woensdag 4 augustus 2010

Motorisering

Vroeger werd algemeen aangenomen, dat het Duitse leger in mei 1940 al ver gemotoriseerd was. Maar uit KTB's en Bijlagen blijkt anders.
In het dagboek van SS "DF" wordt op 12 mei 1940 melding gemaakt van de verlate aankomst van de "zum Teil pferdebespannten Abteilungen der Artl." [voor een deel door paarden getrokken afdelingen artillerie]. Het ging daarbij waarschijnlijk om III/AR 207 en III/AR 311.
De Kriegsgliederung van ID 207 laat zien, dat die twee afdelingen van AR 207, (net als de Staf) nog bijna geheel met paarden voortbewogen werden. Motorisering wordt aangegeven door een streep, met twee kleine rondjes (wielen) eronder. Zie het volgend overzicht uit de Gliederung (indelingsoverzicht) van 1 april 1940.


Het Regiment had een Staf (aangegeven in het schema met het vierkant vlaggetje). Hierin de hoogste officieren, enkele specialisten (w.o de artsen), en ordonnansen. Toegevoegd waren een Verbindingspeloton (besp), een Weermeetpeloton (mot), en een Drukkerijpeloton (mot).
Elke Afdeling had een eigen Staf (aangegeven met het driehoekig vlaggetje). Daarnaast nog een Verbindingspeloton (besp), en een Artilleriemeetgroep (besp).
Elke Batterij was bewapend met vier zware of vier lichte houwitsers, en beschikte bovendien over twee lichte machinegeweren voor nabijverdediging en luchtafweer.
Aangegeven zijn bij III/AR 311 12 s FH (lg) 13, bij I tm III/AR 207 elk 12 le FH 16.

Uit beide bronnen blijft de "deelmotorisering" bij AR 207 vooral op batterijniveau onduidelijk. Vragen nog te over:

*Wanneer begon de motorisering in het Duitse leger eigenlijk ?
*Hoever waren de Artillerie-afdelingen van ID 207 in mei 1940 gemotoriseerd ?
*Welke eenheden waren toen nog bespannen ?
*Over hoeveel paarden, karren, en motorvoertuigen (van welke typen) beschikte AR 207 ?

De motorisering van het Duitse leger begon al voor 1940. Maar kwam eigenlijk pas najaar 1941 op gang, in de loop van de Ostfeldzug. Grote afstanden en slechte terreinomstandigheden maakten dat nodig. Bespannen eenheden haalden niet meer dan gemiddeld 10 - 12 km/uur. Gemotoriseerde eenheden konden zich veel sneller verplaatsen, tot 50 km/uur in gunstig terrein.
Men verwachtte eerst, dat paardentractie voor de veldtocht in de Sowjet-Unie nog wel voldoende zou zijn. Dat zou de bevoorrading makkelijker maken. Voer en water voor de paarden was op het platteland te vinden. Olie en benzine zou speciaal aangevoerd moeten worden.
Verplaatsing over de vaak zeer grote afstanden, dwars door het terrein, en over modderige wegen na regenval, bleek uiterst moeizaam te gaan. Daarom werden vooral de halfrupsvoertuigen ontwikkeld. Bij de halfrups-motorfiets het Sd.Kfz. 2 (Kettenkrad), en bij de halfrups-trekkers het Sd.Kfz 4 (Raupenschlepper Ost). De afkorting "Sd.Kfz." (voluit geschreven "Sonder Kraftfahrzeug"), betekent "speciaal motorvoertuig". Er kwamen toen ook meer terreinwagens voor het vervoer van personen, wapens, en voorraden. Verder werd aangepast motormaterieel ontwikkeld voor bijzondere doelen. Zoals het Sd.Kfz. 13 (MG-Wagen voor luchtafweer), en het Sd.Kfz. 14 (Radiowagen).
Op internet is veel over deze en andere motorvoertuigen te vinden. Voor Kettenkrad en Raupenschlepper bijvoorbeeld http://en.wikipedia.org/wiki/SdKfz_2, http://en.wikipedia.org/wiki/Raupenschlepper,_Ost.
Verder is er een mooie website, met gegevens over personeel, bewapening, en voertuigen van het Duitse leger in WOII. Voor de gemotoriseerde Afdeling lichte artillerie http://www.wwiidaybyday.com/kstn/kstn4131okt37.htm

Motorisering kwam na 1937 op gang. Het eerst voor munitievervoer, en voor verplaatsing van de afdeling s FH 18.
Een bron uit die tijd rekent voor een batterij licht geschut [le FH 18 ?] bijna 120 paarden, waarvan een kleine 35 als rijpaarden, en ongeveer 20 bespande wagens. Voor een groot deel met vier paarden bespannen.
Dat levert voor het Regiment (12 batterijen) minstens 1.320 paarden, 420 rijpaarden, en ongeveer 240 bespande wagens op. De eenheden op het niveau van de Afdelingsstaven en hoger, zijn dan nog buiten beschouwing gelaten.
Een regiment uit die tijd beschikte over een gemotoriseerde Leichte Artilleriekolonne [MS 1937, p. 264]. Die bestond uit 2 x 4 vrachtwagens van 4 ton.

Een Regiment Divisieartillerie (besp) had in 1939/1940 volgens een Duits standaardwerk 114 Officieren, 10 Beambten, 427 Onderofficieren en 2.621 Manschappen, met 2.208 paarden. Het beschikte over 76 Personenauto's, 80 Vrachtauto's, 57 Motoren, 240 bespannen, en 4 onbespannen voertuigen [waarschijnlijk zijn met de laatste aanhangers bedoeld]. [Engelmann, Scheibert, "Deutsche Artillerie 1934 - 1945", p. 60, 61].

Een deel van de bespannen wagens werd door zes paarden getrokken. Deze kwamen bijna alleen in de Geschutzstaffel en de Munitionsstaffel (Gefechtsbatterie) voor. Dat waren gekoppelde tweewielige voertuigen. Van het type voorwagen-achterwagen (Een Trekker met een Vuurmond, en een Trekker met een Munitiekar). De Trossen hadden in het algemeen vierwielige wagens. Type platte wagen, of huifkar (De grote Munitiewagens, en de Keukenwagen, Bureauwagen, Voorraadwagen, en Bagagewagen).
Op elk van de drie linkerpaarden van een zesspan zat een ruiter, die zijn span bestuurde. Een vierspan, of nog kleinere bespanning, had geen ruiters. Dat werd door een voerman gemend ("van de bok gereden").

Het aantal rijpaarden in het Regiment hing samen met de motorisering. Alleen voor de hoogste officieren waren in het begin Stafauto's beschikbaar. De Luitenants en Wachtmeesters, die als Waarnemer, Verkenner, Verbindingsofficier, Batterijofficier, Sectiecommandant, en Stukscommandant etc. dienst deden in de Gevechtsbatterij, zaten nog te paard.
Het aantal benodigde trekpaarden hing sterk af van het terrein, en van het te trekken gewicht. De meeste bespannen voertuigen waren (vol beladen) niet zwaarder dan 1,5 - 2,0 ton.
Een flink uit de kluiten gewassen paard (paard van zwaar slag) kon ook in moeilijk terrein nog wel zo'n 0,5 ton (500 kg) trekken. De zware vuurmonden met voorwagen, van III/AR 311, wogen ruim 3 ton. Deze konden nog juist in één last met een zesspan worden gereden. Maar een munitiewagen van 4 ton moest wel een motorvoertuig zijn.
Het aantal paarden van AR 207 is bekend uit een opgaaf van de Ib (Officier personeel en materieel) van ID 207 uit de periode april - juli 1940. Hij noemt per regiment de volgende aantallen paarden [NIMH Coll 401, Inv Nr 2835]:

IR 322 722
IR 374 725
IR 368 746
AR 207 2.192

Een leger in gevecht verbruikte grote hoeveelheden eten, drinken, hooi, stro, en haver, munitie, en andere voorraden.
Volgens Nederlandse normen, had een rijpaard per dag gemiddeld 3,25 kg hooi, 4 kg stro, en 5 kg haver nodig. Een paard van zwaar slag resp. 5 kg, 5 kg, en 6 kg, en bij grote inspanningen nog meer [Bijlage Mavors, Nov. 1938].
Omdat een brisantgranaat van de le FH 16 15 kg woog, en die van de s FH 13 zelfs 42 kg, is duidelijk, dat bij intensief vuren een flink gewicht aan munitie werd verbruikt door elke actieve batterij. In hoogste tempo gaf een lichte batterij per stuk en per minuut 6 - 8 schoten af. Een zware batterij ongeveer 4 schoten [R. Böhm, "Die deutschen Geschütze", p. 92, 112, I.V. Hogg, "German Artillery of World War Two", p. 45, 69].
De lichte batterijen konden dan samen per minuut 252 schoten afvuren (gelijk aan 3,8 ton). De zware batterijen haalden nog altijd 48 schoten (gelijk aan 2,0 ton).
Een AR voerde dan ook 4.536 schoten mee voor de le FH (gelijk aan 104,3 ton), en 720 schoten voor de s FH (gelijk aan 43,2 ton) [Engelmann, Scheibert, "Deutsche Artillerie 1934 - 1945", p. 71].

Het is onmogelijk, om aan te geven, hoe de samenstelling van AR 207 in mei 1940 precies was. Er bestond eigenlijk geen normale omvang van personeel, paarden, en voertuigen voor een AR. In de jaren ervoor was de sterkte van het Duitse leger verveelvoudigd. Motorisering was in gang gezet. Maar het tempo van vervanging liep uiteen. Het eerst kregen de SS-eenheden modern materiaal. Daarna de Weermacht. Het laatst de Landweer-eenheden.
Stafauto's en andere motorvoertuigen waren waarschijnlijk nog niet ruim voorhanden. Motoren waren er in hoofdzaak alleen voor verkenningseenheden en voor ordonnansen. Infanteristen vorderden daarom wel fietsen. En ook andere voertuigen zullen waar mogelijk benut zijn.

Een foto op de website van Kennispunt mei 1940, laat het verschil in motorisering tussen Weermacht en SS goed zien.
Links huifkarren (mogelijk van AR 207), midden enkele fietsers (van Weermacht-infanterie), rechts motorvoertuigen (van de SS). Link http://www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=3705

maandag 26 juli 2010

Bewijsmateriaal

Voor mijn laatste reconstructie van de Duitse stellingen, is er weinig hard bewijsmateriaal. Daarom werden eerdere versies in de loop van het onderzoek door mij nogal eens bijgesteld, en soms zelfs volledig doorgehaald.
Zo liet ik eerst wel de mogelijkheid open, dat het spoorweggeschut van de 16e Armee nog bij Elten of Kleef heeft gevuurd. En dat Mörsers in de nacht van 10 op 11 mei 1940 van de Dunoberg vuurden. En op 11 mei al vanuit Renkum, vanuit de "achtertuintjes" aan de Le Maitreweg.
Dit, en ander materiaal werd niet meteen, als onbewezen en zeer onwaarschijnlijk, terzijde gelegd. Want dan had mijn studie weinig zin gehad. Zo blokkeer je nieuwe inzichten. Als je verrassingen geen kans geeft, vind je alleen wat je verwacht.

De nieuwe gegevens zijn wel zoveel mogelijk getoetst. Leek de bron geloofwaardig ? Was er ondersteunend materiaal ? Paste het in een patroon ? Loste het eerdere tegenstellingen op ? Enkele voorbeelden hiervan.

Opvallend was, dat al in de nacht van 10 op 11 mei 1940 melding werd gemaakt van vurend (zwaar) vijandelijk geschut ver achter Wageningen. Richting Arnhem (Elten, Dunoberg ?) en Nijmegen (Kleef ?). Begrijpelijk, werd daarbij het eerst aan spoorweggeschut gedacht. Die gedachte blijkt nu vals. Onjuist is ook de aanname gebleken van Gen Maj Harberts, dat er lange 15 cm-kanonnen vanaf een plaats bij de Dunoberg gevuurd zouden kunnen hebben. Dergelijk geschut was niet bij X AK ingedeeld. Mijn interpretatie is, dat IV/AR 256 werd gepeild, die toen in Renkum stond.

De eerste waarnemingen van vijandelijk vuur "vanuit de Betuwe, schietend richting Ede en Veenendaal", blijven nog een raadsel. Pas de volgende dag kwam in de Betuwe bij de Gruppe Brückner een batterij aan, 5/AR 207.
Ging het misschien ook om vuur van het geschut bij Renkum, gezien de opgegeven richtingen ? Of, werd in de ochtend van 11 mei vurend pantserafweer-, of infanteriegeschut van Gruppe Brückner waargenomen ? Dan lijkt de richting van deze vuren toch wel erg verkeerd ingeschat. Want in die fase van de strijd, bij Elst, behoefde er bijna nog niet gevochten te worden. Eigenlijk pas in de nacht van 12 op 13 mei, bij Ochten. Tot dan waren er wel enkele schermutselingen, om voorposten op te ruimen.
Betroffen de waarnemingen misschien vuren uit het Maas-Waal gebied, of bij bijvoorbeeld Grave ? Ook dat is denkbaar. Want mogelijk hadden die vuren wel de gepeilde richtingen. Maar die waren dan zeker niet voor doelen bij Ede en Veenendaal (die lagen tever weg), maar voor doelen in de eigen aanvalssector, bestemd.
Dit alles maakt wel duidelijk, dat het blijkbaar voor onze posten erg moeilijk was, de afstand tot vurende artillerie nauwkeurig te peilen. Ook om vast te stellen, welk type geschut precies vuurde.

Opvallend was nog het grote aantal meldingen van vijandelijke artillerie, in het gebied van de Voorposten bij de Grebbeberg. Zelfs al in de eerste gevechtsdagen. Tot nu toe werd gedacht, dat dit hooguit luchtafweer-, infanterie- en pantserafweergeschut betrof.
De melding van Metger opent een nieuwe mogelijkheid. Misschien stonden op 12 mei al enkele batterijen veldgeschut ver vooraan. Verplaatsingen van ondersteunende artillerie zullen, afhankelijk van het tempo waarin de infanterie terrein won, in zo weinig mogelijk stappen naar het W zijn uitgevoerd.
Daarbij is nu uit het verslag van Walter Büchs, Arko 22 (Kommandeur van alle bij ID 207 beschikbare artillerie) bekend, dat in elk geval in de ochtend van 13 mei van stelling werd veranderd. Behalve door s Art Abt 735, die zo juist in de Bosrand was aangekomen, en van II/AR SS die in de Villawijk bleef staan.
IV/AR 256 ging vermoedelijk op 13 mei naar stellingen bij de Bornse Steeg. Dat sluit al vrijwel uit, dat die dag nog licht geschut O van de Diedenweg kan hebben gestaan. Artilleristische grondregel is "licht staat vóór zwaar". Het zware geschut schiet dan, over het lichte eerstelijnsgeschut heen, naar doelen op grotere afstand. De meldingen van I-22 RA en van Metger maken aannemelijk, dat die grondregel ook voor de Duitse opstellingen werd gevolgd.

Ik ga er nog altijd vanuit, dat in Renkum, achter de Le Maitreweg, op 11 mei wel degelijk zwaar geschut heeft gestaan. Alleen geen Mörsers. Want die konden er, volgens de nu beschikbare gegevens, nog niet zijn. Vrijwel zeker is daarmee, dat het (onder meer ?) de twee batterijen 15,0 cM s FH 18 van IV/AR 256 waren.
Het verslag van F.A.J. Mesker, vakhoofd LBD Renkum - Heelsum - Doorwerth is hiervoor een eerste bron. Hij noemde een opstelling van 5 kanonnen bij de Katholieke Jongensschool (Don Boscoweg). Een vreemd getal, omdat een batterij meestal uit vier stukken bestond. Oplossing leek, dat het om twee batterijen van de Mörsers ging. Waarbij mogelijk één stuk uitgevallen was, door materiaalpech, of achtergebleven door andere oorzaak. Die invulling moest van tafel, toen nieuwe gegevens op tafel kwamen over s Art Abt 735.
Er was nog een tweede verslag van G.A.W. van der Schouw. Toen jongen van een jaar of tien. Hij had gezien, dat achter het huis waar hij woonde, gemotoriseerd geschut werd geplaatst. Vroeg in de ochtend van 11 mei vuurde dat richting Grebbeberg. Omdat uit de indelingsoverzichten van X AK en ID 207 bleek dat alleen II/AR SS, IV/AR 256, en s Art Abt 735 gemotoriseerd waren, bleven toen de twee eerste afdelingen als mogelijkheid over. Het meest voor de hand lag nog IV/AR 256. Daarvan waren twee batterijen bij ID 207 ingedeeld, en die zouden vermoedelijk het verst naar achteren staan, achter het lichtere geschut. Maar hoe was dan de andere waarneming van 5 stukken te verklaren, en wat deden dan de ook ingetekende batterijen bij Heelsum ?
Vorige week heb ik daarom nog enkele vragen aan de heer Van der Schouw voorgelegd. Die herkende het geschut van IV/AR 256 positief, in een vergelijking met foto's van dit type en foto's van de 10,5 cm le FH 18. Verder gaf hij aan, dat dit geschut ongeveer een dag of twee vanuit Renkum vuurde. Tenslotte, dat het geschut bij Heelsum (voorzover hij in zijn vrienden- en kennissenkring kon achterhalen), van die plaats niet gevuurd heeft.
Deze nieuwe gegevens sporen prima met andere bronnen. II/AR SS kwam vermoedelijk al in de ochtend van 11 mei in de Villawijk aan. Er zijn meldingen van vijandelijk geschut in stelling op de Wageningse Berg. Zelfs van batterijen achter de Berg. III/AR 207 kwam die dag ook al in actie, maar stond toen op de Eng. Vermoedelijk bij de Geertjesweg. Want volgens een andere getuige, J. van Tricht, werd daar als eerste Duits geschut geplaatst. Later kwam er, achter zijn ouderlijk huis aan de Dolderstraat, nieuw geschut bij. Uit KTB's en Bijlagen is duidelijk, dat III/AR 311 op 11 mei nog bij Heelsum stond. II/AR 207 was nog te Oosterbeek, en werd een dag later naar Heelsum aangetrokken. Beide afdelingen hebben daar geparkeerd gestaan, om "gereedgesteld" te worden. Ze werden daar op belangrijke punten nagelopen, van vers geplukte takken met bladeren als camouflage voorzien, en verder gevechtsklaar gemaakt.
Het raadsel van de vijf stukken van de heer Mesker is hiermee nog niet opgelost. De heer Van der Schouw tekende achter de Le Maitreweg duidelijk drie (!) stukken, en verder N nog acht. Deze opstelling wijst in de richting van een incomplete zware (?) batterij, plus de twee batterijen van (vermoedelijk) IV/AR 256. Mogelijk is nog, dat het door hem ingeschetste aantal niet helemaal juist is, en dat hier alleen de twee batterijen van IV/AR 256 stonden.

Uit het dagboek van I-22 RA blijkt, dat in de ochtend van 13 mei 1940 enkele bespannen eenheden, ingeschat als batterijen, in de uiterwaarden N van de Rijn gesignaleerd en beschoten werden. Bekend was al, dat aan de Kop van de Oude Haven drie veldgraven met datum 12/13 mei van III/AR 311 zijn geweest. Ook noteerde de Korpsveearts, dat van deze afdeling door vijandelijk vuur 60 paarden waren gedood of gewond. Waarschijnlijk kwam III/AR 311 dus onder vuur van I-22 RA.
Een verrassende vondst vormde daarna het dagrapport over 13 mei 1940 van Kdr AR 207. Dat was Wilhelm Metger, tegelijk Kdr van de Divisieartillerie (Arko). Hij meldde ook verliezen van paarden bij III/AR 207 (2 dode, 1 gewonde). Dus misschien werd naast III/AR 311 nog een batterij van III/AR 207 door I-22 RA met succes beschoten.
Metger meldt in de eerste alinea: "Abteilungen in Stellung im Raum südl. der Strasse Wageningen - Rhenen." Wat ik vertaal met: "Afdelingen in stelling in het gebied Z van de Straatweg Wageningen - Rhenen". Afdelingen ? Niet alleen III/AR 311, maar verder nog III/AR 207, en mogelijk zelfs II/AR 207 ?
Dat laatste is zeer waarschijnlijk. Metger gaf aan, dat de 4e Batterij op de Grebbeberg in stelling stond. Dat was een batterij van II/AR 207. Want men nummerde in het Duitse leger de gebruikelijke drie batterijen van vier afdelingen door. I/AR 207 had 1/ tm 3/AR 207, II/AR 207 had 4/ tm 6/AR 207, etc.
4/AR 207 zal waarschijnlijk pas laat op de dag op de Grebbeberg in stelling zijn gebracht. Om de doorbraak van IR 322 bij het viaduct van Rhenen te ondersteunen. Doel zal zijn geweest, om zo nodig nog van nabij weerstandsnesten bij Rhenen te bestrijden, en waarschijnlijk vooral om storend vuur af te geven op grotere afstanden. Maar die doelen vielen weg. Ons leger was in dit deel van de Grebbelinie ruim voor 20.30 uur (het bevolen tijdstip daarvoor) in volle terugtocht. De hoofdmacht was al ver voorbij Elst, op weg naar de Nieuwe Hollandsche Waterlinie.

Helaas zijn tot nu toe geen gedetailleerde stellingkaarten in de archieven opgespoord. Die waren er waarschijnlijk wel. Er staat nog een onderzoek naar die kaarten uit. Voor mijn reconstructie ontbreekt nu nog een harde toets.
De aangetroffen schetsen maken wel duidelijk, waar het Duits geschut bij Wageningen van dag tot dag ongeveer heeft gestaan. Zie voor nadere bijzonderheden hierover de aflevering van 23 juli.

vrijdag 23 juli 2010

Een los eindje

De stellingen van Duitse artillerie bij Wageningen zijn in de KTB's met Bijlagen niet nauwkeurig aangegeven. Wel is de opmarslijn duidelijk: Renkum -> O van Wageningen -> W van Wageningen. Ook kan nu (met onderbouwd giswerk) worden vastgesteld, welke eenheden van dag tot dag zijn ingezet.

De volgende plaatjes geven de officieel ingetekende stellingen aan.
Er zijn misschien gedetailleerder Lagenkarten geweest, maar die werden nog niet opgespoord. Duidelijk is, dat de massa van de artillerie op 11 mei nog O van de Diedenweg stond (in de driehoek Bennekom - Wageningen - Renkum), en daar bleef tot de avond van 12 mei. Pas op 13 mei werden stellingen tussen Grebbeberg en Wageningen ingenomen. Misschien kwamen enkele batterijen daar nog een dag eerder.


Op 10 mei zijn volgens de verslagen vooral II/AR SS en IV/AR 256 ingezet in de voorhoedes van SS "DF", zeker bij Westervoort. Mogelijk ook nog I/AR 207, bij IR 368 (Cdt Von Oesterreich), om de IJsselovergang bij Doesburg te forceren. III/AR 207 was bij IR 322 (Cdt Neydholt) De rest van de Divisie-artillerie bleef ver achter. De Groep Metger legerde met Staf/AR 207, II/AR 207, en III/AR 311 in het bedekt terrein van Montferland. Juist over de grens, tussen Beek, Stokkum, en 's-Heerenberg.

Op 11 mei kwamen drie afdelingen in actie, om de aanval op de Voorposten te steunen. Dat waren II/AR SS, III/AR 207, en 10,11/AR 256 (12/AR 256 was bij ID 227 ingedeeld).
II/AR SS stond waarschijnlijk al in de Villawijk, III/AR 207 op de Eng, aan de Geertjesweg. In de KTB's wordt alleen vermeld, dat de verschillende afdelingen in stelling kwamen "O van Wageningen", met artilleriewaarnemers "op de daken" in de "Zuidoostrand" van Wageningen.
We nemen op grond van vastgelegde waarnemingen aan, dat de beide bij ID 207 ingedeelde batterijen van IV/AR 256 nog verder O stonden. In Renkum achter de Le Maitreweg.

Op 12 mei stond een tweede zware afdeling ter beschikking. III/AR 311, met 15 cM geschut. Onderweg was nog een derde zware afdeling. Dat was s Art Abt 735, met twee batterijen 21 cM Mörser 18, aangetrokken van XXVI AK. De twee batterijen kwamen laat in de avond, of zelfs pas in de vroege ochtend van 13 mei, bij Wageningen aan. De derde batterij van deze afdeling (in april 1940 ontvangen) bleef blijkbaar elders ingedeeld. Onbekend is, waar.
De deze dag vier ingezette eenheden (totaal 44 vuurmonden) moeten op en rond de Eng hebben gestaan. Misschien met uitzondering van enkele bespannen batterijen.

In de vroege ochtend van 13 mei stonden beide batterijen van s Art Abt 735 nu ook bij Wageningen tot vuren gereed. Deze werden geplaatst in de Bosrand, bij Dorskamp. Misschien ook één batterij N van de Geertjesweg.
De twee bij ID 207 ingedeelde batterijen van IV/AR 256 hadden daar ook gestaan, maar waren nu naar het W verplaatst. Volgens het artilleriebevel van Walter Büchs (Arko 22) stond 10/AR 256 in stelling op punt "Re 74 810, Ho 43 090". Dat is misschien hetzelfde als 174,81 - 443,09 in coördinaten van onze nieuwe TK. Bekend is immers, dat het Duitse leger gebruik maakte van Nederlands kaartmateriaal. De vermoede plek is NO van Wageningen. Aan de rand van het stedelijk gebied. We brengen die plek ook in verband met een verplaatsing omstreeks 10.30 uur in de ochtend. Toen werd zwaar geschut in stelling gebracht "bij" Bornse Steeg.
II/AR SS bleef in de Villawijk staan.
III/AR 207 opereerde deze dag, samen met III/AR 311, ver W. In het gebied tussen Grebbeberg en Wageningen. Op 12 mei werd al opvallend veel Duits geschut waargenomen in de Westrand van Wageningen, en in het gebied van de Voorposten. Daarom is niet uitgesloten dat batterijen van deze afdelingen ook al die dag zover vooruit stonden.
Deze dag kwam W van Wageningen (voor het eerst ?) 4/AR 207 ook in actie. Mogelijk ook 6/AR 207. Twee batterijen van II/AR 207. De ontbrekende batterij (5/AR 207) van II/AR 207 werd ingezet bij de Gruppe Brückner in de Betuwe. I/AR 207 was nog in de omgeving van Ede, bij IR 368.

Op 14 mei werden misschien nog, in de achtervolging op het terugtrekkend Nederlands leger, de gemotoriseerde zware batterijen ingezet. Zo wordt in enkele publicaties inzet N van Culemburg (fort Honswijk ?), en het voornemen tot vuren op de forten van Utrecht genoemd.
Rechlin noemt de "Brummer" van Andreae. Mörsers werden in het Duitse leger, om hun zware geluid, wel als "Brummbären" aangeduid. Maar volgens Rudolf Witzel, in zijn boek "Mit Mörsern, Haubitzen und Kanonen" [a.w., p. 163, 164), was Oberstleutnant [Wolf] Andreae sinds 1939 Kdr IV/AR 256.
Een vergissing van Rechlin, of van Witzel ? Of had Wolf Andreae nog een broer als Kdr bij s Art Abt 735 ? Voorlopig is dit nog een los eindje.

donderdag 22 juli 2010

Keppler en het KTB

De versie van Keppler is een duidelijke illustratie hoe de geschiedenis (bewust of onbewust, dat laten we maar in het midden) kan worden vervalst. In het KTB van ID 207 staat over de toezegging van meer en zwaarder geschut voor de aanval op 12 mei 1940 niets. Wel werd een versie van Keppler's verhaal in een uittreksel van het KTB van SS "DF" opgenomen. Dat is een soort heldenverhaal, waarin op veel punten schromelijk overdreven wordt. Toch maar een citaat hieruit [in mijn vertaling]:

"Op grond van de gevechten van 11 mei was het Regiment tot de overtuiging gekomen, dat een aanval op de Grebbeberg zonder sterke artillerie-voorbereiding niet mogelijk zou zijn. Dit werd bij de 207e ID nog in de nacht van 11 op 12 mei aangevraagd. Toegezegd werd, dat voor de in de ochtend van 12 mei geplande regimentsaanval op de Grebbeberg drie lichte en twee zware artillerie-afdelingen van de Divisie [beschikbaar gesteld zouden worden]".

Otto Weidinger heeft deze passage bijna letterlijk overgenomen in zijn boek "Kameraden bis zum Ende" [a.w., p. 30]. De eerste zin luidt in deze versie:

"Op grond van de gevechten van 12 mei [!] was de Commandant van het [SS] Regiment ["DF"] tot de overtuiging gekomen," etc.

Wordt de rol van de Commandant van het Regiment (Keppler) hier nog wat aangezet ? Was dit zijn manier om een even niet zo doortastend optreden te verhullen ?
In het KTB staat namelijk ook, dat een nachtaanval [uit te voeren in de nacht van 11 op 12 mei] op de Grebbeberg bevolen was. Maar die aanval werd niet doorgezet, omdat er onverwacht Nederlands artillerievuur op de gereedstelling viel. Keppler dacht, dat de gereedstelling ontdekt was, en stelde de aanval uit.

Het nachtelijk Nederlands artillerie [?] vuur is moeilijk te plaatsen. Het kan hier alleen om een niet geregistreerd storend vuur gaan. Het was dus zeker geen intensief vuur op een ontdekte troepenconcentratie.

De dag hierna werd de aanval op de Grebbeberg later ingezet dan gepland. Excuses waren toen "een verlate aankomst van gedeeltelijk bespannen afdelingen", en "moeilijke omstandigheden voor het inschieten".
Met het laatste werd bedoeld, dat het onoverzichtelijk terrein nadelig werkte. Hierin was niet vast te stellen, waar onze batterijen precies stonden, en waar het hierop gericht Duits artillerievuur viel. Toch waren er vooruitgeschoven waarnemers op de Berg. Ook was vliegtuigwaarneming mogelijk, om te verkennen en het vuur te leiden.

Zoals we zagen, telde Keppler een hoger aantal zware (drie), dan lichte afdelingen (twee) in zijn vijf. Welke waren dat ? Zware afdelingen had de Divisie niet vrij beschikbaar, die moesten dan van X AK komen. Maar X AK had ook al het zwaar geschut zelf ingezet. Dat zou dan aan ID 227 onttrokken moeten worden, of bij het naasthogere echelon aangevraagd.
Uit de dagboeken van 18e Armee, XXVI AK, en Bijlagen blijkt, dat s Art Abt 735 als versterking moest worden aangevoerd. Eerst onder bevel werd geplaatst bij X AK. Na IJsselovergang bij Westervoort ter beschikking van ID 207 zou komen. Zo kreeg ID 207 op papier dan vrij ter beschikking (I/AR 207 was gebonden in het gevecht bij Ede):

* II/AR SS, drie batterijen van elk vier stukken 10,5 cM le FH 18 (gemotoriseerd)
[* II/AR 207, drie batterijen van elk vier stukken 10,5 cM le FH 16 (bespannen)]
* III/AR 207, drie batterijen van elk vier stukken 10,5 cM le FH 16 (bespannen)
* III/AR 311, drie batterijen van elk vier stukken 15,0 cM s FH 13 (bespannen)
* IV/AR 256, drie batterijen van elk vier stukken 15,0 cM s FH 18 (gemotoriseerd)
[* s Art Abt 735, twee batterijen van elk drie stukken 21,0 cM Mörser 18 (bespannen)]

Totaal 66 stukken.
Maar van II/AR 207 ging op 12 mei één batterij (de vijfde) naar de Gruppe Brückner in de Betuwe. Ook was één batterij (de twaalfde) van IV/AR 256 afgestaan aan ID 227. Over dus 58 vuurmonden. Wel ongeveer gelijk aan het aantal, dat genoemd werd in een Bijlage van het KTB van de Ia (Stafofficier Operaties) van X AK . Die Bijlage was een exemplaar van het uittreksel van het KTB van SS "DF". Bijgeschreven was, wat blufferig, "Ca 60 Rohre", d.w.z. "Ca. 60 vuurmonden".

Ook dat aantal werd op 12 mei niet ingezet. Waarschijnlijk maar 44 stukken, van vier Afdelingen (12 van II/AR SS, idem van III/AR 207, idem van III/AR 311, en nog 8 van IV/AR 256). Want:

* De s Art Abt 735 kwam pas in de late avond van 12 mei (of vroege ochtend van 13 mei ?) aan. Die afdeling is daarom in de opsomming hierboven tussen haken gezet.
* II/AR 207 werd vermoedelijk nog niet ingezet, met de beschikbare lichte batterijen. Ook die afdeling werd daarom hierboven tussen haken gezet. In het KTB van ID 207 staat namelijk alleen, dat de afdeling gereed stond in Heelsum, met de wagentros (w.o. de munitiecolonne). Even later, dat 5/AR 207 ter beschikking kwam van de Gruppe Brückner in de Betuwe.

Het laatste blijkt uit een dagrapport met als opschrift "Verlauf des Tages. 12.5.40 (Pfingstsonntag)" [Bijlage Nr 123 bij KTB X AK Ia]. In dit dagrapport van ID 207 aan X AK, over 12 mei staat [mijn vertaling]:

"5.) De Groep Brückner heeft gisteravond Fort Pannerden bij verrassing ingenomen, onder leiding van Lt Von Bonin, en heeft vandaag tegen de middag de lijn O van Opheusden - W van Dodewaard bereikt. Het versterkt bataljon II/AR 374 is met 5/AR 207 onder bevel gebracht van de Groep Brückner, en met veerboten over de Nederrijn gezet. [Deze eenheden] bevinden zich nu op mars over Elst naar Dodewaard; per auto vervoerde onderdelen zijn al in Hien [een plaatsje tegen Dodewaard aan] aangekomen."

De uiteenlopende telling, van zware en lichte afdelingen bij ID 207, ontstond mogelijk door verschil in opvatting over de bewapening van III/AR 311. Of men telde die afdeling, als derde, automatisch als "licht". Of men vond de verouderde 15,0 cM s FH 13 toch zeer tekort schieten in dracht (8,9 km resp. 13,3 km), vergeleken met de 15,0 cM s FH 18. De verdere verschillen in schietprestaties waren niet zo groot (projectielgewicht van de brisantgranaat 39 kg resp. 44 kg, vuursnelheid 3 s/min resp. 4 s/min).
In beide opvattingen werd blijkbaar op tijdige komst van de Mörsers gerekend.

woensdag 21 juli 2010

Reconstructie

Onze kennis over de stellingen van Duitse artillerie bij Wageningen is, in de loop van deze studie, flink toegenomen. Vooral, omdat in de krijgshistorische archieven verrassende vondsten werden gedaan. Hieronder de officiële indelingen van de 18e Armee, X AK, ID 227, en ID 207. Verder ook gegevens over de opmars, ingezette eenheden, verbindingen, brugslag, en bijzondere gebeurtenissen.

Het krijgsgeschiedkundig onderzoek werd na de oorlog met kracht hervat. Maar veel informatie was toen al weggezakt. En een deel van het oorspronkelijk materiaal was verloren gegaan. De Nederlandse dossiers zijn vaak erg beknopt. Vroegere bijlagen, en zelfs delen uit de oorspronkelijke rapporten, zijn verdwenen. Meestal bij de capitulatie verbrand, of op andere manier vernietigd. Groot gemis is, dat blijkbaar ook al het film- en fotomateriaal, gemaakt tijdens verkenningen en gevechtsacties, toen vernietigd werd.
De Duitse KTB's en bijlagen zijn nog grotendeels aanwezig. Al zijn die evengoed beknopt, en (zelfs in origineel) vaak slecht leesbaar. Veel documenten zijn aan de randen door brand beschadigd, waardoor stukken tekst verloren gingen.

Met al het nu verzameld materiaal is een goede reconstructie mogelijk. Daarmee kunnen hiaten nog worden aangevuld, en duidelijke fouten gecorrigeerd.

Voor ons onderzoek was de gebruikelijke vaagheid van KTB's en bijlagen bijzonder hinderlijk. Niet bekend was, welke artillerie-eenheden precies bij Wageningen werden ingezet, en waar die in stelling hebben gestaan. De later vastgelegde informatie blijkt nogal eens fout. Zo hebben er in Renkum geen Mörsers gestaan. En er hebben ook op 12 mei 1940 geen "drie zware en twee lichte afdelingen" gevuurd bij Wageningen, zoals General der Waffen SS Georg Keppler zeven jaar later liet vastleggen. Dat gebeurde in een gesprek met twee officieren van de Krijgsgeschiedkundige Sectie van de Generale Staf, Gen Maj Van Hilten en Maj Van der Kloet [NIMH Coll 409, Inv Nr 550018].

De gegevens voor 11 mei 1940 werden in het volgend curieuze schetsje vastgelegd. Het geeft in elk geval aan, dat het stellinggebied tussen Wageningen, Bennekom, en Renkum lag [NIMH Coll 409, Inv Nr 550022].


Dit schetsje moet met flink wat zout worden genomen. Aangetekend werd daarop rechtsonder, dat de juiste plaatsen van de afdelingen artillerie niet bekend waren. Verder geven bijschriften aan, dat IV/AR 207 niet bij de Divisie was [volgens onze informatie zelfs niet bestond], en dat III/AR 311 die dag nog te Oosterbeek was. Die correcties werden gemaakt op basis van gegevens uit de KTB's. Maar die bronnen zijn niet altijd volledig en duidelijk. In een enkel geval geeft dat aanleiding tot misverstand, en tot foute interpretaties.

Zo is helder, dat Keppler op grond van de ervaringen van 11 mei, een betere artilleristische voorbereiding nodig vond om de Grebbeberg te kunnen bestormen. Daarom vroeg hij nog in de nacht van 11 op 12 mei om meer en zwaardere artillerie bij zijn chef, GenLt Von Tiedemann, Kdr ID 207. Toegezegd werd toen blijkbaar, dat mede uit de Korpsreserves, in totaal drie zware en twee lichte afdelingen beschikbaar zouden komen voor de aanval op 12 mei. Het aanvalsplan was daar ook op afgestemd. Maar in zijn melding van die dag tot 6.15 uur [samengevat in het KTB van ID 207] noemt de Artilleriekommandeur (Arko) Wilhelm Metger (Kdr AR 207) maar vier ingezette afdelingen: II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311, IV/AR 256. De vijfde (derde zware) afdeling was toen dus nog niet aanwezig.
Als gerekend werd op s Art Abt 735, weten we nu, dat die pas in de ochtend van 13 mei kon worden ingezet.

Als we de waarnemingen op Duitse artillerie bij Wageningen nagaan, zien we het volgende voor de eerste meldingen per afdeling:

11 mei, 7.45 Mondingsvlammen van vij art, waargenomen op Wageningse Berg. W.s. II/AR SS bij Villawijk.
11 mei, 8.16 Inschieten vij. art. Vermoed op of bij de Wageningse Berg. W.s. III/AR 207 bij Geertjesweg.
11 mei, 8.58 Vij. art. bij Kop Oude Haven. W.s. Infanteriegeschut in voorste lijn.
11 mei, 23.30 Inslagen, vanaf het midden tussen Wageningen en Bennekom. W.s. IV/AR 256 bij Dorskamp.
13 mei, 9.40 Vij. art. bij 2e g van "Synagoge". Plaats: Westrand Wageningen. W.s. III/AR 311.

Opvallend is, dat er van s Art Abt 735 ook op 13 mei geen duidelijke waarnemingen bekend zijn. Vooral op 12 mei, werden er wel veel meldingen vastgelegd van kleine eenheden licht geschut in het Voorpostengebied. Tot nu toe zijn deze geïnterpreteerd als infanteriegeschut. Mogelijk ging het echter toen ook al om vooruitgeschoven batterijen van AR 207 (4, 6/AR 207, III/AR 207, en III/AR 311). Op 13 mei werden in elk geval 4/AR 207 en III/AR 311 tussen de Grebbeberg en de Westrand van Wageningen ingezet. Tenslotte werd op 13 mei een eenheid (batterij of afdeling) zwaar geschut "bij Bornse Steeg" waargenomen. Dit voorval interpreteren we nu als een stellingwisseling van IV/AR 256.

maandag 19 juli 2010

Wp Groene Bank

Over Groene Bank, de afdelings-waarnemingspost van III-8 RA aan de Bergweg bij Rhenen, schreef Nierstrasz, dat deze post "met het beste uitzicht" op 12 mei te 6.10 moest worden verlaten ["De Strijd", III/3, p. 343]. Merkwaardig genoeg, gingen de waarnemingen volgens de registers gewoon door. Deze tegenstrijdigheid is nu opgelost. Er kon weer een stukje van de puzzel op de juiste plaats worden gelegd.

Het bericht, dat de post Groene Bank verlaten wordt, staat zonder tijd in een nieuw gevonden bericht. Dat is het verslag van Elt U.H. Meyer, Lt Vuurregelingsdienst (VRD) van III-8 RA. Zie onder. Dit verslag staat niet op de website van www.grebbeberg.nl en is nu door mij uit het archief gelicht. Verder nog twee documenten, met aanvullende gegevens over afgegeven vuren, en waarnemingen op Duitse artillerie. Eén van deze documenten bezat ik al, maar dat hield nogal plotseling op, op 13 mei. Een nieuw aangetroffen document heeft ook een storend hiaat. Daarin ontbreken de pagina's 17 tm 19, met aantekeningen over 12 mei. Beide hiaten bleken niet te dichten. Ook de originelen in het archief hadden dit gebrek. Naast elkaar gelegd, ontstaat wel een vrij compleet beeld.

Als aanvulling op de documenten van de website, beschik ik nu over de volgende documenten uit het NIMH-archief, Collectie 409 ("Gevechtsverslagen en -rapporten mei 1940", tussen haken de Inventarisnummers):

Aantekeningen Staf 8 RA, Tlt C.W. de Visser, [511001].
Afschrift Dagboek Staf 8 RA, auteur niet aangegeven, [511001].
Vuurregelingregister Cdt I-8 RA, Maj A. van der Wiel, [511007].
Verbeterd volledig Stellingbericht Cdt III-8 RA, Kapt J. van 't Land, [511007].
Een onvolledig lijstje met coördinaten van reservestellingen en vuren I-8 RA, Lt TMO G. Smit [511011].
Afschrift Bevels- en Meldingenregister van III-8 RA, auteur niet aangegeven, [511016].
Verslag Lt Vuurregelingsdienst, Elt U.H. Meyer, [511017].

Eerst van belang is, de plaatsen van beide opvolgend gebruikte posten "Groene Bank" vast te stellen. Die posten zullen we verkort aangeven met Wp GB1, en Wp GB2.

Wp GB1 had als coördinaten 167,81 - 442,35 (Bergweg). Door TMD bepaald [Coll 409, Inv Nr 511007].
Wp GB2 had als coördinaten 167,30 - 442,80 (Oude Veenendaalse weg). Eigen benadering.

De laatste benadering is als volgt tot stand gekomen.
Elt VRD schrijft in zijn verslag, dat de wp werd verplaatst naar een mitrailleurnest "in een boom nabij de middenbatterij" [Idem, Inv Nr 511017]. De bedoelde batterij was volgens al eerder bekende gegevens 3-III-8 RA. Cdt III-8 RA geeft aan in zijn stellingbericht, dat die bij 167,18 - 442,75 was [Idem, Inv Nr 511007].
Een mitrailleurpost was bedoeld voor de nabijverdediging. Meestal niet verder dan zo'n 100 m links of rechts van de batterij vandaan. Omdat niet bekend is, op welke vleugel de mitrailleur stond, neem ik de middenweg. Plaats rechtvoor, ongeveer op de knik in de Oude Veenendaalse weg. De juiste plek zal dan hooguit 75 m N, of 75 m Z daarvandaan zijn geweest, in verband met de breedte van de batterij. De stukken moesten volgens de voorschriften 30 - 50 m van elkaar vandaan staan. Breedte daarmee voor een batterij van vier stukken 90 - 150 m.

Blijft nog over de vraag, op welk tijdstip ongeveer van stelling gewisseld werd. Het verslag van reserve-kapitein H. Ballot (op de website) geeft hier een (opnieuw verwarrende) aanwijzing voor [Idem, Inv Nr 511021]:

"Even later begint de middenbatterij weer te vuren. Ze hebben weer een doel te pakken. De afdeelingswaarnemingspost Groenebank is verlaten, sinds de cadet Vaandrig Wynekes daar wat pijnlijk vandaan is komen zetten, met een stijve schouder van een matte scherf [een scherf die bijna alle snelheid verloren heeft]. Luitenant Broekema als verkenner van de afdeeling, en uitstekend met het voorterrein bekend, zit nu in een waarnemingspost vlak achter ons, aan het kruispunt Oude Veenendaalscheweg - Luxe Autoweg [die weg heet nu Autoweg, en gaat over in de Bergweg]. Hij zit daar wel open en bloot, maar Broekema is fel en niet weg te krijgen. Voortdurend kan hij waardevolle meldingen doorgeven."

Het verslag van Wynekes [Inv Nr 511021] noemt dit voorval niet. Elt Meyer [Idem, Inv Nr 511017] plaatst de wisseling tussen 10.42 en 11.52 op 12 en niet op 13 mei, zoals Kapt Ballot. Kapt Van 't Land noemt die ook weer zonder tijd in zijn gevechtsbericht van 12 mei. Onder punt 2 van de "Mededeeling omtrent bijzondere gevechtsvoorvallen". Met als globale plaatsaanduiding, "mitrailleurnest op de viersprong van kunstwegen in vt 167 - 442" [Idem, Inv Nr 511015]. Nauwkeuriger (maar met kaartmeting) dus op ongeveer 167,20 - 442,70. Dat komt goed overeen met mijn benadering. Maar de dag en tijd van wisseling nog ?

Een recent artikel in het blad van de Historische Vereniging Oud - Wageningen geeft een onafhankelijke melding. Dit plaatst het voorval óók op 12 mei, even na 10.00 uur. Op het moment van aflossing. Aan het woord is dan Elt L.D. Broekema, Lt-verkenner van (Staf) III-8 RA ["Oud Wageningen", jrg 38 nr. 2, april 2010, p. 50].
Het Bevels- en meldingenregister geeft, onder Nr 55 van 12 mei, een rooster voor de bezetting van Groene Bank.
Op die dag komt cadet Wynekes hierop voor met diensten van 5.00 - 7.00, 11.00 - 13.00, en 17.00 - 19.00. Broekema had de diensten ervoor. Van 3.00 - 5.00, 9.00 - 11.00, 15.00 - 17.00. Het schema was voor alle waarnemers (zoveel mogelijk) 2 uur op, en 4 uur af.

Op grond van deze gegevens plaats ik de verwonding van Wynekes toch ook op 12 mei, net als Nierstrasz. Maar wel pas om ongeveer 11.00 uur.
Een verwisseling van dagen (zoals 12 of 13 mei) komt in de gevechtsverslagen nogal eens voor. Voorzichtigheid met de datering is daarom altijd geboden.

zaterdag 17 juli 2010

s Art Abt 735

Over deze Afdeling, waarvan bij de Grebbeberg 2 batterijen 21 cM Mörser 18 werden ingezet, zijn ook wat nieuwe gegevens bekend. Die komen uit archiefonderzoek bij het BA/MA Freiburg. De KTB's met Bijlagen uit dat archief geven op enkele punten een waardevolle aanvulling op wat al over s Art Abt 735 aan informatie was opgespoord. Wat nu (vooral uit de militaire archieven) bekend is over de indeling en opmarsweg, staat in het volgend schema.


Duidelijk is hiermee, dat s Art Abt 735 oorspronkelijk ingedeeld was bij XXVI AK, het zusterkorps van X AK bij de 18e Armee. Deze artillerie-eenheid behoorde tot de Heerestruppen, naar behoefte in te zetten op beslissende punten. Indeling bij XXVI AK vond niet eerder dan 15 februari 1940 plaats. Op een Bijlage met die datum bij het KTB van de Stafofficier Operaties (Ia) van dit Korps, is de Mörserafdeling met de hand bijgeschreven [Kopie van dit document verstrekt door Lkol E.H. Brongers].
Op 10 mei werd de Afdeling toegewezen aan ID 256, om te helpen de overgang over het Defensiekanaal in de Peel-Raam stelling (in Duitse bronnen aangegeven als "Kanalstellung") te forceren.
Opvallend is, dat de Mörserafdeling blijkbaar wel drie dagen onderweg is geweest van Üdemer Bruch (Tussen Goch en Xanten) naar Wageningen. De route ging over: Kessel - Kalkar - Kleef - Emmerich - Elten - Arnhem. De afgelegde afstand kan daarmee op 150 km worden geschat. Dat vraagt een nadere verklaring. Want dat is wel een zeer trage verplaatsing.

Een belangrijk punt is, dat verkeer naar het front absolute voorrang had, boven verkeer in tegengestelde richting. Er waren ook grote opstoppingen. Vooral bij wegvernauwingen, knooppunten, en bruggen.

De voorrangsregel is af te lezen uit de toevoeging in het bevel van 11 mei, waarmee s Art Abt 735 ter beschikking werd gesteld van de 18e Armee. De bevelvoerend Generaal bij AOK 18 stelde als voorwaarde voor de terugname uit de aanvalszone van XXVI AK [Kopie eveneens verstrekt door Lkol E.H. Brongers, mijn vertaling]:

"Alleen, als de afdeling zich nog O van de Maas bevindt. Geen verkeer naar achteren op de Maasbrug [bij Gennep] !"

Niet duidelijk is, waar toen precies de Rijn werd overgestoken. Mogelijk gebeurde dat bij Kalkar, en niet bij Kleef. Er is een onduidelijk bericht, dat misschien inhoudt, dat Kleef niet bereikbaar was. Verder is bekend, dat via Emmerich en Elten de IJssel bij Arnhem werd overschreden. Tot dat punt was de afdeling nog onder bevel van X AK. Vanaf Arnhem kwam ze ter beschikking van ID 207.
Ook bij Westervoort werd mogelijk grote vertraging opgelopen. Een noodbrug voor zwaar verkeer tot 16 ton werd vervangen door uit Duitsland aangevoerd brugslagmateriaal. Daardoor was ook de 8-tons brug tot middernacht 12/13 mei (onze tijd) tijdelijk buiten gebruik. Deze brug moest worden geopend (delen uitgevaren) voor schepen, waarop dit materiaal was verladen [NIMH Coll 401, Inv Nr 0012, 0145].

Hiermee is een tot nu toe raadselachtige opmerking verklaard in het verslag van Arko 22, Walter Büchs, over 13 mei 1940. Er stond [NIMH Coll 401, Inv Nr 2030, mijn vertaling]:

"De artillerie van de Divisie voerde vroeg in de ochtend van 13 mei, de bevolen verwisseling naar de aangewezen stellingen uit. Om 9.20 uur (onze tijd) tot vuren gereed. II/AR SS verandert niet van stelling. De Mörser Afdeling was bij het aanbreken van de dag tot vuren gereed."

Tot nu toe was onduidelijk, of de Mörser Afdeling misschien al op 12 mei ingezet was bij Wageningen. Nu kan worden vastgesteld, dat s Art Abt 735 die dag nog niet ter plaatse was.

Gemeld werd , dat de vuurstellingen "um Benekom" [bij Bennekom] waren. Dat sluit stellingen in de Bosrand van de Wageningse Berg zeker niet uit. De Duitse plaatsaanduidingen waren meestal erg vaag, en soms zelfs duidelijk onjuist door gebrek aan locale kennis.

Tenslotte is nu bekend, dat de Afdeling op 13 mei enige tijd ingezet werd ten behoeve van ID 227.
Bij de Duitse aanval hier, ondervond de buurdivisie veel last van flankerend vuur uit het gebied van De Klomp en Emminkhuizen. Om dat uit te schakelen, werden 100 schoten beschikbaar gesteld. Af te geven op "G-20 [?], doelen bij Emminkhuizen". Als die schoten allemaal in hoogste tempo en in afdelingsvuur afgegeven zijn, is de afdeling daar toch meer dan een half uur mee bezig geweest. Het hoogste tempo bedroeg 30 schoten per uur. Dat kwam, omdat gescheiden lading werd gebruikt, de brisantgranaat 113 kg woog (met vier mensen aangevoerd), de granaat goed aangezet diende te worden, en de vuurmond bij elk schot eerst in de laadstand, en na het laden weer terug in de vuurstand, moest worden gebracht [J. Engelmann, H. Scheibert, "Deutsche Artillerie", p. 101, 142].

AR 207

Een verrassende vondst gedaan bij het NIMH. In een map met opschrift "Voorbereiding en uitvoering Duitse aanval" zaten bijlagen van de KTB's van X AK, ID 227, en ID 207. Hierbij veel bekend materiaal, maar ook een tot nu toe onbekend stuk. Een met de hand geschreven verslag van de verrichtingen op 13 mei 1940 van AR 207 [NIMH Coll 409, Inv Nr 550018a].

Het verslag geeft aan, dat op 13 mei de bespannen afdelingen van AR 207 al veel verder W waren opgerukt, dan tot nu toe aangenomen. Ook, dat één batterij toen zelfs mogelijk letterlijk op de Grebbeberg heeft gestaan. Dat is op het eerste gezicht zó onwaarschijnlijk, dat dit document nog eens door iemand bij Stichting De Greb/Kennispunt Mei 1940 is beoordeeld. Conclusie was, dat de batterij dan waarschijnlijk pas laat op de dag daar is opgesteld. Vermoedelijk vooral voor het afgeven van storende vuren op wegkruisingen richting Elst en Veenendaal.

Het document is de Tagesmeldung vom 13/5.40, Stand 20.00 Uhr van Kdr AR 207. Dat was Wilhelm Metger, die als Kdr AR 207 het bevel voerde over de Divisieartillerie. In vertaling luidt het eerste deel van het verslag [afkortingen hierin voluit uitgeschreven]:

"Regiments commandopost [= cp AR 207] eerst ongeveer 1 km ZO van de Grebbeberg. Afdelingen in stelling in het gebied Z van de straatweg Wageningen - Rhenen. De 4e batterij staat in vuurstelling op de open plek in het bos van de Grebbeberg. De Afdelingen bestreden de hele dag vijandelijke stellingen op de Grebbeberg en N daarvan. Er was maar weinig activiteit van [onleesbaar, vijandelijke ?] artillerie - alleen vliegacties."

Zoals gezegd, een batterij op de Grebbeberg is uiterst onwaarschijnlijk, maar toch staat het er. Zie het volgend fragment uit het origineel.


Mijn eerste gedachte was dan ook, dat het een schrijffout moest zijn. Dat er "Wageningse Berg" had moeten staan. Want op die plek heeft zeker Duits geschut gestaan. Ook staat er "4. Batterie", wat suggereert dat een batterij van II/AR 207 op de Grebbe [?] Berg heeft gestaan. Maar van II/AR 207 was na 11 mei geen inzet meer bekend. In het KTB van ID 207 staat die dag:

"II./A.R.207 und III./A.R.311 in Bereitstellung um Oosterbeek". III./A.R. 311 erkundet Stellungen zum Einsatz am 12.5. ostw. Wageningen. "

Na deze mededeling over gereedstelling bij Oosterbeek van beide afdelingen, volgt op 12 mei nog de mededeling, dat III/AR 311 dan wordt ingezet (zoals ook op 11 mei aangegeven), maar dat II/AR 207 met de bijbehorende colonne in Heelsum weer gereedgesteld wordt. Uit de KTB's is ook bekend, dat van deze afdeling op 12 mei één batterij, 5/AR 207, overgezet werd naar de Betuwe. Dat was een moeizame operatie, om de Gruppe Brückner te versterken. Tot nu toe had ik daarom aangenomen, dat de rest van II/AR 207 niet bij Wageningen in actie gekomen is.

Het voorgaande leidt tot herziening van mijn vroegere opvattingen. Duidelijk is nu, dat "Afdelingen" van AR 207 Z van de straatweg, in stelling kwamen. We kennen meldingen van artillerie bij Lexkesveer, in de Westrand bij Wageningen (Synagoge, Vada, loods Veiling Boerencoöperatie), en ook in de Uiterwaarden (Wolfswaard, Plasserwaard, Blauwe Kamer). Het nieuwe bericht sluit mooi aan op de Gevechtsberichten van III-8 RA, I-15 RA, en I-22 RA.

Welke eenheden van AR 207 kunnen er dan op 13 mei 1940 W van Wageningen in stelling zijn gekomen ?
I/AR 207 valt af. Die werd ingezet bij Ede. 5/AR 207 valt ook af. Die werd ingezet in de Betuwe. Over zijn:

* 4/, en mogelijk ook 6/, AR 207 (beide van II/AR 207). Maar alleen van 4/AR 207 wordt inzet gemeld.
* III/AR 207.
* III/AR 311.

Zoals bekend, vormde III/AR 311 de "eigen" zware (meestal vierde) afdeling van AR 207. Er was op dat moment geen IV/AR 207, voorzover we zoiets uit de voorhanden documentatie kunnen vaststellen. We weten dat "zeker", op grond van bekende indelingsoverzichten, voor de 18e Armee. Die omvatte onder meer XXVI AK, X AK, ID 227, en ID 207.

Met de nieuwe gegevens kunnen we nu de inzet van Duitse artillerie vrij goed in kaart brengen.
Mijn eerdere beeld van een stoelendans (waarbij alle eenheden naar het W opschoven, en daarbij al eerder bezette stellingen overnamen) klopt maar gedeeltelijk. De verplaatsingen gingen over grotere afstanden (van Renkum naar Bosrand, Eng, en Villawijk in één stap; daarna voor een deel naar het gebied W van Wageningen).
In de nacht van 12 op 13 mei rukten alleen de bespannen afdelingen zover op. De Mörser Afdeling kwam die dag voor het eerst in actie vanuit de Bosrand. IV/AR 256 kwam waarschijnlijk in het gebied bij de Bornse Steeg in stelling. II/AR SS bleef op 13 mei in de Villawijk staan.