Misschien denkt niet elke gebruiker daaraan, maar klakkeloos overnemen van mijn materiaal heeft echt wel risico's voor hem of haar. Niet alleen, omdat bij gebleken misbruik wettelijke tegenacties mogelijk zijn. Dat lijkt misschien een erg overdreven opvatting van me, maar dat hoeft niet zo te zijn.
Het overzicht Verkeersbronnen zette me daarover diep aan het denken. Er werden nogal wat zoekvragen zichtbaar vanuit Rusland, met een onduidelijk webadres. Ook vanuit nog zo'n adres, waarschijnlijk toch met op zijn minst twijfelachtige bedoelingen. Door mijn loopbaan (van verzekeringsbedrijf naar grote bank en op het laatst bij Justitie) ben ik daar misschien veel meer dan de gemiddelde blogger op gespitst.
Na wat navragen en googelen blijkt, dat dit een algemeen probleem is, dat vooral de statistieken vervuilt. Volgens Google vrij onschuldig en niet te blokkeren. Toch maar even deze waarschuwingen. Ieder moet zijn eigen risico maar inschatten.

Een waarschuwing nog van heel andere aard. Een enkele keer worden achteraf kleine wijzigingen in de geplaatste tekst aangebracht. Meestal alleen taalkundig, om een typfout te verbeteren, of een bepaalde passage aan te scherpen. Soms ook naar inhoud. Op grond van nieuwe informatie, of veranderd inzicht.

donderdag 15 december 2011

De Grebbeberg zijtoneel ?

Voor tijdgenoten was het eigenlijk niet zo'n punt van discussie. Bij en op de Grebbeberg waren door beide partijen verbitterde gevechten geleverd. Het werd als sleutelpositie (grendel op de voordeur van de Vesting Holland) beschouwd, waarin het Nederlandse leger stand moest zien te houden. Lang genoeg om door de bondgenoten voldoende versterkingen te laten aanvoeren. Om samen met hen de Duitse opmars te stuiten, de aanvoerlijnen af te snijden, etc. Dan bestond er een goede kans om de aanval definitief af te slaan.
Na een plaatselijke doorbraak van de Grebbelinie moest op de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) worden teruggevallen. Na geslaagde terugtocht ging het vooral om drie dingen eerst. Tijdwinst, hergroeperen, hulp uit het buitenland. Vanaf dat punt zou hopelijk zelfs overname van de aanval mogelijk zijn.
Er zouden dan (als de terugtocht tenminste goed verliep) wel veel meer dan drie Legerkorpsen opgesteld kunnen worden (wat over was van drie Legerkorpsen en minstens vier Brigades). * Maar de sterkte van de defensie daar, sloeg men niet hoog aan. Zeker niet meer, toen de teruggenomen troepen de NHW bereikten en zagen, dat nog weinig gereed was tot verdediging.

Toen al, keek men wel verder. Naar de IJssel- en Maaslinie, en de Peel - Raamstelling die op 10.5.40 al doorbroken werden. Naar de doorbraak bij Rhenen, die meer tijd kostte. Die slaagde pas in de late avond van 13.5. Rond 13.30 uur de dag erna volgde het bombardement op Rotterdam. Utrecht werd met hetzelfde lot bedreigd, waarna Generaal H.G. Winkelman besloot te capituleren. Hij zag geen andere mogelijheid om verder doelloos bloedvergieten van militairen en burgers te voorkomen. De vijand had het slot op de achterdeur van de Vesting Holland al geforceerd. De opmars naar Rotterdam was voltooid. Het zou de Duitsers vroeg of laat wel lukken om aansluiting te krijgen met de kleine eenheden, die daar nog stand wisten te houden. De luchtlandingstroepen die tussen Den Haag en Rotterdam neergelaten waren. Zij hadden (verspreid en geïsoleerd als ze waren geraakt) niet genoeg kracht om door te breken.
Naast Zeeland, waar nog een dag of vier doorgevochten werd, zijn dit in Nederland de voornaamste operatiegebieden geweest. Vooral de gevechten daar werden tenminste behandeld in de Militaire Spectator, het Beknopt Overzicht, de Groene Serie van Nierstrasz, en de boeken die Brongers en De Jong schreven.

Er kon nog (ook in het begin al) meer worden uitgezoomd. Naar het Duitse operatieplan "Fall Gelb". Daarmee werd de strijd bij Wageningen nog meer naar het zijtoneel verplaatst. In de Duitse bronnen wordt de op 10.5.40 begonnen veldtocht meestal "Westfeldzug" (richting Frankrijk) genoemd. Eigenlijk toen al opgevat als voorfase van de latere "Ostfeldzug" (richting Rusland). Daarmee verdween de strijd op en bij de Grebbeberg bijna volledig buiten beeld. Eerste hoofddoel was Frankrijk (en vervolgens nog Groot Brittannië) uit te schakelen, om dan het gezicht naar het oosten te kunnen keren. De Westfeldzug met vervolg verbleekt zelfs weer bij de laatste grote operatie. De pas midden 1941 begonnen strijd met het communistisch Rusland. Door de Duitse propaganda werden die tegenstanders graag "bolsjewieken" genoemd. Dat woordgebruik stamde al uit WO I.

Zoomen we weer in naar de gevechten in eigen land, dan werd de Grebbeberg beslist niet als zijtoneel beschouwd. Zelfs door de Duitsers niet, tenminste volgens een eerste evaluatie.
Dat kan met enkele citaten worden onderbouwd. De eerste uit het Beknopt Overzicht [1947; pag. 88, pag. 102]:

"De Duitse aanval richtte zich in hoofdzaak tegen IV Div en voornamelijk tegen het verdedigingsvak van 8 RI, het aan de Rijn grenzend regimentsvak, waarin de Grebbeberg is gelegen."
"Alvorens het strijdtoneel op de Grebbeberg te verlaten, past het ons een eresaluut te brengen aan de talloze militairen die hier het hoogste offer voor hun Vaderland hebben gebracht." Als voetnoot hierbij:
"Het aantal gesneuvelden van 8 RI bedraagt 186."

De laatste uit het "Denkschrift über die niederländische Landesbefestigung" dat als conclusie van Generaal Winkelman gaf [1941; pag. 113]. **

"Erst die Grebbe-Stellung kann ernsthaft verteidigt werden [..] die Widerstandskraft der Grebbe-Linie und die Verteidigung von Zeeland hängen unter anderem ab von die Hilfe der Engländer und Franzosen. [..] Es kommt alles darauf an, dass diese Hilfe schnell eintritt. [..] Die Festung Holland würde wesentlich schwächere Kräfte des Angreifers binden."

Van een Duits generaal (General a. D. W. Speidel, (1958), "Der Westfeldzug 1939/1940 - Fall Gelb" Teil 3 Bd 1, Pag. 83) en een stafofficier (Oberst i.G. a.D. E. Langmann, "Die Luftlandung des verst. IR 16 südwestl. Rotterdam [..]", Handschrift (1955), Pag. 4), zijn nog als latere opmerkingen bekend:

"[..] dieser Einsatz gegen die Festung Holland war ein integrierender [!] Bestandteil der Gesamtplanung und stand in unmittelbarer Wechselwirkung mit dem operativen Ziel: Durchbruch durch die Mitte zum Kanal."

"Für den Angriff des deutschen Heeres in Mai '40 nach Frankreich hinein, war die Ausschaltung einer Bedrohung der Nordflanke, die durch eine Landung engl[ischer] Truppen in Holland möglich werden konnte, von entscheidender [!] Bedeutung".

Hieruit blijkt, dat ook later Duitse hoge officieren de operatie(s) in ons land zeker niet als een kleine bijkomstigheid hebben gezien.




* De Legerkorpsen II, III, IV (I stond aan de kust van de Vesting Holland). Verder de Brigades A, B, C, G, K (die gedeeltelijk al als reserve-eenheden waren benut bij de verdediging van de naar het westen omgebogen hoofdlinie, noord van de grote rivieren en op de Zuidhollandse eilanden).

** Zie ook pag. 40 van dat rapport, waarin door de Duitsers zelf onder meer van verbitterde gevechten wordt gesproken. Citaat opgenomen op dinsdag 6 december, in het hoofdstukje "De kracht van de HWL (2)."

woensdag 14 december 2011

Dagboek van mijn oom (3)

Alweer kwam er een vraag, waar ik met mijn verhaal naar toe wilde. Dat is in een paar woorden te zeggen. Duidelijk maken, dat voorgaande auteurs (net als ik, dat kan gewoon niet anders) elk maar een stukje van de waarheid in handen hadden en zagen. De een had daarbij een beter overzicht dan de ander. Daarom trok niet ieder dezelfde conclusies.

Terug naar het Dagboek van mijn oom. Zijn derde eigenschap: de bereidheid zich voor "zijn" mannen op te offeren. Dat laatste blijkt (naar mijn idee) onmiskenbaar uit een paar fragmenten. Onder meer uit een passage na zijn gevangenneming.
Later wordt meteen duidelijk, dat hij het Dagboek beslist niet schreef, om zijn eigen prestaties op te hemelen. Maar dat is hier een zijsprongetje.

Ergens halverwege de Rijksstraatweg gebeurde het volgende.

"Daarna moesten we een hospitaalwagen uit het gat trekken en het gat opvullen met stenen. Terwijl we hiermede bezig waren kwam er een volgend transport gevangenen aan, waarbij Ds. van Exel en hulpaalmoezenier Joosten. Juist op dit moment vielen er granaten van Hollandse zijde [I-15 RA ?] op de weg, zodat we in allerijl vluchten moesten. Ds van Exel werd door een granaatscherf gewond aan de voet en moest verder gedragen worden tot een verderop gelegen hulpverbandplaats [Noda] van de Duitsers. De soldaten die hem droegen konden ons echter niet bijhouden en riepen om versterking. Ik besloot te helpen en bleef achter. De ons begeleidende Duitser begreep dit echter verkeerd en dacht zeker dat ik niet mee kon komen. Hij riep "Mantel ausziehen" en beduidde mij dat ik mijn overjas moest uittrekken. Ik voldeed hieraan en nam mijn jas over de arm. Dit was echter niet de bedoeling, want hij riep toen: "Wegwerfen". Toen wierp ik mijn jas noodgedwongen langs de kant van de weg. Eerst later ontdekte ik dat ik nu tevens mijn Bijbel en mijn veldmuts kwijt was. Intussen holden we verder, ons nu en dan dekkend langs de glooiing van de weg tot we buiten de gevaarlijke zône waren. Daarna gingen we weer in snel marstempo verder naar Wageningen."

Iemand heeft me een "copy cat" genoemd. Ja, zo kun je het ook zien. Maar mijn citaten zijn er niet om mijn belezenheid te tonen. Ze hebben een bedoeling, die natuurlijk (gezien mijn schrijfstijl) niet ieder meteen duidelijk zal zijn. Ik hou veel van verrassingen.
Uit dit citaat, maar ook uit andere passages, blijkt dat mijn oom zich heel bewust was van de gevaren. Er viel granaatvuur. Toch trotseerde hij dat, en bood zich aan om te helpen bij het dragen van een gewonde. Hij had, als sergeant, ook één van zijn mannen daartoe bevel kunnen geven. Dat deed hij niet. Hij vond, dat hij zijn mannen daaraan niet kon wagen en zelf dat risico moest nemen. Zo ken ik hem.

Het zou een geschikt punt zijn, om hier te stoppen. En de draad (De kracht van de HWL, het effect van de Duitse beschietingen) weer op te pakken. Nog even niet.
Dit Dagboek illustreert voor mij heel goed, hoe gekleurd in "Mei 1940" hier en daar geschiedenis werd geschreven. Hoe gek dat op het eerste gezicht ook klinkt. Het was immers een (naar eigen bedoeling) objectief wetenschapper die schreef. Toch deel ik twee van zijn conclusies niet en vraag me af, of die correct zijn. De bewijsvoering is daar niet overtuigend. Dat kan alleen worden geïllustreerd met een ander citaat. Over de gebeurtenissen op 12.5.40. Het is te vinden op bladzijden 280 en 281 van het boek van Herman Amersfoort en Piet Kamphuis (zoals ze zich zelf presenteerden in de 2e herziene druk):

"De Duitse artillerie werd zo opgesteld dat zij vanuit de Nederlandse stellingen niet zichtbaar was. Machteloos moesten de Nederlandse troepen op de Grebbeberg dan ook het enorme artillerievuur ondergaan. De hele morgen van 12 mei ging het door. Even na de middag werd de beschieting geconcentreerd op het hoornwerk en de voorrand van de Grebbeberg. De Nederlandse troepen hier werden zo gedwongen volledig in de schuilplaatsen te gaan waar zij angstig de gebeurtenissen afwachten."

Dit is naar mijn mening voor een beoogd objectief wetenschapper een zeer gekleurde versie van het verhaal. Verder trouwens veel respect voor de auteur en het helder geschreven boek. Misschien was de tweekoppige redactie op dit punt gewoon slecht geïnformeerd door de staf en het team van deskundigen, want zo gaat het schrijven van zo'n boek meestal. Net als oorlog voeren.
De feiten zijn heel anders. De Duitse artillerie was deze dag voor het eerst bijna in volle omvang zichtbaar. Uit verschillende rapporten en gevechtsverslagen blijkt dat wel. Alleen al van 8 RA zijn er drie of eigenlijk vier [NIMH Coll 409, Inv Nr 511001, 511007a, 511007b, 511016]. Verder heb ik mijn twijfels of het zo'n enorm artillerievuur was, dat men moest ondergaan. Vlak voor de aanval duidelijk wel. Daarvoor naar mijn mening niet. En zo zijn er nog een paar vraagtekens te zetten. Maar genoeg hierover.

Mijn bedoeling met dit tussenstuk was, duidelijk te maken, dat deze strijd niet in zwart of wit kan worden afgeschilderd. Er is een breder palet nodig. En het is ook niet reëel te denken dat dit complexe gebeuren alleen uit documenten 100% trefzeker nu nog te reconstrueren is.

Een mogelijkheid om wat meer nuance te ontdekken, is het lezen van verschillende versies. Daarom zijn de boeken over "Mei 1940" van De Jong en Brongers in mijn ogen minstens zo waardevol als die van Nierstrasz en Amersfoort c.s. De eerste twee schreven trouwens erg boeiende verhalen. Gekleurd ook zeker wel. Toch heb ik alleen al vanwege hun brede werk en pakkende schrijfstijl een duidelijke voorkeur voor die auteurs.

Naar mijn mening werd 8 RI (daarmee mijn oom als deel van het geheel), ten onrechte voor een lafaard of oorlogsmisdadiger gehouden. Ik begrijp de woede van de heer Jagtenberg en veel van zijn strijdmakkers daarover.

Laf vonden ze zichzelf misschien wel. Van mijn vader weet ik, dat hij zich schaamde. Omdat hij, zoals hij het zag (en waarschijnlijk ook wel van anderen voor zijn voeten geworpen had gekregen) niet echt gevochten had. Met zijn stuk van 3-III-7 RA, onderdeel van III LK. Zo ligt het, zoals ik het voel tenminste, absoluut niet. Zij (hij en met hem vele anderen, zoals mijn oom) waren bereid te vechten. Hun leven op te offeren. Voor mij is dat genoeg.

dinsdag 13 december 2011

Dagboek van mijn oom (2)

Het dagboek mag ingeschat worden als zeer betrouwbaar. Want mijn oom was erg precies. Dat was de eerste typering die zijn dochter me gaf, en blijkbaar dus voor haar ook het meest sprekend. Hij was tenslotte niet voor niets boekhouder. Dat beroep vroeg toen grote nauwkeurigheid. Daarom werd het Dagboek waarschijnlijk ook graag in ontvangst genomen door het NIOD. Als basisdocument voor verder onderzoek.

Voor genoemde karaktertrek van mijn oom is er veel indirect bewijs. Af te lezen uit zijn verzorgd uiterlijk op foto's, een even verzorgd taalgebruik, een net en goed leesbaar handschrift, het maken van notities en lijstjes.
Niet veel mensen namen een notitieboekje mee om de gebeurtenissen tijdens de slag en het vervolg daarvan, de krijgsgevangenschap, vast te leggen. Hij wel.
Zijn aantekeningen werden kort na zijn terugkeer in Rotterdam zorgvuldig uitgewerkt en toegelicht met schetsen. Van de Grebbelinie in het vak van de IVe Divisie, de stelling van de Sectie en van zijn Groep.

Deze eigenschap wordt in het Dagboek op verschillende plaatsen goed zichtbaar. Voorbeelden zijn:

o Hij schreef elke dag op, wat het menu was. Tijdens de gevechtsdagen en gedurende zijn krijgsgevangenschap.
o In de tekst zijn bijna geen doorhalingen of verbeteringen te zien. Hij schreef misschien ook wel juist in potlood, om zo'n bijna perfect eindproduct te kunnen presenteren. De enkele foutjes die onvermijdelijk werden gemaakt, waren weg te gummen en te herstellen. Stijl en woordgebruik zijn helder en correct. Zijn goede opleiding en talenkennis spreken daaruit.
o De toegevoegde schetsen van eigen hand zijn duidelijk. Trefzeker getekend, en voorzien van de nodige toelichting.
o De lijst met namen is compleet. Al zijn mannen staan er op. Ook de kwartiergever en twee Duitse contacten. Vooral dat laatste is opmerkelijk. De adressen zijn duidelijk uit de eerste en de laatste fase: Kamp Bocholt, Kamp Neubrandenburg, en Seestadt Wismar. In de als derde genoemde plaats werd mijn oom tewerkgesteld.

Als eerste onderbouwing volgt hier een kort citaat. De aantekening voor Dinsdag 7 Mei 1940.

"Nadat van 9 - 26 April de verloven ingetrokken waren geweest, werden heden opnieuw de verloven en wel voor de vierde maal ingetrokken. Nog dezelfde avond werden graad 2 en 2a afgekondigd (graad 2 en 2a is dagelijks uitrukken naar de stelling met volledige gevechtsbepakking en munitie, voertuigen bepakken). Die dag was onze compagnie belast met I.V. (inwendige veiligheid [=bewaking van het stellinggebied]) zodat voor die avond een extra appèl om half acht gelast was, welk appèl voor de volgende dagen is blijven bestaan. Sinds Zaterdag was ik sergeant van de week. Ik had 's morgens juist mijn tweede fiets van het station afgehaald, die me in de komende dagen nog goed van pas gekomen is. Reeds 's middags wist Wim Keyman [de kwartiergever] mij mede te delen dat de verloven zouden worden ingetrokken."

Tweede onderbouwing is de door Sgt A. Vink eigenhandig gemaakte schets van de Groepsopstelling.
Hij was Groepscommandant over 12 man. Daarbij één schutter met helper voor de lichte mitrailleur en zeven geweerschutters. Wie zijn korporaal-opvolger was, is nu niet meer bekend.
Iemand gaf me een tip dat de stelling ook op een foto staat. Link:
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=2932

De legeropbouw is voor burgers door het gebruikt jargon vaak moeilijk te volgen. Daarom een korte uitleg.
Van hoog naar laag waren er het Regiment (8 RI). Dan het Bataljon (II). Hierna de Compagnie (1). Vervolgens de Sectie (1). Tenslotte de Groep (1). De aanduiding van zijn onderdeel werd dan voluit net in omgekeerde volgorde geschreven: 1e Groep 1e Sectie 1e Compagnie IIe Bataljon van 8 RI. Of 1-1-1-II-8 RI. De cijfers van Groep en Sectie werden meestal weggelaten.
Van het Groepsnummer ben ik niet 100% zeker. Ik meen me vaag iets te herinneren, dat er een overeenkomst was. Tussen het nummer van de eenheid van mijn vader (3-III-7 RA) en die van mijn oom. Het Groepsnummer zou dan 3-1-1-II-8 RI kunnen zijn. Tenminste als de opgaaf van ELt Emous (rechter steunpunt van 1-II-8 RI) correct is. Daar lijkt het nog altijd wel op. Maar mogelijk zat de parallel alleen in de laatste vier cijfers: 1-1-II-8 RI. Die staan toch eigenlijk ook wel vast.

Derde onderbouwing vormt zijn lijstje met namen en adressen dat achterin het Dagboek stond. Met nog wat informatie uit andere bronnen * werd dat door mij verwerkt in het volgend overzicht.
De oorspronkelijke regels (het donkere deel) zijn bij elkaar gehouden, en alleen wat anders gesorteerd. Bovenaan werden door mij de hogere commandanten van zijn eenheid toegevoegd. Hijzelf stond niet op het lijstje, maar werd hier voor de duidelijkheid opgenomen. Daarna volgen zijn manschappen, collega's, kwartiergever en twee Duitse contacten. Opvallend is, dat de gegevens over zijn mannen niet in alfabetische volgorde staan. Hoe die regels dan zijn gesorteerd, is me niet duidelijk.
De basislijst omvatte 17 namen en adressen. Veel bleven vrienden van Sgt A. Vink, of op zijn minst goede kennissen. Het regiment hield lang elk jaar een reünie. Daar werden oude herinneringen opgehaald en nieuwtjes uitgewisseld.



* Aanvullende informatie, mondeling verstrekt door familie. Verder gegevens uit enkele gevechtsverslagen (NIMH Coll 409, Inv Nr 508001, 508002, 508003, 508004).
In het verslag van ELt Emous (508003) wordt Vdg Nijlunsing nog Sgt genoemd. Waarschijnlijk werd hij dus bevorderd in de tijd dat mijn oom het Dagboek uitwerkte.