Over het verloop van de gevechtsdagen bij de Grebbeberg is al veel geschreven. Belangrijke recente bronnen daarvoor zijn in chronologische volgorde:
* E.H. Brongers, "Grebbelinie 1940" (Aspekt, 2002)
* H. Amersfoort, P. Kamphuis, "Mei 1940" (IMH, 2005)
* www.grebbeberg.nl
Op de laatste website staan onder meer:
o De voornaamste primaire bronnen
o Gegevens over de Nederlandse en Duitse bewapening
o Een globale algemene beschrijving per gevechtsdag
o Kaarten, foto's en ander beeldmateriaal
o Discussiegroep
Duidelijk is hiermee, dat de website een waardevolle bron is. Het bestuderen waard. De informatie is alleen natuurlijk sterk verspreid over alle onderdelen, dus niet snel op een rij te krijgen. Dat geldt (behalve voor de voornaamste primaire bronnen, alleen al doordat de gegevens incompleet en vaak tegenstrijdig zijn), in het bijzonder voor de Discussiegroep. Er komen herhalingen voor, nieuwe gezichtspunten duiken op, tegengestelde meningen worden geuit. Die zijn nogal eens afgesloten met een rammelende conclusie. Dat is trouwens een normaal beeld op internetfora.
Bekend is, dat van beide eerstgenoemde publicaties een nieuwe editie in voorbereiding is. Bij die van "Mei 1940" is Allert Goossens als onderzoeker, vroeger redacteur, en auteur van een groot deel van de onderdelen, van "www.grebbeberg.nl" betrokken. Hij is al jarenlang op die website bezig en heeft een studie (mogelijk een proefschrift) over Zuidfront onderhanden. Tegenhanger daarvan is de serie van Brongers "Opmars naar Rotterdam".
Onbekend is nog welke wijzigingen overwogen worden in de lopende revisies van beide boeken. Dat is begrijpelijk.
Er zit daarom niets anders op, de voornaamste gegevens opnieuw op een rij te zetten en te zien, welke conclusies daaruit te trekken zijn. Het gaat daarbij altijd om interpretaties. Daarbij zijn van elkaar verschillende visies ontwikkeld. Een discussie daarover moet op grond van onderbouwde argumenten worden gevoerd. En in een respectvolle stijl. Elkaar onderuit halen en beledigen levert zelden bruikbare nieuwe gezichtspunten op. De (nieuwe ?) visie van Goossens staat vast. Maar hij wil me die niet op een A4'tje geven.
Voor mij gaat het om enkele hoofdzaken in het gevechtsverloop van deze dag. Vooral bezien door de artilleristische bril. Die zijn voor mij (over die keuze valt te discussiëren):
(1) Hoe moeten we de verdedigende kracht van het Hoornwerk, sleutelpunt in de defensie, inschatten ?
(2) Hoeveel en welk Duits geschut werd deze dag ingezet ?
(3) Op welk deel van de linie en tegen welke doelen ?
(4) Welke munitie was beschikbaar en werd vermoedelijk gebruikt ?
(5) Wat is er bekend over het vuurschema ?
(6) Wat was het effect van de beschietingen ?
In het boek van Brongers lezen we onder meer (pag. 114, 115):
"Nadat de commandant van de Duitse 207de Divisie de nachtaanval had afgelast, besloot hij de Grebbeberg stormrijp te schieten. Tot dusver was er voortdurend storend vuur afgegeven op Rhenen en het gebied ten noorden van het stadje. Voorts was omstreeks drie uur 's nachts de beschieting voor korte tijd op de berg zelf geconcentreerd geweest. Om 03.50 uur begonnen de voorbereidingen voor de grote aanval, toen vijf afdelingen artillerie het vuur openden op onze frontlijn, direct ten noorden en ten zuiden van de weg Wageningen-Rhenen. [..] Toen vanaf 03.50 uur de Duitse artillerie een zwaar en geconcentreerd vuur opende op dit frontdeel, werd de Grebbeberg al spoedig in rook en vlammen gehuld. Verplaatsingen waren bijna niet meer mogelijk en de munitieaanvoer stagneerde."
In het boek van Amersfoort staat hierover (pag. 280, 281)
"Divisiecommandant Karl von Tiedemann was, door het Nederlandse artillerievuur in de nacht, tot de overtuiging gekomen dat hij tegenover een sterk verdedigde stelling stond. "Auf Grund der Kämpfe des 11.5. war das Rgt. zu der Überzeugung gekommen, das[s] ein Angriff auf den Grebbe-Berg ohne starke Artl.-Vorbereitung nicht möglich war." Naast de drie artillerieafdelingen die hij al tot zijn beschikking had (II/AR SS; III/AR 207; IV/AR 256), bracht hij daarom nog een tweetal afdelingen (III/AR 311; II/AR 207) in stelling. De Duitse artillerie werd zo opgesteld dat zij vanuit de Nederlandse stellingen niet zichtbaar was. Machteloos moesten de Nederlandse troepen op de Grebbeberg dan ook het enorme artillerievuur ondergaan. De hele morgen van 12 mei ging het door. Even na de middag werd de beschieting geconcentreerd op het hoornwerk en de voorrand van de Grebbeberg. De Nederlandse troepen werden zo gedwongen volledig in de schuilplaatsen te gaan waar zij angstig de gebeurtenissen afwachten."
Wat volgens Goossens nu de voornaamste conclusies zijn, is me nog niet helemaal duidelijk. Enkele elementen daaruit zijn wel op grond van eerdere contacten aan te geven. Op hoofdpunten verschilden we nog niet van mening. Mocht het volgende correctie behoeven, dan hoor ik het graag.
o Er zijn deze dag met zekerheid tenminste vier afdelingen artillerie ingezet. De vierde niet compleet. Het betrof II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311, 10 en 11/AR 256.
o Er werd door deze eenheden voornamelijk gevuurd met brisantgranaten die hoofdzakelijk scherfwerking veroorzaakten.
o Van langdurige beschietingen kan nauwelijks sprake geweest zijn, behalve rond 12 uur toen de aanval werd ingezet. Die aanval werd sterk vertraagd door de verlate aankomst van gedeeltelijk bespannen afdelingen en door de onoverzichtelijkheid van het terrein.
De eerste punten staan, naar mijn mening, nog niet voldoende vast. Denkbaar is, dat op 12.5.40 toch één of twee batterijen van II/AR 207 zijn ingezet. Verder is niet uitgesloten dat in de beginfase oude munitie werd opgemaakt. Dat kan betekenen dat de afdelingen van AR 207, inclusief III/AR 311, toch met granaatkartetsmunitie hebben gevuurd. Zie de voorgaande post.
Vast staat, dat ook andere wapens zijn ingezet. Een vrijwel complete opsomming is:
o Vlammenwerpers
o Granaatwerpers
o Lichte en zware mitrailleurs
o Geschut van pantserwagens *
o 3,7 cm pantserafweergeschut
o 7,5 cm infanteriegeschut
Het beeld is nog niet helemaal helder.
Onduidelijk is bijvoorbeeld, of het ene stuk 8,8 cm Flak van Flakgruppe Niederstrasser (II/Flak Rgt 241) bij de Grebbeberg tot vuren kwam. Dat is niet waarschijnlijk. Aannemelijker is, dat dit stuk benut werd voor de verdediging van de rivierovergangen tussen Oosterbeek en Westervoort.
Het effect van de beschietingen is nog niet vast te stellen. Het is bovendien sterk subjectief. Een onervaren infanterist zal beschietingen al gauw als "zwaar" en "hevig" beschouwen. Een ervaren artillerist zal die dan mogelijk nog maar als "een matig vuurtje" betitelen.
Er zijn verschillende manieren om hierin duidelijkheid te brengen.
(1) Terreinbezoek. Inventariseren van de treffers. Typering van sporen naar geschuttype, kaliber, munitie.
(2) Opsporen van nadere gegevens over vuurschema, munitie, doelen.
Terreinbezoek heeft tot nu toe geen definitieve conclusies opgeleverd. Een meteen in mei 1940 uitgevoerde verkenning door de infanterist Nierstrasz en de artillerist De Klerck leverde maar weinig concrete gegevens op. Tenminste volgens een kort verslag in de Militaire Spectator (MS 1940, pag. 262-265). Men concentreerde zich toen ook nog op conclusies over de kracht van de uitgevoerde verdediging. De kazematten zijn volgens dit document beschoten met zware mitrailleurs, pantserafweergeschut, infanterie-mortieren. Die zouden in het bijzonder op de kazematten gevuurd hebben. Het aantal treffers lag daarbij hoog, tot 49 per kazemat. Daarbij werd onvoldoende aangegeven aan welk type geschut en munitie die treffers werden toegeschreven. Granaten van houwitsers van 10,5 en 15,0 hebben plaatselijk een verwoestende uitwerking gehad. In het loopgravengedeelte waren zware treffers (kraters en vernielingen) zichtbaar. De foto's bij dit artikel betreffen de stalen kazemat No. 19 (G.19) en de betonkazemat met drie schietgaten (z.g. stekelvarken) No. 13 (S.13). Volgens bijschrift had G.19 49 treffers ontvangen, waarvan 9 op het schietgat, de boldoorvoering en de stalen mitrailleurmantel. Driemaal is de loop verwisseld omdat 1 treffer in de loop ontvangen werd en 1 patroon in de loop gescheurd was. Een eerste foto van S.13 laat flinke trefferschade aan de voorzijde zien. Volgens bijschrift was een treffer (van ?) door het schietgat binnengedrongen. Een tweede foto laat ook flinke trefferschade aan de achterzijde zien. Volgens bijschrift werd een groot aantal treffers (van ?) in de rug ontvangen, vooral in het midden.
Op www.grebbeberg.nl staan een tiental foto's. Bestudering daarvan bevestigt het beeld van het Terreinbezoek. Opvallend is hier ook weer de schade aan de achterzijde van enkele verdedigingswerken. Een gietstalen koepel aan de Grift (G.19 ?) en kazemat S.13 op het noordelijk gedeelte van het Hoornwerk. Er zijn vier foto's die kraters en verwoestingen laten zien aan de stellingen in het Hoornwerk.
Op grond van deze onvolledige gegevens zijn nog geen definitieve conclusies te trekken. Rekening moet worden gehouden met het feit, dat een deel van de schade door eigen (Nederlands) vuur veroorzaakt werd.
* Dat geschut bestond uit 8 mm mitrailleurs en 2 cm kanonnetjes.
zondag 4 december 2011
zaterdag 3 december 2011
Interpretatie
Mijn beeld over de inzet van de Duitse artillerie bij Wageningen is nog altijd wat in beweging. Er komen soms nieuwe brokjes informatie boven. Op www.grebbeberg.nl schreef ik hierover een item, dat hier onverkort volgt. Het is bedoeld als waarschuwing dat elk beeld (ook dat van mij) gebaseerd is op de informatie waarover men beschikt. Altijd beperkt tot dat deel dat paraat en begrepen is.
Militaire geschiedenis is, als het hele leven, een kwestie van eigen interpretaties op basis van eigen kennis. Meningen worden daarop gevormd. Maar niemand kan alles weten. Dus de gevormde mening kan altijd onjuist zijn. Wie een mening wil bestrijden, moet dus vragen op welke informatie die mening gebaseerd is en aangeven op welke basis de eigen mening gevormd is.
Een wetenschappelijke benadering vereist, dat een theorie toetsbaar is. In wetenschappelijke publicaties zijn noten, registers en andere basisinformatie daarom van groot belang. De bovengenoemde website is geen wetenschappelijke publicatie, vandaar dat noten etc. daar meestal ontbreken. Dat mag ook. Maar in een discussie kan natuurlijk altijd om onderbouwing worden gevraagd. Daarbij mag dan weer niet verwacht worden dat de ander die paraat heeft, maar uiteindelijk zou die wel op tafel moeten komen. Zonder onderbouwing mag een bewering terzijde worden gelegd.
Vooral in historisch onderzoek wordt nogal eens de regel gebruikt, dat een enkele bron niet genoeg is. Bij het bestuderen van mei 1940 is er helaas maar al te vaak een enkele bron of getuige. Er is ook nogal wat van horen zeggen. Dat zou alleen geaccepteerd mogen worden als er ondersteunend bewijs is. Het is echter te kort door de bocht om, als dergelijk bewijs ontbreekt, te zeggen dat iets niet klopt.
Op de bovengenoemde website is veel informatie te vinden. De zoekfunctie is daarbij een handig middel, maar levert niet altijd overzichtelijke en complete informatie. Veel hangt af van het ingegeven zoekwoord. Wie bijvoorbeeld iets wil weten over het gebruik van vlammenwerpers bij de gevechten in mei 1940 uit documenten op die website kan het woord "vlammenwerper", "vlamspuit", of "vlam" intypen. De eerste twee woorden leveren niets op. De laatste het verslag van het Verhoor van Elt Niemantsverdriet. Helaas wordt het NIMH-nummer daarbij niet vermeld, maar dat is vermoedelijk (gezien de documenten in dezelfde serie van 1-I-8 RI) 507007.
Deze week kwam er bij mij nieuwe informatie binnen.
De eerste is, dat mogelijk bij de Duitse aanval toch kartetsen zijn gebruikt. Niet in de vorm van de oude "blikken bus", maar in de vorm van de granaat-kartetscombinatie, kortweg granaatkartets genoemd. Dat was ook niet helemaal uitgesloten. Tenminste niet voor het oudere geschut, waar nog oude voorraden van munitie voor geweest kunnen zijn. Ze zaten in de uitrusting van de le FH 16, het vroegere standaardgeschut van het Reichsheer. Hiervan het volgend plaatje.

In enkele opgaven die ik ken, was er alleen te lezen, dat er in mei 1940 licht-, brisant-, en rookgranaten werd gebruikt. Dergelijke informatie is te vinden in de "Besondere Anordnungen für die Versorgung" en in het KTB van de Ib, de stafofficier Logistiek. Die bronnen zijn bij mijn weten nog nauwelijks bestudeerd. Verder zijn er nog de technische handboeken.
In het standaardwerk van Hogg "German Artillery of World War Two", dat veel informatie over gebruikte munitie geeft, wordt (pag. 45) over de 10,5 cm le FH 16 alleen gezegd dat de munitie van deze FH gelijk is aan die van de le FH 18. Dat zijn onder meer brisant- en rookgranaten, maar (voor zover ik had kunnen vinden) geen (granaat)kartetsen.
Een vaste correspondent op dit gebied gaf me aanvullende informatie. Daaruit bleek, dat de le FH 16 zoals gezegd, vlak na WO I het standaardwapen van het Reichsheer, wel degelijk granaatkartetsen had. Ook wees hij me op het feit dat er zogenaamde "sS" munitie was voor de MG. De afkorting tussen aanhalingstekens betekent "schweres Spitzgeschoss", zware puntmunitie. Dat was standaardmunitie, niet speciaal geschikt voor het beschieten van versterkte posities. Die zal ook bij de Grebbeberg gebruikt zijn, maar het doordringingsvermogen daarvan was gering.
De interpretatie van de treffers op de Nederlandse kazematten is ook niet zo simpel. Er moet rekening worden gehouden dat er ook veel aanslagen zijn van eigen Nederlands vuur. Het ligt voor de hand daaraan te denken bij beschadigingen aan de keelzijde (de van de vijand af gekeerde zijde) van kazematten.
Van een bestuurslid van Stichting Kennispunt Mei 1940, kreeg ik een link naar enkele foto's van gebouwen aan de Straatweg - Cuneraweg, die duidelijk vernield zijn. Ook door Nederlands vuur. Dat is een factor die meegewogen moet worden. Het heeft me opnieuw aan het denken gezet over de oorzaak van het sneuvelen van de groep Geels uit P.10. *
Hierbij een link naar die foto's
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=3664
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=2129
* De groep die in de kazemat west van de Grebbesluis stond. In de officiële lijsten staat als doodsoorzaak opgegeven "Op 16 mei 1940 gevonden in de PAG-stelling zuid langs de straatweg Rhenen - Wageningen, tegenover de roggeakker." Die informatie is onjuist. Op bovengenoemde website wordt ook de juiste informatie vermeld "Behoorde tot de 2e Sectie [SMI Ligthart], en was stukscommandant van de PAG in kazemat P.10 bij de sluis. De bemanning werd bij de Duitse aanval kort na het middaguur op 12 mei uit de kazemat gedwongen. Volgens ooggetuigen verlieten allen de kazemat levend. Vervolgens werden zij gedwongen Duitse PAK de berg op te trekken, tegen de Holle Weg op. Sergeant Geels en zijn gehele stuksbemanning zijn bij die handelingen door Nederlands vuur of door standrechtelijke executie gedood en teruggevonden langs de Grebbeweg tussen het kerkhof en de stoplijn."
Dat werpt weer vragen op over de kracht van de verdediging aan de Grebbeweg (die plaatselijk bekend staat als de Holle Weg).
Militaire geschiedenis is, als het hele leven, een kwestie van eigen interpretaties op basis van eigen kennis. Meningen worden daarop gevormd. Maar niemand kan alles weten. Dus de gevormde mening kan altijd onjuist zijn. Wie een mening wil bestrijden, moet dus vragen op welke informatie die mening gebaseerd is en aangeven op welke basis de eigen mening gevormd is.
Een wetenschappelijke benadering vereist, dat een theorie toetsbaar is. In wetenschappelijke publicaties zijn noten, registers en andere basisinformatie daarom van groot belang. De bovengenoemde website is geen wetenschappelijke publicatie, vandaar dat noten etc. daar meestal ontbreken. Dat mag ook. Maar in een discussie kan natuurlijk altijd om onderbouwing worden gevraagd. Daarbij mag dan weer niet verwacht worden dat de ander die paraat heeft, maar uiteindelijk zou die wel op tafel moeten komen. Zonder onderbouwing mag een bewering terzijde worden gelegd.
Vooral in historisch onderzoek wordt nogal eens de regel gebruikt, dat een enkele bron niet genoeg is. Bij het bestuderen van mei 1940 is er helaas maar al te vaak een enkele bron of getuige. Er is ook nogal wat van horen zeggen. Dat zou alleen geaccepteerd mogen worden als er ondersteunend bewijs is. Het is echter te kort door de bocht om, als dergelijk bewijs ontbreekt, te zeggen dat iets niet klopt.
Op de bovengenoemde website is veel informatie te vinden. De zoekfunctie is daarbij een handig middel, maar levert niet altijd overzichtelijke en complete informatie. Veel hangt af van het ingegeven zoekwoord. Wie bijvoorbeeld iets wil weten over het gebruik van vlammenwerpers bij de gevechten in mei 1940 uit documenten op die website kan het woord "vlammenwerper", "vlamspuit", of "vlam" intypen. De eerste twee woorden leveren niets op. De laatste het verslag van het Verhoor van Elt Niemantsverdriet. Helaas wordt het NIMH-nummer daarbij niet vermeld, maar dat is vermoedelijk (gezien de documenten in dezelfde serie van 1-I-8 RI) 507007.
Deze week kwam er bij mij nieuwe informatie binnen.
De eerste is, dat mogelijk bij de Duitse aanval toch kartetsen zijn gebruikt. Niet in de vorm van de oude "blikken bus", maar in de vorm van de granaat-kartetscombinatie, kortweg granaatkartets genoemd. Dat was ook niet helemaal uitgesloten. Tenminste niet voor het oudere geschut, waar nog oude voorraden van munitie voor geweest kunnen zijn. Ze zaten in de uitrusting van de le FH 16, het vroegere standaardgeschut van het Reichsheer. Hiervan het volgend plaatje.

In enkele opgaven die ik ken, was er alleen te lezen, dat er in mei 1940 licht-, brisant-, en rookgranaten werd gebruikt. Dergelijke informatie is te vinden in de "Besondere Anordnungen für die Versorgung" en in het KTB van de Ib, de stafofficier Logistiek. Die bronnen zijn bij mijn weten nog nauwelijks bestudeerd. Verder zijn er nog de technische handboeken.
In het standaardwerk van Hogg "German Artillery of World War Two", dat veel informatie over gebruikte munitie geeft, wordt (pag. 45) over de 10,5 cm le FH 16 alleen gezegd dat de munitie van deze FH gelijk is aan die van de le FH 18. Dat zijn onder meer brisant- en rookgranaten, maar (voor zover ik had kunnen vinden) geen (granaat)kartetsen.
Een vaste correspondent op dit gebied gaf me aanvullende informatie. Daaruit bleek, dat de le FH 16 zoals gezegd, vlak na WO I het standaardwapen van het Reichsheer, wel degelijk granaatkartetsen had. Ook wees hij me op het feit dat er zogenaamde "sS" munitie was voor de MG. De afkorting tussen aanhalingstekens betekent "schweres Spitzgeschoss", zware puntmunitie. Dat was standaardmunitie, niet speciaal geschikt voor het beschieten van versterkte posities. Die zal ook bij de Grebbeberg gebruikt zijn, maar het doordringingsvermogen daarvan was gering.
De interpretatie van de treffers op de Nederlandse kazematten is ook niet zo simpel. Er moet rekening worden gehouden dat er ook veel aanslagen zijn van eigen Nederlands vuur. Het ligt voor de hand daaraan te denken bij beschadigingen aan de keelzijde (de van de vijand af gekeerde zijde) van kazematten.
Van een bestuurslid van Stichting Kennispunt Mei 1940, kreeg ik een link naar enkele foto's van gebouwen aan de Straatweg - Cuneraweg, die duidelijk vernield zijn. Ook door Nederlands vuur. Dat is een factor die meegewogen moet worden. Het heeft me opnieuw aan het denken gezet over de oorzaak van het sneuvelen van de groep Geels uit P.10. *
Hierbij een link naar die foto's
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=3664
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=2129
* De groep die in de kazemat west van de Grebbesluis stond. In de officiële lijsten staat als doodsoorzaak opgegeven "Op 16 mei 1940 gevonden in de PAG-stelling zuid langs de straatweg Rhenen - Wageningen, tegenover de roggeakker." Die informatie is onjuist. Op bovengenoemde website wordt ook de juiste informatie vermeld "Behoorde tot de 2e Sectie [SMI Ligthart], en was stukscommandant van de PAG in kazemat P.10 bij de sluis. De bemanning werd bij de Duitse aanval kort na het middaguur op 12 mei uit de kazemat gedwongen. Volgens ooggetuigen verlieten allen de kazemat levend. Vervolgens werden zij gedwongen Duitse PAK de berg op te trekken, tegen de Holle Weg op. Sergeant Geels en zijn gehele stuksbemanning zijn bij die handelingen door Nederlands vuur of door standrechtelijke executie gedood en teruggevonden langs de Grebbeweg tussen het kerkhof en de stoplijn."
Dat werpt weer vragen op over de kracht van de verdediging aan de Grebbeweg (die plaatselijk bekend staat als de Holle Weg).
vrijdag 4 november 2011
Wat zag Elt Broekema ?
Het is zo goed als zeker, dat de boom van Groene Bank 1 (GB1) zuid van de Bergweg heeft gestaan. Misschien nog staat, maar dan helaas tever op privéterrein. Met de locatie van die waarnemingspost kan worden vastgesteld wat Elt L.D. Broekema in mei 1940 heeft gezien en heeft kunnen zien. Broekema was luitenant-verkenner bij III-8 RA en heeft veel waarnemingen op vijandelijk vurend geschut gemeld. Alleen niet op dat van II/SS AR, dat volgens bekende foto's (onder meer) in de rand van de Sahara heeft gestaan, pal oost van de Diedenweg. Hij zag door zijn kijker wel het huis van zijn ouders en zelfs mensen als poppetjes daar. Dat staat in een door hem bijgehouden dagboek over de oorlogsdagen van mei 1940.
Het dagboek van Broekema werd gepubliceerd in het tijdschrift "Oud-Wageningen" (Jrg 38, nr 2 (april 2010) pag. 42-51 en nr 3 (september 2010) pag. 83-91). Aan het slot daarvan stelde de redactie van de Historische Vereniging Oud-Wageningen de vraag, of hij dan werd beschoten vanuit de eigen achtertuin. Om precies te zijn, vanuit de achtertuin van zijn ouderlijk huis. Dat zal niet letterlijk zijn gebeurd. Het geschut daar in stelling heeft hij mogelijk ook niet gezien. Zeker niet ten voeten uit. Het stond achter voorliggende bebouwing. Maar de mondingsvlammen van die batterij zullen toch vanuit GB1 vroeg of laat goed zichtbaar zijn geweest.
Die conclusie volgt uit een analyse met Google Earth. Google Earth heeft een tool, waarmee het terreinprofiel langs een zelfgekozen lijn kan worden bepaald. Langs de zichtlijn GB1- ouderlijk huis van Broekema levert dat het volgend beeld op.

Het huis van de ouders van Broekema lag op de rand van een plateau. Iets hoger dan de Diedenweg, vlak ervoor. Het is daarom mogelijk, dat voorliggende bomenrijen en de bebouwing van de Diedenweg de opstellingen van Duits geschut hebben gemaskeerd. Dat geschut stond daar in elk geval op 12 en 13 mei 1940. Broekema moet op zijn minst de mondingsvlammen daarvan hebben gezien. Meldingen daarvan staan niet in het register. Maar de registers zijn zeker niet volledig. De originelen werden in mei 1940 vernietigd en daarna grotendeels uit het hoofd en met hulp van eigen aantekeningen gereconstrueerd. Er zijn in de registers vanuit GB1 wel op 12 mei rond 01.00 uur mondingsvlammen op 40, resp. 60 o/oo links Wageningen en rond 03.00 uur nog 80 o/oo links van de Nieuwe Toren (Toren RK Kerk) vastgelegd. Het huis van Broekema lag in een lijn ongeveer 32 o/oo links van de Oude Toren (Toren NH Kerk). De opgetekende waarnemingen lagen dus verder noord. Naar de plaatsen van de opstellingen valt alleen maar te raden. De eerste aanduidingen zijn niet helder (wat werd bedoeld met links van Wageningen, misschien ongeveer de plaats van de Nieuwe Toren ?) en de afstanden niet vermeld.
Broekema begon volgens zijn dagboek op 12 mei 1940 ongeveer om 03.20 uur zijn dienst weer als waarnemer op GB1. Van hem is dus hooguit de waarneming 80 o/oo links van de Nieuwe Toren. In het register staat hierbij "achter laan Nieuwe Haven". Werd met die laan de Lawickse Allee bedoeld ?
Het zou (op dit tijdstip) kunnen gaan om storend vuur afgegeven door de twee batterijen van IV/AR 256. Maar die stonden eerst nog in Renkum. Broekema schreef over zijn eerste dienst deze ochtend in zijn dagboek:
"Het schijnt dat er nu meer artillerie is. Het regent granaten om mij heen. Helaas moet ik constateren dat er drie [!] batterijen achter de Wageningse Berg zijn opgesteld. Deze zijn voor mij dus niet waarneembaar. Wel kan ik in de ochtendschemering de mondingsvlammen zien en dus de richting vaststellen. Ze staan in het landgoed de Dorschkamp en in het landgoed Oranje Nassau's Oord."
De informatie van Broekema is erg onduidelijk. Ging het nu om twee of drie batterijen in Renkum ? Was misschien nog een batterij van II/SS AR daar achtergebleven ? Hoe kan het dat deze batterijen onzichtbaar waren, maar wel (daarvan) de mondingsvlammen bij Dorskamp en Oranje Nassau's Oord werden gezien ?
Een mogelijke uitleg is, dat Broekema (als echte Wageninger) met de "Wageningse Berg" alleen het zuidelijk deel van de heuvelrug bedoelde. De "berg" tussen Hotel de Wereld en het Pompstation. Dan stond het geschut in Renkum inderdaad "achter de berg". Maar als toen mondingsvlammen in Dorskamp en Oranje Nassau's Oord werden gezien, stond dit geschut dus al niet meer in Renkum. Toch geeft het Kriegstagebuch van IV/AR 256 aan, dat de batterijen pas om 8.20 uur van stelling wisselden "naar het noordoostdeel van Wageningen". In mijn interpretatie naar de Bosrand. Dat geeft weer stof tot verdere overpeinzing. Want waar precies en van welke batterijen heeft Broekema dan toch mondingsvlammen gezien ? Heeft hij misschien feiten verwisseld en de tijden niet goed vastgelegd ? Zoiets komt vaker voor onder gevechtscondities. Vooral bij latere vastlegging. Het geheugen is dan niet 100% betrouwbaar. De tijd-ruimte oriëntatie raakt door stress verstoord. Voorlopig lijkt dat de meest waarschijnlijke verklaring van de tegenstrijdigheden.
Het dagboek van Broekema werd gepubliceerd in het tijdschrift "Oud-Wageningen" (Jrg 38, nr 2 (april 2010) pag. 42-51 en nr 3 (september 2010) pag. 83-91). Aan het slot daarvan stelde de redactie van de Historische Vereniging Oud-Wageningen de vraag, of hij dan werd beschoten vanuit de eigen achtertuin. Om precies te zijn, vanuit de achtertuin van zijn ouderlijk huis. Dat zal niet letterlijk zijn gebeurd. Het geschut daar in stelling heeft hij mogelijk ook niet gezien. Zeker niet ten voeten uit. Het stond achter voorliggende bebouwing. Maar de mondingsvlammen van die batterij zullen toch vanuit GB1 vroeg of laat goed zichtbaar zijn geweest.
Die conclusie volgt uit een analyse met Google Earth. Google Earth heeft een tool, waarmee het terreinprofiel langs een zelfgekozen lijn kan worden bepaald. Langs de zichtlijn GB1- ouderlijk huis van Broekema levert dat het volgend beeld op.

Het huis van de ouders van Broekema lag op de rand van een plateau. Iets hoger dan de Diedenweg, vlak ervoor. Het is daarom mogelijk, dat voorliggende bomenrijen en de bebouwing van de Diedenweg de opstellingen van Duits geschut hebben gemaskeerd. Dat geschut stond daar in elk geval op 12 en 13 mei 1940. Broekema moet op zijn minst de mondingsvlammen daarvan hebben gezien. Meldingen daarvan staan niet in het register. Maar de registers zijn zeker niet volledig. De originelen werden in mei 1940 vernietigd en daarna grotendeels uit het hoofd en met hulp van eigen aantekeningen gereconstrueerd. Er zijn in de registers vanuit GB1 wel op 12 mei rond 01.00 uur mondingsvlammen op 40, resp. 60 o/oo links Wageningen en rond 03.00 uur nog 80 o/oo links van de Nieuwe Toren (Toren RK Kerk) vastgelegd. Het huis van Broekema lag in een lijn ongeveer 32 o/oo links van de Oude Toren (Toren NH Kerk). De opgetekende waarnemingen lagen dus verder noord. Naar de plaatsen van de opstellingen valt alleen maar te raden. De eerste aanduidingen zijn niet helder (wat werd bedoeld met links van Wageningen, misschien ongeveer de plaats van de Nieuwe Toren ?) en de afstanden niet vermeld.
Broekema begon volgens zijn dagboek op 12 mei 1940 ongeveer om 03.20 uur zijn dienst weer als waarnemer op GB1. Van hem is dus hooguit de waarneming 80 o/oo links van de Nieuwe Toren. In het register staat hierbij "achter laan Nieuwe Haven". Werd met die laan de Lawickse Allee bedoeld ?
Het zou (op dit tijdstip) kunnen gaan om storend vuur afgegeven door de twee batterijen van IV/AR 256. Maar die stonden eerst nog in Renkum. Broekema schreef over zijn eerste dienst deze ochtend in zijn dagboek:
"Het schijnt dat er nu meer artillerie is. Het regent granaten om mij heen. Helaas moet ik constateren dat er drie [!] batterijen achter de Wageningse Berg zijn opgesteld. Deze zijn voor mij dus niet waarneembaar. Wel kan ik in de ochtendschemering de mondingsvlammen zien en dus de richting vaststellen. Ze staan in het landgoed de Dorschkamp en in het landgoed Oranje Nassau's Oord."
De informatie van Broekema is erg onduidelijk. Ging het nu om twee of drie batterijen in Renkum ? Was misschien nog een batterij van II/SS AR daar achtergebleven ? Hoe kan het dat deze batterijen onzichtbaar waren, maar wel (daarvan) de mondingsvlammen bij Dorskamp en Oranje Nassau's Oord werden gezien ?
Een mogelijke uitleg is, dat Broekema (als echte Wageninger) met de "Wageningse Berg" alleen het zuidelijk deel van de heuvelrug bedoelde. De "berg" tussen Hotel de Wereld en het Pompstation. Dan stond het geschut in Renkum inderdaad "achter de berg". Maar als toen mondingsvlammen in Dorskamp en Oranje Nassau's Oord werden gezien, stond dit geschut dus al niet meer in Renkum. Toch geeft het Kriegstagebuch van IV/AR 256 aan, dat de batterijen pas om 8.20 uur van stelling wisselden "naar het noordoostdeel van Wageningen". In mijn interpretatie naar de Bosrand. Dat geeft weer stof tot verdere overpeinzing. Want waar precies en van welke batterijen heeft Broekema dan toch mondingsvlammen gezien ? Heeft hij misschien feiten verwisseld en de tijden niet goed vastgelegd ? Zoiets komt vaker voor onder gevechtscondities. Vooral bij latere vastlegging. Het geheugen is dan niet 100% betrouwbaar. De tijd-ruimte oriëntatie raakt door stress verstoord. Voorlopig lijkt dat de meest waarschijnlijke verklaring van de tegenstrijdigheden.
woensdag 2 november 2011
De boom van Groene Bank 1
Er is een goede kans, dat de boom van Groene Bank er nog staat. Ongeveer op de plaats van de luchtfoto. Aan de zuidkant van de Bergweg. Het tracé daarvan lijkt iets veranderd tussen 1939 en nu. Dat zou goed kunnen, want de weg was voor de oorlog een zand- of grindpad. Pas na de oorlog is er aan beide kanten bebouwing gekomen en de weg geasfalteerd. Daarbij de weg wellicht wat verschoven. Dat is nog punt voor nader onderzoek.
De bekende coördinaten zijn blijkbaar in dit heuvelachtig terrein niet juist. Mogelijk door verwaarlozing van hoogteverschillen naar RD-NAP en geografische coördinaten. Hiervoor heb ik een deskundige zijn mening gevraagd.
Deze week heb ik nog eens de Bergweg afgelopen en het uitzicht met de bomen in schitterende herfstkleuren bewonderd. Hiervan een impressie (panoramafoto) ter hoogte van de plaats waar de waarnemingspost Groene Bank hoogst waarschijnlijk ongeveer heeft gestaan. De bomen aan de wegrand zijn voornamelijk eiken en beuken. Stuk voor stuk zo op het oog niet oud genoeg om DE boom van Groene Bank 1 te kunnen zijn. De eiken waren vermoedelijk rond 1940 nog struiken, eikenhakhout. Daarna niet meer bijgehouden en nu zo'n 20 - 30 m hoog.

Het is belangrijk om de locatie van Groene Bank 1 op de kaart nauwkeuriger te kunnen bepalen dan nu. De bekende inmetingen (waarvan 1 gedaan door de Terreinmeetdienst met theodoliet, ongetwijfeld als vierpuntsmeting) lijken ingeplot op Google Earth ca. 100 m teveel noord te liggen. Een zo nauwkeurig mogelijke bepaling is nodig om de waarnemingen van daaruit juist te kunnen interpreteren. Uitschieter was één van de eerste waarnemingen. Geregistreerd als "vuurverschijnselen in de Betuwe" en "vurende artillerie 20 [of 200 ?] o/oo re schoorsteen 174,103-440,970. Maar, voor zover bekend, was er in de Betuwe die dag geen vijandelijke artillerie en de eigen artillerie stond achter de linie Ochten - De Spees.
Mogelijk dat de inmeting onzuiver was en niet goed geïnterpreteerd. Op Groene Bank beschikten de waarnemers alleen over een kijker met raster op matglas, waarmee de relatieve positie van een bepaald punt snel te bepalen was. Vandaar dat de meeste meldingen zijn gemaakt in vijftallen van duizendsten ten opzichte van de Oude (NH) of Nieuwe (RK) Kerk. Vooralsnog is mijn interpretatie dat óf mondingsvlammen van infanteriegeschut in de uiterwaarden aan de Wageningse kant zijn waargenomen, óf dat mogelijk het Duitse geschut dat toen bij Renkum stond werd gezien.
De bekende coördinaten zijn blijkbaar in dit heuvelachtig terrein niet juist. Mogelijk door verwaarlozing van hoogteverschillen naar RD-NAP en geografische coördinaten. Hiervoor heb ik een deskundige zijn mening gevraagd.
Deze week heb ik nog eens de Bergweg afgelopen en het uitzicht met de bomen in schitterende herfstkleuren bewonderd. Hiervan een impressie (panoramafoto) ter hoogte van de plaats waar de waarnemingspost Groene Bank hoogst waarschijnlijk ongeveer heeft gestaan. De bomen aan de wegrand zijn voornamelijk eiken en beuken. Stuk voor stuk zo op het oog niet oud genoeg om DE boom van Groene Bank 1 te kunnen zijn. De eiken waren vermoedelijk rond 1940 nog struiken, eikenhakhout. Daarna niet meer bijgehouden en nu zo'n 20 - 30 m hoog.

Het is belangrijk om de locatie van Groene Bank 1 op de kaart nauwkeuriger te kunnen bepalen dan nu. De bekende inmetingen (waarvan 1 gedaan door de Terreinmeetdienst met theodoliet, ongetwijfeld als vierpuntsmeting) lijken ingeplot op Google Earth ca. 100 m teveel noord te liggen. Een zo nauwkeurig mogelijke bepaling is nodig om de waarnemingen van daaruit juist te kunnen interpreteren. Uitschieter was één van de eerste waarnemingen. Geregistreerd als "vuurverschijnselen in de Betuwe" en "vurende artillerie 20 [of 200 ?] o/oo re schoorsteen 174,103-440,970. Maar, voor zover bekend, was er in de Betuwe die dag geen vijandelijke artillerie en de eigen artillerie stond achter de linie Ochten - De Spees.
Mogelijk dat de inmeting onzuiver was en niet goed geïnterpreteerd. Op Groene Bank beschikten de waarnemers alleen over een kijker met raster op matglas, waarmee de relatieve positie van een bepaald punt snel te bepalen was. Vandaar dat de meeste meldingen zijn gemaakt in vijftallen van duizendsten ten opzichte van de Oude (NH) of Nieuwe (RK) Kerk. Vooralsnog is mijn interpretatie dat óf mondingsvlammen van infanteriegeschut in de uiterwaarden aan de Wageningse kant zijn waargenomen, óf dat mogelijk het Duitse geschut dat toen bij Renkum stond werd gezien.
zondag 30 oktober 2011
Locatie Groene Bank
Vorige week heb ik een interview gehad met de heer J.A.A. Wynekes, in mei 1940 cadet-vaandrig (in het derde jaar van de KMA, tegen het officiers-examen aan). Hij was toen geplaatst bij III-8 RA. In de meidagen draaide hij diensten als waarnemer op de post Groene Bank. De post Groene Bank werd in de avond van 12.5.40 verplaatst naar een reservepositie, wegens herhaalde beschietingen en zelfs een Stuka-bombardement. Waarschijnlijk waren de beschietingen en het bombardement vooral gericht op het uitschakelen van een nabijstaande batterij luchtdoelartillerie waarvan de post een staartje meekreeg.
Vrij zeker is de exacte locatie van wp Groene Bank (bezet van 10 mei 1940 in de ochtend tm 12 mei daaraanvolgend in de avond) nu bepaald. Mede op grond van het interview. Hierbij een luchtfoto met de vermoedelijke plaats rood omcirkeld.

De heer Wynekes beschreef de post als "een houten platform in een eenzame boom aan de rand van een glooiend terrein, uitkijkend op Wageningen".
Die omschrijving was natuurlijk lang niet voldoende om de positie te bepalen. Maar er zijn gelukkig in andere bronnen voldoende aanknopingspunten. Het Dagboek van Kapt H. Ballot (waarin de locatie ook nog in vrij algemene termen wordt omschreven, maar waaruit blijkt dat terzijde op een roggeveld een batterij luchtdoelartillerie stond), het Stellingbericht (dat de door de Terreinmeetdienst ingemeten coördinaten geeft), een wat gedetailleerder beschrijving van Elt L.D. Broekema, die onder vijandelijk vuur veel waarnemingen deed en naar de mening van de heer Wynekes eigenlijk wel een lintje verdiend had, maar dat niet kreeg.
Zoals gezegd, van het uitzicht kon Wynekes zich weinig herinneren. Een glooiend landschap, Wageningen. Hij is alleen bij elk vuurcorrectie ladder op en ladder af geweest. Hij hoefde ook niet veel meer te doen. De vuren werden door Ubbo Meijer, de luitenant Vuurregelingsdienst, uitgerekend. De waarnemingsmiddelen waren primitief, alleen een artilleriekijker. Eigenlijk een gewone 6x (of 8x ?) vergrotende veldkijker, maar dan met een op matglas ingegraveerd ruitjesraster om relatieve posities te kunnen bepalen.
Broekema heeft meer waarnemingen gedaan, ook omdat Wynekes rond de middag van 12.5 uitviel. Broekema was geboren en getogen in Wageningen en kende de omgeving als zijn broekzak. Zijn waarnemingen op Duitse artillerie zijn helaas (op één uitzondering na) voor de plaatsen onduidelijk vastgelegd.
Over het uitzicht heeft hij onder meer het volgende opgeschreven (10 mei tegen 18.00 uur):
"Van hieraf heb ik uitzicht op Veenendaal, Ede, Bennekom, Achterberg, Wageningen en op de achtergrond: Wolfheze, Heelsum, Oosterbeek, enkele torens van Arnhem en Nijmegen, welk uitzicht rechts begensd [?] is door de straatweg Wageningen-Rhenen.
Het uitzicht is nu vrij levenloos. Nog enkele evacués, nog enkele achtergebleven paarden en koeien, vrij veel kippen en een enkele auto. Van de oorlog is niets te merken, behoudens van tijd tot tijd [vijandelijke] vliegtuigen, acht [!] rokende wrakken van de neergeschoten Duitse vliegtuigen van 's morgens en een brand in Veenendaal, dienende om het schootsveld vrij te maken."
Bron: L.D. Broekema, "Oorlogservaringen". In: "Oud-Wageningen", blad van de Historische Vereniging Oud-Wageningen. Jrg 38 No 2, april 2010 (p. 47).
Vrij zeker is de exacte locatie van wp Groene Bank (bezet van 10 mei 1940 in de ochtend tm 12 mei daaraanvolgend in de avond) nu bepaald. Mede op grond van het interview. Hierbij een luchtfoto met de vermoedelijke plaats rood omcirkeld.

De heer Wynekes beschreef de post als "een houten platform in een eenzame boom aan de rand van een glooiend terrein, uitkijkend op Wageningen".
Die omschrijving was natuurlijk lang niet voldoende om de positie te bepalen. Maar er zijn gelukkig in andere bronnen voldoende aanknopingspunten. Het Dagboek van Kapt H. Ballot (waarin de locatie ook nog in vrij algemene termen wordt omschreven, maar waaruit blijkt dat terzijde op een roggeveld een batterij luchtdoelartillerie stond), het Stellingbericht (dat de door de Terreinmeetdienst ingemeten coördinaten geeft), een wat gedetailleerder beschrijving van Elt L.D. Broekema, die onder vijandelijk vuur veel waarnemingen deed en naar de mening van de heer Wynekes eigenlijk wel een lintje verdiend had, maar dat niet kreeg.
Zoals gezegd, van het uitzicht kon Wynekes zich weinig herinneren. Een glooiend landschap, Wageningen. Hij is alleen bij elk vuurcorrectie ladder op en ladder af geweest. Hij hoefde ook niet veel meer te doen. De vuren werden door Ubbo Meijer, de luitenant Vuurregelingsdienst, uitgerekend. De waarnemingsmiddelen waren primitief, alleen een artilleriekijker. Eigenlijk een gewone 6x (of 8x ?) vergrotende veldkijker, maar dan met een op matglas ingegraveerd ruitjesraster om relatieve posities te kunnen bepalen.
Broekema heeft meer waarnemingen gedaan, ook omdat Wynekes rond de middag van 12.5 uitviel. Broekema was geboren en getogen in Wageningen en kende de omgeving als zijn broekzak. Zijn waarnemingen op Duitse artillerie zijn helaas (op één uitzondering na) voor de plaatsen onduidelijk vastgelegd.
Over het uitzicht heeft hij onder meer het volgende opgeschreven (10 mei tegen 18.00 uur):
"Van hieraf heb ik uitzicht op Veenendaal, Ede, Bennekom, Achterberg, Wageningen en op de achtergrond: Wolfheze, Heelsum, Oosterbeek, enkele torens van Arnhem en Nijmegen, welk uitzicht rechts begensd [?] is door de straatweg Wageningen-Rhenen.
Het uitzicht is nu vrij levenloos. Nog enkele evacués, nog enkele achtergebleven paarden en koeien, vrij veel kippen en een enkele auto. Van de oorlog is niets te merken, behoudens van tijd tot tijd [vijandelijke] vliegtuigen, acht [!] rokende wrakken van de neergeschoten Duitse vliegtuigen van 's morgens en een brand in Veenendaal, dienende om het schootsveld vrij te maken."
Bron: L.D. Broekema, "Oorlogservaringen". In: "Oud-Wageningen", blad van de Historische Vereniging Oud-Wageningen. Jrg 38 No 2, april 2010 (p. 47).
maandag 17 oktober 2011
Een eresaluut voor onze artilleristen
Een nader onderzoek naar de inzet van Duitse artillerie bij Wageningen is bijna afgerond. Op grond daarvan past een eresaluut voor onze artilleristen daar en speciaal voor de grote inzet van de waarnemers. Nierstrasz geeft hen niet terecht de Zwarte Piet.
Omdat onze regels vrij strak waren, is met de waarnemingen op vijandelijke artillerie (- achteraf gezien - veel te) weinig gedaan. Daar waren wel redenen voor, die nu toch deels zeer aanvechtbaar lijken. Maar achteraf praten is natuurlijk gemakkelijk. De gegevens op een rij gezet zijn:
1) In totaal zijn tientallen vuren afgegeven. Hieronder maar een handvol op verkende (of vermoede) Duitse artillerie. Men beperkte zich grotendeels tot vuren W van Wageningen. Op Duitse artillerie hierbij van W naar O: 3 vuren in de Uiterwaarden door I-22 RA, 2 vuren in de Westrand van Wageningen door I-8 RA en I-15 RA, 1 vuur op een verplaatsing van de Bosrand naar Bornse Steeg door III-8 RA, 1 vuur (herhaald) door I-12 RA op de vermoedelijke opstellingen van zware artillerie in de Bosrand. In het volgend kaartje zijn alle afgegeven vuren ingetekend (lichtblauw 11.5, paars 12.5, rood 13.5)

2) Voor artilleriebestrijding was de LKA bedoeld. In het Algemeen Verdedigingsbevel en het Geheim Artilleriebevel (in maart resp. april 1940 nog aangepast door Gen Maj J. Harberts) waren ingedeeld I-12 RA, I-15 RA en II-19 RA.
3) De laatste afdeling was na verplaatsing op 12.5.40 rond de middag vrijwel uitgeschakeld. I-12 RA stond met drie van de vier batterijen in vooruitgeschoven stellingen bij Veenendaal (Dikkenberg), vooral gericht op het vak van II Div (richting Ede en Scherpenzeel). Opdracht was, dat I-12 RA storende vuren moest kunnen afgegeven tot de lijn Heelsum - Oostrand Ginkelse heide - Driesprong bij Meulunteren en vijandelijke artillerie moest kunnen bestrijden tot de lijn Pompstation (oostrand van de Wageningse Berg)- spoorlijn Utrecht Arnhem bij kp 78 - straatweg Arnhem Ede (Roekel) bij kp 1. Omdat de vooruitgeschoven batterijen in geschutsputten waren geplaatst, was het vuurbereik beperkt.
4) Voorzover bekend hebben I-12 RA en I-15 RA maar enkele vuren afgegeven op de vaak onnauwkeurig bepaalde plaatsen van Duitse artillerie. Met name bij Dorskamp en Bornse Steeg, resp. West van Wageningen (Vada, Synagoge, Uiterwaarden).
5) De Divisieartillerie heeft, met toestemming van de LKAC (Kol P.J.A. Bartels), vijandelijke artillerie bestreden voorzover die in zicht kwam van de waarnemers.
6) In totaal werden vooral op 11.5 14 en 12.5 12 genoeg redelijk bruikbare waarnemingen gedaan. Daarbij werd de richting gepeild. De afstand moet ook bij benadering bekend zijn geweest (goed te schatten aan de hand van bekende terreinpunten en te controleren met knaltijden*).
7) De regels voor acceptatie van waarnemingen waren te strak. Voorschrift was, dat er een kruispeiling moest worden gedaan door minstens drie posten. Eventueel na elkaar, wat dan de eerdere waarnemingen bevestigde. Alleen voor waarnemingen op mondingsvlammen moesten die waarnemingen ook nog eens gelijktijdig worden gedaan. Dat was onder de gevechtsomstandigheden toen niet mogelijk. Onder meer door de slechte verbindingen en uitval van posten. Een aantal posten werd ontruimd omdat teveel vijandelijk vuur werd ontvangen.
8) Moeilijk te begrijpen is, waarom de afdelingen 7 Veld (I-8 RA, op 13.5 ook II-4 RA en I-16 RA) niet zijn ingezet voor het afgeven van storende vuren. Een gebrek aan slanke brisantgranaten (die de dracht verhoogden van 8 km naar 10,5 km) kan daar de reden voor zijn geweest. Bij I-8 RA bestond de munitievoorraad voor iets meer dan de helft uit brisantgranaten (Bg) met verminderde lading (dracht tot 5 km), voor 40% uit BG met normale lading (dracht tot 8 km), voor maar ongeveer 8% uit slanke BG.
9) De opsporing aan Duitse zijde was beslist niet beter. De opsporing in dit terrein leverde veel slechtere resultaten dan vooraf werd verwacht. Aan Duitse zijde kon men vanuit artillerievliegtuigen ook maar weinig stellingen ontdekken. De stellingen waren door beide partijen goed gecamoufleerd. De Duitse Licht- en Geluidmeetposten spoorden ook lang niet alle batterijen op. Op 13.5 waarschijnlijk nog niet de helft van het vurend Nederlands geschut. Duitse interpretatie was, dat er hooguit 6 batterijen vuurden, die alleen vaak van stelling wisselden.
Voor de moeilijke waarneming (aan beide zijden) geeft het terreinprofiel een goede verklaring. Voor de Duitsers was het hoge terrein alleen vanuit de lucht in te zien. Aan Nederlandse zijde waren er boomgaarden, bosjes, bomenranden langs wegen, huizen en boerderijen die het zicht sterk beperkten. Zie onderstaande schets.

* Op vurende artillerie die zichtbaar is, kan knaltijdmeting worden toegepast. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het tijdsverschil tussen het zien van de mondingsvlam en het horen van de mondingsknal. De knal komt later, omdat geluid zich veel langzamer verplaatst dan licht. Voor elke seconde vertraging mag een afstand van 350 m worden gerekend. Dit is een vrij onnauwkeurige meting. Maar nauwkeurig genoeg voor het afgeven van storend vuur.
NASCHRIFT
Uit deze blog blijkt, dat soms (misschien wel vaak) door nieuwe gegevens een oude eigen mening moest worden herzien. Na het lezen van "Officier van Oranje", het boek van Rik Sentrop over J.A.A. Wynekes, in mei 1940 waarnemer op de post Groene Bank, lijkt dat nu ook weer nodig. In het boek wordt als eerste wapenfeit op 11 mei 1940 een vuur op vijandelijke artillerie genoemd. Een eenheid met paarden. III-8 RA neemt die onder vuur. Citaat (p. 71): "Plotseling bewegingen in het vizier. In Wageningen komt Duitse artillerie in stelling. Met zijn kompas en kaart weet Broekema [Elt-verkenner, plaatselijk goed bekend, zijn ouders woonden in een villa op de Wageningse Berg] razendsnel de positie te bepalen. [..] Ik geef de coördinaten direct door aan Ubbo Meijer [Lt Vuurregelingsdienst]. Gelijk volgt het vuurcommando.
Bwam. Bwam. Bwam. Er valt een dot vuur op die Duitse paarden en kanonnen." In de registers komt dit vuur niet voor. Maar die zijn ook dikwijls onvolledig en achteraf gereconstrueerd. Er staat wel een waarneming in het Dagboek van Staf 8 RA en in het Bevels- en Meldingenregister van III-8 RA. Uit de laatste bron [NIMH Coll 409, Inv Nr 511016]: " 11.5 7.45 uur. Er komen projectielen neer in vt 170-440 (geschat). Mondingsvlam 5 o/oo li. Oude Kerk Wageningen". Dat is in de richting van de akker op de Wageningse Berg (bij de Westbergweg, de verbindingsweg tussen de Diedenweg en Lexkesveer. Die akker ligt op 35 m + NAP en kan goed zichtbaar zijn geweest vanuit Groene Bank). Er waren bovendien onafhankelijke meldingen van geschut op de Wageningse Berg in rapporten van Kapt G. Cornelissen [NIMH Coll 409, Inv Nr 509014], Kapt T. Dales [Idem, Inv Nr 507020], Maj C.J. Voigt [Idem, Inv Nr 509006]. Nierstrasz nam in zijn Schets/Kaart C.5 (Gebruik van de artillerie bij IV Div op 11 mei 1940) een omcirkeld kruisje op aan de noordzijde van de Straatweg, kruising Diedenweg, bij de LH. Dat ligt aardig in de buurt. Als verklaring hierbij "Vijandelijke art. ontdekt door Ned. krijgsgevangenen". Waarschijnlijk gebaseerd op onder meer de melding van Kapt. G. Cornelissen. De locatie werd door mij beschouwd als bevestigde waarneming op III/AR 207.
Mijn indruk was tot nu toe, dat met deze waarnemingen en doormeldingen niets was gedaan. Dat lijkt nu toch echt anders te liggen. Vrij zeker werd hierop door III-8 RA (een niet in de registers voorkomend) initiatiefvuur afgegeven. Mij lijkt het getuigenis van de heer J.A.A. Wynekes (bevestigd in een telefoongesprek) namelijk heel geloofwaardig, ondanks het ontbreken van "hard bewijs". De locatie lag binnen bereik van III-8 RA. Het is dan moeilijk voor te stellen, dat op waargenomen vijandelijk geschut niet zou zijn gevuurd.
Omdat onze regels vrij strak waren, is met de waarnemingen op vijandelijke artillerie (- achteraf gezien - veel te) weinig gedaan. Daar waren wel redenen voor, die nu toch deels zeer aanvechtbaar lijken. Maar achteraf praten is natuurlijk gemakkelijk. De gegevens op een rij gezet zijn:
1) In totaal zijn tientallen vuren afgegeven. Hieronder maar een handvol op verkende (of vermoede) Duitse artillerie. Men beperkte zich grotendeels tot vuren W van Wageningen. Op Duitse artillerie hierbij van W naar O: 3 vuren in de Uiterwaarden door I-22 RA, 2 vuren in de Westrand van Wageningen door I-8 RA en I-15 RA, 1 vuur op een verplaatsing van de Bosrand naar Bornse Steeg door III-8 RA, 1 vuur (herhaald) door I-12 RA op de vermoedelijke opstellingen van zware artillerie in de Bosrand. In het volgend kaartje zijn alle afgegeven vuren ingetekend (lichtblauw 11.5, paars 12.5, rood 13.5)

2) Voor artilleriebestrijding was de LKA bedoeld. In het Algemeen Verdedigingsbevel en het Geheim Artilleriebevel (in maart resp. april 1940 nog aangepast door Gen Maj J. Harberts) waren ingedeeld I-12 RA, I-15 RA en II-19 RA.
3) De laatste afdeling was na verplaatsing op 12.5.40 rond de middag vrijwel uitgeschakeld. I-12 RA stond met drie van de vier batterijen in vooruitgeschoven stellingen bij Veenendaal (Dikkenberg), vooral gericht op het vak van II Div (richting Ede en Scherpenzeel). Opdracht was, dat I-12 RA storende vuren moest kunnen afgegeven tot de lijn Heelsum - Oostrand Ginkelse heide - Driesprong bij Meulunteren en vijandelijke artillerie moest kunnen bestrijden tot de lijn Pompstation (oostrand van de Wageningse Berg)- spoorlijn Utrecht Arnhem bij kp 78 - straatweg Arnhem Ede (Roekel) bij kp 1. Omdat de vooruitgeschoven batterijen in geschutsputten waren geplaatst, was het vuurbereik beperkt.
4) Voorzover bekend hebben I-12 RA en I-15 RA maar enkele vuren afgegeven op de vaak onnauwkeurig bepaalde plaatsen van Duitse artillerie. Met name bij Dorskamp en Bornse Steeg, resp. West van Wageningen (Vada, Synagoge, Uiterwaarden).
5) De Divisieartillerie heeft, met toestemming van de LKAC (Kol P.J.A. Bartels), vijandelijke artillerie bestreden voorzover die in zicht kwam van de waarnemers.
6) In totaal werden vooral op 11.5 14 en 12.5 12 genoeg redelijk bruikbare waarnemingen gedaan. Daarbij werd de richting gepeild. De afstand moet ook bij benadering bekend zijn geweest (goed te schatten aan de hand van bekende terreinpunten en te controleren met knaltijden*).
7) De regels voor acceptatie van waarnemingen waren te strak. Voorschrift was, dat er een kruispeiling moest worden gedaan door minstens drie posten. Eventueel na elkaar, wat dan de eerdere waarnemingen bevestigde. Alleen voor waarnemingen op mondingsvlammen moesten die waarnemingen ook nog eens gelijktijdig worden gedaan. Dat was onder de gevechtsomstandigheden toen niet mogelijk. Onder meer door de slechte verbindingen en uitval van posten. Een aantal posten werd ontruimd omdat teveel vijandelijk vuur werd ontvangen.
8) Moeilijk te begrijpen is, waarom de afdelingen 7 Veld (I-8 RA, op 13.5 ook II-4 RA en I-16 RA) niet zijn ingezet voor het afgeven van storende vuren. Een gebrek aan slanke brisantgranaten (die de dracht verhoogden van 8 km naar 10,5 km) kan daar de reden voor zijn geweest. Bij I-8 RA bestond de munitievoorraad voor iets meer dan de helft uit brisantgranaten (Bg) met verminderde lading (dracht tot 5 km), voor 40% uit BG met normale lading (dracht tot 8 km), voor maar ongeveer 8% uit slanke BG.
9) De opsporing aan Duitse zijde was beslist niet beter. De opsporing in dit terrein leverde veel slechtere resultaten dan vooraf werd verwacht. Aan Duitse zijde kon men vanuit artillerievliegtuigen ook maar weinig stellingen ontdekken. De stellingen waren door beide partijen goed gecamoufleerd. De Duitse Licht- en Geluidmeetposten spoorden ook lang niet alle batterijen op. Op 13.5 waarschijnlijk nog niet de helft van het vurend Nederlands geschut. Duitse interpretatie was, dat er hooguit 6 batterijen vuurden, die alleen vaak van stelling wisselden.
Voor de moeilijke waarneming (aan beide zijden) geeft het terreinprofiel een goede verklaring. Voor de Duitsers was het hoge terrein alleen vanuit de lucht in te zien. Aan Nederlandse zijde waren er boomgaarden, bosjes, bomenranden langs wegen, huizen en boerderijen die het zicht sterk beperkten. Zie onderstaande schets.

* Op vurende artillerie die zichtbaar is, kan knaltijdmeting worden toegepast. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het tijdsverschil tussen het zien van de mondingsvlam en het horen van de mondingsknal. De knal komt later, omdat geluid zich veel langzamer verplaatst dan licht. Voor elke seconde vertraging mag een afstand van 350 m worden gerekend. Dit is een vrij onnauwkeurige meting. Maar nauwkeurig genoeg voor het afgeven van storend vuur.
NASCHRIFT
Uit deze blog blijkt, dat soms (misschien wel vaak) door nieuwe gegevens een oude eigen mening moest worden herzien. Na het lezen van "Officier van Oranje", het boek van Rik Sentrop over J.A.A. Wynekes, in mei 1940 waarnemer op de post Groene Bank, lijkt dat nu ook weer nodig. In het boek wordt als eerste wapenfeit op 11 mei 1940 een vuur op vijandelijke artillerie genoemd. Een eenheid met paarden. III-8 RA neemt die onder vuur. Citaat (p. 71): "Plotseling bewegingen in het vizier. In Wageningen komt Duitse artillerie in stelling. Met zijn kompas en kaart weet Broekema [Elt-verkenner, plaatselijk goed bekend, zijn ouders woonden in een villa op de Wageningse Berg] razendsnel de positie te bepalen. [..] Ik geef de coördinaten direct door aan Ubbo Meijer [Lt Vuurregelingsdienst]. Gelijk volgt het vuurcommando.
Bwam. Bwam. Bwam. Er valt een dot vuur op die Duitse paarden en kanonnen." In de registers komt dit vuur niet voor. Maar die zijn ook dikwijls onvolledig en achteraf gereconstrueerd. Er staat wel een waarneming in het Dagboek van Staf 8 RA en in het Bevels- en Meldingenregister van III-8 RA. Uit de laatste bron [NIMH Coll 409, Inv Nr 511016]: " 11.5 7.45 uur. Er komen projectielen neer in vt 170-440 (geschat). Mondingsvlam 5 o/oo li. Oude Kerk Wageningen". Dat is in de richting van de akker op de Wageningse Berg (bij de Westbergweg, de verbindingsweg tussen de Diedenweg en Lexkesveer. Die akker ligt op 35 m + NAP en kan goed zichtbaar zijn geweest vanuit Groene Bank). Er waren bovendien onafhankelijke meldingen van geschut op de Wageningse Berg in rapporten van Kapt G. Cornelissen [NIMH Coll 409, Inv Nr 509014], Kapt T. Dales [Idem, Inv Nr 507020], Maj C.J. Voigt [Idem, Inv Nr 509006]. Nierstrasz nam in zijn Schets/Kaart C.5 (Gebruik van de artillerie bij IV Div op 11 mei 1940) een omcirkeld kruisje op aan de noordzijde van de Straatweg, kruising Diedenweg, bij de LH. Dat ligt aardig in de buurt. Als verklaring hierbij "Vijandelijke art. ontdekt door Ned. krijgsgevangenen". Waarschijnlijk gebaseerd op onder meer de melding van Kapt. G. Cornelissen. De locatie werd door mij beschouwd als bevestigde waarneming op III/AR 207.
Mijn indruk was tot nu toe, dat met deze waarnemingen en doormeldingen niets was gedaan. Dat lijkt nu toch echt anders te liggen. Vrij zeker werd hierop door III-8 RA (een niet in de registers voorkomend) initiatiefvuur afgegeven. Mij lijkt het getuigenis van de heer J.A.A. Wynekes (bevestigd in een telefoongesprek) namelijk heel geloofwaardig, ondanks het ontbreken van "hard bewijs". De locatie lag binnen bereik van III-8 RA. Het is dan moeilijk voor te stellen, dat op waargenomen vijandelijk geschut niet zou zijn gevuurd.
zondag 27 maart 2011
Perspectief
Een verschil in perspectief kan tot grote verwarring leiden. Zo blijken veel geciteerde gegevens nogal eens uiteen te lopen. Niet alle bronnen zijn daarom ongewijzigd te gebruiken voor het Wagenings toneel.
Voor de (zeer) zware Duitse artillerie in mei 1940 ingezet, kan het volgende worden vastgesteld.
In het werk van B. Müller-Hillebrand [BM-H] is dat de Westfeldzug, naar de stand van 15.5.1940.
In het boekje over Eisenbahnartillerie van Guy Francois [Guy] is dat het Duitse optreden met railgebonden artillerie in Frankrijk. Het accent ligt daarbij op 1941 en later. Vermoedelijk heeft hij vanuit 1941 naar 1940 teruggeredeneerd en ook BM-H als bron gebruikt voor zijn sterkte-opgaaf van mei 1940.
Officiële Duitse gegevens zijn verzameld in de twee volgende scans.


Vergelijking met de eerder genoemde secundaire bronnen levert de volgende nieuwe inzichten op.
(1) s Art Abt 735 werd in maart 1940 onvolledig opgericht, met 2 batterijen. De derde batterij zou per 5.4.1940 opgesteld worden door Wehrkreis X. Beoogde beschikbaarheid van de derde batterij vanaf 25.4. Die wordt in een document van 4.5 voor het eerst gemeld, per 15.5 bevestigd. Mogelijk is de deadline dus niet gehaald. In Noord-Brabant (bij XXVI AK) en bij Wageningen (bij X AK/ID 207) waren in elk geval maar 2 van de 3 batterijen beschikbaar.
(2) BM-H geeft ten onrechte aan, dat EB 721 maar 1 stuk 24 cm had. Ook het overzicht van Guy voor mei 1940 klopt niet. De verdeling naar type was aan het begin van de Westfeldzug (tm 15.5.1940):
EB 664 2 st 24 cm SK L/40 (Th)
EB 674 1 st idem
EB 721 2 st 24 cm SK L/35 (Th B)
EB 722 2 st idem
Authentieke overzichten zijn te raadplegen op http://sturmpanzer.com als “NARA”-documenten. Beschikbaar met de standen per 15.1.40, 1(5).4.40, 15.5.40 en later. Hierin (meestal in handschrift) veel interessante aantekeningen van aanvullingen, wijzigingen, verplaatsingen van de Duitse eenheden. Bron: National Archives USA, Microfilms T-78. Bij het NIMH gedeeltelijk beschikbaar als Collectie 400 - Washington papers.
Voor de (zeer) zware Duitse artillerie in mei 1940 ingezet, kan het volgende worden vastgesteld.
In het werk van B. Müller-Hillebrand [BM-H] is dat de Westfeldzug, naar de stand van 15.5.1940.
In het boekje over Eisenbahnartillerie van Guy Francois [Guy] is dat het Duitse optreden met railgebonden artillerie in Frankrijk. Het accent ligt daarbij op 1941 en later. Vermoedelijk heeft hij vanuit 1941 naar 1940 teruggeredeneerd en ook BM-H als bron gebruikt voor zijn sterkte-opgaaf van mei 1940.
Officiële Duitse gegevens zijn verzameld in de twee volgende scans.


Vergelijking met de eerder genoemde secundaire bronnen levert de volgende nieuwe inzichten op.
(1) s Art Abt 735 werd in maart 1940 onvolledig opgericht, met 2 batterijen. De derde batterij zou per 5.4.1940 opgesteld worden door Wehrkreis X. Beoogde beschikbaarheid van de derde batterij vanaf 25.4. Die wordt in een document van 4.5 voor het eerst gemeld, per 15.5 bevestigd. Mogelijk is de deadline dus niet gehaald. In Noord-Brabant (bij XXVI AK) en bij Wageningen (bij X AK/ID 207) waren in elk geval maar 2 van de 3 batterijen beschikbaar.
(2) BM-H geeft ten onrechte aan, dat EB 721 maar 1 stuk 24 cm had. Ook het overzicht van Guy voor mei 1940 klopt niet. De verdeling naar type was aan het begin van de Westfeldzug (tm 15.5.1940):
EB 664 2 st 24 cm SK L/40 (Th)
EB 674 1 st idem
EB 721 2 st 24 cm SK L/35 (Th B)
EB 722 2 st idem
Authentieke overzichten zijn te raadplegen op http://sturmpanzer.com als “NARA”-documenten. Beschikbaar met de standen per 15.1.40, 1(5).4.40, 15.5.40 en later. Hierin (meestal in handschrift) veel interessante aantekeningen van aanvullingen, wijzigingen, verplaatsingen van de Duitse eenheden. Bron: National Archives USA, Microfilms T-78. Bij het NIMH gedeeltelijk beschikbaar als Collectie 400 - Washington papers.
zaterdag 26 februari 2011
Nederlands geschut mei 1940
Even iets heel anders. In enkele veel geraadpleegde werken, komen sterk verschillende cijfers voor over het aantal vuurmonden (stukken geschut) bij de Nederlandse artillerie in mei 1940. Bijvoorbeeld:
* 678 st - Bij J. Albarda en F.L. Kroesen, “Nederlands geschut sinds 1677” (1978). P. 33.
* 704 st - Bij H. Ringoir, “Afstammingen en voortzettingen der Artillerie” (1979). P. 10, 11.
* 710 st - Bij J. Klingens, “Het paardenvolk in mei 1940” (z.j.). P. 23 – 70.
* 886 st - Bij M. Brink en C. Cramer, “Ergens in Nederland” (1989). P. 121.
Op 41afdva.net staat de tot nu toe hoogste opgaaf. Totaal 1.000 vuurmonden.
http://www.41afdva.net/index.htm, doorklikken op “Artillerie algemeen”, daarna op “Mei 1940”. Dit overzicht klopt redelijk, behalve 17 RA en de opgave van de aantallen in Depots en reserve.
Onder meer over 17 RA bestaat verwarring. Klingens (p. 46) noemt hier I-17 RA en II-17 RA, twee afdelingen met elk 12 st 7 Veld. Daarnaast de derde afdeling, III-17 RA met 16 st 8 Staal, en de Sectie 10 L/30.
Volgens de gevechtsverslagen (en de bijbehorende schetsen) van dit regiment had I-17 RA (Nierstrasz Deel III.4B, p. 4) maar twee batterijen. Deze afdeling (op het Zuidfront Vesting Holland) beschikte dus maar over 8 st 7 Veld.
II-17 RA (in Zeeland) had wel 3 batterijen, dus 12 st. Samen 20 st 7 Veld. III-17 RA (ook in Zeeland) had 3 batterijen van 4 st, dus 12 st 8 Staal. Hiernaast stond de sectie 10 L/30 ook in Zeeland, 2 st. Vergelijk bijvoorbeeld Schets/Kaart Nr 5 (Nierstrasz Deel III.6).
NB: De depots waren geen opslagplaatsen voor geschut, maar na de mobilisatie gecentraliseerde opleidingen. De veldartillerie had vijf van die centra. Vier depots bereden artillerie (één voor elk legerkorps), en één depot motorartillerie. Deze beschikten in januari 1940 in totaal over 34 st 7 Veld (daarvan 15 van afwijkend model, AM), over 1 st Hw 12 L/14 (AM), 8 st Hw 15 L/17, en 6 st 10 Veld.
Hoe is een verschil van meer dan 300 stukken tussen het hoogste en het laagste cijfer te verklaren ?
Belangrijke oorzaken waren de wat wazige grenzen, voor wat wel of niet meegerekend moest worden. Dat leidde bij de genoemde auteurs blijkbaar tot eigen definities en andere tellingen. Vooral over de
* Nog gerealiseerde uitbreidingen op het laatste moment (April, mei 1940)
* Zelfstandige batterijen en stukken 8 Staal (In de linies 48 st, aan de kust 12 st)
* Batterijen 6 Veld als Infanteriegeschut (Eén batterij voor elk regiment infanterie en 5 RH, 200 st)
Toelichting
(1) Bij de mobilisatie (28 augustus 1939) werden de tevoren geplande achttien regimenten en vier afdelingen van de oorlogsorganisatie opgericht en op sterkte gebracht. Zij kregen de nummers 1 tm 19 RA, KRA, 22 en 23 RA. Op het laatst (in april/mei 1940) werden hieraan nog één regiment en vier zelfstandige afdelingen toegevoegd. Die kregen de nummers 20 RA en 24 tm 27 AA. Tekorten aan geschut werden (voorzover mogelijk) aangevuld. Daarbij zijn vooral de toen “artilleristisch zwakke fronten” van IJssel-, Maas- en Grebbelinie, Den Helder, Delfzijl, en Amsterdam versterkt met stukken 8 Staal. Aan de Grebbeberg kwam verder de Rijnbatterij voor rivierbestrijking, bewapend met twee stukken 7 Veld AM. Bij Ochten een Waalbatterij, waarvoor kustgeschut werd gebruikt.
De aanvullingen kwamen vooral uit de magazijnen en depots. Voor een klein deel maar uit nog tijdig ontvangen leveringen.
(2) De vier tot april 1940 onvolledig gebleven regimenten (16 RA, 17 RA, 22 RA en 23 RA), met toen nog elk twee afdelingen van twee batterijen 7 Veld, zouden met een vijfde en zesde batterij op oorlogssterkte worden gebracht. Hiervoor was een order in uitvoering bij de Artillerie Inrichtingen Hembrug (AIH). Het plan was later ook de bij deze RA’s ontbrekende derde afdeling houwitsers toe te voegen. Vermoedelijk uit het materieel nog in gebruik bij 1 tm 8 RA. De bestaande houwitsers bij 1 tm 8 RA zouden worden vervangen. Het KRA zou tegelijk een derde afdeling met nieuwe houwitsers krijgen. Bij Krupp waren daarvoor besteld 120 st 10,5 cm Hw L/28 (Duitse type aanduiding le FH 18/39). Hiervoor werden 20 st in bruikleen gekregen, maar zonder scherpe munitie. Oplevering van de bij de AIH bestelde stukken 7 Veld lukte voor 10 mei 1940 nog maar voor een klein deel. Bij de regimenten 17 RA en 23 RA ontbrak op 10 mei nog de zesde batterij. Daarvoor moest al een aantal stukken AM (afwijkend model) uit de depots worden gehaald.
(3) Verwarring over de nog op het laatste moment wel of niet gerealiseerde aanvullingen, leidt in de genoemde publicaties tot aanwijsbare verschillen. Uit de depots werden in hoofdzaak de twee regimenten 17 RA (derde afdeling en sectie 10 L/30), en 20 RA (geheel) en vier zelfstandige afdelingen 24 tm 27 AA (geheel) bewapend. Verder kreeg III-8 RA nog op tijd een derde batterij Hw 15 L/17 (uit depot), I-12 RA een vierde batterij 10 Veld (uit nieuwe aanmaak).
(4) Strikt genomen is het niet juist, om de batterijen 6 Veld (infanteriegeschut) tot de Veldartillerie te rekenen. Als de definitie wel zover wordt opgerekt, moeten ook de stukken pantserafweer-geschut Böhler 4,7 cm worden meegeteld. Dat kunnen er nog een 400 - 500 geweest zijn. In januari 1939 waren er 100 st aanwezig, maar 600 ingedeeld, dus toen blijkbaar nog 500 in bestelling. Een jaar later waren er 386 aanwezig, 700 in opdracht, en 1.155 nodig volgens Bijlage IA van het “Beknopt Overzicht” (1947).
(5) Het Korps Rijdende Artillerie (KRA) wordt één keer (bij Brink en Cramer, per ongeluk ?) niet meegeteld. Het KRA neemt als Korps “Rijdende Artillerie”, met een traditie die teruggaat tot 1793, in elk geval een heel bijzondere plaats in.
Het gaat voor dit medium (blog) te ver om de verschillen tussen de genoemde publicaties helemaal uit te spitten. Hoofdzaak is de eigen definitie (wat wordt meegerekend, wat niet) bij elke auteur.
Het juiste getal voor het aantal stukken bij de regimenten en afdelingen Veldartillerie is 704. Hierin is het KRA wel meegerekend, de 60 st van de zelfstandige batterijen 8 Staal niet. De ongeveer 200 st van de 6 Veld als infanteriegeschut evenmin.
Gegevens Artillerie mei 1940
(Totaal en ingedeeld bij Veldartillerie)

Gegevens voor de batterijen 6 Veld
Elk regiment infanterie beschikte over een batterij 6 Veld. Totaal 48 x 4 st = 192 st
5 RH (Veluwe) had twee bereden batterijen 6 Veld, van het KRA. 2 x 4 st = 8 st.
Bij het KRA nog de gemotoriseerde 5e batterij (naast de vier 7 Veld), 5 KRA, 1 x 6 st = 6 st.
* 678 st - Bij J. Albarda en F.L. Kroesen, “Nederlands geschut sinds 1677” (1978). P. 33.
* 704 st - Bij H. Ringoir, “Afstammingen en voortzettingen der Artillerie” (1979). P. 10, 11.
* 710 st - Bij J. Klingens, “Het paardenvolk in mei 1940” (z.j.). P. 23 – 70.
* 886 st - Bij M. Brink en C. Cramer, “Ergens in Nederland” (1989). P. 121.
Op 41afdva.net staat de tot nu toe hoogste opgaaf. Totaal 1.000 vuurmonden.
http://www.41afdva.net/index.htm, doorklikken op “Artillerie algemeen”, daarna op “Mei 1940”. Dit overzicht klopt redelijk, behalve 17 RA en de opgave van de aantallen in Depots en reserve.
Onder meer over 17 RA bestaat verwarring. Klingens (p. 46) noemt hier I-17 RA en II-17 RA, twee afdelingen met elk 12 st 7 Veld. Daarnaast de derde afdeling, III-17 RA met 16 st 8 Staal, en de Sectie 10 L/30.
Volgens de gevechtsverslagen (en de bijbehorende schetsen) van dit regiment had I-17 RA (Nierstrasz Deel III.4B, p. 4) maar twee batterijen. Deze afdeling (op het Zuidfront Vesting Holland) beschikte dus maar over 8 st 7 Veld.
II-17 RA (in Zeeland) had wel 3 batterijen, dus 12 st. Samen 20 st 7 Veld. III-17 RA (ook in Zeeland) had 3 batterijen van 4 st, dus 12 st 8 Staal. Hiernaast stond de sectie 10 L/30 ook in Zeeland, 2 st. Vergelijk bijvoorbeeld Schets/Kaart Nr 5 (Nierstrasz Deel III.6).
NB: De depots waren geen opslagplaatsen voor geschut, maar na de mobilisatie gecentraliseerde opleidingen. De veldartillerie had vijf van die centra. Vier depots bereden artillerie (één voor elk legerkorps), en één depot motorartillerie. Deze beschikten in januari 1940 in totaal over 34 st 7 Veld (daarvan 15 van afwijkend model, AM), over 1 st Hw 12 L/14 (AM), 8 st Hw 15 L/17, en 6 st 10 Veld.
Hoe is een verschil van meer dan 300 stukken tussen het hoogste en het laagste cijfer te verklaren ?
Belangrijke oorzaken waren de wat wazige grenzen, voor wat wel of niet meegerekend moest worden. Dat leidde bij de genoemde auteurs blijkbaar tot eigen definities en andere tellingen. Vooral over de
* Nog gerealiseerde uitbreidingen op het laatste moment (April, mei 1940)
* Zelfstandige batterijen en stukken 8 Staal (In de linies 48 st, aan de kust 12 st)
* Batterijen 6 Veld als Infanteriegeschut (Eén batterij voor elk regiment infanterie en 5 RH, 200 st)
Toelichting
(1) Bij de mobilisatie (28 augustus 1939) werden de tevoren geplande achttien regimenten en vier afdelingen van de oorlogsorganisatie opgericht en op sterkte gebracht. Zij kregen de nummers 1 tm 19 RA, KRA, 22 en 23 RA. Op het laatst (in april/mei 1940) werden hieraan nog één regiment en vier zelfstandige afdelingen toegevoegd. Die kregen de nummers 20 RA en 24 tm 27 AA. Tekorten aan geschut werden (voorzover mogelijk) aangevuld. Daarbij zijn vooral de toen “artilleristisch zwakke fronten” van IJssel-, Maas- en Grebbelinie, Den Helder, Delfzijl, en Amsterdam versterkt met stukken 8 Staal. Aan de Grebbeberg kwam verder de Rijnbatterij voor rivierbestrijking, bewapend met twee stukken 7 Veld AM. Bij Ochten een Waalbatterij, waarvoor kustgeschut werd gebruikt.
De aanvullingen kwamen vooral uit de magazijnen en depots. Voor een klein deel maar uit nog tijdig ontvangen leveringen.
(2) De vier tot april 1940 onvolledig gebleven regimenten (16 RA, 17 RA, 22 RA en 23 RA), met toen nog elk twee afdelingen van twee batterijen 7 Veld, zouden met een vijfde en zesde batterij op oorlogssterkte worden gebracht. Hiervoor was een order in uitvoering bij de Artillerie Inrichtingen Hembrug (AIH). Het plan was later ook de bij deze RA’s ontbrekende derde afdeling houwitsers toe te voegen. Vermoedelijk uit het materieel nog in gebruik bij 1 tm 8 RA. De bestaande houwitsers bij 1 tm 8 RA zouden worden vervangen. Het KRA zou tegelijk een derde afdeling met nieuwe houwitsers krijgen. Bij Krupp waren daarvoor besteld 120 st 10,5 cm Hw L/28 (Duitse type aanduiding le FH 18/39). Hiervoor werden 20 st in bruikleen gekregen, maar zonder scherpe munitie. Oplevering van de bij de AIH bestelde stukken 7 Veld lukte voor 10 mei 1940 nog maar voor een klein deel. Bij de regimenten 17 RA en 23 RA ontbrak op 10 mei nog de zesde batterij. Daarvoor moest al een aantal stukken AM (afwijkend model) uit de depots worden gehaald.
(3) Verwarring over de nog op het laatste moment wel of niet gerealiseerde aanvullingen, leidt in de genoemde publicaties tot aanwijsbare verschillen. Uit de depots werden in hoofdzaak de twee regimenten 17 RA (derde afdeling en sectie 10 L/30), en 20 RA (geheel) en vier zelfstandige afdelingen 24 tm 27 AA (geheel) bewapend. Verder kreeg III-8 RA nog op tijd een derde batterij Hw 15 L/17 (uit depot), I-12 RA een vierde batterij 10 Veld (uit nieuwe aanmaak).
(4) Strikt genomen is het niet juist, om de batterijen 6 Veld (infanteriegeschut) tot de Veldartillerie te rekenen. Als de definitie wel zover wordt opgerekt, moeten ook de stukken pantserafweer-geschut Böhler 4,7 cm worden meegeteld. Dat kunnen er nog een 400 - 500 geweest zijn. In januari 1939 waren er 100 st aanwezig, maar 600 ingedeeld, dus toen blijkbaar nog 500 in bestelling. Een jaar later waren er 386 aanwezig, 700 in opdracht, en 1.155 nodig volgens Bijlage IA van het “Beknopt Overzicht” (1947).
(5) Het Korps Rijdende Artillerie (KRA) wordt één keer (bij Brink en Cramer, per ongeluk ?) niet meegeteld. Het KRA neemt als Korps “Rijdende Artillerie”, met een traditie die teruggaat tot 1793, in elk geval een heel bijzondere plaats in.
Het gaat voor dit medium (blog) te ver om de verschillen tussen de genoemde publicaties helemaal uit te spitten. Hoofdzaak is de eigen definitie (wat wordt meegerekend, wat niet) bij elke auteur.
Het juiste getal voor het aantal stukken bij de regimenten en afdelingen Veldartillerie is 704. Hierin is het KRA wel meegerekend, de 60 st van de zelfstandige batterijen 8 Staal niet. De ongeveer 200 st van de 6 Veld als infanteriegeschut evenmin.
Gegevens Artillerie mei 1940
(Totaal en ingedeeld bij Veldartillerie)

Gegevens voor de batterijen 6 Veld
Elk regiment infanterie beschikte over een batterij 6 Veld. Totaal 48 x 4 st = 192 st
5 RH (Veluwe) had twee bereden batterijen 6 Veld, van het KRA. 2 x 4 st = 8 st.
Bij het KRA nog de gemotoriseerde 5e batterij (naast de vier 7 Veld), 5 KRA, 1 x 6 st = 6 st.
Abonneren op:
Posts (Atom)