woensdag 15 juli 2009

Kaarten en coördinaten

Nog iets over het kaartmateriaal van mei 1940, speciaal over het coördinaatsysteem dat Duitsers toen daarbij gebruikten. Is het aannemelijk dat de Duitse troepen rekenden vanuit een eigen nulpunt, en dan ook een eigen vierkantennet gebruikten ?

Elke topografische kaart is een zo nauwkeurig mogelijke afbeelding van een deel van de wereldbol in een plat vlak. Hierbij treedt altijd enige vertekening op. De kaart is alleen nauwkeurig genoeg in een beperkt gebied rond het nulpunt, en in een strook aan weerskanten van de nulmeridiaan. Bij vertaling van coördinaten in het ene systeem (bijvoorbeeld RD) naar een ander (bijvoorbeeld Gauss-Krüger), moet rekening gehouden worden met een verdraaiing van assen, en daarmee van het raster. De volgende figuur maakt dat duidelijk.

De Duitse troepen ontweken dit soort complicaties op ons grondgebied, door zoveel mogelijk Nederlandse kaarten te gebruiken. Die waren er in twee kwaliteiten. Er was een complete serie stafbladen in Bonne-projectie, getekend aan de hand van kadastergegevens en terreinverkenningen. Het nulpunt van deze kaarten lag bij Chaam. Nulmeridiaan vormde de N-Z lijn over de Amsterdamse Westertoren. Elk blad werd in dit systeem genummerd met x van 0 tot 40, met y van 50 tot 75. Sinds 1922 werden details mede ingetekend aan de hand van luchtfoto's.
Vanaf ongeveer 1935 maakte de Topografische Dienst stafbladen in stereografische projectie. Het nulpunt van deze kaarten lag in Amersfoort op de spits van de OLV-toren (Lange Jan). Nulmeridiaan vormde de N-Z lijn over dit punt. Hiervoor werden de coördinaten x = 155000, y = 463000 gekozen.
In de Militaire Spectator (MS), jaargang 1934 en 1935, zijn in drie artikelen van C.A.J. von Frijtag Drabbe nadere bijzonderheden over de oude en de nieuwe Topografische Kaart (TK) te vinden.
De stafkaarten werden gemaakt op schaal 1:50.000 en schaal 1:25.000. Voor de artillerie was de laatste het meest geschikt door de grotere gedetailleerdheid.

De Bonnebladen hadden als groot nadeel, dat de kaarten minder juist waren. Zowel voor de onderlinge ligging van ingetekende vaste punten, als voor de terreinsituatie. Bij nieuwe verkenningen bleken er soms flinke vertekeningen te bestaan, tot 250 m in het veld [MS 1935, p. 434]. Ook was de ingetekende situatie in veel gevallen niet meer juist.
Deze serie stafkaarten was daarom niet zonder meer geschikt voor de artillerie. De kaarten moesten worden geijkt (en waar nodig aangevuld en gecorrigeerd) door waarnemingen en metingen in het schietterrein.

De nieuwe stafkaarten kregen een veel grotere nauwkeurigheid, tot op 2,5 - 5 m in het terrein [MS 1935, p. 392]. Door mechanische verwerking van luchtfoto's, waren kaarten sneller te vervaardigen en daarmee ook actueler te houden. In het werkplan waren nog 13 jaar uitgetrokken voor de aanmaak van de nieuwe stafkaarten. Waarschijnlijk is dit proces na de mobilisatie versneld. In mei 1940 waren de luchtverkenningen voor de Grebbelinie, Betuwe, en Noord-Brabant uitgevoerd. In elk geval voor het gebied rond Wageningen (bladen 39 W en 39 O) was een kaart in het nieuwe stelsel beschikbaar. Vermoedelijk ook voor de Grebbelinie N (bladen 32 W en 32 O).

Omdat de nieuwe serie stafkaarten in mei 1940 nog niet voor heel Nederland gereed was, moesten de Duitse troepen toch ook andere kaarten benutten. Zij beschikten over een (tot april bijgewerkte) serie kaarten op schaal 1:50.000. Hierop stonden bijna alle Nederlandse versterkingen ingetekend. Die waren deels vastgesteld, deels slechts vermoed. De gegevens daarvoor werden verkregen uit eigen luchtfoto's en spionage. Deze serie staat bekend als de "Befestigungskarte Niederlande 1:50.000".

Het is op zich wel mogelijk, dat de Duitse troepen rekenden vanuit een eigen nulpunt. Het ligt dan voor de hand, hiervoor een plaats op eigen gebied te nemen, bij voorbeeld Wesel. Hier was het hoofdkwartier van AOK 18 gevestigd met een "Kartenstelle".

Maar de opgegeven coördinaten voor 10/AR 256 (bij Wageningen) en voor 12/AR 256 (bij Ederveen) passen niet in een systeem met Wesel als nulpunt. Ook niet goed in de toen meer in Nederland en Duitsland gebruikte systemen (Bonne, RD, Gauss-Krüger).
De coördinaten waren voor 10/AR 256 Re[chts] 74 810, Ho[ch] 43 090. Voor 12/AR 256 Re 68 600, Ho 53 875.
Wesel past niet, omdat dan eigenlijk Re-coördinaten met een minteken moeten worden gebruikt, want Wageningen en Ederveen liggen W van Wesel. En het Re-getal van Ederveen zou dan ook nog hoger moeten zijn dan dat van Wageningen, want Ederveen ligt westelijker dan Wageningen.
Mogelijk is, dat beide punten toch uit het nieuwe RD-systeem komen. Maar dan met weglating van het eerste cijfer per coördinaat (de 1 voor de x-coördinaat, de 4 voor de y-coördinaat). Bij Wageningen levert dat een plausibele plek op. Een akker van ongeveer 100 m bij 100 m, W van de Oude Bennekomse weg. Bij Ederveen is dat niet goed vast te stellen. Wel is uit andere bron bekend, dat deze Duitse batterij ergens in deze omgeving, tussen Renswoude en Lunteren, heeft gestaan [Mei 1940 (2005), p. 303].

maandag 29 juni 2009

Duitse bronnen

Duitse bronnen geven aan, dat er zeker drie (waarschijnlijk meer) afdelingen artillerie bij de Wageningse Berg hebben gestaan. De aangegeven plaatsen zijn N van de Englaan. We hebben daarvoor een kaartje, twee foto's, en twee coördinaten.

Het kaartje is de "Lagekarte" van 12 mei, ongeveer 14.20 uur (16.00 uur Duitse tijd) [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1311]. Het was opgenomen als bijlage bij het verslag van Hauptmann Rechlin, "Mit Pommern und Ostmarkern (..)". Zie de aflevering van 18 juni. Hierop staan twee 10,5 cm eenheden, en een 15 cm eenheid ingetekend. Als dat accuraat genoeg gebeurde, stonden ze alle drie N van de Generaal Foulkesweg (de vroegere Rijksstraatweg Renkum - Rhenen). De aangeduide eenheden zijn vermoedelijk van N naar Z III/AR 207, III/AR 311, en II/AR SS.


De twee foto's kunnen hier helaas niet worden weergegeven, vanwege het copyright. Ze zijn te vinden in het boek "Grebbelinie 1940" van E.H. Brongers (2002), tweede foto op p. 84. En in "Kameraden bis zum Ende" van Otto Weidinger (2007), vierde foto na p. 224. Beide foto's laten een enkel stuk geschut in vuurstelling zien. Herkenbaar van een gemotoriseerde 10,5 cm afdeling le FH 18. Dus van II/AR SS. De gefotografeerde locaties zijn allebei aan de Englaan. De eerste aan het oosteinde (hoek Belmontelaan), de tweede aan het westeinde (hoek Diedenweg).

De coördinaten werden genoemd in schriftelijke bevelen. Eén (van Arko 22 aan artillerievliegers, voor 13 mei), als rechts: 74 810; hoch: 43 090. Een tweede (van ID 227 aan AR 227, voor 13 mei), als rechts: 68 600; hoch: 53 875. Deze coördinaten zijn niet met 100% zekerheid te herleiden naar die van onze tegenwoordige stafkaarten. De eerste opgaaf betreft 10/AR 256 en moet dus bij Wageningen geweest zijn [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1983]. De tweede betreft 12/AR 256, en moet dus bij Ede geweest zijn [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 727].
Zonder al te diep op kaartstelsels in te gaan, toch iets ter verduidelijking. In 1940 gebruikten de Europese landen eigen kaarten en coördinaten. Duitsland gebruikte hiervoor het systeem Gauss-Krüger. Nederland had een nieuw RD-stelsel ingevoerd, met doorlopende coördinaten over alle bladen. Inplaats van de vroegere Bonne-projectie, met coördinaten die op elk blad W-O van 0 - 40 en Z-N van 50 - 75 liepen. België gebruikte nog wel een Bonne-projectie. Frankrijk het stelsel Lambert.
Als basis voor schietgegevens gebruikte Duitsland in eigen land kaarten met coördinaten volgens Gauss-Krüger. Deze waren berekend in drie zones ("Streifen") t.o.v. 3, resp. 6, resp. 9 graden OL. De Duitse coördinaten werden gemeten t.o.v. één van deze meridianen in meters rechts (O) daarvan ("Rechtswert"), en t.o.v. een parallelcirkel in meters hoger (N) daarvan ("Hochwert"). Volgens de toen geldende Duitse instructie (Merkblatt 4, OKH) zou op nederlands gebied gebruik gemaakt worden van onze kaarten, en van onze coördinaten [NIMH Coll. 410, Inv. Nr. 75123]. Dat gold tenminste voor het gebied N van 51 graden 15 minuten NB ("Hochwert 5780"). Dus ook voor het gebied bij Wageningen.
In een document van Heeresgruppe B wordt dat toch weer wat genuanceerd [NIMH Coll. 410, Inv. Nr. 75014]. Daar staat (in mijn vertaling):

"Noord van de breedtegraad 51 graden 15 minuten, Hochwert 5780 kan het duitse Gauss-Krügernet als schiet- en meldvierkantennet gehandhaafd worden, voorzover het Gauss-Krügernet in de kaarten ingetekend, of aan de kaartrand met streepjes aangegeven is. Verder dan dat is een provisorische doorvoering van het Gauss-Krügernet zonder omgerekende bladhoekwaarde[n] foutgevoelig."

Onze nieuwe stafkaarten gaven meestal ook de waarden van het Gauss-Krügernet aan de kaartrand. Maar de genoemde coördinaten zijn niet duidelijk in die getallenreeksen te plaatsen. We houden het er daarom maar op, dat ze in het toen nieuwste Nederlandse systeem waren (met nulpunt de OLV-toren van Amersfoort, x = 155 000, y = 463 000). Daarbij moeten dan de eerste cijfers (de 1 voor de x-waarde, en de 4 voor de y-waarde) weggelaten zijn.

Naschrift (09-07-2009)
Navraag bij het Kadaster (waarin de vroegere Topografische Dienst is opgenomen) heeft geen nieuwe informatie opgeleverd. Een mogelijke locatie bij het vroegere Pieter Pauw ziekenhuis is niet bevestigd. Deze suggestie uit de derde hand vervalt daarmee. Een directe aansluiting met Gauss-Krüger coördinaten is niet gevonden.
Blijft over de hypothese, dat de Duitsers vanuit een kaarthoek op eigen gebied rekenden. Over die mogelijke oplossing later meer.

donderdag 18 juni 2009

Het artilleriegebruik

Op 10 mei werd de in eerste lijn meegevoerde artillerie ongetwijfeld al bij Westervoort en Doesburg ingezet. Het ging hierbij voor Westervoort om II/AR SS en 11/AR 256. Voor Doesburg om I/AR 207 en 10/AR 256. Ook bij latere gevechten (voor de eerste groep bij Arnhem, Heelsum en Renkum, voor de tweede groep bij Dieren en Ellecom) zal dit geschut dienst hebben gedaan. Vanuit Renkum zal ook al in de nacht van 10 op 11 mei storend vuur zijn afgegeven.

Ook voor volgende dagen is de hoofdlijn wel duidelijk. De KTB's geven vrij precies aan, welke eenheden waar, en op welke doelen, zijn ingezet.

Op 11 mei waren er (zonder s Art Abt 735, waarover nog wat onduidelijkheid bestaat) drie eenheden artillerie beschikbaar. Dat waren III/AR 207, II/AR SS, en 10, 11/AR 256. Deze werden eerst ingezet voor het afgeven van storende vuren, en voor artilleriebestrijding. Later op de dag ook, om met geconcentreerd vuur, de aanval op de voorposten in te leiden. Tijdens de aanval gaf III/AR 207 directe steun aan het zuidelijk bataljon, III/SS "DF". II/AR SS steunde het noordelijk bataljon, I/SS "DF". De grens tussen beide bataljons was de kunstweg Wageningen-Rhenen. 10, 11/AR 256 werd in die fase gebruikt voor bestrijding van onze artillerie in het gebied west van de Grebbeberg, met een Lichtmeetgroep van Beob Abt 30 en enkele vliegtuigen voor artilleriewaarneming.
Artilleriecdt was Cdt AR 207 [KTB ID 207/Meldung AR 207; Der Kampf, p. 1, 2].

Op 12 mei werd (naast s Art Abt 735, en de eerder genoemde eenheden) ook III/AR 311 aangetrokken. Die afdeling kwam uit Oosterbeek. De aanval op het Hoornwerk (gericht op een doorbraak bij de Grebbesluis) moest door een verlate aankomst van vermoedelijk deze afdeling worden uitgesteld. De taakverdeling werd:
III/AR 207 en III/AR 311 gaven direkte steun aan het noordelijk bataljon, weer I/SS "DF". II/AR SS en 10, 11/AR 256 deden dat voor het zuidelijk bataljon. Scheidslijn was weer de kunstweg. Na enige tijd (tegen de avond ?) werd het commando overgenomen van Cdt AR 207 door Arko 22. Dat betekende vermoedelijk ook, dat 10, 11/AR 256 met s Art Abt 735 "Artillerie-", en "Schwerpunktsgruppe" was, zoals op 13 mei. Die moest vijandelijke artillerie bestrijden, maar ook met een vuurconcentratie op het Hoornwerk en omgeving, helpen de doorbraak te forceren. [KTB ID 207/Meldung AR 207; Der Kampf, p. 4, 5].

Op 13 mei werd misschien ook de een dag eerder bij Heelsum gereedgestelde afdeling II/AR 207 in het gevecht betrokken. In het bevel van Arko 22 stond namelijk, dat SS "DF" directe steun kreeg van II/AR SS (richting Achterberg, met de mogelijkheid om N van Rhenen in te draaien), en IR 322 (als tweede aanvalsgroep, met opdracht door te stoten naar Rhenen en Elst) van de Gruppe Metger, met minstens 2 afdelingen, waaronder één zware (III/AR 311 ?).
Verder worden genoemd: 10, 11,/[AR] 256, en 1e, en 2e Batterij van s Art Abt 735. Deze eenheden kregen de opdracht om vijandelijke artillerie te bestrijden. 10/AR 256 met de Lichtmeetgroep en een vliegtuig voor artilleriewaarneming, 11/AR 256 ook met hulp van een luchtwaarneming. De 3e Batterij van s Art Abt 735 krijgt in dit bevel geen opdracht [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1984].

Uit het verslag van Arko 22 blijkt nog, dat de Divisie Artillerie een bevolen stellingwisseling maakte. II/AR SS veranderde niet van stelling. De Mörser Afdeling (!) was tot vuren gereed bij het aanbreken van de dag. De Gr Metger bestreed, samen met II/AR SS, in hun sectoren infanteriedoelen. De Artilleriegroep (blijkbaar waren dat: 10, 11/AR 256 en de 1e, en 2e Batterij van s Art Abt 735) bestreed met hulp van vliegtuigen voor artilleriewaarneming en de Beob Abt 30 de vijandelijke artillerie. Verder ook de bevolen weerstandsnesten en flankerende mitrailleurposities. Vanaf 15.00 uur werd de s Art Abt 735 ingezet voor ID 227 [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 2030].

Het is hiermee hoogst onwaarschijnlijk, dat op 12 mei de door Amersfoort c.s. genoemde vijf afdelingen vuurden: II/AR SS, III/AR 207, IV/AR 256, III/AR 311, II/AR 207 [Mei 1940, p. 280, 281].

In elk geval ontbrak op 12 mei 12/AR 256 (die was bij ID 227), was II/AR 207 nog niet beschikbaar (stond gereed te Heelsum), en werd ook s Art Abt 735, geheel of gedeeltelijk, al op die dag ingezet.

Rechlin en Weidinger

De KTB's met bijlagen zijn onze belangrijkste bronnen. Als we die vergelijken, blijkt niet alle informatie juist te zijn. Dat is te begrijpen en te vergeven, nog afgezien van typfouten en dergelijke. Want de schrijvers kregen hun gegevens bijna altijd uit de tweede hand.
Verder gaven ze niet alleen de feiten, maar ook persoonlijke meningen. Ze maakten zich dan soms aan grove overdrijving schuldig, bewust of onbewust.
Het meest opvallend zijn de verschillen tussen de verslagen van ID 207, en die van SS "DF". Hierin klinkt ook een verschil in persoonlijke stijl door. Tussen Hauptmann Rechlin, en Sturmbannführer Weidinger.

Rechlin had de rang van Hauptmann i.G. De laatste afkorting staat voor "im Generalstab". Hij was de Ic (Stafofficier Inlichtingen) van ID 207. Vanaf die plaats met goed overzicht, schreef hij twee verslagen van de gevechtsacties. Het eerste was vooral een heldenverhaal, het andere bevatte bijna alleen feitelijke informatie. De titels waren "Mit Pommern und Ostmärkern in 5 Tagen von Emmerich nach Utrecht", en "Der Kampf um die Grebbe-Linie zwischen Wageningen und Rhenen. Auszug aus dem Kriegstagebuch der 207.I.D." Een voorbeeld uit elk stuk.

"Vorbei ist die Ruhe, Hecken und Graben speien Feuer [aus] Postenstände und Kampfanlagen. In Riesensätzen springen [...] deutsche Soldaten mit Tarnjacke und Helmüberzug bekleidet, [wie] Pantern gegen die Grenzsicherungen der Holländer vor." [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1289].

(Voorbij is de rust. Heggen en loopgraven spuwen vuur uit wachtposten en gevechtsposities. In reuzensprongen gaan Duitse soldaten met camouflagejak en helmovertrek bekleed, als panters naar voren naar de grensbewakingsposten van de Hollanders).

"Feind (ansch.Aufkl.Abt. auf Krädern) aus Gegend Renkum kämpfend über Wageningen ausgewichen. Wageningen beim Durchschreiten feindfrei und von Zivilbevölkerung geräumt vorgefunden." [Der Kampf, p. 1].

(Vijand, (blijkbaar een verkenningsafdeling op motorfietsen) vechtend uitgeweken uit omgeving Renkum over Wageningen. Wageningen bij doormars vrij van vijand en door burgerbevolking ontruimd aangetroffen).

Weidinger was adjudant, (of commandant, dat is niet duidelijk) van de verkenningsafdeling, AA/SS "DF". Hij bewaarde een uittreksel van het KTB SS "DF" in zijn persoonlijk archief, en verwerkte die (als adjudant mogelijk zelf geschreven) tekst bijna letterlijk in zijn boek "Kameraden bis zum Ende". Hij schreef zeer dramatisch en overdreef sterk. De beschrijvingen krijgen zo het karakter van Indianenverhalen. Een voorbeeld uit zijn brondocument en verhaal.

"Der Feind hatte sich an dem Ostrand Wageningen mit MG. und schweren Waffen eingenistet und leistetet hartnäckig Widerstand. Starke Strassensperren und Minenfelder waren vor dem Ort gelegt. (..) Schritt für Schritt kämpfte sich das Rgt. durch den Ort durch." [Auszug, p. 4].

(De vijand had zich aan de oostrand van Wageningen met machinegeweren en zware wapens genesteld en leverde hardnekkige tegenstand. Sterke wegversperringen en mijnenvelden waren voor de plaats gelegd. (..) Stap voor stap vocht het regiment zich een weg door Wageningen).

"Starke Strassensperren und Minenfelder verzögerten das Eindringen in die Stadt Wageningen. Schritt für Schritt kämpften sich die Kompanien durch den Ort. Immer erneut flackerte der Widerstand aus Häusern, Bäumen und Hecken auf, unterstutzt von gut geleitetem Artilleriefeuer." [ Kameraden, p. 28].

(Sterke wegversperringen en mijnenvelden vertraagden het binnendringen in de stad Wageningen. Stap voor stap vochten de compagnieën zich door de plaats heen. Steeds opnieuw flakkerde het verzet uit huizen, bomen, en uit struikgewas in de achterhoede op, ondersteund door goed geleid artillerievuur).

Duidelijk is hiermee wel, dat we vooral de verslagen van Weidinger met een flinke lading zout moeten nemen.

dinsdag 16 juni 2009

Technische gegevens

De houwitsers die bij de Grebbeberg zijn ingezet, hadden de volgende specificaties.

>10,5 cm le FH 16
Kaliber (doorsnede van de loop): 105 millimeter.
Lengte van de loop: 2.310 millimeter.
Afvuurmechanisme: Slagpin.
Traverse (zijdelingse richting zonder verplaatsen): 4 graden.
Elevatie (verticale richting): -10 tot +40 graden.
Vuursnelheid: 6-8 schoten per minuut.
Beginsnelheid (Vo) voor de brisantgranaat met zwaarste lading: 395 meter per seconde.
Schietbereik (dracht) maximaal: 9.225 meter.
Gewicht opgelegd (bij vervoer): 2.870 kilogram.
[Böhm c.s., p. 92]

>10,5 cm le FH 18
Kaliber (doorsnede van de loop): 105 millimeter.
Lengte van de loop: 2.941 millimeter.
Afvuurmechanisme: Slagpin.
Traverse (zijdelingse richting zonder verplaatsen): 56 graden.
Elevatie (verticale richting): -5 tot +42 graden.
Vuursnelheid: 6-8 schoten per minuut.
Beginsnelheid (Vo) voor de brisantgranaat met zwaarste lading: 470 meter per seconde.
Schietbereik (dracht) maximaal: 10.675 meter.
Gewicht opgelegd (bij vervoer): 3.490 kilogram.
[Böhm c.s., p. 92]

>15 cm s FH (lg) 13
Kaliber (doorsnede van de loop): 149,7 millimeter.
Lengte van de loop: 2.550 millimeter.
Afvuurmechanisme: Mechanisch.
Traverse (zijdelingse richting zonder verplaatsen): 2,5 graad.
Elevatie (verticale richting): 0 tot +45 graden.
Vuursnelheid: 4 schoten per minuut.
Beginsnelheid (Vo) voor de brisantgranaat met zwaarste lading: 381 meter per seconde.
Schietbereik (dracht) maximaal: 8.675 meter.
Gewicht opgelegd (bij vervoer): 3.000 kilogram.
[Böhm c.s., p. 112]

>15 cm s FH 18
Kaliber (doorsnede van de loop): 149 millimeter.
Lengte van de loop: 4.440 millimeter.
Afvuurmechanisme: Mechanisch.
Traverse (zijdelingse richting zonder verplaatsen): 30 graden.
Elevatie (verticale richting): 0 tot +45 graden.
Vuursnelheid: 4 schoten per minuut.
Beginsnelheid (Vo) voor de brisantgranaat met zwaarste lading: 520 meter per seconde.
Schietbereik (dracht) maximaal: 13.325 meter.
Gewicht opgelegd (bij vervoer): 6.304 kilogram.
[Böhm c.s., p. 112]

Renkum of de Wageningse Berg ?

Het staat niet vast, dat de drie eerder genoemde afdelingen (IV/AR 256 min 12, II/AR SS, en III/AR 207) inderdaad nog in Renkum hebben gestaan, en daar vuur hebben uitgebracht voor het gevecht om de Voorposten. De KTB's en bijlagen zijn nogal vaag op dit punt. Ze melden slechts, dat deze eenheden op 11 mei "O van Wageningen" stonden. Dat sluit een positie dichter bij Wageningen (op de Wageningse Berg, of op de Eng) van één of meer batterijen dus niet uit.

Er is een belangrijke getuige, die zelf zag, dat twee eenheden Duitse artillerie in mei 1940 op de Eng hebben gestaan. Dat is de heer Jaap van Tricht. In het boek "Wageningen in oorlogsbrand" van Ad Rietveld [p. 128] staat zijn verslag, dat eerder in het dagblad De Gelderlander van 3 mei 1994 werd gepubliceerd. Hierin staat onder meer het volgende:

"Op zaterdag [11 mei 1940] verschenen de eerste Duitsers rond het ouderlijk huis aan de Dolderstraat [in de Wageningse Eng, tussen Diedenweg en Zoomweg]. (...)
Op de tweede dag van de oorlog, 11 mei, lag de woning aan de Dolderstraat in de vuurlinie. Er kwamen steeds meer Duitsers uit de richting Renkum. Allemaal op paarden, die de zware kanonnen trokken. Op de westkant van de Eng, bij de Diedenweg, werd dat opgesteld. (...)
Op een gegeven moment werd het te gevaarlijk in de Dolderstraat. We zijn naar Oosterbeek gegaan, naar familie. Eerst via het bos. In Renkum kwamen we veel paardenvolk tegen."

Via email en telefoon heeft de heer Van Tricht me nog wat nadere gegevens verstrekt. Hij gaf daarbij aan, dat er twee eenheden artillerie op de Eng hebben gestaan. De eerste kwam op zondagmiddag 12 mei aan. De tweede arriveerde later, in de nacht van 12 op 13 mei. Voorzover hij zich kon herinneren, waren het beide bespannen eenheden. De eerste kwam in het zuidelijk deel van de Eng te staan. Tussen Geertjesweg en Dorskampweg. De tweede betrok stellingen noordelijker op de Eng. Tussen Dolderstraat en Hollandseweg.

Nu is uit de KTB's bekend, dat II/AR SS op 11 mei "O van Wageningen" in stelling kwam, met een waarnemingspost in de ZO-rand van Wageningen. De afdeling III/AR 207 zou de aanval op 11 mei ondersteunen, ook vanuit stellingen "O van Wageningen" [Uittreksel KTB "DF", p. 4].
Uit een andere bron blijkt, dat III/AR 207 op 11 mei naar nieuwe stellingen bij Wageningen ging, of nog zou gaan ("zieht in neue Stellungen bei Wageningen vor"). Verder, dat III/AR 311 vanuit Oosterbeek stellingen verkende voor inzet op 12 mei, ook "O van Wageningen" [KTB ID 207, 11 mei].

Op grond van deze gegevens zijn er twee verschillende interpretaties mogelijk.
De eerste is, dat de in het boek opgenomen datering juist is. D.w.z. dat op 11 mei al één afdeling op de Eng aankwam, en in de volgende nacht nog een tweede afdeling. Dat past goed in het schema van de KTB's.
Alternatief is, dat de in het boek genoemde datum niet klopt, en een dag later moet zijn, zoals nu aan mij verteld. D.w.z. dat III/AR 311 als eerste eenheid pas in de middag aankwam op de Eng. Het gevecht om de Doorbraak bij het Hoornwerk begon ook (na inschieten) rond 12.20 uur. Met dat inschieten kon door verlate aankomst van een gedeeltelijk (?) bespannen afdeling niet op de geplande tijd worden begonnen [Uittreksel KTB "DF", p. 6].

Goed mogelijk is, dat III/AR 207 in de nacht van 12 op 13 mei weer een andere stelling betrok. De afdelingen zullen in de loop van de gevechtsdagen (bij voorkeur in de nacht en de vroege ochtend) zijn verplaatst. Dat was gewenst om tegenvuur te ontlopen. Ook nodig om de infanterie voldoende steun te kunnen blijven geven. Want de gevechtszone verschoof tussen 11 en 13 mei van voorposten, naar Grebbeberg, naar Rhenen.
Vast staat, dat op 13 mei (opnieuw ?) enkele eenheden werden verplaatst. Arko 22 begint zijn verslag over 13 mei namelijk met [NIMH Coll 401, Inv. Nr. 2030]:

"Artillerie der Div. machte an frühen Morgen des 13.5 den befohlenen Stellungwechsel".

Helaas zijn de stellingen met de nu bekende gegevens niet met voldoende zekerheid te reconstrueren. Duidelijk is wel, dat ze naar voren verlegd werden. De actieve artillerie stond eerst (10/11 mei ?) nog in Renkum. Daarna (11/12 mei ?) op de Wageningse Berg en de Eng. Later (12/13 mei ?) vermoedelijk nog dichter bij Wageningen. Op 14 mei waren er al batterijen aan de westkant van Wageningen.

De Afdelingen

Aan lichte en middelzware artillerie beschikte ID 207 (nog zonder de Mörsers) op 10 mei over een aanzienlijke hoeveelheid artillerie. In totaal 68 stukken, verdeeld over 17 batterijen uit 6 afdelingen.
Niet van elke eenheid zijn naam en rang van de commandant bekend. Altijd wel de opmarsweg en uitrusting. Ook, tenminste globaal, de eerst ingenomen stellingen bij Wageningen en de doelen.

IV/AR 256 werd aan X AK beschikbaar gesteld uit de Heerestruppen. De afdeling was gemotoriseerd, en bestond uit drie batterijen 15 cm s FH 18. Met nummers 10, 11, en 12/AR 256, zoals gebruikelijk voor een vierde afdeling. De eerste twee werden toegewezen aan ID 207, de derde aan de rechterbuurman, ID 227.
Gegevens over de afdelings- en batterijcommandanten ontbreken.
10/AR 256 ging mee met de Abt von Scholz. Die had II/SS "DF" als kern. De batterij had, zoals eerder aangegeven, de pontonbrug bij Doesburg als eerste doel.
Ze vertrok uit Empel-Hurl, bij Rees. De opmars ging over Isselburg-Anholt-Gendringen-Ulft-Doetinchem naar Doesburg. Daarna over Dieren-Ellecom-De Steeg-Rheden-Velp-Arnhem-Oosterbeek-Heelsum-Renkum naar de Wageningse Berg. Onderweg zal de batterij op 10 mei al op verschillende plaatsen ingezet zijn.
Vermoedelijk al in de nacht of vroege ochtend van 11 mei, werden in Renkum stellingen ingenomen voor het gevecht om de Voorposten. De batterij werd toen vooral ingezet voor artilleriebestrijding.
11/AR 256 ging mee met de Gr Keppler. Die had I en III/SS "DF" als kern. De batterij had de bruggen bij Westervoort als eerste doel.
Ze vertrok uit Hüthum, tussen Elten en Emmerich. De opmars ging over Elten-Zevenaar-Westervoort-Arnhem-Oosterbeek-Heelsum-Renkum naar de Wageningse Berg. Onderweg zal de batterij op 10 mei al op verschillende plaatsen ingezet zijn.
Vermoedelijk al in de nacht of vroege ochtend van 11 mei werden in Renkum stellingen ingenomen voor het gevecht om de Voorposten. Ook deze batterij werd toen vooral ingezet voor artilleriebestrijding.

II/AR SS was een gemotoriseerde afdeling. Ze bestond uit drie batterijen 10,5 cm le FH 18. Deze werden uit de SS-Verfügungsdivisie als versterking ingedeeld bij ID 207. De afdeling stond onder bevel van Sturmbannführer Robert Erspenmüller. Zijn batterijchefs waren Hauptsturmführer Karl Kreutz, Oskar Drexler, en Harald von Saucken.
De afdeling had de bruggen bij Westervoort als eerste doel. Ze vertrok als Marschgruppe 5 van de SS uit Millingen. De opmars ging over Bienen-Praest-Vrasselt-Emmerich-Hüthum naar Elten. Verder op de route van 11/AR 256. De afdeling werd vrij zeker, net als de zware batterijen, al op 10 mei onderweg ingezet. Daarna werden in Renkum stellingen ingenomen voor het gevecht om de Voorposten.
Deze afdeling gaf rechtstreekse steun aan het rechter voorbataljon, I/SS "DF". Dit bataljon opereerde N van de weg Wageningen-Rhenen.

III/AR 207 was een bespannen afdeling. Ze had drie batterijen 10,5 cm le FH 16. Dit was een afdeling van het "eigen"regiment bij ID 207, AR 207. Het regiment stond onder bevel van Oberst(leutnant ?) Wilhelm Metger.
De derde afdeling had Hauptmann Fuersen (13 mei gewond) als commandant. Zijn batterijchefs waren Hauptmann d[er]. Res[erve]. Von Beckedorf, Büge (12 mei gewond), en Schendel.
De afdeling ging mee met de Gr Neidholt. Ze had als vertrekpunten Emmerich, Vrasselt en Praest. Een rust werd gehouden in Didam. Vandaar werd de afdeling over de al bekende route Zevenaar-Westervoort e.v. naar Renkum gedirigeerd. Daar werden de eerste stellingen ingenomen voor het gevecht om de Voorposten.
Deze afdeling gaf rechtstreekse steun aan het linker voorbataljon, III/SS "DF". Dit bataljon opereerde Z van de weg Wageningen-Rhenen.

III/AR 311 was een bespannen afdeling. Ze had drie batterijen 15 cm s FH (lg) 13. Dit was al geruime tijd de "vierde" (zware) afdeling van AR 207. Gegevens van de commandanten zijn niet achterhaald.
De afdeling ging mee met de Gr Metger. Deze vertrok vanuit Dingden over Loikum-Wertherbruch-Schapdick-Empel-Millingen naar Bienen. Dan verder, over Praest-Vrasselt-Emmerich-'s-Heerenberg, naar Beek in het Montferland. In totaal werd zo een afstand van ruim 50 km afgelegd. Na een rust werd de afdeling over Westervoort en Arnhem naar Oosterbeek gedirigeerd. Ze bleef daar voorlopig, en kwam op 10 en 11 mei nog niet in actie.

II/AR 207 was bespannen en bewapend als III/AR 207.
Afdelingscommandant was Hauptmann d. Res. Noack. Zijn batterijchefs waren Hauptmann d. Res. Fiedler, Herzau, en Plath.
De afdeling ging mee met de Gr Metger. Verder als bij III/AR 311. Verschil is, dat ze bij Loerbeek in het Montferland rustte.

I/AR 207 was eveneens bespannen, en bewapend als III/AR 207.
Afdelingskommandant was Major d. Res. Von Knobelsdorff. Zijn batterijchefs waren Hauptmann d. Res. Bergmann, Schwenker, en Karow.
De afdeling ging mee met de Gr von Oesterreich. Deze volgde vanuit Isselburg dezelfde route als 10/AR 256. Vanuit Dieren-Ellecom ging de afdeling over De Steeg -Rheden-Velp-Arnhem naar Oosterbeek. Ze bleef daar voorlopig, en kwam op 10 en 11 mei nog niet in actie.

Geschut vooraan

Vooraan waren van X AK 2 batterijen 15 cm ingedeeld. Hiernaast, van de versterkte ID 207 zelf, nog 2 afdelingen 10,5 cm. Het ging hierbij om de volgende eenheden:

* 10/AR 256 (4 stukken 15 cm s FH 18), bij de Abt von Scholz. Eerste doel: De pontonbrug bij Doesburg.
* 11/AR 256 (4 stukken 15 cm s FH 18), bij de Gr Keppler. Eerste doel: De bruggen bij Westervoort.
* II/AR SS (12 stukken 10,5 cm le FH 18), eveneens bij de Gr Keppler. Eerste doel: De bruggen bij Westervoort.
* I/AR 207 (12 stukken 10,5 cm le FH 16), bij de Gr von Oesterreich. Eerste doel: De pontonbrug bij Doesburg.

Naar verhouding was er in de twee spitsen dus weinig 15 cm geschut beschikbaar. 12/AR 256 was afgestaan aan ID 227. Bovendien bleef III/AR 311 (12 stukken 15 cm s FH (lg) 13) achter bij de Gr Metger.
Dat is bijzonder, want volgens de Generalstab van het Oberkommando des Heeres (GS/OKH) was het 10,5 cm geschut volkomen ongeschikt om betonnen kazematten uit te schakelen. En dat was een eerste voorwaarde om over de IJssel te kunnen komen. Wel effectief was de s FH, met de speciale "Betongranaten" (15 cm Gr. 19 Be). Ook het 8,8 cm Vliegtuigafweergeschut (Flak) was (met pantsergranaten) zeer geschikt gebleken, om kleinere betonnen versterkingen te bestrijden.
De s FH was in staat om 2,5 m gewapend beton te doorboren. De Flak kon dit tot 2 m, vooral bij kazematten met vlakke rechtopstaande wanden. [NIMH Coll. 410, Inv. Nr. 75096].

Men was in brede kring van deze ervaringsgegevens op de hoogte gebracht. Een schrijven daarover had al maanden tevoren gecirculeerd.

Toch had Generaloberst Fedor von Bock (Opperbevelhebber van Legergroep B) aanbevolen, de artillerie ver vooraan in te delen. Dan kon men, naar zijn idee, de kazematten (die immers van ver goed zichtbare doelen vormden) met directe richting ("mit gezieltem Einzelschuss") bestrijden [Besprechung 20.März 1940].

Maar het lichtere geschut kon hierbij niet op veilige afstand blijven. Het moest binnen een paar honderd meter van het doel worden gebracht. Dan had het nog enige uitwerking tegen kazematten en koepels.
Het naar voren brengen was volgens een rapport van de Ia (Stafofficier Operaties) van ID 227, gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Dat lukte in de praktijk zelden. Alleen, als met een zware artilleriebeschieting het vijandelijk vuur lang genoeg kon worden onderdrukt [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1781].

In het Divisiebevel Nr 3 zwaaide de Cdt ID 207 (Generalmajor Karl von Tiedemann) zijn mannen lof toe, over het bereiken van alle gestelde doelen op de eerste gevechtsdag. Dat was, 10 mei 15.20 uur, nauwelijks terecht. Want het hoofddoel (het vestigen van een bruggenhoofd achter de Grebbelinie, bij Rhenen) was niet bereikt. De Gr Zugspitze (Pantsertrein) kon niet doorstomen in de richting van Ede. De locomotief was zwaar beschadigd en moest worden weggesleept. De rijtuigen hadden voltreffers gekregen. De Groep werd daarom ontbonden. De Gr von Oesterreich was wel met de voorhoede over de IJssel, maar nog in zwaar gevecht bij Dieren-Ellecom. De Abt Brueckner had Angerlo bereikt, en wachtte daar op verdere bevelen. De Gr Neidholt was in Didam aangekomen, en stond daar volgens bevel gereed om bij Westervoort, of op een andere geschikte plaats, over de IJssel te gaan. De Gr Metger (Groep Divisieartillerie) rustte rond Beek (III/AR 311), en Loerbeek (II/AR 207). Staf/AR 207 had zich in Zevenaar bij de gevechtsstaf van ID 207 gevoegd.
De voorhoede van Gr Keppler was ook over de IJssel. Maar zij waren tussen Arnhem en Renkum in vertragende gevechten gewikkeld met onze huzaren. Verder had de verkenningsafdeling wel wat voortgang geboekt. AS 207 was het Pannerdens Kanaal over, en in opmars naar Elst [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1862, 1863].

In hoeverre leverde de Duitse artillerie die dag een bijdrage aan het bereiken van de eerste doelen ?
Bij Doesburg en Westervoort gaf deze (met de andere zware wapens) de nodige dekking bij oeverwisseling aan de IJssel. De Nederlandse verdediging werd door geconcentreerd vuur onderdrukt ("niedergehalten"). Onder dat scherm ging daarna een stoottroep over, en kon een bruggenhoofd worden gevestigd.
Bij Doesburg was de pontonbrug al snel gerepareerd met een meegevoerd brugdeel. Daarna konden de zware wapens volgen. Maar verder dan Dieren-Ellecom kwam men niet die eerste dag.
De artillerie moest bij Westervoort geduld hebben. Rond 16.00 uur kwam een 8-tons brug gereed. Het duurde nog uren, tot ook een 16-tons brug geslagen was. Volgens Hauptmann Rechlin, de Ic (Stafofficier Inlichtingen) van ID 207, werden voertuigen en zware wapens "al" in de avond overgezet [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1291].

Het openen van de weg naar de Grebbelinie, werd door Hauptmann Rechlin als belangrijk dagresultaat gezien. Hij schrijft in zijn verslag, onder de titel "Mit Pommern und Ostmärkern in 5 Tage von Emmerich nach Utrecht" [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1292; mijn vertaling]:

"In de avond van 10 mei heeft de divisie haar doel voor de eerste aanvalsdag volledig bereikt. IJsselovergangen zijn geforceerd bij Doesburg en Arnhem, sterke bruggenhoofden gevormd, en [verdere] mogelijkheden om de rivier over te gaan geschapen. We hebben de springplank naar de volgende stelling van de Grebbe-linie."

zondag 14 juni 2009

Historie van ID 207

Het is van belang even de historie en opbouw van ID 207 te schetsen. Dat is nodig, om vast te kunnen stellen, over hoeveel afdelingen 15 cm geschut ID 207 in mei 1940 beschikte.

Volgens Duitse gegevens werd ID 207 door Kommandeur Stargard opgericht in Pommern [http://www.lexikon-der-wehrmacht.de/Gliederungen/Infanteriedivisionen/207ID.htm]. Pommern is de kuststreek tussen Stettin (Szczecin) en Danzig (Gdansk). Dat is nu Pools gebied. Stargard is, behalve de naam (?) van de Kommandeur, ook een plaats in Pommern.
Vraagteken vormt, of Stargard wel de naam van de Landweercommandant was. De Divisie werd namelijk opgesteld in Wehrkreis II, dat Mecklenburg en Pommern besloeg, met hoofdkwartier in Stettin. En Stargard was de standplaats van een Landwehrkommandeur. We moeten in de eerste zin van de vorige alinea dus mogelijk lezen, dat ID 207 werd opgericht door de Kommandeur met standplaats Stargard.

Landweerdivisie ID 207 werd bij de Duitse mobilisatie paraat.
De Divisie bestond, gelet op de herkomst, vanzelfsprekend vooral uit reservisten. Deze ondergingen hun vuurproef in de veldtocht naar Polen (!). Als gevolg van goede prestaties daar, werd de divisie voortaan als een volwaardige divisie aangemerkt. Dat hield in, dat het voorvoegsel "Landwehr" verviel [http://www.kurland-kessel.de/divisionen/281infdiv.html].

ID 207 had in december 1939 drie Infanterieregimenten, zoals gebruikelijk. Namelijk IR 322, IR 368, en IR 374. Volgens de Kriegsgliederung (oorlogssamenstelling) beschikte ze op dat moment ook al over de bijbehorende vier afdelingen artillerie. En wel drie lichte, en één zware. Dat waren toen l (de "l" staat hierbij voor "leichte") Art Abt 754, l Art Abt 755, III/AR 207, en III/AR 311. Allevier bespannen afdelingen. De eerste twee uitgerust met kanonnen (elk 12 vuurmonden FK 16 nA), de laatste twee met veldhouwitsers (12 vuurmonden l FH 16, resp. 12 vuurmonden s FH (lg) 13) [NIMH Coll. 410, Inv. Nr. 75124].

ID 207 had volgens een latere Kriegsgliederung (april 1940) en KTB-gegevens, in mei 1940 nog altijd de drie eerdergenoemde IR's.
Als artillerie had de divisie toen I, II, III/AR 207, en III/AR 311. Nog altijd alle vier bespannen afdelingen. Op dat moment echter volledig uitgerust met veldhouwitsers. De eerste drie met 10,5 cm geschut (elk 12 stukken l FH 16). De vierde ongewijzigd met 15 cm geschut (12 stukken s FH (lg) 13) [NIMH Coll. 410, Inv. Nr. 75072].

Volgens nadere gegevens op internet, ging het niet puur om vervanging van materieel. Maar om herindelingen, met bijbehorende verplaatsingen en aangepaste benamingen.
De twee lichte (Heeresartillerie) afdelingen 754 en 755 werden namelijk op 1 april 1940 ingedeeld bij AR 217, als I, resp. II/AR 217 [http://www.lexikon-der-wehrmacht.de/Gliederungen/ArtAbtleicht/AA754.htm en http://www.lexikon-der-wehrmacht.de/Gliederungen/ArtAbtleicht/AA755.htm]. Inmiddels waren toen blijkbaar bij ID 207 drie "eigen" lichte afdelingen opgebouwd [http://www.lexikon-der-wehrmacht.de/Gliederungen/ArtReg/Gliederung.htm, doorklikken op Artillerie-Regiment 207].

De laatste bron geeft ook aan, dat IV/AR 207 in september 1939 naar Freiburg (in Wehrkreis V) was verplaatst. Deze Wehrkreis had het hoofdkwartier in Stuttgart. Bij ID 207 werd ter vervanging III/AR 311 ingedeeld.
De laatste afdeling beschouwde men al in oktober 1939 officieel als "de" vierde afdeling van AR 207. Al werd die daarna nog wel aangeduid als III/AR 311.
In januari 1940 werd de vroegere vierde afdeling van ID 207 (IV/AR 207) ingedeeld bij de 14e Landwehr-Division, die was gestationeerd aan de Bovenrijn (gebied rond Freiburg ?). Deze divisie werd voortaan aangeduid als ID 205, de afgegeven afdeling als IV/AR 205.

Zo wordt duidelijk, dat AR 207 in mei 1940 niet meer over de gebruikelijke drie lichte, en een zware afdeling beschikte. Genummerd I, II, III, en IV/AR 207. Tenminste niet naast III/AR 311. Want IV/AR 207 was vervangen door III/AR 311. Ook was de laatste eenheid geen gemotoriseerde afdeling, met de (voor een derde afdeling van de divisie-artillerie) standaard 10,5 cm houwitsers, zoals Lkol b.d. Brongers nog veronderstelt [Brongers 1, p. 264, 266]. Het was een bespannen eenheid, met lange 15 cm houwitsers, model 1913.

ID 207 had in mei 1940 dus maar twee 15 cm afdelingen. De ene, afkomstig uit de Korpsreserve van X AK (IV/AR 256), was incompleet. 12/AR 256 was namelijk bij ID 227 ingedeeld. De tweede, uit de eigen divisie-artillerie (III/AR 311), beschikte over materieel dat nog in WOI had gediend. Dat was de s FH (lg) 13 met een hoogste vuurbereik van slechts 8.675 m. De s FH 18 schoot met zwaarste lading en grootste elevatie 13.325 m ver. Zelfs de 10,5 cm le FH 18 had nog een maximale dracht van 10.675 m [Böhm c.s., p. 112, 92].

donderdag 4 juni 2009

Indeling bij XXVI AK

Lkol b.d. Brongers is zo vriendelijk geweest, me een kopie van twee Duitse documenten toe te sturen. Deze geven de onderbouwing voor voetnoot 13 in zijn "Opmars naar Rotterdam" Deel 2 (zie het item "Een spookbatterij").

Het eerste document geeft aan, dat s Art Abt 735 rechtstreeks onder bevel stond bij XXVI AK. Dat was het zusterkorps van X AK bij de 18e Armee.
De Mörserafdeling werd daar blijkbaar pas na 15 februari 1940 ingedeeld. Want op een overzicht met datum 15.2.40, werd deze eenheid in handschrift bijgeschreven.

Uit het tweede document blijkt, dat s Art Abt 735 eerst optrok met de 9e Pantserdivisie (9 PD). Samen met s IGK 701, een compagnie 15 cm infanteriegeschut. Allebei eenheden uit de Heeres-artillerie.
9 PD stond op 10 mei (in tweede lijn, achter 254 ID en 256 ID) gereed in het gebied bij Goch en Wesel. De twee voorste divisies moesten de weg openen voor een snelle doorstoot naar het hart van ons land.
De twee zware artillerie-eenheden werden die eerste oorlogsdag weggehaald bij 9 PD. Ze moesten als versterkingen naar 256 ID, voor het gevecht om de Peel-Raamstelling. De Mörserafdeling reed over Üdemer Bruch (een plaatsje tussen Xanten en Goch), naar Kessel (tussen Goch en Gennep).

Hieronder volgen de betreffende tekstfragmenten, met mijn vertaling.


De latere bewegingen van s Art Abt 735 naar X AK zijn nog niet duidelijk. In de nacht van 10 op 11 mei duikt misschien al een batterij op in Renkum. Daarna worden maar twee van de drie batterijen bij Wageningen ingezet. Mogelijk bleef de derde batterij dus bij XXVI AK. Het onderzoek gaat verder.

Naschrift 30 maart 2011
Uit nieuwe gegevens blijkt, dat de Mörser-Afdeling niet al in de nacht van 11 op 12 mei 1940 bij Renkum stond. De Afdeling kwam pas de volgende avond bij Wageningen aan. s Art Abt 735 kwam hier ook nog niet volledig in actie. De derde batterij was toen nog niet beschikbaar.

maandag 1 juni 2009

Technische gegevens

De 21 cm Mörser 18 werd, met een zwaar understatement, in het Duitse leger "Brummbär" genoemd. Het was krachtig geschut, dat zelfs op betonnen kazematten een verwoestende uitwerking kon hebben.
Bij ID 227 werd, volgens een eindverslag van de logistiek officier, geen speciale munitie tegen beton verbruikt [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1784, 1785].
Een opgave van het verbruik bij ID 207 ontbreekt. Wel is bekend, dat op 12 mei een flinke bestelling geplaatst werd bij het Hoofdkwartier van X AK [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 0012], voor:

- 130 ton munitie voor de s Art Abt 735 (er staat 537, maar een afdeling met dat nummer was er volgens Müller-Hillebrand niet)
- 60 ton munitie voor de s FH 18 en de l FH 16. Deze munitie was bestemd als reservevoorraad voor de aanval op de Grebbeberg 12 mei 's middags.

Hierbij moet worden bedacht, dat de standaard brisantgranaat voor de 21 cm Mörser 18 wel 113 kg, de betongranaat nog wat meer, 121 kg woog. De standaard brisantgranaat voor de 15 cm s FH 18 had een gewicht van 43,5 kg, voor de 10,5 cm l FH 16 14,8 kg [Hogg, German Artillery of WWII, p. 95, 65, 45].

De laatste bron [p. 95] geeft over de 21 cm Mörser 18 nog de volgende gegevens:

Kaliber (doorsnede van de loop): 211 mm.
Lengte van de loop: 6.510 mm.
Sluitstuk: Horizontale wigsluiting.
Afvuurmechanisme: Percussie (afvuurpin).
Traverse (zijdelingse richting zonder verplaatsen): 16 graden op affuit, 360 graden op platform.
Elevatie (verticale richting): 0 tot 70 graden.
Vuursnelheid: 30 schoten per uur (afgekort: 30 s/h)

Beginsnelheid (Vo) voor de brisantgranaat met lading 1 225 m/s, maximum bereik (dracht) 4.650 m.
Beginsnelheid voor de brisantgranaat met lading 6 (zwaarste lading) 565 m/s, maximum bereik 16.700 m.
Beginsnelheid (Vo) voor de betongranaat met lading 1 218 m/s, maximum bereik (dracht) 4.350 m.
Beginsnelheid voor de betongranaat met lading 6 (zwaarste lading) 550 m/s, maximum bereik 16.725 m.

De munitie was van het type "gescheiden lading", d.w.z. met de drijflading apart verpakt in kardoezen.

Onbekend is, of de Mörsers aan het Grebbefront op een platform waren gezet, zodat ze zonder verplaatsen in een sector van 360 graden konden vuren. We nemen aan van niet.

Tenslotte nog iets over de gebruikelijke notatie van het geschut.
Het eerste getal in de type-aanduiding (hier 21 cm) geeft het kaliber aan.
De voorloopletter s staat voor schwere, l (voor het onderscheid met het cijfer 1, ook wel le) voor leicht.
De volgende hoofdletters geven het type geschut aan. SK voor Schiffskanone, FK voor Feldkanone, FH voor Feldhaubitze. De Mörser kreeg de afkorting Mrs.
Soms volgt tussen haakjes nog een toevoeging voor de lengte van de loop. Lg voor lang, Kz voor de korte variant.
Het getal achteraan geeft de lengte van de loop (in 24 cm SK L/40), of het modeljaar (in 15 cm s FH 18) aan.
Met de jaargang werd soms gesmokkeld. De 21 cm Mrs 18 is vermoedelijk van een veel later modeljaar dan 1918. De vervanging van het type 21 cm Mrs (lg) 16, door de 21 cm Mrs "18", begon namelijk volgens Hogg [p. 94] pas in 1939. De bij Wageningen ingezette Mörsers waren dus zeer modern geschut.

Een spookbatterij

Nu de vele vragen over de Mörsers.

De afdeling werd in Duitse bronnen, ook in schriftelijke bevelen e.d., aangeduid als s.Art.Abt.735. Er bestond tussen 1939 en 1945 ook geen s Art Abt 755 (verder in deze tekst zonder punten geschreven). Dat blijkt uit een bekend overzichtswerk, dat de Duitse legersamenstelling behandelt [Müller-Hillebrand, "Das Heer 1933-1945"]. In de 700-serie waren er volgens deze bron alleen de nummers 732, 733, 735, 736, 777 [p. 125]. Het is dus hooguit mogelijk, dat ook (delen) van s Art Abt 733 bij X AK werden ingedeeld. Maar dat lijkt, gelet op de samenhang met andere eenheden (zie boven), niet erg waarschijnlijk. Müller-Hillebrand noemt deze eenheden onder de Heerestruppen. Hij rangschikt ze verder onder de Artillerie.
Er waren volgens hem 15 afdelingen uitgerust met 21 cm Mörsers. Hij duidt deze aan als Abt. 21 cm Mörser (mot). De afkorting tussen haakjes staat voor motorisiert (gemotoriseerd). De auteur geeft ook de standaardsamenstelling (Normalgliederung) aan. Een afdeling 21 cm Mörsers had volgens hem 3 batterijen, elk van 3 stukken.

Müller-Hillebrand rangschikte dit type zware artillerie-afdelingen onder de Heerestruppen. De Heerestruppen vormden een algemene reserve van gespecialiseerde eenheden. Bij mobilisatie en bij planning van een actie werden hieruit naar behoefte versterkingen voor de lagere eenheden (Armeekorpsen, Divisies) gehaald. Dat is ook wat er bij X AK, naar ID 207 op 12 mei, en ID 227 op 13 mei gebeurde.

De s Art Abt 735 komt bij Wageningen zogezegd uit de lucht vallen. Er is tot nu toe geen enkel document van X AK gevonden, waarin deze afdeling vóór 12 mei wordt genoemd. In de indelingsoverzichten (Kriegsgliederungen) van X AK en haar divisies, worden wel andere Heerestruppen genoemd. Arko 22, Beob Abt 30, I/AR 697, IV/AR 256, EB 664, EB 674, en bijvoorbeeld ook (Strassen)Bau Bat 576. Ook was Art Abt 735 blijkbaar oorspronkelijk niet bij het tweede korps binnen het 18e Leger, XXVI AK, ingedeeld. Toch zouden de Mörsers beschikbaar zijn geweest bij de aanval bij Mook, op 10 mei. Dat wordt in elk geval door Lkol b.d. Brongers in voetnoot 13 in één van zijn werken vermeld [Brongers2, p. 59]. Voor deze stelling hebben wij nu ook bewijs uit de KTB's gezien.
De s Art Abt 735 blijft nog wel op enkele punten een spookafdeling. Er zijn tegenstrijdige gegevens over een vroege inzet bij Renkum. Een verplaatsing naar Wageningen is zeker. Maar het moment waarop, en de opmarsroute, zijn nog niet vastgesteld. Wie de afdeling en batterijen commandeerden, is evenmin bekend.

Aangenomen wordt wel, dat enkele (één of twee) batterijen van s Art Abt 735 al in de nacht van 10 op 11 mei in Renkum in actie kwamen. Ze zouden toen o.a. storend vuur op de Grebbeberg afgegeven hebben.
Een korte melding van het Vakhoofd LBD Renkum-Heelsum-Doorwerth, F.A.J. Mesker, geeft ook grond aan die veronderstelling. Het verslagje over zijn werkzaamheden [In: G.J. Peelen, "'t Begon onder melkenstijd"] bevat de volgende passage:

"Daar de gevechtshandelingen zich inmiddels verplaatst hadden naar de Grebbeberg en hier zeer hard gevochten werd, werden er in Renkum bij de Katholieke jongensschool 5 kanonnen opgesteld om de Grebbeberg te beschieten,"

Het aantal van 5 kanonnen is voor een batterij hoogst ongebruikelijk. Een mogelijke oplossing wordt aangedragen door Gerard van der Schouw, in "Schouwburcht, 60 jaar na dato" [Echo's van zes dorpen, april 2002]. Hij beschrijft de aankomst van Duitse troepen op 10 mei omstreeks 17.20 uur. Ook, hoe in de nacht zwaar geschut in Renkum aan de Don Boscoweg (die vroeger Schoolweg heette) werd geplaatst. Twee bijgevoegde schetsen laten precies zien, waar.
De eerste [p. 7] laat zien, dat er drie "Dikke Bertha's" in de achtertuinen (aardappelvelden) aan de Schoolweg kwamen te staan. De tweede [nummer p. niet bekend], geeft aan, dat N van deze drie stukken nog 8 stukken geschut werden opgesteld tot voorbij de Schaapsdrift. Het ging daarbij mogelijk om één batterij van s Art Abt 735, en twee batterijen van IV/AR 256. Het gekke getal van 5 "kanonnen" bij Mesker werd dan gevormd door de ene batterij Mörsers (drie stukken 21 cm) en een sectie houwitsers van het type s FH 18 (twee stukken 15 cm).

Nu werd, op basis van de gevechtservaringen op 11 mei, voor de aanval op 12 mei (Inbraak bij de Grebbesluis) meer en zwaarder geschut nodig geacht. Dat werd daarom aangevraagd bij ID 207. Toegezegd werd de inzet van drie lichte en twee zware artillerie-afdelingen. Hierover staat in een uittreksel van het KTB van SS "DF" [Auszug, p. 6] letterlijk:

"Auf Grund der Kämpfe des 11.5 war das Rgt. [SS "DF"] zu der Überzeugung gekommen, dass ein Angriff auf den Grebbe-Berg ohne starke Art[i]l[lerie]-Vorbereitung nicht möglich war. Diese wurde bei der 207 Inf[anterie] Div[isie] noch in der Nacht 11./12.5 beantragt und mit drei leichten und zwei schweren Artl.-Abteilungen der Div. [!] für den am 12.5 früh beabsichtigten Angriff des Rgts. auf den Grebbe-Berg zugesagt."

In het artikel "Durchbruch durch die Grebbe-Linie" [In: "Der Freiwillige nr 5 en 6, mei/juni 1958] staat het iets afwijkend:

"Die Division sagt sofort drei leichte und eine schwere Artillerie-Abteilung zur Angriffshilfe am 12. Mai zu,"

Een soortgelijk artikel "Der Durchbruch an der Grebbeschleuse" [In: Der Soldatenfreund, 1943] zegt, dat de eigen artillerie versterking kreeg van twee batterijen 21 cm (21er), blijkbaar dus de Mörsers, ook hier aangeduid als Heerestruppen (Heeresbatterien):

"Am 12. Mai erhielt die eigene Artillerie Verstärkung durch zwei 21er Heeresbatterien".

Over de plaats van de stellingen is weinig of niets met zekerheid bekend. In het op internet aangetroffen verslag van een Obergefreiter van de 3e Kompanie van Beob Abt 30 [http://forum.axishistory.com/viewtopic.php?t=121237, geplaatst 26 mei 2007], staat hierover slechts:

"Ich höre, dass etwa 100 Mtr. vor uns eine schwere Batterie 21 ctm. Mörser steht, die muss man gesehen haben. Sehr bald erkenne ich dann auch die Umrisse dieser schweren Kolosse, gut getarnt im niedrigen Buschwerk."

De Mörsers waren op 12 of 13 mei (dat is niet duidelijk in het verslag), dus goed gecamoufleerd opgesteld in laag kreupelhout. Dat is een beschrijving die op meer plaatsen past, dan op de bosrand van de Wageningse Berg. Maar op grond van gegevens uit de Nederlandse gevechtsverslagen, nemen we toch aan, dat de Mörsers juist daar hebben gestaan.

Uit de passages in de Groene Serie kan worden opgemaakt, dat de afdeling alleen op 12 Mei werd ingezet. Dat is niet, wat Lkol b.d. Brongers aangeeft in de Appendix, onderdeel "De Duitse aanvalsmacht tegen de Grebbelinie" [Brongers1, p. 262, 266]. Hij gaat ervan uit, dat s Art Abt 735 tot de avond van 13 mei beschikbaar was voor ID 207, daarna ingezet werd voor ID 227. Wij kunnen aanvullen, dat tenminste één batterij al op 11 mei werd ingezet. Verder, dat de afdeling maar tot 13.20 uur (15.00 uur Duitse tijd) heeft gevuurd voor ID 207, daarna voor ID 227. Dat blijkt uit het verslag van de Arko 22, Generalleutnant Walter Büchs over die dag [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 2030].

De gevonden antwoorden op de vele vragen zijn hiermee 1):

* De Mörser-afdeling die bij Wageningen ingezet werd, heette officieel s.Art.Abt.735.
* Ze behoorde tot de Heerestruppen, een reservoir aan versterkingen, in te delen naar behoefte.
* Vermoedelijk al bij de mobilisatie ging de afdeling naar het 18e Leger (AOK 18).
* Wie de afdeling en batterijen commandeerden, is niet achterhaald.
* In de nacht van 11 op 12 mei kwam mogelijk al één batterij in Renkum tot vuren.
* Op 12 en 13 mei (tot in de middag) zijn voor ID 207 twee batterijen ingezet.
* De s Art Abt 735 had nog een derde batterij volgens de Heeresgliederung. Waar die was ingedeeld (bij XXVI AK gebleven ?) is niet met zekerheid bekend.
* De stellingen waren vermoedelijk in de bosrand van de Wageningse Berg.
* Een batterij van s Art Abt 735 bestond uit drie stukken.


______
1) Deze veronderstellingen zijn later niet alle juist gebleken. Zie onder meer het naschrift bij donderdag 4 juni 2009.

Spraakverwarring over Mörsers

Er zijn flink wat onduidelijkheden over de inzet van s Art Abt 735.
De afdeling Mörsers komt bij Wageningen min of meer uit de lucht vallen, en heeft zelfs een spookbatterij. Dat blijkt, als we vijf Nederlandse publikaties erop naslaan, die over deze eenheid iets zeggen:

- Twee delen uit de studie van de GS/Krijgsgeschiedkundige Afdeling, "De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de WOII". Hoofddeel III, Deel 1 en 3. Deze zullen als tevoren verkort worden aangegeven als "III/1", resp. "III/3".
- Twee boeken van Lkol b.d. E.H. Brongers. "Grebbelinie 1940", en "Opmars naar Rotterdam", Deel 2, "Van Maas tot Moerdijk". Deze werken worden in het vervolg aangeduid als "Brongers1", resp. "Brongers2".
- Het NIMH-overzichtswerk "Mei 1940, De strijd op Nederlands grondgebied". Hiervan verscheen in 2005 de 2e herziene druk. Redacteuren waren Prof. Dr. H. Amersfoort, plv dir NIMH, en Drs. P.H. Kamphuis, daar directeur. Naar deze bron wordt verder kort verwezen als "Mei 1940".

Vergelijken we deze bronnen, dan komen er nogal wat vragen op:
Hoe deze afdeling officieel heette, tot welk Korps of hogere eenheid ze behoorde, wie er het commando over voerde, waar de voor ID 207 ingezette batterijen op 12 mei 1940 vandaan kwamen, of er twee dan wel drie batterijen geweest zijn, waar toen de stellingen waren, en uit hoeveel stukken elke batterij bestond.

Deze vragen ontstaan deels door een wat slordige redactie.
In Duitse teksten wordt de Mörser-afdeling vrij consequent aangeduid als s.Art.Abt. 735. In Nederlandse nog het meest als Mortierafdeling 735. Maar er komen vreemde varianten voor. Eénmaal wordt de zware artillerie-afdeling zelfs ineens als SS-afdeling vermeld. Op sommige plekken krijgt de eenheid het nummer 735, op andere 755. Uit het tekstverband is op te maken, dat steeds dezelfde unit moet zijn bedoeld. Het gaat namelijk vijfmaal om de bij X AK onder bevel gestelde ("unterstellte") eenheden. Dat was een vast rijtje. Arko 22, Beob Abt 30, s Art Abt 735, met soms enkele andere eenheden erbij [III.1, p. 224, 225 (2x), 226, 304]. Bovendien blijkt, dat er geen s Art Abt 755 bestond.
Laten we eerst eens naar deze punten kijken.

In de Groene Serie wordt het meest de vertaling Mortierafdeling (-batterij) voor Mörser Abt. 735 (of 755) gebruikt [III/1 p. 224, 225, 226]. In die lijn verder gaand, wordt in Mei 1940 een mortier-, inplaats van een artilleriesymbool voor deze eenheid bij X AK gebruikt [Mei 1940, p. 280]. Dat lijken details, maar het is erg verwarrend.
In het tegenwoordig militair spraakgebruik zijn mortieren zware infanteriewapens. De Mörsers waren echter zware artilleriewapens. Het is/was allebei steilbaangeschut. De 21 cm Mörser 18 had een elevatiebereik van 70 graden.
In de Duitse taal heeft "Mörser" nog een speciale woordlading. Van fijnstampen of vermorzelen, zoals in de vijzel van een apotheek. Dit apothekersinstrument (waarin geneeskrachtige kruiden werden fijngestampt) werd vroeger in ons land ook wel mortier genoemd.
De Mörser werd mede in de bewapening opgenomen om zware betonnen versterkingen te "vermorzelen". Hiervoor had men speciale betondoorborende granaten. Later in WO II kwamen nog de Röchling-granaten. Extra slank, en met vinnen. Deze waren in staat om betondiktes van 2200 mm door te slaan (21 cm Rö Gr 44 Be), resp. van 4000 mm (21 cm Rö Gr 42 Be). Rö staat in de tussen haakjes gegeven type-aanduidingen voor Röchlin, Gr voor Granate, 44 resp 42 waarschijnlijk voor het modeljaar, Be voor Beton. Nadere bijzonderheden over geschut en munitie zijn in bekende technische handboeken te vinden. Zie bijvoorbeeld R. Böhm c.s., "Die deutschen Geschütze 1939-1945", of Ian V. Hogg, "German Artillery of World War Two".
Voor alle helderheid zullen wij het woord Mörser niet met mortier vertalen. Verder wordt de eenheid hier, zo dicht mogelijk bij de basistekst, aangeduid als s Art Abt 735.

Dat er geen s Art Abt 755 geweest kan zijn bij X AK, komt in een volgende aflevering aan de orde. Maar over de SS-variant nog een korte opmerking.
Dat was (zeer waarschijnlijk) een vermelding op basis van een foute interpretatie.
In een vertaald bevel staat S.S. Abt. 735 [III/1, p. 225]. In het origineel, onder punt 5.) stond s.s. Art. Abt. 735 [Bijlage KTB 3, ID 207, document gestempeld 125. Ook NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1977]. Hierbij staat s.s. voor sehr schwere. D.w.z. voor zeer zwaar kaliber, in tegenstelling tot middelzwaar, of licht. Niet voor SS. Misschien was het trouwens ook gewoon een verschrijving aan het begin van een regel. Twee hoofdletter s-en, inplaats van één. Uit macht der gewoonte.

vrijdag 29 mei 2009

Drie twijfelgevallen

Hoofdvragen, die ons in dit onderzoek bezighouden, zijn:

(1) Hoeveel Duitse batterijen werden er van dag tot dag ingezet ?
(2) Op welke doelen en op welke vuurschema's gebeurde dat ?
(3) Wat waren daarbij de locaties van de batterijen ?

Maar eerst zijn er enkele twijfelgevallen te beslissen. Details, die kunnen helpen het bredere beeld aan te scherpen:

1) Werd I/AR 207 op 10 mei bij Doesburg ingezet ?
2) Is zeker genoeg, dat op 11 mei alleen infanteriegeschut W van Wageningen was ?
3) Sneuvelde N van Ederveen op 13 mei een artillerist van I/AR 207, of toch van III/AR 207 ?

Doesburg
Volgens mijn tabel was I/AR 207 op 10 mei in gevecht bij Doesburg. In het item "Verliezen en gevechtsposten" staat ook, dat er toen één dode van 2/AR 207 viel. Kanonier Hans-Georg Nissen. Maar is dat wel voldoende bewijs, dat deze afdeling werkelijk bij Doesburg in gevecht raakte ?
Eerste toets is bronnenstudie. In deel III/2E [p. 60], waar de IJsselverdediging wordt behandeld, staat niet met zoveel woorden te lezen, dat I/AR 207 (daar) in gevecht raakte. Alleen, dat al te 11.10 uur artillerievuur werd gelegd op de O. rand van Dieren en Ellecom. Dat lijkt veel te vroeg voor I/AR 207. In het item van 21 mei, "De inzet van Duits geschut",werd met die achtergrond toch weer voor een "nee" (daar niet ingezet) gekozen.
Volgende toets is afstand en tijd. Het was een bespannen eenheid, die uit het gebied bij Anholt kwam. Volgens kaartmeting moest naar Doesburg een afstand van ruim 30 km worden overbrugd. Dat kan in een uur of vier, vijf gedaan zijn (verg. Metger met zijn 50 km in een dagmars).
We houden het er daarom op, dat I/AR 207 al wel bij Doesburg (of tenminste bij Dieren-Ellecom) was. Maar het is daarbij erg onwaarschijnlijk, dat deze afdeling daar onder Nederlands tegenvuur kwam. Meestal bleef de artillerie ruim buiten bereik van de te bestrijden infanterie.
Het sneuvelen van Kanonier Nissen (later, aan opgelopen verwondingen) blijft zo nog wel een raadsel.

Infanteriegeschut
De auteurs van de Groene Serie namen zonder meer aan, dat op de eerste gevechtsdagen aan Duitse zijde W van Wageningen nog alleen infanteriegeschut werd ingezet. Dat was licht en gemakkelijk verplaatsbaar geschut. Vooraan, bij de 13e, 14e, en de (alleen bij de SS aanwezige) 16e Kompanie ingedeeld. De zwaardere artillerie stond (voorzover bekend) op 11 mei nog ver achter Wageningen. Toch werd, volgens III/3 [p. 206, 207], al op 11 mei Duitse artillerie gesignaleerd W van Wageningen, en zelfs in de Nude. Is de aanname van infanteriegeschut dus voor die dag voldoende veilig ?
Op dit punt kunnen we kort zijn. In de KTB's van ID 207 en SS "DF" staat voor 11 mei, en zelfs nog voor 12 mei, dat de artillerie O van Wageningen stond.
Op 11 mei waren de gemotoriseerde afdelingen naar ik aanneem, zelfs nog maar in Renkum. Dat beeld wordt later nog uitgebreid getoetst.

I/ of III/AR 207
In het item "Verliezen en gevechtsposten" kwam een mogelijk onjuiste vermelding in de database "Register Duitse gevallenen" ter sprake. Die betrof Uffz Brotzmann, ingedeeld bij 9/AR 207. Hij zou op 13 mei om het leven gekomen zijn, N van Ederveen.
Als datum en plaats juist zijn, kan het onderdeel dat haast niet zijn. Nodig is dan wel te weten, dat de batterijen per afdeling oplopend werden genummerd. I had de batterijen 1 - 3, II had 4 - 6, III had 7 - 9, en IV had 10 - 12.
Dus 9/AR 207 was de derde batterij van III/AR 207. En III/AR 207 stond (voorzover bekend) zeker niet N van Ederveen. Dat was terrein van ID 227. Daar was wel I/AR 207 ingedeeld. Zie bijvoorbeeld III/1 [p. 225]. Vandaar, dat ik een leesfout van een 9 uit een 3 veronderstelde.

Fase 2. Een verdiepingsslag

Nog altijd vormt de Groene Serie een waardevolle studie over de strijd in mei 1940. Hiermee wordt de reeks publicaties "De Strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II" bedoeld.
Voor een overzicht van de gebeurtenissen bij de Grebbeberg zijn vooral van belang Hoofddeel III/Deel 1 (Inleiding en Algemeen Overzicht), en Hoofddeel III/Deel 3 (De operatiën van het Veldleger).
Publikatie kwam tot stand onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Oorlog, Hoofdkwartier van de Chef van de Generale Staf. Het onderzoek werd uitgevoerd door de Krijgsgeschiedkundige Afdeling van die Staf. Redacteuren waren met name Lkol der Artillerie b.d. F.A.J. de Klerck, en later ook Genmaj b.d. V.E. Nierstrasz.

In die krijgshistorische publikatie werd naar verhouding weinig aandacht besteed aan het optreden van de artillerie.
Er wordt zeker wel bruikbare informatie verstrekt over de opmars en samenstelling van X AK, in het inleidend deel [III/1, p. 209-228]. Ook wordt nog aandacht gegeven aan het gebruik van de Nederlandse artillerie aan het Grebbefront, in het deel over de Operatiën van het Veldleger [III/3, p. 205-207, 341-347, 438-452].

Duidelijk is, dat die studie toen (begrijpelijk) vooral naar het Nederlands militair optreden keek. Daarbij zeker geen helder beeld geeft van ingezette Duitse artillerie-eenheden. Nog minder van de plaatsen van geschutsstellingen.
Op zich wel begrijpelijk (gezien de omvang die het werk toch al had), is niet alle informatie gebruikt, werden belangrijke aannames niet in de boekwerken zelf getoetst, en zijn conclusies meestal niet toegelicht.

Dit alles maakt een verdiepingsslag noodzakelijk. Want nadere gegevens zijn er wel. Al zijn die vaak onvolledig, onduidelijk, of zelfs tegenstrijdig. Er zijn ook vragen over de juistheid van het daarmee opgeroepen beeld.
Inbreng van derden (ook als men zich zelf misschien niet deskundig genoeg acht) wordt door mij zeer op prijs gesteld. Alleen in open uitwisseling kan iets leven en groeien. Dat is de bedoeling van deze blog.
Om inbreng te kunnen krijgen, moeten overwegingen en conclusies dan nog helder zijn. D.w.z. ook (zoveel dat kan), voor niet-ingewijden in deze materie te volgen.

Een belangrijk eigen toetsingskader geeft mijn tabel onder de label "Plaatsen". Zie de aflevering van dinsdag 26 mei. Dit schema zal zo nodig worden aangepast.

Om verder te komen, zijn werkhypothesen nodig. Een rijtje aannames, of voorlopige conclusies. Ook dat lijstje zal zo nodig worden aangepast.

Mijn voorlopige conclusies zijn:

1) Bij de strijd om de Voorposten (11 mei) werden de vooruitgezonden (delen van) vier afdelingen ingezet. Dat waren drie gemotoriseerde afdelingen (II/AR SS, 10,11/AR 256, 1,2 s Art Abt 735). Hiernaast één bespannen afdeling (III/AR 207). Deze batterijen stonden toen nog in Renkum. Mogelijk werd één Mörser-batterij toen elders ingezet (niet voor ID 207).
2) Voor de Inbraak in de hoofdweerstandslijn (12 mei) werd het geschut naar het W verplaatst, dichterbij de gevechtszone. De batterijen gingen naar Wageningse Berg en De Eng. ID 207 beschikte toen over twee Mörser- batterijen. Er werd nog een bespannen afdeling aangetrokken naar Wageningen (III/AR 311).
3) Voor de Doorbraak naar Rhenen werden enkele batterijen verder naar het W verplaatst. III/AR 311 kwam daarbij W van Wageningen te staan, als directe steun aan IR 322. II/AR SS bleef in de oude stelling.
4) Een dag later ging ook II/AR SS naar voren, als directe steun aan SS "DF".
5) De afdeling II/AR 207 is bij Wageningen niet ingezet.

Een laatste stap, is toetsen op samenhang. Hoofdvragen zijn dan:

> Is het punt niet in strijd met gezaghebbende bronnen, andere gegevens, eigen aannames, of voorlopige conclusies ?
> Als dat zo is, moet het punt dan worden verworpen, of aangepast ?
> Of zou juist de aanname of conclusie geschrapt, of veranderd moeten worden ?

De vijf voorgaande conclusies worden uitgewerkt en toegelicht in enkele detailstudies. Ze zullen, zo nodig, daar worden aangepast.

woensdag 27 mei 2009

Gebruik van de Du artillerie

Voor de aan het Grebbefront ingezette artillerie is het beeld sinds 1940 verschoven. Van grote Duitse overmacht met overwegend moderne vuurmonden, naar meer evenwichtige verhoudingen tussen de strijdende partijen. Niet alleen wij hadden ouder geschut, dat vaak nog bespannen was.

Zeker lijkt, dat in de nacht en vroege ochtend van 10 op 11 mei, alleen de drie gemotoriseerde afdelingen vanuit Renkum het vuur openden. Dat waren totaal 26 stukken:

+Twee batterijen van s Art Abt 735, met 2x3 stukken 21 cm Mörser 18.
+Twee batterijen van IV/AR 256, met 2x4 stukken 15 cm s FH 18.
+Drie batterijen van II/AR SS, met 3x4 stukken 10,5 cm le FH 18.

Vast staat, dat in de loop van de dag, bij de aanval op de voorposten, ook de eerste bespannen afdeling werd ingezet. Dat waren nog eens 12 stukken:

+Drie batterijen van III/AR 207, met 3x4 stukken 10,5 cm le FH 16.

Die dag werd een tweede bespannen afdeling (I/AR 207, met zelfde samenstelling als III/AR 207) naar Ede gezonden. Twee andere afdelingen stonden gereed in Oosterbeek. Zij beschikten over nog eens 24 stukken:

+Drie batterijen van II/AR 207, met 3x4 stukken 10,5 cm le FH 16.
+Drie batterijen van III/AR 311, met 3x4 stukken 15 cm s FH (lg) 13.

In totaal kunnen dus 6 afdelingen, met 62 stukken zijn ingezet bij de Grebbeberg. Dat maximum werd naar mijn mening niet gebruikt. Zelfs niet op 12 mei, voor de doorbraak bij de Grebbesluis. Ook al staat in een uittreksel van het KTB van ID 207 (onder de titel "Der Kampf um die Grebbelinie zwischen Wageningen und Rhenen") met de hand op die dag bijgeschreven "60 Rohre". Want alleen III/AR 311 kwam die dag nog nieuw in actie. Over II/AR 207 wordt gerapporteerd, dat die (inclusief kolonne) gereedgesteld was in Heelsum. Die locatie ligt ongeveer 10 km O van het Hoornwerk. Daarmee was de Grebbeberg ruim buiten bereik van dit type geschut bij gebruik van de zwaarste lading (9.225 m). In de KTB's of bijlagen is geen melding aangetroffen, dat deze afdeling verder naar het W is verplaatst.

In de Groene Serie (de officiële geschiedschrijving door de SMG, voorganger van het NIMH) wordt nog aangenomen, dat uiteindelijk zes Duitse afdelingen artillerie werden ingezet in het gebied van de Grebbeberg [De strijd op Nederlands grondgebied, Deel III/3, p. 441]. Dat kan alleen, als ook II/AR 207 aangetrokken zou zijn. Maar daarvoor ontbreekt het bewijs.

Omgekeerd, is aan te nemen, dat de twee zware afdelingen artillerie al vanuit Renkum in actie kwamen, en niet pas in de avond van 12 mei. Ook daarvoor ontbreekt nog het bewijs.
De Mörser batterijen werden op 13 mei trouwens nog maar een deel van de dag voor ID 207 ingezet. Arko 22 meldt, dat de s Art Abt 735 toen vanaf 15.00 uur Duitse tijd voor ID 227 vuurde [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 2030].

Er was, net als in ons leger, een vrij scherpe taakverdeling tussen de divisie- (DA) en de legerkorpsartillerie (LKA). De DA was vooral bedoeld als rechtstreekse steun aan de infanterie. De LKA vooral voor het afgeven van storende vuren, en voor artilleriebestrijding.

Op 11 mei werd één bespannen afdeling (III/AR 207), en één gemotoriseerde afdeling (II/AR SS) gebruikt voor rechtstreekse steun aan de infanterie. De twee zware afdelingen (s Art Abt 735 en IV/AR 256) werden voor storende vuren, artillerie-, en objectbestrijding gebruikt. Bij het laatste ging het vooral om het uitschakelen van flankerende mitrailleurposities.

Op 12 en 13 mei werden twee bespannen afdelingen (III/AR 207 en III/AR 311), en nog één gemotoriseerde afdeling (II/AR SS), gebruikt voor rechtstreekse steun aan de infanterie. De twee andere gemotoriseerde afdelingen (s Art Abt 735 en IV/AR 256, waarbij van elke afdeling één batterij elders was ingedeeld) werden weer overwegend gebruikt voor artilleriebestrijding. Als voorbereiding tot de aanval was een vuurconcentratie gebruikelijk ("Feuerzusammenfassung"). Een vuur van alle inzetbare batterijen, op een bepaald deel van het gevechtsterrein. Zo'n vuur werd op 12 mei uitgebracht op het Hoornwerk (de beoogde "Einbruchstelle") met flankerende posities.

Voor 14 en 15 mei ontbreken gegevens over de inzet van Duitse artillerie.

Verliezen en gevechtsposten

Volgens de officiële Duitse meldingen, vielen er 67 slachtoffers onder de artilleristen van ID 207. Namelijk 53 bij AR 207 (5 dood, 48 gewond), en 14 (alle gewond) bij de Heeresartillerie.
Deze informatie is niet compleet. Hierin ontbreken II/AR SS (2 dood, aantal gewonden onbekend) en III/AR 311 (3 dood, aantal gewonden onbekend). Ook blijkt hier niet uit, waar en wanneer de verliezen werden geleden.

Lkol b.d. Brongers komt na grondige studie tot hogere cijfers
(zie http://www.grebbeberg.nl/, via de knoppen "Ereveld", en "Register Duitse gevallenen"). Hieruit blijkt het volgende voor de AR's van ID 207:

-10 mei viel er 1 met naam bekende dode, in de opmars (2/AR 207, Doesburg). Kanonier Hans-Georg Nissen.
-12 en 13 mei vielen er 9 met naam bekende doden, bij de aanval op de Grebbelinie. (daarvan 2 bij II/AR SS, plaats sneuvelen Wageningen en Amersfoort, 4 bij 3,7,8,9/AR 207, plaats sneuvelen Arnhem en Ederveen, en 3 bij 9/AR 311, Wageningen). Untersturmführer Dieter Richter(s), SS Mann Josef Strache, Unteroffizier Johannes Kroggel, Gefreiter Albert Weidemann, Gefreiter Wilhelm Lückel, Unteroffizier Gerhard Brötzmann, Unteroffizier Johannes Schröder, Kanonier Fritz Niesswandt, en Kanonier Erich Steckelies.
-14 mei viel de laatste met naam bekende dode, bij de achtervolging (10/AR 256, Leersum). Rudolf Schneider.

De gegevens voor 12 en 13 mei vragen nadere toelichting.
Eén gewonde is later in een ziekenhuis in Amersfoort aan zijn verwondingen bezwaken. Nog vier gewonden later in een ziekenhuis in Arnhem. Verder zou Uffz Brötzmann van 9/AR 207 zijn, maar wel op 13 mei om het leven gekomen N van Ederveen. Dat is vreemd, want daar lag I/AR 207, met de batterijen 1 tm 3. Mogelijk is het nummer van de batterij dat in de database staat (9), daarom een verlezing (voor 3).

Ook hiermee blijft het beeld van de verliezen onvolledig. Er waren mogelijk veel meer dan 62 gewonden bij de AR's, en er was zeker nog grote materiële schade. Het zware geschut "bij Oranje Nassau Oord" werd door onze legerkorpsartillerie herhaald bestreden, en is ook in verschillende vluchten gebombardeerd. Door I-22 RA werd op 12 mei vuur uitgebracht op een eenheid artillerie bij steenfabriek De Blauwe Kamer, en een dag later een opmarcherende kolonne bespannen voertuigen aan flarden geschoten.

Hierover vinden we in de Duitse meldingen nauwelijks iets terug. Wel meldt Arko 22 op 13 mei, dat de Staf van s Art Abt 735 uit de gevechtspost weggeschoten werd [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 2030]. Waar deze gevechtspost was, weten we niet.
Bekend is wel, dat SS "DF" op dat moment "2 km W van de Westingang van Wageningen" een gevechtspost had. Aannemelijk is, dat de Cdt AR 207 en Arko 22 daar ook met hun staven aanwezig waren. Uit het rapport van Arko 22 blijkt, dat in elk geval de waarnemers ("de "Erkundungsstäbe der IV/256 und Mörser-Abt.") zich toen ver vooruit ("auf Grebbeberg vorgetrieben") bevonden.
De beschoten gevechtspost kan eigenlijk alleen "Anna's Hoeve" geweest zijn. Daar vlakbij zijn op 13 mei enkele vuurconcentraties gelegd.

De artillerie bij De Blauwe Kamer was mogelijk, zover vooraan, infanteriegeschut. Maar op de Lagekarte van (vermoedelijk) de ochtend van 14 mei, is een afdeling 10,5 cm houwitsers vlak achter de optrekkende groepen getekend [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1305]. Dit kan II/AR SS, toen directe steun voor de SS-bataljons, geweest zijn.

De door I-22 RA beschoten eenheid artillerie was misschien ook wel van III/AR 311. Die afdeling kwam volgens een melding van de Korpsveearts [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 00048] in de nacht van 12 op 13 mei zwaar onder vuur. De plaats noemt hij daarbij niet. Waarschijnlijk was dat bij de Westingang van Wageningen. Daar gaf onze artillerie herhaald vuur, vaak van meerdere batterijen op af.
Er werden volgens de melding 40 paarden gedood, en 20 gewond. Over de menselijke slachtoffers is alleen bekend, dat in de nacht van 12 op 13 mei drie man van 9/AR 311 sneuvelden (zie boven). Zij kregen een veldgraf aan de Wageningse Afweg.

De beschoten eenheid kan ook een bespannen bevoorradingskolonne voor IR 322 geweest zijn. Dit regiment lag namelijk op 13 mei aan de voet van de Grebbeberg. Gereed om een doorbraak naar Rhenen te forceren. Daar was toen ook de gevechtspost van IR 322 ingericht.

dinsdag 26 mei 2009

Plaatsen

Het is niet mogelijk, om van dag tot dag de plaatsen aan te geven van de Duitse staven en gevechtsposten. Zelfs niet, als we ons beperken tot die van ID 207 bij Wageningen. Dat is niet eens een kwestie van veel uitzoekwerk (door het grote aantal posten en de verplaatsingen), maar van ontbrekende gegevens.
In de kop van de meldingen en bevelen staat meestal alleen het soort kwartier, de datum, en de plaatsnaam.
Soms volgt in de tekst nog wel een nadere plaatsaanduiding voor één of meer eenheden. Bijna altijd blijven ook die erg vaag. Typische meldingen zijn "O van Wageningen", of "2 km W van de Westingang van Wageningen".
De KTB's vertonen hetzelfde beeld.

Tot afdelingsniveau en op plaatsnaam zijn de meeste locaties nog te achterhalen, zoals de volgende tabel laat zien. Tussenstations binnen de dag zijn hierbij weggelaten. Waar nodig zijn de grotere eenheden uitgesplitst.

Nadere bestudering laat twee lijnen zien. Een logistieke, en een tactische.
Eenheden volgden elkaar blijkbaar op in hun kwartieren. IR 368 ging op 12 mei van Oosterbeek naar De Klomp. IR 374 uit Arnhem kwam hiervoor in de plaats. Op dezelfde dag ging IR 322 (Divisiereserve) van Bennekom/ Kortenburg, op mars naar Wageningen (gereed voor inzet). III/IR 368 kwam toen uit Ede (reserve), naar Bennekom (reserve).
Verder is te zien, dat pas later diep uit de reserves werd geput. Reden was, dat de Nederlandse gevechtskracht in het begin sterk werd onderschat. Ook raakten natuurlijk de vooruitgeschoven eenheden het eerst in gevecht.
Bij het gevecht om de Voorposten werden maar twee bataljons
(I/SS "DF", en III/SS "DF") in eerste lijn ingezet. Op 14 mei naast alle drie de bataljons SS "DF" richting Veenendaal, bovendien nog IR 322 (min I) richting Rhenen. Ook moest op 12 mei nog meer en zwaardere artillerie worden aangetrokken, om een doorbraak te forceren bij het Hoornwerk.
Uiteindelijk werd bijna alles ingezet. In de order voor 14 mei
[NIMH Coll. 401, Inv. Nr 1302], werd bovendien opgedragen, hierbij tot het uiterste te gaan. Bevolen werd tot "Rastlose Verfolgung, unter Ausnützung der letzte Marschfähigkeit von Mann und Pferd".
Er werden achtervolgingsgroepen gevormd, uit eenheden die toevallig bij elkaar waren. Het is daardoor erg moeilijk, voor 14 en 15 mei een helder beeld van de verplaatsingen te krijgen.

Duidelijk is, dat de plaats van een staf of gevechtspost meestal maar vaag werd aangegeven.
Op die regel zijn er toch wel uitzonderingen. Ook is de plaats soms nog nader te bepalen, uit elders aangetroffen gegevens.
Voorbeelden zijn:

zaterdag 23 mei 2009

Codes en seinen

In het berichtverkeer moesten codenamen worden gebruikt. Ze zijn dan moeilijk door derden te volgen. Dat was natuurlijk ook de bedoeling. Een goed voorbeeld vormt het volgend bericht [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1873]. We geven het in vertaling.



In de documenten zijn gelukkig ook enkele codetabellen aangetroffen [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1535, 1542]. Hieruit blijkt, dat inderdaad een "eigen" vierde afdeling van AR 207 ontbrak. Ook, dat III/AR 311 en IV/AR 256 tot ID 207 behoorden. Tenslotte, dat s Art Abt 735 en de Beob Abt 30 later werden toegevoegd. De laatste twee eenheden werden namelijk (met nog enkele andere) met de hand bijgeschreven. Een uittreksel van die tabellen volgt hieronder.


In een Bijlage [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1577-1580] voor de Verbindingen op het Divisiebevel Nr. 2 wordt o.a. vastgesteld welke seinen zullen worden gebruikt. Als algemene lichtpistool-signalen waren vastgesteld:

Wit : Hier zijn wij.
Rood : Vijand valt aan.
Groen : Wij vallen aan, artillerievuur naar voren verleggen.

Dit overzicht is van belang, omdat vooral in de nacht van 11 op 12 mei signalen naar soort en plaats zijn gemeld door onze waarnemers. Die geven (behalve misschien de "witte lichten") dus aan, waar zich toen Duitse eenheden bevonden. En ook, waar de Nederlandse weerstand zó krachtig was, dat die als aanval werd gevoeld.
Gemeld werden onder meer [NIMH Coll. 409, Inv. Nr. 511016]:


Duidelijk is, dat de Grijze loods [van de Boerencoöperatie aan de Oude Haven bij Wageningen] als basis werd gebruikt. Ook, dat de Duitse troepen in de nacht van 11 op 12 mei blijkbaar nogal nerveus waren. Immers, echte "aanvallen" werden van onze kant toen en daar niet uitgevoerd.

Duitse gevechtsposten

Naar de plaats van de Duitse gevechtsposten bij de strijd om de Grebbeberg is weinig onderzoek gedaan. Uit documenten bij het NIMH in 's-Gravenhage en het BA/MA in Freiburg, kwamen onlangs enkele interessante punten boven.

Zoals te verwachten was, bleven de hogere staven (met de ondersteunende diensten) in Duitsland. Dichter bij het front werden steunpunten en vooruitgeschoven posten ingericht. Ver achter de gevechtszone, kwamen er munitiedepots, verzamelplaatsen voor krijgsgevangenen en buit, hospitalen. De gevechtsposten lagen, vertakt naar de lagere echelons, tot vlak vooraan in het gevechtsgebied. Ze volgden de fronttroepen op de voet.

Deze hoofdlijn is goed te volgen aan de hand van de gevonden Leitungsskizzen (verbindingsschetsen). De eerste is van 11 mei rond 17.00 uur, de tweede van 13 mei rond 7.00 uur. De originele schetsen [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1932,1995] zijn voor de duidelijkheid nagetekend, en aangevuld met een label voor onderdeel en locatie. De verschillen tussen beide schetsen zijn:

1) IR 374 van Oosterbeek (reserve), naar de Bosrand O van Wageningen (paraat).
2) IR 368 van Ede (reserve), naar Bennekom (reserve).
3) IR 322 van Bennekom (reserve), naar GB (inzet).
4) Cdt AR 207 als artilleriecommandant opgevolgd door Arko 22.
5) Gruppe Brückner gevorderd van Elst tot vóór Ochten.


Uit de originele schetsen blijkt nog, dat er twee typen verbindingen gebruikt werden. FF = Feldfernkabel, en SF = Schweres Führungsfernkabel. De eerste was voor grote afstanden, en daarom een lichte kabel. De tweede was voor de commandovoering, en daarom een zware kabel met een groot aantal kanalen. De benodigde kabels werden gelegd door de ingedeelde verbindingstroepen. Voor een deel werd ook het Nederlandse telefoonnet gebruikt. Hoe de verbinding met "Kobold" over de Neder Rijn tot stand kwam, is nog niet achterhaald.
Er zijn drie punten die nadere uitwerking verdienen. Dat zijn:

(1) De gebruikte codes en seinen,
(2) De plaats van de gevechtsposten,
(3) De verliezen bij de artillerie door Nederlands vuur.

Die krijgen een plaats in de volgende afleveringen.

donderdag 21 mei 2009

De inzet van Duits geschut

Over de inzet van Duitse artillerie bij de Grebbeberg zijn er nog onduidelijkheden. Vast staat wel, wat X AK beschikbaar had. Uit nieuw onderzoek (ook bij www.grebbeberg.nl) blijkt het volgende.

Bij Elten stond een spoorwegbatterij (EB 674) gereed. Deze had 1 of 2 stukken 24 cm SK L/40. Dat was omgebouwd scheepsgeschut, van de vroegere Wittelsbach-klasse. Vermoedelijk is dit geschut niet gebruikt.
Het moet gereed zijn gehouden, om onze zwaarste versterkingen uit te schakelen. Daarbij kan eigenlijk alleen zijn gedacht aan Fort Westervoort en Fort Pannerden. Op die doelen bleek inzet van EB 674 niet nodig.

Het gemotoriseerd geschut werd in voorste lijn meegevoerd. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de Heeres- en de Korpsartillerie.
X AK behoorde tot het 18e Leger. De hogere bevelseenheid was dus AOK 18 (Armee Ober Kommando 18). Aan Heeresartillerie was de zware Artillerie-afdeling (s Art Abt) 735 beschikbaar. Deze bestond uit drie batterijen van 3 stukken, 21 cm Mörser 18. In het begin was dit geschut niet ingedeeld bij X AK.
Vermoedelijk zijn bij dit Korps toch vanaf het begin twee Mörser-batterijen ingezet. Op 10 mei mogelijk al bij Westervoort. In de nacht van 10 op 11 mei in Renkum. Voor storende vuren en voor artilleriebestrijding in het vak van ID 207. Op 12 en 13 mei in het gebied van Wageningen-Bennekom. Behalve voor storende vuren en artilleriebestrijding, toen ook als directe steun voor ID 207. Op 14 mei werden de twee batterijen bij ID 227 ingedeeld. Onduidelijk is, of ze daar nog ingezet zijn.
Aan versterkingen waren bij X AK de afdelingen II/AR SS en IV/AR 256 ingedeeld.
II/AR SS bestond uit drie batterijen 10,5 cm lFH 18. Deze afdeling ging in zijn geheel met de SS-Groep mee. Ongetwijfeld is deze eenheid dan ook ingezet bij Westervoort en in Renkum. II/AR SS stond van 11 tm 13 mei op de Wageningse Berg. De afdeling is voornamelijk gebruikt voor directe steun aan I en III/SS "DF". Daarnaast ook voor artillerie- en objectbestrijding.
IV/AR 256 bestond uit drie batterijen 15,0 cm sFH 18. Hiervan werden twee batterijen ingedeeld bij ID 207. Hiervan ging 10/AR 256 mee met de Afdeling Von Scholz. Deze batterij zal dus ingezet zijn bij Doesburg, en later ook bij Renkum. Vanaf 11 tm 13 mei stond deze batterij ergens op de Wageningse Berg. Daar werd 10/AR 256 toen vooral gebruikt voor artillerie- en objectbestrijding. Een tweede batterij, 11/AR 256, ging mee met de voorhoede van SS "DF" over Westervoort naar Renkum. Op beide plaatsen zal deze batterij voor directe steun zijn ingezet. Vanaf 11 tm 13 mei stond ook deze batterij ergens op de Wageningse Berg. Ook 11/AR 256 werd toen vooral gebruikt voor artillerie- en objectbestrijding.

Er waren nog vier afdelingen artillerie. Voorzover bekend, alle bespannen. Ze volgden daarom in tweede lijn.
Bij ID 207 hoorde AR 207 als eigen artillerieregiment. Daarvan waren I, II, en III/AR 207 ingedeeld, elk met drie batterijen 10,5 cm lFH 16. Dit was oud geschut, uit WOI. De zware (bij andere AR's meestal vierde) afdeling van AR 207 kwam van een landweerregiment, AR 311. Die unit heette daarom geen IV/AR 207, maar nog III/AR 311. Deze bestond uit drie batterijen 15,0 cm sFH (lg) 13. Dat was een lange houwitser, ook uit WOI.
I/AR 207 behoorde niet tot de Divisieartillerie. De afdeling was ingedeeld bij IR 368 (Gruppe Von Oesterreich) naar Doesburg. Van daaruit werd de groep naar Ede gezonden. Omdat deze afdeling pas laat op de dag aankwam in Doesburg, is die daar vermoedelijk niet ingezet. In de volgende dagen wel in Ede, in het vak van ID 227.
II/AR 207 was wel onderdeel van de Divisieartillerie (Gruppe Metger). De afdeling legerde op 10 mei in Loerbeek in het Montferland, en ging op 11 mei over Westervoort naar Oosterbeek. Op 12 mei ging de afdeling door naar Heelsum. Ze was paraat ("bereitgestellt"), maar is op één batterij na niet meer in actie gekomen. Die, 5/AR 207, werd op 12 mei overgezet naar de Betuwe, toegevoegd aan Gruppe Brückner.
III/AR 207 was eigenlijk ook geen onderdeel van de Divisieartillerie. Deze afdeling ging mee met IR 322 (Gruppe Neydholt). III/AR 207 legerde op 10 mei in Didam, en werd daarna óf rechtstreeks, óf over Bennekom naar Wageningen gezonden. Op 11 mei kwam deze afdeling daar al in actie, zij het mogelijk later dan gepland. Volgens een aantekening in het KTB van ID 207, kon op 12 mei niet op de geplande tijd met de aanval worden begonnen. Dat kwam, mede door het "verspäteten Eintreffen[s] der zum Teil [!] pferdebespannten Abteilungen der Artillerie". De afdeling ging waarschijnlijk in de nacht van 11 op 12 mei naar een nieuwe stelling in het gebied van de Wageningse Berg.
III/AR 311 was op 11 mei in Oosterbeek aangekomen. Ze verkende daarop stellingen O van Wageningen, voor de inzet op 12 mei. Vermoedelijk werd deze afdeling in de nacht van 12 op 13 mei verplaatst, naar een stelling W van Wageningen. Daarbij vielen er aan de Wageningse Afweg drie doden, en een onbekend aantal gewonden. Als gevolg van verliezen die nacht, moesten ook bij deze afdeling 60 paarden worden vervangen. Dit wijst er op, dat III/AR 311 toen zwaar onder Nederlands artillerievuur gekomen is.

Conclusies uit het nader onderzoek zijn, dat:
(1) Een flink deel van de Duitse artillerie verouderd was (nog uit WOI stamde).
(2) De Divisieartillerie (ruim opgevat) nog niet gemotoriseerd was.
(3) Deze pas in de loop van de gevechtsdagen bij de GB aankwam.
(4) Die daarbij nog voor een deel in reserve bleef, of elders ingezet werd.

donderdag 14 mei 2009

10 mei 1940 (A-Tag)

Op 10 mei 1940 (A-Tag) stonden de Duitse troepen gereed om de grens te overschrijden. Bevel daarvoor volgde om 3.15 uur (X-Zeit). Het heette, dat de Brits-Franse troepen in België, het plan hadden om Duitsland binnen te vallen. De eigen opmars moest afrekenen met die dreiging. Van belang was ook, dat ons leger geen hulp kreeg. Daarom was een snelle doorstoot naar Utrecht aan X AK opgedragen.
Eerste taak was, minstens één brug over de IJssel onvernield in handen te krijgen.
In het grensgebied N van de Rijn overschreden daarom twee kolonnes onze grens. De eerste, NW van Elten, had de bruggen bij Arnhem als doel. De tweede, NW van Anholt, de schipbrug bij Doesburg.
Een derde eenheid stond aan de grens W van Hüthum (tegenover Lobith). Deze moest de zuidflank van ID 207 beveiligen, over Elst oprukken, en naar Ochten-De Spees verkennen.

In de spits van de eerste kolonne vertrok Pantsertrein 7, op zichtafstand gevolgd door de Troepentreinen 7a en 7b. Hierin werd de Groep "Zugspitze" vervoerd (Cdt Neumann). De kern bestond uit het bataljon I/IR 374, en de compagnie 10/IR 374. Versterkt met extra infanterie- en pantserafweergeschut, en een pionierseenheid, met het nodige materiaal voor rivierovergang. Deze voorhoede kreeg ook een radiogroep mee.
De eenheid kwam tegen 5.00 uur voor de versperringen te staan bij Westervoort. De bruggen werden enkele minuten daarna opgeblazen. De pantsertrein kwam zwaar onder vuur en kreeg meerdere voltreffers. De groep werd toen ingezet om de rivierovergang van de navolgende SS-Groep te dekken. Daarna kreeg de infanterie opdracht om Arnhem aan W- en N-zijde te beveiligen. De versterkingen gingen naar de SS-Groep.

De SS Groep (Cdt Keppler) was volledig gemotoriseerd. De kern bestond uit bataljons I en III/SS "Der Führer". Naast een brugkolonne en een radiogroep, was hierbij ook zware artillerie ingedeeld. Die bestond uit een batterij 15 cm houwitsers, 11/AR 256. De groep ging bij Babberich de grens over naar Westervoort.
Een stoottroep motorrijders en pioniers werd met drijfzakken en rubberboten onder hevig vuur de IJssel overgezet. Versterkingen werden nagestuurd. Na brugslag kon de hoofdmacht volgen. Over Arnhem ging het toen naar de Grebbeberg. Door wegversperringen en gevechten met 4 RH, liep deze groep grote vertraging op. Men kwam deze dag niet verder dan Renkum.

Bij Anholt kwam de Groep Von Scholz de grens over (Cdt Von Scholz). Ook deze was volledig gemotoriseerd. De kern bestond uit het bataljon II/SS "DF". Aan artillerie was 10/AR 256 een batterij 15 cm houwitsers ingedeeld, met de Staf /AR 256. Voor de verbindingen kreeg men twee radiogroepen mee.
De opmars ging over Gendringen en Doetinchem. De bruggen over de Oude IJssel bleken alle vernield. Even voor 8.00 uur werd Doesburg bereikt. De schipbrug was met een meegevoerd brugdeel snel hersteld. Maar pas na zware gevechten lukte het door te breken, en de hoogten bij Ellecom-De Steeg te nemen.

Vanuit hetzelfde gebied vertrok ook de eerste niet gemotoriseerde eenheid. Dat was de Groep Von Oesterreich (Cdt Von Oesterreich). Als kern had deze IR 368. Aan artillerie had die I/AR 207 mee, een bespannen afdeling 10,5 cm houwitsers.
Deze groep ging op 10 mei nog over de IJssel, en legerde in het gebied Dieren-Ellecom-De Steeg. De volgende dag werd de eenheid over Arnhem en Oosterbeek naar Ede gezonden.

Uit het grensgebied bij Hüthum vertrok het Radfahr Aufklärungs Schwadron 207 (Cdt Diest) naar Elst.
Deze met fietsen uitgeruste verkenningsgroep bereikte rond 10.00 uur het Pannerdens Kanaal. Zij liet volgens opdracht Fort Pannerden links liggen, en stootte zo snel mogelijk door naar Elst.

De rest van de divisie schoof hierachter op, naar Westervoort en Doesburg.

De Groep Pioniers 207 (Cdt Hinze) werd uit Emmerich naar Westervoort gestuurd voor brugslag. De pontonbrug was tegen 16.00 uur gereed. Daarna kon het zware materieel en de hoofdmacht de IJssel over.

In Emmerich stond IR 322 (Cdt Neyholdt) gereed. Met een bespannen afdeling 10,5 cm houwitsers, III/AR 207.
De groep werd voorlopig naar Didam gezonden. In de nacht van 10 op 11 mei kon deze achter de pantserjagers de brug bij Westervoort over. De volgende dag werd de infanterie doorgezonden naar Bennekom. De artillerie ging naar Oosterbeek (bij de Groep Metger).

De Panzerjäger Abteilung 207 (Cdt Brückner) vertrok uit Anholt naar Doesburg. De afdeling was bestemd om de bruggen over IJssel en Neder Rijn vast te houden. Daar deze vernield waren, wachtte men rond Angerlo op nieuwe instructies. De afdeling kreeg opdracht na de SS-Groep over Didam en Westervoort naar Oosterbeek te gaan. Hierna werd de groep naar de Betuwe gezonden. Met de nieuwe opdracht om Fort Pannerden te nemen, en het gebied oost van Elst van vijand te zuiveren.

Als Divisiereserve stond o.a. nog de rest van IR 374 (Cdt Klemm) gereed, tussen Haldern en Wertherbruch. Dit regiment schoof eerst op naar Bienen. Van daaruit naar Elten-Emmerich.
Op 11 mei werd deze eenheid naar Arnhem gedirigeerd. Een dag later kreeg II/IR 374 opdracht zich bij de Groep Brückner te voegen, samen met 5/AR 207 van de Groep Metger. Deze versterkingen werden toen bij Oosterbeek met bootjes de Neder Rijn overgezet. Dat kostte vele uren.

De Divisiereserve (Cdt Metger) bestond uit drie voertuigkolonnes van ID 207, de divisiestaf, de rest van de verbindingsafdeling, en de divisieartillerie. De artillerie omvatte Staf/AR 207, II/AR 207, III/AR 311. De gehele groep marcheerde te voet en te paard.
De Groep Metger was gereedgesteld tussen Elten en Emmerich. Na een mars van 50 km bracht men de nacht door, in afwachting van verdere bevelen. De groep legerde in het bedekt terrein van het Montferland. Juist over de grens, tussen Beek, Stokkum, en 's-Heerenberg. Op 11 mei werd de opmars vervolgd naar Oosterbeek. Alleen de Staf/AR 207, en een dag later ook III/AR 311, kwamen nog in actie bij de Grebbeberg.

Tenslotte had X AK nog een gemengde Korpsreserve (Cdt Büchs). Deze marseenheid werd geleid door Artillerie Kommandeur 22.
Ze omvatte op 10 mei o.a. bataljon I/SS Leibstandarte "Adolf Hitler", en de Beobachtungs Abteilung 30 (bij Bocholt). Verder Eisenbahn Batterie 674 (bij Elten), en Bau Bataillon 37, min 2 (bij Rees).
Hierna ging SS "AH" naar AOK 18. Maar X AK kreeg ook enkele versterkingen. Dat waren: Strassenbau Bataillon 576, Schwere Artillerie Abteilung 735 (21 cm Mörser), Rheinschutzabteilung 1, en enkele Landesschutz-eenheden.
Spoorwegbatterij 674 kwam vermoedelijk niet in actie.
Van de versterkingen kreeg Bau Bat 576 opdracht versperringen te ruimen, en o.a. een verbindingsweg tussen ID 207 en ID 227 (Arnhem-Apeldoorn) aan te leggen. De Mörsers werden op 12 en 13 mei ingezet bij ID 207, daarna kwamen ze voor ID 227 beschikbaar. De Landesschutz-eenheden waren nodig voor het bewaken van vitale punten, krijgsgevangenen, en oorlogsbuit. Verder is onduidelijk, wanneer en waarop de nieuwe eenheden ingezet werden.