Op 3 december maakte ik een herstart met deze publicatie. Pas toen waren er naar mijn mening duidelijke conclusies te trekken uit het onderzoek. Het eerdere materiaal blijkt nu op bepaalde punten niet juist te zijn geweest. Het loonde voor mij niet, om de eerdere tekst nog eens door te nemen en, waar nodig, te corrigeren.
Het duurt nog even, voordat dit hoofdstuk (vanaf "Interpretatie") kan worden afgerond. Bij de door mij geraadpleegde experts ligt een belangrijk punt op tafel. Op www.grebbeberg.nl werd gisteren door mij nog om reacties op enkele voorlopige conclusies gevraagd.
Er is daarom genoeg tijd om nu enkele onderwerpen te behandelen, die anders zouden zijn blijven liggen.
Eerst iets over gebruiksrecht en verkeersanalyse. Wat heeft dat met mijn blog te maken ?
* Gebruiksrecht
Niets uit deze publicatie mag worden gebruikt verspreid of opgeslagen, op welke manier dan ook, zonder een door mij eerder voor dat doel gegeven uitdrukkelijke schriftelijke toestemming
* Copyright
No part of this publication may be used distributed or stored in any form without my prior consent, explicitly and purposely given in writing
* Toelichting
Bij deze blog hoort een stukje standaard gereedschap, waarmee een verkeersanalyse kan worden gemaakt. Die levert een paar interessante grafieken en tabellen. Daaruit blijkt bijvoorbeeld, hoeveel mensen gericht naar deze site zochten. Vrij gedetailleerd zelfs: Uit welk land, vanuit welke bron, met welke zoekvraag, naar welk onderwerp, op welk tijdstip.
Toppers waren onder de door mij hier behandelde onderwerpen tot nu toe, van meer naar minder vaak bezochte pagina's:
o De SS-afdeling
o Vliegtuigacties
o Spoorweggeschut
o Paardenkerkhof
o Zoekgebied
Er werd vermoedelijk ook al inhoud "geroofd", tenminste eenzijdig en zonder mijn toestemming gebruikt. Dat wordt immers vooral voor plaatjes nogal gemakkelijk gedaan. Er zijn eigen foto's van me bij, maar ook wat met beperkt gebruiksrecht door mij verkregen materiaal. Gebruik door anderen daarvan is strafbaar.
De mogelijkheid om vragen te stellen of een reactie te geven, werd hier nog nauwelijks benut. Sinds de start van mijn onderzoek (april 2009) kwam maar één reactie binnen. Gelukkig veel meer langs andere kanalen.
Misschien denkt niet elke gebruiker daaraan, maar klakkeloos overnemen van mijn materiaal heeft echt wel risico's voor hem of haar. Niet alleen, omdat bij gebleken misbruik wettelijke tegenacties mogelijk zijn. Dat lijkt misschien een erg overdreven opvatting van me, maar dat hoeft niet zo te zijn.
Het overzicht Verkeersbronnen zette me daarover diep aan het denken. Er werden nogal wat zoekvragen zichtbaar vanuit Rusland, met een onduidelijk webadres. Ook vanuit nog zo'n adres, waarschijnlijk toch met op zijn minst twijfelachtige bedoelingen. Door mijn loopbaan (van verzekeringsbedrijf naar grote bank en op het laatst bij Justitie) ben ik daar misschien veel meer dan de gemiddelde blogger op gespitst.
Na wat navragen en googelen blijkt, dat dit een algemeen probleem is, dat vooral de statistieken vervuilt. Volgens Google vrij onschuldig en niet te blokkeren. Toch maar even deze waarschuwingen. Ieder moet zijn eigen risico maar inschatten.
Een waarschuwing nog van heel andere aard. Een enkele keer worden achteraf kleine wijzigingen in de geplaatste tekst aangebracht. Meestal alleen taalkundig, om een typfout te verbeteren, of een bepaalde passage aan te scherpen. Soms ook naar inhoud. Op grond van nieuwe informatie, of veranderd inzicht.
zaterdag 17 december 2011
donderdag 15 december 2011
De Grebbeberg zijtoneel ?
Voor tijdgenoten was het eigenlijk niet zo'n punt van discussie. Bij en op de Grebbeberg waren door beide partijen verbitterde gevechten geleverd. Het werd als sleutelpositie (grendel op de voordeur van de Vesting Holland) beschouwd, waarin het Nederlandse leger stand moest zien te houden. Lang genoeg om door de bondgenoten voldoende versterkingen te laten aanvoeren. Om samen met hen de Duitse opmars te stuiten, de aanvoerlijnen af te snijden, etc. Dan bestond er een goede kans om de aanval definitief af te slaan.
Na een plaatselijke doorbraak van de Grebbelinie moest op de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) worden teruggevallen. Na geslaagde terugtocht ging het vooral om drie dingen eerst. Tijdwinst, hergroeperen, hulp uit het buitenland. Vanaf dat punt zou hopelijk zelfs overname van de aanval mogelijk zijn.
Er zouden dan (als de terugtocht tenminste goed verliep) wel veel meer dan drie Legerkorpsen opgesteld kunnen worden (wat over was van drie Legerkorpsen en minstens vier Brigades). * Maar de sterkte van de defensie daar, sloeg men niet hoog aan. Zeker niet meer, toen de teruggenomen troepen de NHW bereikten en zagen, dat nog weinig gereed was tot verdediging.
Toen al, keek men wel verder. Naar de IJssel- en Maaslinie, en de Peel - Raamstelling die op 10.5.40 al doorbroken werden. Naar de doorbraak bij Rhenen, die meer tijd kostte. Die slaagde pas in de late avond van 13.5. Rond 13.30 uur de dag erna volgde het bombardement op Rotterdam. Utrecht werd met hetzelfde lot bedreigd, waarna Generaal H.G. Winkelman besloot te capituleren. Hij zag geen andere mogelijheid om verder doelloos bloedvergieten van militairen en burgers te voorkomen. De vijand had het slot op de achterdeur van de Vesting Holland al geforceerd. De opmars naar Rotterdam was voltooid. Het zou de Duitsers vroeg of laat wel lukken om aansluiting te krijgen met de kleine eenheden, die daar nog stand wisten te houden. De luchtlandingstroepen die tussen Den Haag en Rotterdam neergelaten waren. Zij hadden (verspreid en geïsoleerd als ze waren geraakt) niet genoeg kracht om door te breken.
Naast Zeeland, waar nog een dag of vier doorgevochten werd, zijn dit in Nederland de voornaamste operatiegebieden geweest. Vooral de gevechten daar werden tenminste behandeld in de Militaire Spectator, het Beknopt Overzicht, de Groene Serie van Nierstrasz, en de boeken die Brongers en De Jong schreven.
Er kon nog (ook in het begin al) meer worden uitgezoomd. Naar het Duitse operatieplan "Fall Gelb". Daarmee werd de strijd bij Wageningen nog meer naar het zijtoneel verplaatst. In de Duitse bronnen wordt de op 10.5.40 begonnen veldtocht meestal "Westfeldzug" (richting Frankrijk) genoemd. Eigenlijk toen al opgevat als voorfase van de latere "Ostfeldzug" (richting Rusland). Daarmee verdween de strijd op en bij de Grebbeberg bijna volledig buiten beeld. Eerste hoofddoel was Frankrijk (en vervolgens nog Groot Brittannië) uit te schakelen, om dan het gezicht naar het oosten te kunnen keren. De Westfeldzug met vervolg verbleekt zelfs weer bij de laatste grote operatie. De pas midden 1941 begonnen strijd met het communistisch Rusland. Door de Duitse propaganda werden die tegenstanders graag "bolsjewieken" genoemd. Dat woordgebruik stamde al uit WO I.
Zoomen we weer in naar de gevechten in eigen land, dan werd de Grebbeberg beslist niet als zijtoneel beschouwd. Zelfs door de Duitsers niet, tenminste volgens een eerste evaluatie.
Dat kan met enkele citaten worden onderbouwd. De eerste uit het Beknopt Overzicht [1947; pag. 88, pag. 102]:
"De Duitse aanval richtte zich in hoofdzaak tegen IV Div en voornamelijk tegen het verdedigingsvak van 8 RI, het aan de Rijn grenzend regimentsvak, waarin de Grebbeberg is gelegen."
"Alvorens het strijdtoneel op de Grebbeberg te verlaten, past het ons een eresaluut te brengen aan de talloze militairen die hier het hoogste offer voor hun Vaderland hebben gebracht." Als voetnoot hierbij:
"Het aantal gesneuvelden van 8 RI bedraagt 186."
De laatste uit het "Denkschrift über die niederländische Landesbefestigung" dat als conclusie van Generaal Winkelman gaf [1941; pag. 113]. **
"Erst die Grebbe-Stellung kann ernsthaft verteidigt werden [..] die Widerstandskraft der Grebbe-Linie und die Verteidigung von Zeeland hängen unter anderem ab von die Hilfe der Engländer und Franzosen. [..] Es kommt alles darauf an, dass diese Hilfe schnell eintritt. [..] Die Festung Holland würde wesentlich schwächere Kräfte des Angreifers binden."
Van een Duits generaal (General a. D. W. Speidel, (1958), "Der Westfeldzug 1939/1940 - Fall Gelb" Teil 3 Bd 1, Pag. 83) en een stafofficier (Oberst i.G. a.D. E. Langmann, "Die Luftlandung des verst. IR 16 südwestl. Rotterdam [..]", Handschrift (1955), Pag. 4), zijn nog als latere opmerkingen bekend:
"[..] dieser Einsatz gegen die Festung Holland war ein integrierender [!] Bestandteil der Gesamtplanung und stand in unmittelbarer Wechselwirkung mit dem operativen Ziel: Durchbruch durch die Mitte zum Kanal."
"Für den Angriff des deutschen Heeres in Mai '40 nach Frankreich hinein, war die Ausschaltung einer Bedrohung der Nordflanke, die durch eine Landung engl[ischer] Truppen in Holland möglich werden konnte, von entscheidender [!] Bedeutung".
Hieruit blijkt, dat ook later Duitse hoge officieren de operatie(s) in ons land zeker niet als een kleine bijkomstigheid hebben gezien.
* De Legerkorpsen II, III, IV (I stond aan de kust van de Vesting Holland). Verder de Brigades A, B, C, G, K (die gedeeltelijk al als reserve-eenheden waren benut bij de verdediging van de naar het westen omgebogen hoofdlinie, noord van de grote rivieren en op de Zuidhollandse eilanden).
** Zie ook pag. 40 van dat rapport, waarin door de Duitsers zelf onder meer van verbitterde gevechten wordt gesproken. Citaat opgenomen op dinsdag 6 december, in het hoofdstukje "De kracht van de HWL (2)."
Na een plaatselijke doorbraak van de Grebbelinie moest op de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) worden teruggevallen. Na geslaagde terugtocht ging het vooral om drie dingen eerst. Tijdwinst, hergroeperen, hulp uit het buitenland. Vanaf dat punt zou hopelijk zelfs overname van de aanval mogelijk zijn.
Er zouden dan (als de terugtocht tenminste goed verliep) wel veel meer dan drie Legerkorpsen opgesteld kunnen worden (wat over was van drie Legerkorpsen en minstens vier Brigades). * Maar de sterkte van de defensie daar, sloeg men niet hoog aan. Zeker niet meer, toen de teruggenomen troepen de NHW bereikten en zagen, dat nog weinig gereed was tot verdediging.
Toen al, keek men wel verder. Naar de IJssel- en Maaslinie, en de Peel - Raamstelling die op 10.5.40 al doorbroken werden. Naar de doorbraak bij Rhenen, die meer tijd kostte. Die slaagde pas in de late avond van 13.5. Rond 13.30 uur de dag erna volgde het bombardement op Rotterdam. Utrecht werd met hetzelfde lot bedreigd, waarna Generaal H.G. Winkelman besloot te capituleren. Hij zag geen andere mogelijheid om verder doelloos bloedvergieten van militairen en burgers te voorkomen. De vijand had het slot op de achterdeur van de Vesting Holland al geforceerd. De opmars naar Rotterdam was voltooid. Het zou de Duitsers vroeg of laat wel lukken om aansluiting te krijgen met de kleine eenheden, die daar nog stand wisten te houden. De luchtlandingstroepen die tussen Den Haag en Rotterdam neergelaten waren. Zij hadden (verspreid en geïsoleerd als ze waren geraakt) niet genoeg kracht om door te breken.
Naast Zeeland, waar nog een dag of vier doorgevochten werd, zijn dit in Nederland de voornaamste operatiegebieden geweest. Vooral de gevechten daar werden tenminste behandeld in de Militaire Spectator, het Beknopt Overzicht, de Groene Serie van Nierstrasz, en de boeken die Brongers en De Jong schreven.
Er kon nog (ook in het begin al) meer worden uitgezoomd. Naar het Duitse operatieplan "Fall Gelb". Daarmee werd de strijd bij Wageningen nog meer naar het zijtoneel verplaatst. In de Duitse bronnen wordt de op 10.5.40 begonnen veldtocht meestal "Westfeldzug" (richting Frankrijk) genoemd. Eigenlijk toen al opgevat als voorfase van de latere "Ostfeldzug" (richting Rusland). Daarmee verdween de strijd op en bij de Grebbeberg bijna volledig buiten beeld. Eerste hoofddoel was Frankrijk (en vervolgens nog Groot Brittannië) uit te schakelen, om dan het gezicht naar het oosten te kunnen keren. De Westfeldzug met vervolg verbleekt zelfs weer bij de laatste grote operatie. De pas midden 1941 begonnen strijd met het communistisch Rusland. Door de Duitse propaganda werden die tegenstanders graag "bolsjewieken" genoemd. Dat woordgebruik stamde al uit WO I.
Zoomen we weer in naar de gevechten in eigen land, dan werd de Grebbeberg beslist niet als zijtoneel beschouwd. Zelfs door de Duitsers niet, tenminste volgens een eerste evaluatie.
Dat kan met enkele citaten worden onderbouwd. De eerste uit het Beknopt Overzicht [1947; pag. 88, pag. 102]:
"De Duitse aanval richtte zich in hoofdzaak tegen IV Div en voornamelijk tegen het verdedigingsvak van 8 RI, het aan de Rijn grenzend regimentsvak, waarin de Grebbeberg is gelegen."
"Alvorens het strijdtoneel op de Grebbeberg te verlaten, past het ons een eresaluut te brengen aan de talloze militairen die hier het hoogste offer voor hun Vaderland hebben gebracht." Als voetnoot hierbij:
"Het aantal gesneuvelden van 8 RI bedraagt 186."
De laatste uit het "Denkschrift über die niederländische Landesbefestigung" dat als conclusie van Generaal Winkelman gaf [1941; pag. 113]. **
"Erst die Grebbe-Stellung kann ernsthaft verteidigt werden [..] die Widerstandskraft der Grebbe-Linie und die Verteidigung von Zeeland hängen unter anderem ab von die Hilfe der Engländer und Franzosen. [..] Es kommt alles darauf an, dass diese Hilfe schnell eintritt. [..] Die Festung Holland würde wesentlich schwächere Kräfte des Angreifers binden."
Van een Duits generaal (General a. D. W. Speidel, (1958), "Der Westfeldzug 1939/1940 - Fall Gelb" Teil 3 Bd 1, Pag. 83) en een stafofficier (Oberst i.G. a.D. E. Langmann, "Die Luftlandung des verst. IR 16 südwestl. Rotterdam [..]", Handschrift (1955), Pag. 4), zijn nog als latere opmerkingen bekend:
"[..] dieser Einsatz gegen die Festung Holland war ein integrierender [!] Bestandteil der Gesamtplanung und stand in unmittelbarer Wechselwirkung mit dem operativen Ziel: Durchbruch durch die Mitte zum Kanal."
"Für den Angriff des deutschen Heeres in Mai '40 nach Frankreich hinein, war die Ausschaltung einer Bedrohung der Nordflanke, die durch eine Landung engl[ischer] Truppen in Holland möglich werden konnte, von entscheidender [!] Bedeutung".
Hieruit blijkt, dat ook later Duitse hoge officieren de operatie(s) in ons land zeker niet als een kleine bijkomstigheid hebben gezien.
* De Legerkorpsen II, III, IV (I stond aan de kust van de Vesting Holland). Verder de Brigades A, B, C, G, K (die gedeeltelijk al als reserve-eenheden waren benut bij de verdediging van de naar het westen omgebogen hoofdlinie, noord van de grote rivieren en op de Zuidhollandse eilanden).
** Zie ook pag. 40 van dat rapport, waarin door de Duitsers zelf onder meer van verbitterde gevechten wordt gesproken. Citaat opgenomen op dinsdag 6 december, in het hoofdstukje "De kracht van de HWL (2)."
woensdag 14 december 2011
Dagboek van mijn oom (3)
Alweer kwam er een vraag, waar ik met mijn verhaal naar toe wilde. Dat is in een paar woorden te zeggen. Duidelijk maken, dat voorgaande auteurs (net als ik, dat kan gewoon niet anders) elk maar een stukje van de waarheid in handen hadden en zagen. De een had daarbij een beter overzicht dan de ander. Daarom trok niet ieder dezelfde conclusies.
Terug naar het Dagboek van mijn oom. Zijn derde eigenschap: de bereidheid zich voor "zijn" mannen op te offeren. Dat laatste blijkt (naar mijn idee) onmiskenbaar uit een paar fragmenten. Onder meer uit een passage na zijn gevangenneming.
Later wordt meteen duidelijk, dat hij het Dagboek beslist niet schreef, om zijn eigen prestaties op te hemelen. Maar dat is hier een zijsprongetje.
Ergens halverwege de Rijksstraatweg gebeurde het volgende.
"Daarna moesten we een hospitaalwagen uit het gat trekken en het gat opvullen met stenen. Terwijl we hiermede bezig waren kwam er een volgend transport gevangenen aan, waarbij Ds. van Exel en hulpaalmoezenier Joosten. Juist op dit moment vielen er granaten van Hollandse zijde [I-15 RA ?] op de weg, zodat we in allerijl vluchten moesten. Ds van Exel werd door een granaatscherf gewond aan de voet en moest verder gedragen worden tot een verderop gelegen hulpverbandplaats [Noda] van de Duitsers. De soldaten die hem droegen konden ons echter niet bijhouden en riepen om versterking. Ik besloot te helpen en bleef achter. De ons begeleidende Duitser begreep dit echter verkeerd en dacht zeker dat ik niet mee kon komen. Hij riep "Mantel ausziehen" en beduidde mij dat ik mijn overjas moest uittrekken. Ik voldeed hieraan en nam mijn jas over de arm. Dit was echter niet de bedoeling, want hij riep toen: "Wegwerfen". Toen wierp ik mijn jas noodgedwongen langs de kant van de weg. Eerst later ontdekte ik dat ik nu tevens mijn Bijbel en mijn veldmuts kwijt was. Intussen holden we verder, ons nu en dan dekkend langs de glooiing van de weg tot we buiten de gevaarlijke zône waren. Daarna gingen we weer in snel marstempo verder naar Wageningen."
Iemand heeft me een "copy cat" genoemd. Ja, zo kun je het ook zien. Maar mijn citaten zijn er niet om mijn belezenheid te tonen. Ze hebben een bedoeling, die natuurlijk (gezien mijn schrijfstijl) niet ieder meteen duidelijk zal zijn. Ik hou veel van verrassingen.
Uit dit citaat, maar ook uit andere passages, blijkt dat mijn oom zich heel bewust was van de gevaren. Er viel granaatvuur. Toch trotseerde hij dat, en bood zich aan om te helpen bij het dragen van een gewonde. Hij had, als sergeant, ook één van zijn mannen daartoe bevel kunnen geven. Dat deed hij niet. Hij vond, dat hij zijn mannen daaraan niet kon wagen en zelf dat risico moest nemen. Zo ken ik hem.
Het zou een geschikt punt zijn, om hier te stoppen. En de draad (De kracht van de HWL, het effect van de Duitse beschietingen) weer op te pakken. Nog even niet.
Dit Dagboek illustreert voor mij heel goed, hoe gekleurd in "Mei 1940" hier en daar geschiedenis werd geschreven. Hoe gek dat op het eerste gezicht ook klinkt. Het was immers een (naar eigen bedoeling) objectief wetenschapper die schreef. Toch deel ik twee van zijn conclusies niet en vraag me af, of die correct zijn. De bewijsvoering is daar niet overtuigend. Dat kan alleen worden geïllustreerd met een ander citaat. Over de gebeurtenissen op 12.5.40. Het is te vinden op bladzijden 280 en 281 van het boek van Herman Amersfoort en Piet Kamphuis (zoals ze zich zelf presenteerden in de 2e herziene druk):
"De Duitse artillerie werd zo opgesteld dat zij vanuit de Nederlandse stellingen niet zichtbaar was. Machteloos moesten de Nederlandse troepen op de Grebbeberg dan ook het enorme artillerievuur ondergaan. De hele morgen van 12 mei ging het door. Even na de middag werd de beschieting geconcentreerd op het hoornwerk en de voorrand van de Grebbeberg. De Nederlandse troepen hier werden zo gedwongen volledig in de schuilplaatsen te gaan waar zij angstig de gebeurtenissen afwachten."
Dit is naar mijn mening voor een beoogd objectief wetenschapper een zeer gekleurde versie van het verhaal. Verder trouwens veel respect voor de auteur en het helder geschreven boek. Misschien was de tweekoppige redactie op dit punt gewoon slecht geïnformeerd door de staf en het team van deskundigen, want zo gaat het schrijven van zo'n boek meestal. Net als oorlog voeren.
De feiten zijn heel anders. De Duitse artillerie was deze dag voor het eerst bijna in volle omvang zichtbaar. Uit verschillende rapporten en gevechtsverslagen blijkt dat wel. Alleen al van 8 RA zijn er drie of eigenlijk vier [NIMH Coll 409, Inv Nr 511001, 511007a, 511007b, 511016]. Verder heb ik mijn twijfels of het zo'n enorm artillerievuur was, dat men moest ondergaan. Vlak voor de aanval duidelijk wel. Daarvoor naar mijn mening niet. En zo zijn er nog een paar vraagtekens te zetten. Maar genoeg hierover.
Mijn bedoeling met dit tussenstuk was, duidelijk te maken, dat deze strijd niet in zwart of wit kan worden afgeschilderd. Er is een breder palet nodig. En het is ook niet reëel te denken dat dit complexe gebeuren alleen uit documenten 100% trefzeker nu nog te reconstrueren is.
Een mogelijkheid om wat meer nuance te ontdekken, is het lezen van verschillende versies. Daarom zijn de boeken over "Mei 1940" van De Jong en Brongers in mijn ogen minstens zo waardevol als die van Nierstrasz en Amersfoort c.s. De eerste twee schreven trouwens erg boeiende verhalen. Gekleurd ook zeker wel. Toch heb ik alleen al vanwege hun brede werk en pakkende schrijfstijl een duidelijke voorkeur voor die auteurs.
Naar mijn mening werd 8 RI (daarmee mijn oom als deel van het geheel), ten onrechte voor een lafaard of oorlogsmisdadiger gehouden. Ik begrijp de woede van de heer Jagtenberg en veel van zijn strijdmakkers daarover.
Laf vonden ze zichzelf misschien wel. Van mijn vader weet ik, dat hij zich schaamde. Omdat hij, zoals hij het zag (en waarschijnlijk ook wel van anderen voor zijn voeten geworpen had gekregen) niet echt gevochten had. Met zijn stuk van 3-III-7 RA, onderdeel van III LK. Zo ligt het, zoals ik het voel tenminste, absoluut niet. Zij (hij en met hem vele anderen, zoals mijn oom) waren bereid te vechten. Hun leven op te offeren. Voor mij is dat genoeg.
Terug naar het Dagboek van mijn oom. Zijn derde eigenschap: de bereidheid zich voor "zijn" mannen op te offeren. Dat laatste blijkt (naar mijn idee) onmiskenbaar uit een paar fragmenten. Onder meer uit een passage na zijn gevangenneming.
Later wordt meteen duidelijk, dat hij het Dagboek beslist niet schreef, om zijn eigen prestaties op te hemelen. Maar dat is hier een zijsprongetje.
Ergens halverwege de Rijksstraatweg gebeurde het volgende.
"Daarna moesten we een hospitaalwagen uit het gat trekken en het gat opvullen met stenen. Terwijl we hiermede bezig waren kwam er een volgend transport gevangenen aan, waarbij Ds. van Exel en hulpaalmoezenier Joosten. Juist op dit moment vielen er granaten van Hollandse zijde [I-15 RA ?] op de weg, zodat we in allerijl vluchten moesten. Ds van Exel werd door een granaatscherf gewond aan de voet en moest verder gedragen worden tot een verderop gelegen hulpverbandplaats [Noda] van de Duitsers. De soldaten die hem droegen konden ons echter niet bijhouden en riepen om versterking. Ik besloot te helpen en bleef achter. De ons begeleidende Duitser begreep dit echter verkeerd en dacht zeker dat ik niet mee kon komen. Hij riep "Mantel ausziehen" en beduidde mij dat ik mijn overjas moest uittrekken. Ik voldeed hieraan en nam mijn jas over de arm. Dit was echter niet de bedoeling, want hij riep toen: "Wegwerfen". Toen wierp ik mijn jas noodgedwongen langs de kant van de weg. Eerst later ontdekte ik dat ik nu tevens mijn Bijbel en mijn veldmuts kwijt was. Intussen holden we verder, ons nu en dan dekkend langs de glooiing van de weg tot we buiten de gevaarlijke zône waren. Daarna gingen we weer in snel marstempo verder naar Wageningen."
Iemand heeft me een "copy cat" genoemd. Ja, zo kun je het ook zien. Maar mijn citaten zijn er niet om mijn belezenheid te tonen. Ze hebben een bedoeling, die natuurlijk (gezien mijn schrijfstijl) niet ieder meteen duidelijk zal zijn. Ik hou veel van verrassingen.
Uit dit citaat, maar ook uit andere passages, blijkt dat mijn oom zich heel bewust was van de gevaren. Er viel granaatvuur. Toch trotseerde hij dat, en bood zich aan om te helpen bij het dragen van een gewonde. Hij had, als sergeant, ook één van zijn mannen daartoe bevel kunnen geven. Dat deed hij niet. Hij vond, dat hij zijn mannen daaraan niet kon wagen en zelf dat risico moest nemen. Zo ken ik hem.
Het zou een geschikt punt zijn, om hier te stoppen. En de draad (De kracht van de HWL, het effect van de Duitse beschietingen) weer op te pakken. Nog even niet.
Dit Dagboek illustreert voor mij heel goed, hoe gekleurd in "Mei 1940" hier en daar geschiedenis werd geschreven. Hoe gek dat op het eerste gezicht ook klinkt. Het was immers een (naar eigen bedoeling) objectief wetenschapper die schreef. Toch deel ik twee van zijn conclusies niet en vraag me af, of die correct zijn. De bewijsvoering is daar niet overtuigend. Dat kan alleen worden geïllustreerd met een ander citaat. Over de gebeurtenissen op 12.5.40. Het is te vinden op bladzijden 280 en 281 van het boek van Herman Amersfoort en Piet Kamphuis (zoals ze zich zelf presenteerden in de 2e herziene druk):
"De Duitse artillerie werd zo opgesteld dat zij vanuit de Nederlandse stellingen niet zichtbaar was. Machteloos moesten de Nederlandse troepen op de Grebbeberg dan ook het enorme artillerievuur ondergaan. De hele morgen van 12 mei ging het door. Even na de middag werd de beschieting geconcentreerd op het hoornwerk en de voorrand van de Grebbeberg. De Nederlandse troepen hier werden zo gedwongen volledig in de schuilplaatsen te gaan waar zij angstig de gebeurtenissen afwachten."
Dit is naar mijn mening voor een beoogd objectief wetenschapper een zeer gekleurde versie van het verhaal. Verder trouwens veel respect voor de auteur en het helder geschreven boek. Misschien was de tweekoppige redactie op dit punt gewoon slecht geïnformeerd door de staf en het team van deskundigen, want zo gaat het schrijven van zo'n boek meestal. Net als oorlog voeren.
De feiten zijn heel anders. De Duitse artillerie was deze dag voor het eerst bijna in volle omvang zichtbaar. Uit verschillende rapporten en gevechtsverslagen blijkt dat wel. Alleen al van 8 RA zijn er drie of eigenlijk vier [NIMH Coll 409, Inv Nr 511001, 511007a, 511007b, 511016]. Verder heb ik mijn twijfels of het zo'n enorm artillerievuur was, dat men moest ondergaan. Vlak voor de aanval duidelijk wel. Daarvoor naar mijn mening niet. En zo zijn er nog een paar vraagtekens te zetten. Maar genoeg hierover.
Mijn bedoeling met dit tussenstuk was, duidelijk te maken, dat deze strijd niet in zwart of wit kan worden afgeschilderd. Er is een breder palet nodig. En het is ook niet reëel te denken dat dit complexe gebeuren alleen uit documenten 100% trefzeker nu nog te reconstrueren is.
Een mogelijkheid om wat meer nuance te ontdekken, is het lezen van verschillende versies. Daarom zijn de boeken over "Mei 1940" van De Jong en Brongers in mijn ogen minstens zo waardevol als die van Nierstrasz en Amersfoort c.s. De eerste twee schreven trouwens erg boeiende verhalen. Gekleurd ook zeker wel. Toch heb ik alleen al vanwege hun brede werk en pakkende schrijfstijl een duidelijke voorkeur voor die auteurs.
Naar mijn mening werd 8 RI (daarmee mijn oom als deel van het geheel), ten onrechte voor een lafaard of oorlogsmisdadiger gehouden. Ik begrijp de woede van de heer Jagtenberg en veel van zijn strijdmakkers daarover.
Laf vonden ze zichzelf misschien wel. Van mijn vader weet ik, dat hij zich schaamde. Omdat hij, zoals hij het zag (en waarschijnlijk ook wel van anderen voor zijn voeten geworpen had gekregen) niet echt gevochten had. Met zijn stuk van 3-III-7 RA, onderdeel van III LK. Zo ligt het, zoals ik het voel tenminste, absoluut niet. Zij (hij en met hem vele anderen, zoals mijn oom) waren bereid te vechten. Hun leven op te offeren. Voor mij is dat genoeg.
dinsdag 13 december 2011
Dagboek van mijn oom (2)
Het dagboek mag ingeschat worden als zeer betrouwbaar. Want mijn oom was erg precies. Dat was de eerste typering die zijn dochter me gaf, en blijkbaar dus voor haar ook het meest sprekend. Hij was tenslotte niet voor niets boekhouder. Dat beroep vroeg toen grote nauwkeurigheid. Daarom werd het Dagboek waarschijnlijk ook graag in ontvangst genomen door het NIOD. Als basisdocument voor verder onderzoek.
Voor genoemde karaktertrek van mijn oom is er veel indirect bewijs. Af te lezen uit zijn verzorgd uiterlijk op foto's, een even verzorgd taalgebruik, een net en goed leesbaar handschrift, het maken van notities en lijstjes.
Niet veel mensen namen een notitieboekje mee om de gebeurtenissen tijdens de slag en het vervolg daarvan, de krijgsgevangenschap, vast te leggen. Hij wel.
Zijn aantekeningen werden kort na zijn terugkeer in Rotterdam zorgvuldig uitgewerkt en toegelicht met schetsen. Van de Grebbelinie in het vak van de IVe Divisie, de stelling van de Sectie en van zijn Groep.
Deze eigenschap wordt in het Dagboek op verschillende plaatsen goed zichtbaar. Voorbeelden zijn:
o Hij schreef elke dag op, wat het menu was. Tijdens de gevechtsdagen en gedurende zijn krijgsgevangenschap.
o In de tekst zijn bijna geen doorhalingen of verbeteringen te zien. Hij schreef misschien ook wel juist in potlood, om zo'n bijna perfect eindproduct te kunnen presenteren. De enkele foutjes die onvermijdelijk werden gemaakt, waren weg te gummen en te herstellen. Stijl en woordgebruik zijn helder en correct. Zijn goede opleiding en talenkennis spreken daaruit.
o De toegevoegde schetsen van eigen hand zijn duidelijk. Trefzeker getekend, en voorzien van de nodige toelichting.
o De lijst met namen is compleet. Al zijn mannen staan er op. Ook de kwartiergever en twee Duitse contacten. Vooral dat laatste is opmerkelijk. De adressen zijn duidelijk uit de eerste en de laatste fase: Kamp Bocholt, Kamp Neubrandenburg, en Seestadt Wismar. In de als derde genoemde plaats werd mijn oom tewerkgesteld.
Als eerste onderbouwing volgt hier een kort citaat. De aantekening voor Dinsdag 7 Mei 1940.
"Nadat van 9 - 26 April de verloven ingetrokken waren geweest, werden heden opnieuw de verloven en wel voor de vierde maal ingetrokken. Nog dezelfde avond werden graad 2 en 2a afgekondigd (graad 2 en 2a is dagelijks uitrukken naar de stelling met volledige gevechtsbepakking en munitie, voertuigen bepakken). Die dag was onze compagnie belast met I.V. (inwendige veiligheid [=bewaking van het stellinggebied]) zodat voor die avond een extra appèl om half acht gelast was, welk appèl voor de volgende dagen is blijven bestaan. Sinds Zaterdag was ik sergeant van de week. Ik had 's morgens juist mijn tweede fiets van het station afgehaald, die me in de komende dagen nog goed van pas gekomen is. Reeds 's middags wist Wim Keyman [de kwartiergever] mij mede te delen dat de verloven zouden worden ingetrokken."
Tweede onderbouwing is de door Sgt A. Vink eigenhandig gemaakte schets van de Groepsopstelling.
Hij was Groepscommandant over 12 man. Daarbij één schutter met helper voor de lichte mitrailleur en zeven geweerschutters. Wie zijn korporaal-opvolger was, is nu niet meer bekend.
Iemand gaf me een tip dat de stelling ook op een foto staat. Link:
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=2932
De legeropbouw is voor burgers door het gebruikt jargon vaak moeilijk te volgen. Daarom een korte uitleg.
Van hoog naar laag waren er het Regiment (8 RI). Dan het Bataljon (II). Hierna de Compagnie (1). Vervolgens de Sectie (1). Tenslotte de Groep (1). De aanduiding van zijn onderdeel werd dan voluit net in omgekeerde volgorde geschreven: 1e Groep 1e Sectie 1e Compagnie IIe Bataljon van 8 RI. Of 1-1-1-II-8 RI. De cijfers van Groep en Sectie werden meestal weggelaten.
Van het Groepsnummer ben ik niet 100% zeker. Ik meen me vaag iets te herinneren, dat er een overeenkomst was. Tussen het nummer van de eenheid van mijn vader (3-III-7 RA) en die van mijn oom. Het Groepsnummer zou dan 3-1-1-II-8 RI kunnen zijn. Tenminste als de opgaaf van ELt Emous (rechter steunpunt van 1-II-8 RI) correct is. Daar lijkt het nog altijd wel op. Maar mogelijk zat de parallel alleen in de laatste vier cijfers: 1-1-II-8 RI. Die staan toch eigenlijk ook wel vast.
Derde onderbouwing vormt zijn lijstje met namen en adressen dat achterin het Dagboek stond. Met nog wat informatie uit andere bronnen * werd dat door mij verwerkt in het volgend overzicht.
De oorspronkelijke regels (het donkere deel) zijn bij elkaar gehouden, en alleen wat anders gesorteerd. Bovenaan werden door mij de hogere commandanten van zijn eenheid toegevoegd. Hijzelf stond niet op het lijstje, maar werd hier voor de duidelijkheid opgenomen. Daarna volgen zijn manschappen, collega's, kwartiergever en twee Duitse contacten. Opvallend is, dat de gegevens over zijn mannen niet in alfabetische volgorde staan. Hoe die regels dan zijn gesorteerd, is me niet duidelijk.
De basislijst omvatte 17 namen en adressen. Veel bleven vrienden van Sgt A. Vink, of op zijn minst goede kennissen. Het regiment hield lang elk jaar een reünie. Daar werden oude herinneringen opgehaald en nieuwtjes uitgewisseld.
* Aanvullende informatie, mondeling verstrekt door familie. Verder gegevens uit enkele gevechtsverslagen (NIMH Coll 409, Inv Nr 508001, 508002, 508003, 508004).
In het verslag van ELt Emous (508003) wordt Vdg Nijlunsing nog Sgt genoemd. Waarschijnlijk werd hij dus bevorderd in de tijd dat mijn oom het Dagboek uitwerkte.
Voor genoemde karaktertrek van mijn oom is er veel indirect bewijs. Af te lezen uit zijn verzorgd uiterlijk op foto's, een even verzorgd taalgebruik, een net en goed leesbaar handschrift, het maken van notities en lijstjes.
Niet veel mensen namen een notitieboekje mee om de gebeurtenissen tijdens de slag en het vervolg daarvan, de krijgsgevangenschap, vast te leggen. Hij wel.
Zijn aantekeningen werden kort na zijn terugkeer in Rotterdam zorgvuldig uitgewerkt en toegelicht met schetsen. Van de Grebbelinie in het vak van de IVe Divisie, de stelling van de Sectie en van zijn Groep.
Deze eigenschap wordt in het Dagboek op verschillende plaatsen goed zichtbaar. Voorbeelden zijn:
o Hij schreef elke dag op, wat het menu was. Tijdens de gevechtsdagen en gedurende zijn krijgsgevangenschap.
o In de tekst zijn bijna geen doorhalingen of verbeteringen te zien. Hij schreef misschien ook wel juist in potlood, om zo'n bijna perfect eindproduct te kunnen presenteren. De enkele foutjes die onvermijdelijk werden gemaakt, waren weg te gummen en te herstellen. Stijl en woordgebruik zijn helder en correct. Zijn goede opleiding en talenkennis spreken daaruit.
o De toegevoegde schetsen van eigen hand zijn duidelijk. Trefzeker getekend, en voorzien van de nodige toelichting.
o De lijst met namen is compleet. Al zijn mannen staan er op. Ook de kwartiergever en twee Duitse contacten. Vooral dat laatste is opmerkelijk. De adressen zijn duidelijk uit de eerste en de laatste fase: Kamp Bocholt, Kamp Neubrandenburg, en Seestadt Wismar. In de als derde genoemde plaats werd mijn oom tewerkgesteld.
Als eerste onderbouwing volgt hier een kort citaat. De aantekening voor Dinsdag 7 Mei 1940.
"Nadat van 9 - 26 April de verloven ingetrokken waren geweest, werden heden opnieuw de verloven en wel voor de vierde maal ingetrokken. Nog dezelfde avond werden graad 2 en 2a afgekondigd (graad 2 en 2a is dagelijks uitrukken naar de stelling met volledige gevechtsbepakking en munitie, voertuigen bepakken). Die dag was onze compagnie belast met I.V. (inwendige veiligheid [=bewaking van het stellinggebied]) zodat voor die avond een extra appèl om half acht gelast was, welk appèl voor de volgende dagen is blijven bestaan. Sinds Zaterdag was ik sergeant van de week. Ik had 's morgens juist mijn tweede fiets van het station afgehaald, die me in de komende dagen nog goed van pas gekomen is. Reeds 's middags wist Wim Keyman [de kwartiergever] mij mede te delen dat de verloven zouden worden ingetrokken."
Tweede onderbouwing is de door Sgt A. Vink eigenhandig gemaakte schets van de Groepsopstelling.
Hij was Groepscommandant over 12 man. Daarbij één schutter met helper voor de lichte mitrailleur en zeven geweerschutters. Wie zijn korporaal-opvolger was, is nu niet meer bekend.
Iemand gaf me een tip dat de stelling ook op een foto staat. Link:
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=2932
De legeropbouw is voor burgers door het gebruikt jargon vaak moeilijk te volgen. Daarom een korte uitleg.
Van hoog naar laag waren er het Regiment (8 RI). Dan het Bataljon (II). Hierna de Compagnie (1). Vervolgens de Sectie (1). Tenslotte de Groep (1). De aanduiding van zijn onderdeel werd dan voluit net in omgekeerde volgorde geschreven: 1e Groep 1e Sectie 1e Compagnie IIe Bataljon van 8 RI. Of 1-1-1-II-8 RI. De cijfers van Groep en Sectie werden meestal weggelaten.
Van het Groepsnummer ben ik niet 100% zeker. Ik meen me vaag iets te herinneren, dat er een overeenkomst was. Tussen het nummer van de eenheid van mijn vader (3-III-7 RA) en die van mijn oom. Het Groepsnummer zou dan 3-1-1-II-8 RI kunnen zijn. Tenminste als de opgaaf van ELt Emous (rechter steunpunt van 1-II-8 RI) correct is. Daar lijkt het nog altijd wel op. Maar mogelijk zat de parallel alleen in de laatste vier cijfers: 1-1-II-8 RI. Die staan toch eigenlijk ook wel vast.
Derde onderbouwing vormt zijn lijstje met namen en adressen dat achterin het Dagboek stond. Met nog wat informatie uit andere bronnen * werd dat door mij verwerkt in het volgend overzicht.
De oorspronkelijke regels (het donkere deel) zijn bij elkaar gehouden, en alleen wat anders gesorteerd. Bovenaan werden door mij de hogere commandanten van zijn eenheid toegevoegd. Hijzelf stond niet op het lijstje, maar werd hier voor de duidelijkheid opgenomen. Daarna volgen zijn manschappen, collega's, kwartiergever en twee Duitse contacten. Opvallend is, dat de gegevens over zijn mannen niet in alfabetische volgorde staan. Hoe die regels dan zijn gesorteerd, is me niet duidelijk.
De basislijst omvatte 17 namen en adressen. Veel bleven vrienden van Sgt A. Vink, of op zijn minst goede kennissen. Het regiment hield lang elk jaar een reünie. Daar werden oude herinneringen opgehaald en nieuwtjes uitgewisseld.
* Aanvullende informatie, mondeling verstrekt door familie. Verder gegevens uit enkele gevechtsverslagen (NIMH Coll 409, Inv Nr 508001, 508002, 508003, 508004).
In het verslag van ELt Emous (508003) wordt Vdg Nijlunsing nog Sgt genoemd. Waarschijnlijk werd hij dus bevorderd in de tijd dat mijn oom het Dagboek uitwerkte.
maandag 12 december 2011
Dagboek van mijn oom (1)
In veel al lang tot "mythe" bestempelde oorlogsverhalen zou best eens een kern van waarheid kunnen zitten.
Het is nu een geschikt moment om daar iets meer over te zeggen. Het zal namelijk nog wel even duren, voor alle reacties van de door mij ingeroepen experts binnengekomen en verwerkt zijn. Daarom wat meer over het in de voorgaande regels genoemd dagboekje van mijn oom.
Kort iets over de historische kwaliteit van dit document, daarna wat meer over mijn oom, tenslotte nog enkele nieuwe gezichtspunten die het lezen van het dagboekje mij opleverde. Voor geïntereseerden: het Dagboek, zoals ik het voortaan zal noemen, is van Dpl sgt A. Vink, 1e Sectie 1-II-8 RI. Het nummer van het onderdeel bij 8 RI wist mijn familie niet helemaal meer zeker. Dat zal dus nader uitgezocht moeten worden. Mogelijk blijkt dat wel uit andere documenten die nog in het bezit van mijn familie zijn. Dat zullen we eens onderzoeken. Het Dagboek staat al on line bij "Erfgoed van het Verleden", Oorlogsdagboeken. Wie de zoekfunctie gebruikt en op de site van Erfgoed "Oorlogsdagboeken, Vink" intypt komt vanzelf bij dit Dagboek terecht.
Het Dagboek is historisch gezien waardevol. Het is een vrij uniek werkstuk als persoonlijk verslag. Het werd vlak op de gebeurtenissen (gevechtsdagen en krijgsgevangenschap) op papier gezet. Waarschijnlijk even na 16 juni 1940. Basis hiervoor waren de aantekeningen gemaakt in een notitieboekje tijdens de gebeurtenissen zelf. Het zal daardoor veel betrouwbaarder zijn dan de soms jaren later uit het geheugen gemaakte gevechtsverslagen. Zo'n bron heet bij wetenschappers in de geschiedenis (waaronder mijn jongste zoon) in vaktermen een "contemporain document van hoge kwaliteit".
Zoals gezegd is het Dagboek van een oom van me, die ik lang heb meegemaakt en dus goed meende te kennen. Dat beeld (het zal niet op alle punten zonder vertekening zijn), blijkt nu toch aardig te kloppen. Wat me vooral trof, was zijn grote eerlijkheid, zijn nauwgezetheid, zijn bereidheid zich voor "zijn" mannen op te offeren. Die sprak voor mij uit verschillende passages. Die kwalificaties had hij voor mij al lang verdiend.
Het document wordt -met nog wat aanvullende informatie- op de site www.grebbeberg.nl geplaatst, waar het naar mijn mening ook het meest thuishoort. Mijn oom overleefde de strijd en kreeg op het Ereveld dus geen laatste rustplaats. Toch, hierbij, een klein monument tussen zijn makkers. Voor iemand die naar zijn idee gewoon zijn plicht deed, en naar de oorlog ging toen hij opgeroepen werd.
Als getraind wetenschappelijk onderzoeker werd mij geleerd zo objectief mogelijk te blijven. Daarom eerst wat meer gegevens. Daarna mijn bijgestelde interpretaties. Houvast geven enkele letterlijke citaten uit het Dagboek.
De eerste laat zijn eerlijkheid zien. Die blijkt voor mij vooral uit de manier waarop hij zijn [!] besluit tot overgave en de hierna volgende gevangenneming beschrijft, op maandag 13 mei 1940.
"Tweede Pinksterdag. Bij het aanbreken van de dag konden we [na de nacht waarin geen hand voor ogen kon worden gezien] het voorterrein weer overzien. We waren nu bijzonder op onze hoede, daar we elk ogenblik iets [een vijandelijke aanval] verwachten konden.
In het voorterrein konden we [ook de uitkijkposten die in bomen waren geklommen] niets ontdekken. Wel meenden we rechts van ons op grote afstand op de Grebbeberg iets te zien bewegen. Zekerheid hadden we echter niet. Omstreeks half acht ontdekten we de groep van [vaandrig] Nijlunsing. Nog een ogenblik haalden we de mitrailleur uit het mitrailleurnest en plaatsten deze achter bij de uitgang, waar we een enkel schot losten. Het bleek evenwel, dat we geheel zaten ingesloten en tegenstand dus geheel nutteloos zou zijn. Na overleg met enkele anderen [wie ?] deelde ik mede dat we ons over zouden geven.
Inmiddels werd door enkele geweerschutters die ik niet bereiken kon [!] nog gevuurd. Ik bond mijn zakdoek aan mijn bajonet en stak mijn geweer omhoog. Daarna wachtte ik in het mitrailleurnest het verdere verloop af. Het duurde nog enige tijd voor de Duitsers bij ons waren. Ongeveer [om] acht uur waren zij onze stelling genaderd en wierpen een handgranaat naar binnen [is dat geen oorlogsmisdaad ?]. Door de luchtdruk woei mijn haar onder mijn helm vandaan. Ik zag een vuurstraal [!] en wist zelf niet of ik door scherven in mijn gezicht geraakt was of niet. Ik voelde met mijn handen aan mijn gezicht en merkte dat ik ongedeerd was. Ook de anderen waren niet getroffen. Voorzien van een witte zakdoek die ik voor me uithield, verliet ik [voorop] de stelling, waarna de anderen mij volgden."
Alleen deze passage al leverde mij de volgende nieuwe gezichtspunten op.
1) Over het vermeend (?) wederzijds schieten uit bomen. Mijn tante vertelde me, dat er elke dag uitkijkposten in bomen werden uitgezet. Die mededeling past heel goed in andere gegevens.
Uit de "Handleiding artillerie te velde" (1933) voor reserve-officieren bij de bereden artillerie (Pag. 19) bijvoorbeeld. In Hoofdstuk V. Aanwijzingen voor de terreinverkenning staat, dat de verkenner onder meer voorzien moet zijn van zn. [zogenaamde] klimsporen, kniptang, zaklantaarn.
In mijn exemplaar [schenking van het Nederlands Artilleriemuseum] staat in potlood bijgeschreven "kijker". Die behoorde inderdaad in mei 1940 nog niet in lagere rangen tot de standaarduitrusting. Alleen bij officieren. Het werd daarom wel als statussymbool opgevat en omgehangen. Dat is een tweede aanvullend detail.
(2) Over de vermeende (?) oorlogsmisdaden van Duitsers. Voorzover ik begrijp (maar ik ben geen deskundige in het oorlogsrecht) was het verboden om krijgsgevangenen (in mijn opvatting ook ieder die de strijd staakte en de witte vlag toonde, en zich daarmee als krijgsgevangene had aangeboden) slecht te behandelen of hun leven in gevaar te brengen. Valt het binnenwerpen van een granaat in een stelling waarin de witte vlag getoond wordt dan niet in de categorie oorlogsmisdaad ?
(3) Over de interpretatie van vlammen, gemeld in gevechtsverslagen. In veel rapporten en gevechtsverslagen komen vlammen of vlamverschijnselen voor. Niet altijd met de vermoedelijke bron (soort wapen) daarbij. Naar mijn mening zijn de mogelijkheden hier (van meest naar minst waarschijnlijk):
* Mondingsvlammen van vurende (vijandelijke) artillerie. Zelfs overdag waren bij een schot mondingsvlam en mondingsrook te zien. Het eerste kon alleen maar worden gemaskeerd. Het laatste voor een groot deel door gebruik van vlamvrij kruit en een kardoes met zoutkristallen worden onderdrukt. Interpretatie was in deze gevallen meestal niet moeilijk. Er vielen één of meerdere schoten na elkaar, met vlam en knal. Dan is eigenlijk alleen verwarring met infanteriegeschut mogelijk.
* Vuurvlam van een mitrailleur. Een vijandelijke mitrailleur kon bijvoorbeeld door het schietgat van een kazemat een bundel vuur afgeven, met de bedoeling dat wapen tenminste tijdelijk uit te schakelen. Dat vuur was voor het personeel bijzonder gevaarlijk. Het kwam binnen als een bundel gloeiend (vloeibaar) lood.
* Vlam van een binnengeworpen handgranaat. Bij het veroveren van kazematten en stellingen werd vaak een handgranaat naar binnen geworpen (voorbeeld zie boven). Tot nu toe had ik me niet gerealiseerd, dat dit behalve de veel bekendere effecten (schokwerking, verdoving, scherfwerking) ook een vlam kon doen ontstaan.
* Vlam van een vlamspuit. Bekend is, dat de Duitse troepen bij de Grebbeberg uitgerust waren met enkele vlammenwerpers. Er is mij maar één geval bekend (bij het Hoornwerk) waarin dat wapen ook echt gebruikt zou kunnen zijn.
PS Eén van mijn vaste correspondenten wees me erop, dat de witte vlag geen teken van overgave was. Het werd gebruikt om aan te geven, dat men bereid was te onderhandelen, of een parlementaire actie aan het uitvoeren was (zoals in Rotterdam). Dat betekent dat de Duitsers in het "Denkschrift" het gebruik van de witte vlag óók verkeerd hebben geïnterpreteerd.
Het is nu een geschikt moment om daar iets meer over te zeggen. Het zal namelijk nog wel even duren, voor alle reacties van de door mij ingeroepen experts binnengekomen en verwerkt zijn. Daarom wat meer over het in de voorgaande regels genoemd dagboekje van mijn oom.
Kort iets over de historische kwaliteit van dit document, daarna wat meer over mijn oom, tenslotte nog enkele nieuwe gezichtspunten die het lezen van het dagboekje mij opleverde. Voor geïntereseerden: het Dagboek, zoals ik het voortaan zal noemen, is van Dpl sgt A. Vink, 1e Sectie 1-II-8 RI. Het nummer van het onderdeel bij 8 RI wist mijn familie niet helemaal meer zeker. Dat zal dus nader uitgezocht moeten worden. Mogelijk blijkt dat wel uit andere documenten die nog in het bezit van mijn familie zijn. Dat zullen we eens onderzoeken. Het Dagboek staat al on line bij "Erfgoed van het Verleden", Oorlogsdagboeken. Wie de zoekfunctie gebruikt en op de site van Erfgoed "Oorlogsdagboeken, Vink" intypt komt vanzelf bij dit Dagboek terecht.
Het Dagboek is historisch gezien waardevol. Het is een vrij uniek werkstuk als persoonlijk verslag. Het werd vlak op de gebeurtenissen (gevechtsdagen en krijgsgevangenschap) op papier gezet. Waarschijnlijk even na 16 juni 1940. Basis hiervoor waren de aantekeningen gemaakt in een notitieboekje tijdens de gebeurtenissen zelf. Het zal daardoor veel betrouwbaarder zijn dan de soms jaren later uit het geheugen gemaakte gevechtsverslagen. Zo'n bron heet bij wetenschappers in de geschiedenis (waaronder mijn jongste zoon) in vaktermen een "contemporain document van hoge kwaliteit".
Zoals gezegd is het Dagboek van een oom van me, die ik lang heb meegemaakt en dus goed meende te kennen. Dat beeld (het zal niet op alle punten zonder vertekening zijn), blijkt nu toch aardig te kloppen. Wat me vooral trof, was zijn grote eerlijkheid, zijn nauwgezetheid, zijn bereidheid zich voor "zijn" mannen op te offeren. Die sprak voor mij uit verschillende passages. Die kwalificaties had hij voor mij al lang verdiend.
Het document wordt -met nog wat aanvullende informatie- op de site www.grebbeberg.nl geplaatst, waar het naar mijn mening ook het meest thuishoort. Mijn oom overleefde de strijd en kreeg op het Ereveld dus geen laatste rustplaats. Toch, hierbij, een klein monument tussen zijn makkers. Voor iemand die naar zijn idee gewoon zijn plicht deed, en naar de oorlog ging toen hij opgeroepen werd.
Als getraind wetenschappelijk onderzoeker werd mij geleerd zo objectief mogelijk te blijven. Daarom eerst wat meer gegevens. Daarna mijn bijgestelde interpretaties. Houvast geven enkele letterlijke citaten uit het Dagboek.
De eerste laat zijn eerlijkheid zien. Die blijkt voor mij vooral uit de manier waarop hij zijn [!] besluit tot overgave en de hierna volgende gevangenneming beschrijft, op maandag 13 mei 1940.
"Tweede Pinksterdag. Bij het aanbreken van de dag konden we [na de nacht waarin geen hand voor ogen kon worden gezien] het voorterrein weer overzien. We waren nu bijzonder op onze hoede, daar we elk ogenblik iets [een vijandelijke aanval] verwachten konden.
In het voorterrein konden we [ook de uitkijkposten die in bomen waren geklommen] niets ontdekken. Wel meenden we rechts van ons op grote afstand op de Grebbeberg iets te zien bewegen. Zekerheid hadden we echter niet. Omstreeks half acht ontdekten we de groep van [vaandrig] Nijlunsing. Nog een ogenblik haalden we de mitrailleur uit het mitrailleurnest en plaatsten deze achter bij de uitgang, waar we een enkel schot losten. Het bleek evenwel, dat we geheel zaten ingesloten en tegenstand dus geheel nutteloos zou zijn. Na overleg met enkele anderen [wie ?] deelde ik mede dat we ons over zouden geven.
Inmiddels werd door enkele geweerschutters die ik niet bereiken kon [!] nog gevuurd. Ik bond mijn zakdoek aan mijn bajonet en stak mijn geweer omhoog. Daarna wachtte ik in het mitrailleurnest het verdere verloop af. Het duurde nog enige tijd voor de Duitsers bij ons waren. Ongeveer [om] acht uur waren zij onze stelling genaderd en wierpen een handgranaat naar binnen [is dat geen oorlogsmisdaad ?]. Door de luchtdruk woei mijn haar onder mijn helm vandaan. Ik zag een vuurstraal [!] en wist zelf niet of ik door scherven in mijn gezicht geraakt was of niet. Ik voelde met mijn handen aan mijn gezicht en merkte dat ik ongedeerd was. Ook de anderen waren niet getroffen. Voorzien van een witte zakdoek die ik voor me uithield, verliet ik [voorop] de stelling, waarna de anderen mij volgden."
Alleen deze passage al leverde mij de volgende nieuwe gezichtspunten op.
1) Over het vermeend (?) wederzijds schieten uit bomen. Mijn tante vertelde me, dat er elke dag uitkijkposten in bomen werden uitgezet. Die mededeling past heel goed in andere gegevens.
Uit de "Handleiding artillerie te velde" (1933) voor reserve-officieren bij de bereden artillerie (Pag. 19) bijvoorbeeld. In Hoofdstuk V. Aanwijzingen voor de terreinverkenning staat, dat de verkenner onder meer voorzien moet zijn van zn. [zogenaamde] klimsporen, kniptang, zaklantaarn.
In mijn exemplaar [schenking van het Nederlands Artilleriemuseum] staat in potlood bijgeschreven "kijker". Die behoorde inderdaad in mei 1940 nog niet in lagere rangen tot de standaarduitrusting. Alleen bij officieren. Het werd daarom wel als statussymbool opgevat en omgehangen. Dat is een tweede aanvullend detail.
(2) Over de vermeende (?) oorlogsmisdaden van Duitsers. Voorzover ik begrijp (maar ik ben geen deskundige in het oorlogsrecht) was het verboden om krijgsgevangenen (in mijn opvatting ook ieder die de strijd staakte en de witte vlag toonde, en zich daarmee als krijgsgevangene had aangeboden) slecht te behandelen of hun leven in gevaar te brengen. Valt het binnenwerpen van een granaat in een stelling waarin de witte vlag getoond wordt dan niet in de categorie oorlogsmisdaad ?
(3) Over de interpretatie van vlammen, gemeld in gevechtsverslagen. In veel rapporten en gevechtsverslagen komen vlammen of vlamverschijnselen voor. Niet altijd met de vermoedelijke bron (soort wapen) daarbij. Naar mijn mening zijn de mogelijkheden hier (van meest naar minst waarschijnlijk):
* Mondingsvlammen van vurende (vijandelijke) artillerie. Zelfs overdag waren bij een schot mondingsvlam en mondingsrook te zien. Het eerste kon alleen maar worden gemaskeerd. Het laatste voor een groot deel door gebruik van vlamvrij kruit en een kardoes met zoutkristallen worden onderdrukt. Interpretatie was in deze gevallen meestal niet moeilijk. Er vielen één of meerdere schoten na elkaar, met vlam en knal. Dan is eigenlijk alleen verwarring met infanteriegeschut mogelijk.
* Vuurvlam van een mitrailleur. Een vijandelijke mitrailleur kon bijvoorbeeld door het schietgat van een kazemat een bundel vuur afgeven, met de bedoeling dat wapen tenminste tijdelijk uit te schakelen. Dat vuur was voor het personeel bijzonder gevaarlijk. Het kwam binnen als een bundel gloeiend (vloeibaar) lood.
* Vlam van een binnengeworpen handgranaat. Bij het veroveren van kazematten en stellingen werd vaak een handgranaat naar binnen geworpen (voorbeeld zie boven). Tot nu toe had ik me niet gerealiseerd, dat dit behalve de veel bekendere effecten (schokwerking, verdoving, scherfwerking) ook een vlam kon doen ontstaan.
* Vlam van een vlamspuit. Bekend is, dat de Duitse troepen bij de Grebbeberg uitgerust waren met enkele vlammenwerpers. Er is mij maar één geval bekend (bij het Hoornwerk) waarin dat wapen ook echt gebruikt zou kunnen zijn.
PS Eén van mijn vaste correspondenten wees me erop, dat de witte vlag geen teken van overgave was. Het werd gebruikt om aan te geven, dat men bereid was te onderhandelen, of een parlementaire actie aan het uitvoeren was (zoals in Rotterdam). Dat betekent dat de Duitsers in het "Denkschrift" het gebruik van de witte vlag óók verkeerd hebben geïnterpreteerd.
donderdag 8 december 2011
Geschut, munitie, doelen (2)
Over de munitie die bij de aanval richting Grebbeberg werd gebruikt zijn we tot nu toe slecht geïnformeerd. Toch is wel ongeveer vast te stellen welke munitie in de uitrusting was, hoe hoog het verbruik, welke munitie werd gebruikt, en op welke manier.
Volgens een document uit de Praagse Collectie (NIMH Coll 410, Inv Nr 75079) was eind april in een schip munitie opgeslagen voor X. AK. SS "DF" moest toen brisantgranaten afstaan in ruil voor nevelgranaten, die volgens een ander document (NIMH Coll 410, Inv Nr 75082) schaars waren. Het aandeel in de Kalibereinheiten (KE) zou tot nader bericht wegvallen. Inplaats van nevelgranaten werden brisantgranaten met schokbuis geleverd. Op 30.4.40 werd dat ongedaan gemaakt door terugruil:
"1) SS-Rgt "Der Führer gibt ab
72 FH Gr mit AZ 23 v (0,25)
und empfängt dafür:
72 FH Gr Nb mit kl AZ 23 Nb.
Dat jargon kan als volgt worden uitgeschreven:
Af: 72 Brisantgranaten met schokbuis instelbaar tot 0,25 sec vertraagd.
Bij: 72 Nevelgranaten met kleine schokbuis voor nevelmunitie.
Hoe de munitie-uitrusting er verder uitzag bij 207. ID is niet in detail bekend.
Het eerste document geeft wel aan, wat er voor Leibstandarte "Adolf Hitler" in voorraad lag als belading voor een leichte Artillerie Kolonne (voor de 10,5 cm le FH 18). Totaal 1.050 granaten (756 Brisant met schokbuis, 66 Brisant met tijd/schokbuis, 156 Pantsergranaten, 72 Nevelgranaten). Aannemelijk is, dat de belading voor SS "DF" hetzelfde was.
Van het verbruik van 207. ID is bekend, dat tot 13.5.40 250 ton munitie was verschoten. Dat werd blijkbaar veel gevonden, want het werd verklaard met het "vastlopen van de aanval" (NIMH Coll 401, Inv Nr 0014). In een bericht van de Quartiermeisterabteilung Gen Kdo X. AK van 13.5.40 staat onder het kopje "Munitionswesen" (NIMH Coll 401, Inv Nr 2001):
"Die Kolonnen des Korps sind bis 13.5.40 10.00 Uhr nach Wolfheze (Mun. Ausgabestelle der 207. Div.) zugeführt: (Fernmündlich voraus)
3 KE l.F.H.18
1 KE 3,7 cm Pak (Pzgr.Patr.)
je 3000 Schuss 2 cm Pzgr.Patr. u. 2 cm Sprgr.Patr. für Kw.K."
Dat maakt duidelijk dat II/AR SS (de enige Afdeling bij 207. ID met le FH 18) op 12.5.40 blijkbaar veel gevuurd had. Ook Pak en Pantserwagens hadden daardoor dringend behoefte aan aanvulling. Deze hoeveelheden komen samen neer op 1/4 tot 1/3 (eigen schatting) van de gerapporteerde 250 ton.
Of er wel betongranaten voor de op 12.5 ingezette artillerie beschikbaar waren en gebruikt werden is onzeker. Maar het is zeer onwaarschijnlijk. Er zijn geen sporen op kazematten of in terrein van gevonden, en ze worden in bovenstaande opsommingen niet genoemd. Pas in verband met de aankomst van s Art Abt 735 (NIMH Coll 401, Inv Nr 0012). Die aantekening staat in het KTB X. AK/ Ib op 12.5 16.00 Uhr, samen met nog twee aanvragen voor het andere geschut:
"a) Antrag bis Q.Qu.: Heranführen von 130 t Mun. für s.Art.Abt 537 [moet zijn 735] aus Wissem. Bahnzuführung bis Zevenaar zugesichert.
b) Zuführung von 2 30 t-Kol. für s.F.H.18 und l.F.H. 16 - Mun. nach Mun.-Ausgabestelle Wolheeze, westnordwestl. Arnheim. Als Rückhalt für planmässigen Angriff auf den Grebbeberg bei Rhenen (Angriffsbeginn 12.5. nachmittags).
c) Anforderung von 3 KE l.FH.18 [zie boven] für Ausfüllung am 13.5. Hierzu Befehl des Kdr.Generals v. 12.5.40."
Het verbruik van 227. ID tot 14.5 is wel bekend uit een overzicht in het KTB 227. ID/Ia. Hierin komen geen Betongranaten voor (NIMH Coll 401, Inv Nr 1785).
In de Nederlandse bronnen zijn over de Duitse munitie gebruikt op 12.5.40 genoeg opmerkingen gemaakt die wat zeggen. Voor het contrast worden ook enkele eerdere opmerkingen meegenomen.
Voor 11.5.40:
Tlt J.U. Terpstra, Staf I-8 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 511005)
"(11 mei) Vijandelijke artillerie gaat intussen door met schieten op de Grebbeberg en de Voorpostenstrook. Explosies bij Anna's Hoeve, waarbij veel zand opgeworpen wordt, doen vermoeden dat de vijand daarop inschiet, niet versneld. [..] Vijandelijke artillerie houdt dit gedeelte onder vuur met enkele schoten die tijdprojectielen schijnen te zijn, daar een er van, die niet ver van mij springt, volstrekt geen zand opgooit."
Kapt H. Ballot, Cdt 1-III-8 RA, Dagboek (NIMH Coll 401, Inv Nr 511019)
We komen meer onder vuur te liggen, de projectielen knallen met een scherpe droge knal boven ons hoofd. Het is blijkbaar tijdvuur van licht geschut. Men brengt mij wat scherven en buizen. De laatsten zijn van een bijzonder licht soort witmetaal [aluminium] met weinig koper eraan. Veel van 's vijands vuur begrijpen wij niet, maar het is gemakkelijk dat hij in deze storende vuren zo methodisch te werk gaat."
Dr S.J. de Groot, "Vestingartillerie in het Veldleger" (2002)
(pag. 158) "De 1e en 2e batterij lagen [11 mei] voortdurend onder vijandelijk artillerie en mitrailleurvuur. De ligging van deze batterijen [van de 3e niet] was de vijand kennelijk goed bekend. Naast mijn commandopost is de telefooncentrale geheel vernield. De vijand schoot met schokprojectielen met zeer gevoelige buizen, kaliber 15 à 20 cm."
Voor 12.5.40:
Kapt. H. van Joolen, Cdt 3-1-8 RA, Verklaring (NIMH Coll 401, Inv Nr 511011)
Op de eerste dag kregen wij veel projectielen met knaleffect [signaalmunitie ?]. Later zijn de projectielen zwaarder geworden, ik denk 7,5 en 10,0 cm."
Gd H.H. Clement, 3-I-8 RA, Brief (NIMH Coll 401, Inv Nr 511011)
"Zo brak de Zondag 1e Pinksterdag aan, het artillerievuur van de vijand werd steeds heviger."
Kapt J. van 't Land, Cdt III-8 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 511014)
"De beschieting van onze eigen opstellingen neemt toe in zwaarte en kaliber. De waarnemingspost Groene Bank moet wegens de voortdurende beschieting worden ontruimd en teruggetrokken naar de mitrailleuropstelling in de bomen van de middenbatterij."
Kapt H. Ballot, Cdt 1-III-8 RA, Dagboek (NIMH Coll 401, Inv Nr 511019)
"Als de alarmtoestand [in de ochtend] over is ga ik met Malten weer eens in de [villa] "Lijstereng" kijken. Alles is in orde. In de keuken wassen en scheren wij ons eens lekker. We vinden nog wat rookbaars [sigaren en sigaretten] in huis en nemen ook wat blikjes mee. We nemen aan dat ons dit door de familie Sandbrink, die altijd zo aardig en gastvrij voor ons was, wel gegund zal zijn. Op de terugweg naar de batterij overvalt ons weer vijandelijk vuur en haastig zoeken wij dekking als 50 meter vóór ons een granaat ontploft. Het is zwaarder kaliber dan gisteren, en het zijn ook schokprojectielen. [..] Ook wij liggen meer en meer onder gericht vuur."
Elt. H.W. Felderhof, Cdt 2-I-12 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 502018)
"11.00 uur [..] Vijandelijk artillerievuur op de batterij en de commandopost. Ligging van dit vuur in het algemeen iets te ver. Aanvankelijk schokvuur, later tijdvuur. Gevonden scherven in de nabijheid tonen aan, dat gietijzeren projectielen worden gebruikt."
S.L. Groenewoud, 4-I-12 RA, "Artillerie in de Grebbeslag 1940", "Ons Leger jul-aug 1946". Overdruk, pag. 5.
"Nadat het vuur blijkbaar verder weg komt te liggen, commandeert de Bt.C. [Batterijcommandant]: "Op uw posten. Kijken !" Wij zien grote stof- en rookwolken en wennen tevens aan het gefluit der vijandelijke granaten boven ons hoofd. Tevens geeft de Bt.C. een korte theorie: "Kijk, die stommelingen schieten helemaal mis. Is het voor ons bedoeld, dan is het mis, enige honderden meters te ver. Is het voor de straatweg [bij Plantage W III, Elst] dan is het eveneens mis en is de verste afstand bestemd voor die schepen op de rivier, dan is het ook mis. Verder is er in dit gebied niets belangrijks aanwezig.""
Maj. J. H. Kramer, Cdt I-15 RA, Verklaring (NIMH Coll 401, Inv Nr 502023)
Op 12 Mei heb ik af en toe vijandelijk artillerievuur gehad, naar ik meen 8 cm projectielen."
Dr S.J. de Groot, "Vestingartillerie in het Veldleger" (2002)
(pag. 109) "De vijand zette zijn artilleriebeschieting met 24 à 25 cm geschut voort, waarbij de gehele afdeling systematisch onder vuur genomen werd. 9.30 uur [..]."
(pag. 123) "Gedurende dit vuur [volgens verslag op de toren van de NH Kerk van Wageningen], lagen wij zelf ook reeds geregeld onder vijandelijk vuur, dat hoe verder de dag verstreek steeds in hevigheid toenam en slechts kleine onderbrekingen vertoonden. [..] Juist waren deze voorbereidingen [voor stellingwisseling] getroffen of een ontzettend vijandelijk trommelvuur brak los, dat ons geruime tijd in onze schuilplaatsen gevangen hield. Hierbij werd een kaliber gebruikt van 20 à 24 cm. Naar wij later vernamen stonden deze batterijen in Bennekom en zelfs in Duitsland (spoorweggeschut) opgesteld. Hiermee werd de Grebbeberg regelmatig afgegraasd. Gedurende dit vuur kwam een autocolonne om de munitie te halen, de 7 man werden door granaatscherven gedood en de rest maakte rechtsomkeert. [..] Als door een wonder was van de gehele Afdeling niemand gedood en slechts één man licht gewond. Dit was wel te danken aan het feit, dat de stellingen goed waren ingegraven en de schuilplaatsen in een bos lagen terwijl de vijand versnelde buizen gebruikte die boven in de bomen sprongen waardoor slechts weinig voltreffers voorkwamen."
(pag. 134) "Naar onze opvatting wordt afwisselend met Brisantgranaatvuur en Kartetsvuur geschoten. In een vuurpauze laat de Batterijcommandant enige scherven zoeken om het kaliber vast te stellen; aangenomen wordt 15 cm en de scherven doorgezonden naar de Afdelingscommandant. [..] Tegen 11.30 uur, als het meer dan een uur rustig is geweest [geen vijandelijk vuur] komt de Afdelingscommandant Majoor Dr. H. de Groot persoonlijk zich op de hoogte stellen, omdat hij voortdurend vuur op onze stelling waarneemt. Er zijn tot nu toe gelukkig geen doden of gewonden te melden. [..] Het vuur blijft voortdurend op ons en onze omgeving liggen, o.a. naar onze mening op het vlakbij gelegen Stafcommando van 8 R.I. [..] Een Rode Kruis ordonnans op motorrijwiel wordt op 10 m achter de Batterijcommandopost door een scherf van een uiteenspattende granaat getroffen en is op slag dood; zijn oorlogszakboekje vermeldt de naam Tebrunsvelt, wonende te Amsterdam. Een controle in loopgraven en geschutsopstellingen wijst uit dat op enkele plaatsen treffers zijn geweest waardoor houten schuttingen door aardverschuivingen ontzet zijn. [..] Voortdurend wordt de stelling bij tussenpozen beschoten doch men dekt zich nauwelijks en weet aan het fluiten der projectielen nauwkeurig te onderscheiden voor welk doel ze bestemd zijn."
(pag. 156) "Des Zondags (12 Mei) werd Rhenen in elkaar geschoten, braken branden uit en hadden we vooral des middags van artillerie vuur te lijden. Er waren stukken van verschillend kaliber die ons tot doel hadden en 1e Luitenant Ir H.A. Kloosterman verzamelde scherven om het kaliber te kunnen vaststellen. Doordat we in de onderkomens vluchtten en er met versnelde projectielen geschoten werd zag ik geen slachtoffers bij ons eigen onderdeel. [..] Van de achterste batterij [..] werd een stuk vernield door het vuur der Duitsers, overigens wist Kapitein Vorstman (2e Batterij) zijn stukken te redden."
Zover de bronnen. Interpretatie van dit soort gegevens is niet eenvoudig, zelfs voor deskundigen niet. Toch volgt hierna een samenvatting met eigen conclusies. Die wordt eerst door een munitie-expert en twee artilleristen kritisch gelezen. Als een andere opvatting wordt voorgesteld, zal dat daarbij worden aangegeven.
Even nog het volgende. De officiële gevechtsrapporten en vuurregisters die bij het NIMH worden bewaard, zijn nogal eens achteraf gereconstrueerd en dan niet helemaal volledig. Dat blijkt ook uit een dagboekje van een oom van me. In mei 1940 sergeant bij Lt. Emous, 1e Sectie 1-II-8 RI. In zijn beleving werd er in de nachten van 10 tot 13 mei door geschut van beide partijen over hun hoofden heen stevig gevuurd. Hij schatte die nachtelijke schotenwisselingen in als artillerieduels. Het zou om een aantal storende vuren kunnen gaan.
Volgens een document uit de Praagse Collectie (NIMH Coll 410, Inv Nr 75079) was eind april in een schip munitie opgeslagen voor X. AK. SS "DF" moest toen brisantgranaten afstaan in ruil voor nevelgranaten, die volgens een ander document (NIMH Coll 410, Inv Nr 75082) schaars waren. Het aandeel in de Kalibereinheiten (KE) zou tot nader bericht wegvallen. Inplaats van nevelgranaten werden brisantgranaten met schokbuis geleverd. Op 30.4.40 werd dat ongedaan gemaakt door terugruil:
"1) SS-Rgt "Der Führer gibt ab
72 FH Gr mit AZ 23 v (0,25)
und empfängt dafür:
72 FH Gr Nb mit kl AZ 23 Nb.
Dat jargon kan als volgt worden uitgeschreven:
Af: 72 Brisantgranaten met schokbuis instelbaar tot 0,25 sec vertraagd.
Bij: 72 Nevelgranaten met kleine schokbuis voor nevelmunitie.
Hoe de munitie-uitrusting er verder uitzag bij 207. ID is niet in detail bekend.
Het eerste document geeft wel aan, wat er voor Leibstandarte "Adolf Hitler" in voorraad lag als belading voor een leichte Artillerie Kolonne (voor de 10,5 cm le FH 18). Totaal 1.050 granaten (756 Brisant met schokbuis, 66 Brisant met tijd/schokbuis, 156 Pantsergranaten, 72 Nevelgranaten). Aannemelijk is, dat de belading voor SS "DF" hetzelfde was.
Van het verbruik van 207. ID is bekend, dat tot 13.5.40 250 ton munitie was verschoten. Dat werd blijkbaar veel gevonden, want het werd verklaard met het "vastlopen van de aanval" (NIMH Coll 401, Inv Nr 0014). In een bericht van de Quartiermeisterabteilung Gen Kdo X. AK van 13.5.40 staat onder het kopje "Munitionswesen" (NIMH Coll 401, Inv Nr 2001):
"Die Kolonnen des Korps sind bis 13.5.40 10.00 Uhr nach Wolfheze (Mun. Ausgabestelle der 207. Div.) zugeführt: (Fernmündlich voraus)
3 KE l.F.H.18
1 KE 3,7 cm Pak (Pzgr.Patr.)
je 3000 Schuss 2 cm Pzgr.Patr. u. 2 cm Sprgr.Patr. für Kw.K."
Dat maakt duidelijk dat II/AR SS (de enige Afdeling bij 207. ID met le FH 18) op 12.5.40 blijkbaar veel gevuurd had. Ook Pak en Pantserwagens hadden daardoor dringend behoefte aan aanvulling. Deze hoeveelheden komen samen neer op 1/4 tot 1/3 (eigen schatting) van de gerapporteerde 250 ton.
Of er wel betongranaten voor de op 12.5 ingezette artillerie beschikbaar waren en gebruikt werden is onzeker. Maar het is zeer onwaarschijnlijk. Er zijn geen sporen op kazematten of in terrein van gevonden, en ze worden in bovenstaande opsommingen niet genoemd. Pas in verband met de aankomst van s Art Abt 735 (NIMH Coll 401, Inv Nr 0012). Die aantekening staat in het KTB X. AK/ Ib op 12.5 16.00 Uhr, samen met nog twee aanvragen voor het andere geschut:
"a) Antrag bis Q.Qu.: Heranführen von 130 t Mun. für s.Art.Abt 537 [moet zijn 735] aus Wissem. Bahnzuführung bis Zevenaar zugesichert.
b) Zuführung von 2 30 t-Kol. für s.F.H.18 und l.F.H. 16 - Mun. nach Mun.-Ausgabestelle Wolheeze, westnordwestl. Arnheim. Als Rückhalt für planmässigen Angriff auf den Grebbeberg bei Rhenen (Angriffsbeginn 12.5. nachmittags).
c) Anforderung von 3 KE l.FH.18 [zie boven] für Ausfüllung am 13.5. Hierzu Befehl des Kdr.Generals v. 12.5.40."
Het verbruik van 227. ID tot 14.5 is wel bekend uit een overzicht in het KTB 227. ID/Ia. Hierin komen geen Betongranaten voor (NIMH Coll 401, Inv Nr 1785).
In de Nederlandse bronnen zijn over de Duitse munitie gebruikt op 12.5.40 genoeg opmerkingen gemaakt die wat zeggen. Voor het contrast worden ook enkele eerdere opmerkingen meegenomen.
Voor 11.5.40:
Tlt J.U. Terpstra, Staf I-8 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 511005)
"(11 mei) Vijandelijke artillerie gaat intussen door met schieten op de Grebbeberg en de Voorpostenstrook. Explosies bij Anna's Hoeve, waarbij veel zand opgeworpen wordt, doen vermoeden dat de vijand daarop inschiet, niet versneld. [..] Vijandelijke artillerie houdt dit gedeelte onder vuur met enkele schoten die tijdprojectielen schijnen te zijn, daar een er van, die niet ver van mij springt, volstrekt geen zand opgooit."
Kapt H. Ballot, Cdt 1-III-8 RA, Dagboek (NIMH Coll 401, Inv Nr 511019)
We komen meer onder vuur te liggen, de projectielen knallen met een scherpe droge knal boven ons hoofd. Het is blijkbaar tijdvuur van licht geschut. Men brengt mij wat scherven en buizen. De laatsten zijn van een bijzonder licht soort witmetaal [aluminium] met weinig koper eraan. Veel van 's vijands vuur begrijpen wij niet, maar het is gemakkelijk dat hij in deze storende vuren zo methodisch te werk gaat."
Dr S.J. de Groot, "Vestingartillerie in het Veldleger" (2002)
(pag. 158) "De 1e en 2e batterij lagen [11 mei] voortdurend onder vijandelijk artillerie en mitrailleurvuur. De ligging van deze batterijen [van de 3e niet] was de vijand kennelijk goed bekend. Naast mijn commandopost is de telefooncentrale geheel vernield. De vijand schoot met schokprojectielen met zeer gevoelige buizen, kaliber 15 à 20 cm."
Voor 12.5.40:
Kapt. H. van Joolen, Cdt 3-1-8 RA, Verklaring (NIMH Coll 401, Inv Nr 511011)
Op de eerste dag kregen wij veel projectielen met knaleffect [signaalmunitie ?]. Later zijn de projectielen zwaarder geworden, ik denk 7,5 en 10,0 cm."
Gd H.H. Clement, 3-I-8 RA, Brief (NIMH Coll 401, Inv Nr 511011)
"Zo brak de Zondag 1e Pinksterdag aan, het artillerievuur van de vijand werd steeds heviger."
Kapt J. van 't Land, Cdt III-8 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 511014)
"De beschieting van onze eigen opstellingen neemt toe in zwaarte en kaliber. De waarnemingspost Groene Bank moet wegens de voortdurende beschieting worden ontruimd en teruggetrokken naar de mitrailleuropstelling in de bomen van de middenbatterij."
Kapt H. Ballot, Cdt 1-III-8 RA, Dagboek (NIMH Coll 401, Inv Nr 511019)
"Als de alarmtoestand [in de ochtend] over is ga ik met Malten weer eens in de [villa] "Lijstereng" kijken. Alles is in orde. In de keuken wassen en scheren wij ons eens lekker. We vinden nog wat rookbaars [sigaren en sigaretten] in huis en nemen ook wat blikjes mee. We nemen aan dat ons dit door de familie Sandbrink, die altijd zo aardig en gastvrij voor ons was, wel gegund zal zijn. Op de terugweg naar de batterij overvalt ons weer vijandelijk vuur en haastig zoeken wij dekking als 50 meter vóór ons een granaat ontploft. Het is zwaarder kaliber dan gisteren, en het zijn ook schokprojectielen. [..] Ook wij liggen meer en meer onder gericht vuur."
Elt. H.W. Felderhof, Cdt 2-I-12 RA, Verslag (NIMH Coll 401, Inv Nr 502018)
"11.00 uur [..] Vijandelijk artillerievuur op de batterij en de commandopost. Ligging van dit vuur in het algemeen iets te ver. Aanvankelijk schokvuur, later tijdvuur. Gevonden scherven in de nabijheid tonen aan, dat gietijzeren projectielen worden gebruikt."
S.L. Groenewoud, 4-I-12 RA, "Artillerie in de Grebbeslag 1940", "Ons Leger jul-aug 1946". Overdruk, pag. 5.
"Nadat het vuur blijkbaar verder weg komt te liggen, commandeert de Bt.C. [Batterijcommandant]: "Op uw posten. Kijken !" Wij zien grote stof- en rookwolken en wennen tevens aan het gefluit der vijandelijke granaten boven ons hoofd. Tevens geeft de Bt.C. een korte theorie: "Kijk, die stommelingen schieten helemaal mis. Is het voor ons bedoeld, dan is het mis, enige honderden meters te ver. Is het voor de straatweg [bij Plantage W III, Elst] dan is het eveneens mis en is de verste afstand bestemd voor die schepen op de rivier, dan is het ook mis. Verder is er in dit gebied niets belangrijks aanwezig.""
Maj. J. H. Kramer, Cdt I-15 RA, Verklaring (NIMH Coll 401, Inv Nr 502023)
Op 12 Mei heb ik af en toe vijandelijk artillerievuur gehad, naar ik meen 8 cm projectielen."
Dr S.J. de Groot, "Vestingartillerie in het Veldleger" (2002)
(pag. 109) "De vijand zette zijn artilleriebeschieting met 24 à 25 cm geschut voort, waarbij de gehele afdeling systematisch onder vuur genomen werd. 9.30 uur [..]."
(pag. 123) "Gedurende dit vuur [volgens verslag op de toren van de NH Kerk van Wageningen], lagen wij zelf ook reeds geregeld onder vijandelijk vuur, dat hoe verder de dag verstreek steeds in hevigheid toenam en slechts kleine onderbrekingen vertoonden. [..] Juist waren deze voorbereidingen [voor stellingwisseling] getroffen of een ontzettend vijandelijk trommelvuur brak los, dat ons geruime tijd in onze schuilplaatsen gevangen hield. Hierbij werd een kaliber gebruikt van 20 à 24 cm. Naar wij later vernamen stonden deze batterijen in Bennekom en zelfs in Duitsland (spoorweggeschut) opgesteld. Hiermee werd de Grebbeberg regelmatig afgegraasd. Gedurende dit vuur kwam een autocolonne om de munitie te halen, de 7 man werden door granaatscherven gedood en de rest maakte rechtsomkeert. [..] Als door een wonder was van de gehele Afdeling niemand gedood en slechts één man licht gewond. Dit was wel te danken aan het feit, dat de stellingen goed waren ingegraven en de schuilplaatsen in een bos lagen terwijl de vijand versnelde buizen gebruikte die boven in de bomen sprongen waardoor slechts weinig voltreffers voorkwamen."
(pag. 134) "Naar onze opvatting wordt afwisselend met Brisantgranaatvuur en Kartetsvuur geschoten. In een vuurpauze laat de Batterijcommandant enige scherven zoeken om het kaliber vast te stellen; aangenomen wordt 15 cm en de scherven doorgezonden naar de Afdelingscommandant. [..] Tegen 11.30 uur, als het meer dan een uur rustig is geweest [geen vijandelijk vuur] komt de Afdelingscommandant Majoor Dr. H. de Groot persoonlijk zich op de hoogte stellen, omdat hij voortdurend vuur op onze stelling waarneemt. Er zijn tot nu toe gelukkig geen doden of gewonden te melden. [..] Het vuur blijft voortdurend op ons en onze omgeving liggen, o.a. naar onze mening op het vlakbij gelegen Stafcommando van 8 R.I. [..] Een Rode Kruis ordonnans op motorrijwiel wordt op 10 m achter de Batterijcommandopost door een scherf van een uiteenspattende granaat getroffen en is op slag dood; zijn oorlogszakboekje vermeldt de naam Tebrunsvelt, wonende te Amsterdam. Een controle in loopgraven en geschutsopstellingen wijst uit dat op enkele plaatsen treffers zijn geweest waardoor houten schuttingen door aardverschuivingen ontzet zijn. [..] Voortdurend wordt de stelling bij tussenpozen beschoten doch men dekt zich nauwelijks en weet aan het fluiten der projectielen nauwkeurig te onderscheiden voor welk doel ze bestemd zijn."
(pag. 156) "Des Zondags (12 Mei) werd Rhenen in elkaar geschoten, braken branden uit en hadden we vooral des middags van artillerie vuur te lijden. Er waren stukken van verschillend kaliber die ons tot doel hadden en 1e Luitenant Ir H.A. Kloosterman verzamelde scherven om het kaliber te kunnen vaststellen. Doordat we in de onderkomens vluchtten en er met versnelde projectielen geschoten werd zag ik geen slachtoffers bij ons eigen onderdeel. [..] Van de achterste batterij [..] werd een stuk vernield door het vuur der Duitsers, overigens wist Kapitein Vorstman (2e Batterij) zijn stukken te redden."
Zover de bronnen. Interpretatie van dit soort gegevens is niet eenvoudig, zelfs voor deskundigen niet. Toch volgt hierna een samenvatting met eigen conclusies. Die wordt eerst door een munitie-expert en twee artilleristen kritisch gelezen. Als een andere opvatting wordt voorgesteld, zal dat daarbij worden aangegeven.
Even nog het volgende. De officiële gevechtsrapporten en vuurregisters die bij het NIMH worden bewaard, zijn nogal eens achteraf gereconstrueerd en dan niet helemaal volledig. Dat blijkt ook uit een dagboekje van een oom van me. In mei 1940 sergeant bij Lt. Emous, 1e Sectie 1-II-8 RI. In zijn beleving werd er in de nachten van 10 tot 13 mei door geschut van beide partijen over hun hoofden heen stevig gevuurd. Hij schatte die nachtelijke schotenwisselingen in als artillerieduels. Het zou om een aantal storende vuren kunnen gaan.
woensdag 7 december 2011
Geschut, munitie, doelen (1)
Het Terreinbezoek in mei 1940 en de kort na de slag gemaakte foto's geven een zeer onduidelijk en onvolledig beeld van het effect van de Duitse beschietingen. Zo te zien zijn de trefferbeelden op de kazematten vooral toe te schrijven aan 3,7 cm Pak. Bekend is verder dat de pantserwagens op enkele objecten hebben gevuurd. Tenslotte zal een deel van de zichtbare schade zijn aangericht door eigen (Nederlands) vuur.
Resteert de tweede benadering. Het bestuderen van ander archiefmateriaal. Voornaamste bronnen zijn dan het BA-MA en het NIMH. Veel informatie is op www.grebbeberg.nl al toegankelijk gemaakt. Om copyright redenen kunnen jammer genoeg niet alle belangrijke documenten on line worden gezet of uitgewisseld.
Zoals eerder aangekondigd, zijn nu het eerst de gegevens over geschut, munitie en doelen aan de beurt. Die onderwerpen kunnen samen genomen worden. Ook is daarover al het een en ander gezegd. Zelfs behoorlijk wat, in mijn eerdere posts op deze blog. Dat maakt nu een sterk verkorte behandeling mogelijk.
De eerder genoemde publicaties zijn het niet helemaal eens over het op 12.5.40 ingezette Duitse geschut. Dat is niet verwonderlijk. De KTB's en bijlagen zijn daar ook verre van duidelijk over. Er zijn drie brondocumenten die nogal verschillende interpretaties mogelijk maken. Kort gezegd is de vraag: Vier of vijf (gedeeltelijk incomplete) afdelingen en welke dan ?
(1) Een eerste antwoord geeft het KTB van 207. ID in het ochtendrapport van Kdr AR 207 (Tätigkeit der Artl. bis 6.15 Uhr). Gemakshalve hier de complete passage in eigen vertaling. Tijden omgezet naar Nederlandse tijd.
"22.50 - 3.50 Storingsvuur op en noord van Rhenen door 2 Afdelingen.
2.50 Vuuroverval op de Grebbeberg.
Vanaf 3.20 uur III/AR 311 gereed tot vuren .
II/AR 207 in Heelsum gereed gesteld met de Munitiecolonne.
Vanaf 3.50 vrij vuren om de Grebbelinie te vernielen.
III/[AR] 207 en III/AR 311 op de versterkingen noord van de Straatweg Wageningen - Rhenen (directe steun aan I/SS "DF").
IV/[AR] 256 [min 12] en II/AR SS op de versterkingen zuid van de Straatweg Wageningen - Rhenen."
Mogelijk is het vervolg van de laatste regel door brandschade aan het document weggevallen. Er kan nog hebben gestaan dat deze beide eenheden directe steun gaven aan III/SS "DF".
(2) Tweede bron is een document opgesteld door Hptm Rechlin. Het draagt de titel "Der Kampf um die Grebbe-Linie zwischen Wageningen und Rhenen. Auszug aus dem Kriegstagebuch der 207. ID." Op blad 3 en 4:
"Vuurplan voor ondersteuning van de Inbraak [van de Grebbelinie bij de Grebbesluis]:
Vuurconcentratie van 5 afdelingen artillerie op het punt van de beoogde inbraak van 12.20 - 12.40.
Gevuurd wordt door:
1 afdeling op de versterkingen 47 a - c [Grift, noord van de Grebbesluis]
2 afdelingen op 36 a en b [S.12 en S.13 ?]
1 afdeling op hoogte 53 [bij Zuivelfabriek de Eendracht, buurtschap De Dijk]
1 afdeling op de versterkingen 33 a - c (zuid van de Neder Rijn) [bij De Spees]"
Verwezen werd naar een stellingkaart 1:50.000. Een exemplaar daarvan staat op www.grebbeberg.nl in de rubriek Staf- en overzichtskaarten onder nummer 21. Terecht staat in het bijschrift hierbij, dat hierop de (vermeende) stellingen etc. zijn aangegeven. De Nederlandse stellingen waren aan Duitse zijde maar bij benadering bekend. De aangegeven objectnummers zijn daarom niet met volledige zekerheid naar Nederlandse posities te vertalen. Ook niet, omdat aan Nederlandse zijde tot het laatst toe wijzigingen in de opstellingen werden aangebracht.
Bij deze bron moet bedacht worden dat het gaat om een vuurplan, dat mogelijk niet precies zo werd uitgevoerd.
Er staat bij dit stuk in handschrift bijgeschreven "Ca 60 Rohre" [vertaald: Ongeveer 60 stukken]. Dat aantal kan in elk geval nooit helemaal zijn ingezet.
De twee laatste opmerkingen worden nog nader uitgewerkt.
(3) Derde bron is een document uit NIMH Coll 409 (Nederlandse gevechtsverslagen), Map 550, Inv Nr 0018. Het document is waarschijnlijk door Nierstrasz gebruikt bij het schrijven van de Groene Serie. Het is een verslag van de bespreking van Gen Maj van Hilten en Maj v.d. Kloet met twee hoge krijgsgevangen Duitse officieren in een kamp te Neustadt. De bespreking vond op 7.8.1947 plaats. Gesproken werd met General der Waffen SS Georg Keppler. Uit de stukken blijkt, dat hij zich niet goed meer kon herinneren welke eenheden artillerie vanuit welke stellingen werden ingezet. Hierin op blad 1 en 2:
"In de avond van 11 Mei was Wageningen gepasseerd en werd, met de spits, de Grebbeberg bereikt.- Eerst had Keppler plan, de Grebbeberg nog in de nacht (11/12 Mei) aan te vallen, doch toen hevig vuur werd ontvangen *, zag hij van de nachtaanval af. Hij ging zelf terug naar Arnhem, voor een bespreking met C.-207e Div. (Gen Lt v. Tiedemann) omtrent een aanval op 12 Mei. Bij deze bespreking werd hem alsnog de beschikking gegeven over twee zware artillerie afdelingen en één lichte art. afd. van het A.K., zodat hij nu over 5 afdelingen (2 lichte, 3 zware) kon beschikken."
Bij deze bron moet bedacht worden, dat de SS-verslagen vaak sterk vertekend zijn. Verder werd de informatie door Keppler uit het geheugen gegeven, ruim zeven jaar na de strijd.
Op een naar aanleiding van het interview gemaakte schets van de opstellingen op 11 mei [NIMH Coll 409, Map 550, Inv Nr 0022] werd aangetekend, dat deze niet helemaal bekend waren. Ook was IV/AR 207 [!] naast II/AR SS, III/AR 207 en IV/AR 256 ingeschetst als afdeling voor directe steun. Rond IV/AR 207 was een kring gezet, onderaan toegevoegd "IV/AR 207 was niet aanwezig".
Inmiddels is bekend, dat III/AR 311 de eigen vierde afdeling van AR 207 was. Eind 1939 zijn de bespannen vierde afdelingen (gedeeltelijk bewapend met kanonnen) afgegeven aan het Heer. Voor zover mogelijk gemotoriseerd en volledig herbewapend met moderne FH. Dan daar gehouden als Heeresartillerie. Anders opnieuw ingedeeld als Divisieartillerie, eventueel na verwapening tot zuivere FH-afdeling met ouder geschut. Later werd daar ook buitgeschut voor gebruikt.
Duidelijk is zo, dat de herinnering van Keppler in 1947 al was vervaagd. Ook was de informatie over de opbouw van de Duitse aanvalsmacht toen nog niet helemaal juist en volledig.
Uit de KTB's met bijlagen is op te maken dat op 11.5.40 drie incomplete afdelingen zijn ingezet. II/AR SS, III/AR 207, 10 en 11/AR 256. III/AR 311 stond gereed in Heelsum (zie boven). Beschikbaar was ook II/AR 207, waarvan de vijfde batterij op 12.5.40 naar Gruppe Brückner in de Betuwe ging. Uit de KTB's blijkt nog, dat s Art Abt 735 werd aangetrokken. Die was onderweg uit N Brabant en werd pas de volgende ochtend gereed gemeld.
Na nieuwe afweging is mijn conclusie geworden, dat op 12.5.40 zijn ingezet:
o II/AR SS, met 12 stukken 10,5 cm le FH 18
o 4 en/of 6/AR 207, met 8 stukken 10,5 cm le FH 16 (met voorbehoud)**
o III/AR 207, met 12 stukken 10,5 cm le FH 16
o III/AR 311, met 12 stukken 15,0 cm s FH 13
o 10 en 11/AR 256, met 8 stukken 15,0 cm s FH 18
Totaal op zijn hoogst [!] 52 stukken, waarvan 32 lichte en 20 zware FH.
Hierna wordt deze interpretatie nog nader toegelicht en onderbouwd.
* In de avond van 11.5.40 werd vijand vlakbij vermoed. Daarom werd ook hevig mitrailleur- en geweervuur afgegeven vanuit de HWL. Door een deel van II-19 RA en door I-22 RA (Twaalf Lang Staal resp. Zeven Veld) een voorbereid stormvuur uitgebracht ongeveer 200 m voor het Hoornwerk. Er was juist in dat gebied veel dekking van begroeiing. Het gereedstellingsgebied van de eerste aanvalsgroepen zal daar dan gelegen hebben. Het ontvangen artillerievuur werd aan Duitse zijde ingeschat als van 1 - 2 batterijen 12 cm.
** Er zijn me geen documenten bekend waaruit duidelijk wordt of deze batterijen inderdaad op 12.5.40 bij Wageningen in stelling kwamen. Vanuit een stelling bij Heelsum of bij Oosterbeek kan niet zijn bijgedragen aan het vuur op de HWL. De afstand HWL (De Spees ?, zie hierna) - Heelsum is minstens 10 km. Oosterbeek ligt nog een 6 km verder oost. De dracht van dit type geschut was 9.225 m. Inzet bij Wageningen is wel zeer aannemelijk, ook omdat s Art Abt 735 niet tijdig aankwam.
Resteert de tweede benadering. Het bestuderen van ander archiefmateriaal. Voornaamste bronnen zijn dan het BA-MA en het NIMH. Veel informatie is op www.grebbeberg.nl al toegankelijk gemaakt. Om copyright redenen kunnen jammer genoeg niet alle belangrijke documenten on line worden gezet of uitgewisseld.
Zoals eerder aangekondigd, zijn nu het eerst de gegevens over geschut, munitie en doelen aan de beurt. Die onderwerpen kunnen samen genomen worden. Ook is daarover al het een en ander gezegd. Zelfs behoorlijk wat, in mijn eerdere posts op deze blog. Dat maakt nu een sterk verkorte behandeling mogelijk.
De eerder genoemde publicaties zijn het niet helemaal eens over het op 12.5.40 ingezette Duitse geschut. Dat is niet verwonderlijk. De KTB's en bijlagen zijn daar ook verre van duidelijk over. Er zijn drie brondocumenten die nogal verschillende interpretaties mogelijk maken. Kort gezegd is de vraag: Vier of vijf (gedeeltelijk incomplete) afdelingen en welke dan ?
(1) Een eerste antwoord geeft het KTB van 207. ID in het ochtendrapport van Kdr AR 207 (Tätigkeit der Artl. bis 6.15 Uhr). Gemakshalve hier de complete passage in eigen vertaling. Tijden omgezet naar Nederlandse tijd.
"22.50 - 3.50 Storingsvuur op en noord van Rhenen door 2 Afdelingen.
2.50 Vuuroverval op de Grebbeberg.
Vanaf 3.20 uur III/AR 311 gereed tot vuren .
II/AR 207 in Heelsum gereed gesteld met de Munitiecolonne.
Vanaf 3.50 vrij vuren om de Grebbelinie te vernielen.
III/[AR] 207 en III/AR 311 op de versterkingen noord van de Straatweg Wageningen - Rhenen (directe steun aan I/SS "DF").
IV/[AR] 256 [min 12] en II/AR SS op de versterkingen zuid van de Straatweg Wageningen - Rhenen."
Mogelijk is het vervolg van de laatste regel door brandschade aan het document weggevallen. Er kan nog hebben gestaan dat deze beide eenheden directe steun gaven aan III/SS "DF".
(2) Tweede bron is een document opgesteld door Hptm Rechlin. Het draagt de titel "Der Kampf um die Grebbe-Linie zwischen Wageningen und Rhenen. Auszug aus dem Kriegstagebuch der 207. ID." Op blad 3 en 4:
"Vuurplan voor ondersteuning van de Inbraak [van de Grebbelinie bij de Grebbesluis]:
Vuurconcentratie van 5 afdelingen artillerie op het punt van de beoogde inbraak van 12.20 - 12.40.
Gevuurd wordt door:
1 afdeling op de versterkingen 47 a - c [Grift, noord van de Grebbesluis]
2 afdelingen op 36 a en b [S.12 en S.13 ?]
1 afdeling op hoogte 53 [bij Zuivelfabriek de Eendracht, buurtschap De Dijk]
1 afdeling op de versterkingen 33 a - c (zuid van de Neder Rijn) [bij De Spees]"
Verwezen werd naar een stellingkaart 1:50.000. Een exemplaar daarvan staat op www.grebbeberg.nl in de rubriek Staf- en overzichtskaarten onder nummer 21. Terecht staat in het bijschrift hierbij, dat hierop de (vermeende) stellingen etc. zijn aangegeven. De Nederlandse stellingen waren aan Duitse zijde maar bij benadering bekend. De aangegeven objectnummers zijn daarom niet met volledige zekerheid naar Nederlandse posities te vertalen. Ook niet, omdat aan Nederlandse zijde tot het laatst toe wijzigingen in de opstellingen werden aangebracht.
Bij deze bron moet bedacht worden dat het gaat om een vuurplan, dat mogelijk niet precies zo werd uitgevoerd.
Er staat bij dit stuk in handschrift bijgeschreven "Ca 60 Rohre" [vertaald: Ongeveer 60 stukken]. Dat aantal kan in elk geval nooit helemaal zijn ingezet.
De twee laatste opmerkingen worden nog nader uitgewerkt.
(3) Derde bron is een document uit NIMH Coll 409 (Nederlandse gevechtsverslagen), Map 550, Inv Nr 0018. Het document is waarschijnlijk door Nierstrasz gebruikt bij het schrijven van de Groene Serie. Het is een verslag van de bespreking van Gen Maj van Hilten en Maj v.d. Kloet met twee hoge krijgsgevangen Duitse officieren in een kamp te Neustadt. De bespreking vond op 7.8.1947 plaats. Gesproken werd met General der Waffen SS Georg Keppler. Uit de stukken blijkt, dat hij zich niet goed meer kon herinneren welke eenheden artillerie vanuit welke stellingen werden ingezet. Hierin op blad 1 en 2:
"In de avond van 11 Mei was Wageningen gepasseerd en werd, met de spits, de Grebbeberg bereikt.- Eerst had Keppler plan, de Grebbeberg nog in de nacht (11/12 Mei) aan te vallen, doch toen hevig vuur werd ontvangen *, zag hij van de nachtaanval af. Hij ging zelf terug naar Arnhem, voor een bespreking met C.-207e Div. (Gen Lt v. Tiedemann) omtrent een aanval op 12 Mei. Bij deze bespreking werd hem alsnog de beschikking gegeven over twee zware artillerie afdelingen en één lichte art. afd. van het A.K., zodat hij nu over 5 afdelingen (2 lichte, 3 zware) kon beschikken."
Bij deze bron moet bedacht worden, dat de SS-verslagen vaak sterk vertekend zijn. Verder werd de informatie door Keppler uit het geheugen gegeven, ruim zeven jaar na de strijd.
Op een naar aanleiding van het interview gemaakte schets van de opstellingen op 11 mei [NIMH Coll 409, Map 550, Inv Nr 0022] werd aangetekend, dat deze niet helemaal bekend waren. Ook was IV/AR 207 [!] naast II/AR SS, III/AR 207 en IV/AR 256 ingeschetst als afdeling voor directe steun. Rond IV/AR 207 was een kring gezet, onderaan toegevoegd "IV/AR 207 was niet aanwezig".
Inmiddels is bekend, dat III/AR 311 de eigen vierde afdeling van AR 207 was. Eind 1939 zijn de bespannen vierde afdelingen (gedeeltelijk bewapend met kanonnen) afgegeven aan het Heer. Voor zover mogelijk gemotoriseerd en volledig herbewapend met moderne FH. Dan daar gehouden als Heeresartillerie. Anders opnieuw ingedeeld als Divisieartillerie, eventueel na verwapening tot zuivere FH-afdeling met ouder geschut. Later werd daar ook buitgeschut voor gebruikt.
Duidelijk is zo, dat de herinnering van Keppler in 1947 al was vervaagd. Ook was de informatie over de opbouw van de Duitse aanvalsmacht toen nog niet helemaal juist en volledig.
Uit de KTB's met bijlagen is op te maken dat op 11.5.40 drie incomplete afdelingen zijn ingezet. II/AR SS, III/AR 207, 10 en 11/AR 256. III/AR 311 stond gereed in Heelsum (zie boven). Beschikbaar was ook II/AR 207, waarvan de vijfde batterij op 12.5.40 naar Gruppe Brückner in de Betuwe ging. Uit de KTB's blijkt nog, dat s Art Abt 735 werd aangetrokken. Die was onderweg uit N Brabant en werd pas de volgende ochtend gereed gemeld.
Na nieuwe afweging is mijn conclusie geworden, dat op 12.5.40 zijn ingezet:
o II/AR SS, met 12 stukken 10,5 cm le FH 18
o 4 en/of 6/AR 207, met 8 stukken 10,5 cm le FH 16 (met voorbehoud)**
o III/AR 207, met 12 stukken 10,5 cm le FH 16
o III/AR 311, met 12 stukken 15,0 cm s FH 13
o 10 en 11/AR 256, met 8 stukken 15,0 cm s FH 18
Totaal op zijn hoogst [!] 52 stukken, waarvan 32 lichte en 20 zware FH.
Hierna wordt deze interpretatie nog nader toegelicht en onderbouwd.
* In de avond van 11.5.40 werd vijand vlakbij vermoed. Daarom werd ook hevig mitrailleur- en geweervuur afgegeven vanuit de HWL. Door een deel van II-19 RA en door I-22 RA (Twaalf Lang Staal resp. Zeven Veld) een voorbereid stormvuur uitgebracht ongeveer 200 m voor het Hoornwerk. Er was juist in dat gebied veel dekking van begroeiing. Het gereedstellingsgebied van de eerste aanvalsgroepen zal daar dan gelegen hebben. Het ontvangen artillerievuur werd aan Duitse zijde ingeschat als van 1 - 2 batterijen 12 cm.
** Er zijn me geen documenten bekend waaruit duidelijk wordt of deze batterijen inderdaad op 12.5.40 bij Wageningen in stelling kwamen. Vanuit een stelling bij Heelsum of bij Oosterbeek kan niet zijn bijgedragen aan het vuur op de HWL. De afstand HWL (De Spees ?, zie hierna) - Heelsum is minstens 10 km. Oosterbeek ligt nog een 6 km verder oost. De dracht van dit type geschut was 9.225 m. Inzet bij Wageningen is wel zeer aannemelijk, ook omdat s Art Abt 735 niet tijdig aankwam.
dinsdag 6 december 2011
De kracht van de HWL (2)
Soms leidt een voor deskundigen op het eerste gezicht bijna belachelijke suggestie tot verrassend nieuw inzicht. Naar mijn inschatting was de verdediging juist op het gekozen aanvalspunt bij Wageningen zo zwak nog niet. Dat kan ook nader worden onderbouwd.
Eerste punt is, dat de hoofdweerstandsstrook tot op de Grebbeberg gelaagd was ingericht. Dat werkte als een verdediging in de diepte. Voorposten - HWL - Stoplijn - Ruglijn. De Duitse aanval moest daarbij stap voor stap in onoverzichtelijk terrein veld zien te winnen.
Volgende overweging is, dat de trefkans van de vrij kleine objecten in onze verdediging (SPO's, kazematten, koepels, met een toenemende sterkte in die volgorde) niet groot was. Zeker voor de Duitse artillerie die eerst nog op grote afstand bleef. Aan het begin van deze gevechtsdag stonden II/AR SS en 10 en 11/AR 256 nog in Renkum.
In de loop van de ochtend werden deze batterijen verplaatst.
De afdeling le FH 18 naar het gebied van de Wageningse Berg.
De batterijen s FH 18 waarschijnlijk naar de bosrand bij Dorskamp.
De afstand naar het Hoornwerk was toen nog ongeveer 6 km.
Zoals bekend, waren de betonnen kazematten door de s FH 18 met speciale betongranaten te vernielen. Maar alleen (in verband met de anders te grote spreiding) met zware lading en van niet al te grote afstand. Dat vereiste op de grens van het effectief vuurbereik tientallen treffers op bijna dezelfde plek. Enkele gegevens zijn [Deels uit NIMH coll 410, Inv Nr 75096]:
De le FH 18 was in staat om met directe treffers met de gewone brisantgranaat 2 m gronddekking door te slaan. Tegen betonnen kazematten en gietstalen koepels ingebed in beton was er alleen de psychologische uitwerking van de detonatieknallen en van de schokgolven.
De s FH 18 was krachtiger, en was in staat 3 m gronddekking door te slaan. Op een nog betrekkelijk veilige afstand van 4.000 - 5.000 m kon dit geschut (met herhaalde treffers en met gebruik van betongranaten) een betonnen wand van 2,5 m doorboren.
Bekend is de verwoestende werking van de 8,8 cm Flak op betonnen kazematten van het type stekelvarken (S-kazematten). Dit geschut was zelfs in staat het staal van onze gietstalen koepels (G-kazematten) door te slaan. Verschillende kazematten aan de Maaslinie (zelfs een enkele van het type Rivierkazemat) werd zo uitgeschakeld.
Bekend is ook, dat 3,7 cm Pak onder uitzonderlijke condities het 10 cm dikke pantserstaal van een G-kazemat kon doorboren. Beton, pantserluik, of achterdeur van een S-kazemat dan zeker. De S-kazemat was door de grote schietgaten het meest kwetsbaar.
Toch zijn bij de Grebbeberg dit soort verwoestende effecten bijna niet waargenomen. Er vielen enkele voltreffers, die delen van loopgraven en soms een veldversterking vernielden. Het laatste alleen, wanneer de gronddekking nog niet was aangebracht of onvoldoende dikte had.
Voorzover nu nog na te gaan, zijn de betongranaten bij de aanval op de Grebbelinie door de batterijen s FH 18 nauwelijks gebruikt. In elk geval bij 227. ID [NIMH Coll 401, Inv Nr 1785]. Voor 207. ID zal het niet anders zijn geweest. De Mörser van s Art Abt 735 waren deze dag nog onderweg en zijn pas op 13.5.40 bij Wageningen ingezet. Verondersteld mag worden dat het ene stuk 8,8 cm Flak waarover 207. ID beschikte achter bleef, om de rivierovergangen in de buurt van Arnhem te verdedigen.
Nog een laatste argument. De HWL was zó ingericht, dat de voornaamste opmarswegen vanuit verschillende posities werden bestreken. Het was dus (behalve als er al belangrijke punten door andere oorzaken waren uitgevallen) niet voldoende om een enkele positie uit te schakelen. Het effect van uitval door andere oorzaken bleef hier beperkt. De gevechtsverslagen maken dat naar mijn mening duidelijk. Aan het eind van dit hoofdstuk volgt nog een overzicht.
Het zeer feitelijke (en naar verhouding meest objectieve) KTB van 207. ID geeft dan ook aan, dat tot laat in de middag hinderlijk vuur werd ontvangen uit de HWL. Het duurde vanaf het moment dat eindelijk de beslissende aanval werd ingezet (om 12.40 uur) nog bijna 2 uren voordat de Duitse voorhoede de open plek in het bos (roggeakker) op de Grebbeberg had bereikt.
Dat was de hoofdstoot oost-west. Het duurde langer om de linie naar noord en zuid op te rollen en daarmee bijna alle hinderlijke vuurorganen uit te schakelen. Die bij De Spees bleven toen nog over.
Naar mijn gevoel spreekt er dan ook een groot stuk frustratie uit Duitse beschrijvingen van de aanval. Bijvoorbeeld in het "Denkschrift über die niederländische Landesbefestigung" (1941, p. 40) staat *:
"Am 12.5 wurde die Hauptkampflinien gegen 17 Uhr beiderseits der Grebbe-Berges durchgebrochen [..].
Infolge des schlechten Schussfeldes für die schweren panzerbrechenden Waffen mussten die Schartenstände und Panzertürme grösstenteils im Nahkampf genommen werden. Um jede kampfanlage spielten sich erbitterte kämpfe ab. Sie wurden dadurch erschwert, dass der Angreifer, der sich Kampfanlagen näherte, die bereits die weisse Fahne gezeigt hatten, aus Feldstellungen unter Feuer genommen wurde, die abseits in der Flanke lagen."
Natuurlijk hemelde SS "DF" de prestaties van de tegenstander tot in het absurde op. Daarmee werden de eigen matige verrichtingen nog wat opgevijzeld. Maar, zoals gezegd, dat was niet de verslagstijl van 207. ID.
* In deze tekst zitten (volgens mij tenminste) enkele spelfouten. Die zijn niet van mij, maar staan zo in het origineel.
Eerste punt is, dat de hoofdweerstandsstrook tot op de Grebbeberg gelaagd was ingericht. Dat werkte als een verdediging in de diepte. Voorposten - HWL - Stoplijn - Ruglijn. De Duitse aanval moest daarbij stap voor stap in onoverzichtelijk terrein veld zien te winnen.
Volgende overweging is, dat de trefkans van de vrij kleine objecten in onze verdediging (SPO's, kazematten, koepels, met een toenemende sterkte in die volgorde) niet groot was. Zeker voor de Duitse artillerie die eerst nog op grote afstand bleef. Aan het begin van deze gevechtsdag stonden II/AR SS en 10 en 11/AR 256 nog in Renkum.
In de loop van de ochtend werden deze batterijen verplaatst.
De afdeling le FH 18 naar het gebied van de Wageningse Berg.
De batterijen s FH 18 waarschijnlijk naar de bosrand bij Dorskamp.
De afstand naar het Hoornwerk was toen nog ongeveer 6 km.
Zoals bekend, waren de betonnen kazematten door de s FH 18 met speciale betongranaten te vernielen. Maar alleen (in verband met de anders te grote spreiding) met zware lading en van niet al te grote afstand. Dat vereiste op de grens van het effectief vuurbereik tientallen treffers op bijna dezelfde plek. Enkele gegevens zijn [Deels uit NIMH coll 410, Inv Nr 75096]:
De le FH 18 was in staat om met directe treffers met de gewone brisantgranaat 2 m gronddekking door te slaan. Tegen betonnen kazematten en gietstalen koepels ingebed in beton was er alleen de psychologische uitwerking van de detonatieknallen en van de schokgolven.
De s FH 18 was krachtiger, en was in staat 3 m gronddekking door te slaan. Op een nog betrekkelijk veilige afstand van 4.000 - 5.000 m kon dit geschut (met herhaalde treffers en met gebruik van betongranaten) een betonnen wand van 2,5 m doorboren.
Bekend is de verwoestende werking van de 8,8 cm Flak op betonnen kazematten van het type stekelvarken (S-kazematten). Dit geschut was zelfs in staat het staal van onze gietstalen koepels (G-kazematten) door te slaan. Verschillende kazematten aan de Maaslinie (zelfs een enkele van het type Rivierkazemat) werd zo uitgeschakeld.
Bekend is ook, dat 3,7 cm Pak onder uitzonderlijke condities het 10 cm dikke pantserstaal van een G-kazemat kon doorboren. Beton, pantserluik, of achterdeur van een S-kazemat dan zeker. De S-kazemat was door de grote schietgaten het meest kwetsbaar.
Toch zijn bij de Grebbeberg dit soort verwoestende effecten bijna niet waargenomen. Er vielen enkele voltreffers, die delen van loopgraven en soms een veldversterking vernielden. Het laatste alleen, wanneer de gronddekking nog niet was aangebracht of onvoldoende dikte had.
Voorzover nu nog na te gaan, zijn de betongranaten bij de aanval op de Grebbelinie door de batterijen s FH 18 nauwelijks gebruikt. In elk geval bij 227. ID [NIMH Coll 401, Inv Nr 1785]. Voor 207. ID zal het niet anders zijn geweest. De Mörser van s Art Abt 735 waren deze dag nog onderweg en zijn pas op 13.5.40 bij Wageningen ingezet. Verondersteld mag worden dat het ene stuk 8,8 cm Flak waarover 207. ID beschikte achter bleef, om de rivierovergangen in de buurt van Arnhem te verdedigen.
Nog een laatste argument. De HWL was zó ingericht, dat de voornaamste opmarswegen vanuit verschillende posities werden bestreken. Het was dus (behalve als er al belangrijke punten door andere oorzaken waren uitgevallen) niet voldoende om een enkele positie uit te schakelen. Het effect van uitval door andere oorzaken bleef hier beperkt. De gevechtsverslagen maken dat naar mijn mening duidelijk. Aan het eind van dit hoofdstuk volgt nog een overzicht.
Het zeer feitelijke (en naar verhouding meest objectieve) KTB van 207. ID geeft dan ook aan, dat tot laat in de middag hinderlijk vuur werd ontvangen uit de HWL. Het duurde vanaf het moment dat eindelijk de beslissende aanval werd ingezet (om 12.40 uur) nog bijna 2 uren voordat de Duitse voorhoede de open plek in het bos (roggeakker) op de Grebbeberg had bereikt.
Dat was de hoofdstoot oost-west. Het duurde langer om de linie naar noord en zuid op te rollen en daarmee bijna alle hinderlijke vuurorganen uit te schakelen. Die bij De Spees bleven toen nog over.
Naar mijn gevoel spreekt er dan ook een groot stuk frustratie uit Duitse beschrijvingen van de aanval. Bijvoorbeeld in het "Denkschrift über die niederländische Landesbefestigung" (1941, p. 40) staat *:
"Am 12.5 wurde die Hauptkampflinien gegen 17 Uhr beiderseits der Grebbe-Berges durchgebrochen [..].
Infolge des schlechten Schussfeldes für die schweren panzerbrechenden Waffen mussten die Schartenstände und Panzertürme grösstenteils im Nahkampf genommen werden. Um jede kampfanlage spielten sich erbitterte kämpfe ab. Sie wurden dadurch erschwert, dass der Angreifer, der sich Kampfanlagen näherte, die bereits die weisse Fahne gezeigt hatten, aus Feldstellungen unter Feuer genommen wurde, die abseits in der Flanke lagen."
Natuurlijk hemelde SS "DF" de prestaties van de tegenstander tot in het absurde op. Daarmee werden de eigen matige verrichtingen nog wat opgevijzeld. Maar, zoals gezegd, dat was niet de verslagstijl van 207. ID.
* In deze tekst zitten (volgens mij tenminste) enkele spelfouten. Die zijn niet van mij, maar staan zo in het origineel.
Abonneren op:
Posts (Atom)

