dinsdag 16 juni 2009

Geschut vooraan

Vooraan waren van X AK 2 batterijen 15 cm ingedeeld. Hiernaast, van de versterkte ID 207 zelf, nog 2 afdelingen 10,5 cm. Het ging hierbij om de volgende eenheden:

* 10/AR 256 (4 stukken 15 cm s FH 18), bij de Abt von Scholz. Eerste doel: De pontonbrug bij Doesburg.
* 11/AR 256 (4 stukken 15 cm s FH 18), bij de Gr Keppler. Eerste doel: De bruggen bij Westervoort.
* II/AR SS (12 stukken 10,5 cm le FH 18), eveneens bij de Gr Keppler. Eerste doel: De bruggen bij Westervoort.
* I/AR 207 (12 stukken 10,5 cm le FH 16), bij de Gr von Oesterreich. Eerste doel: De pontonbrug bij Doesburg.

Naar verhouding was er in de twee spitsen dus weinig 15 cm geschut beschikbaar. 12/AR 256 was afgestaan aan ID 227. Bovendien bleef III/AR 311 (12 stukken 15 cm s FH (lg) 13) achter bij de Gr Metger.
Dat is bijzonder, want volgens de Generalstab van het Oberkommando des Heeres (GS/OKH) was het 10,5 cm geschut volkomen ongeschikt om betonnen kazematten uit te schakelen. En dat was een eerste voorwaarde om over de IJssel te kunnen komen. Wel effectief was de s FH, met de speciale "Betongranaten" (15 cm Gr. 19 Be). Ook het 8,8 cm Vliegtuigafweergeschut (Flak) was (met pantsergranaten) zeer geschikt gebleken, om kleinere betonnen versterkingen te bestrijden.
De s FH was in staat om 2,5 m gewapend beton te doorboren. De Flak kon dit tot 2 m, vooral bij kazematten met vlakke rechtopstaande wanden. [NIMH Coll. 410, Inv. Nr. 75096].

Men was in brede kring van deze ervaringsgegevens op de hoogte gebracht. Een schrijven daarover had al maanden tevoren gecirculeerd.

Toch had Generaloberst Fedor von Bock (Opperbevelhebber van Legergroep B) aanbevolen, de artillerie ver vooraan in te delen. Dan kon men, naar zijn idee, de kazematten (die immers van ver goed zichtbare doelen vormden) met directe richting ("mit gezieltem Einzelschuss") bestrijden [Besprechung 20.März 1940].

Maar het lichtere geschut kon hierbij niet op veilige afstand blijven. Het moest binnen een paar honderd meter van het doel worden gebracht. Dan had het nog enige uitwerking tegen kazematten en koepels.
Het naar voren brengen was volgens een rapport van de Ia (Stafofficier Operaties) van ID 227, gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Dat lukte in de praktijk zelden. Alleen, als met een zware artilleriebeschieting het vijandelijk vuur lang genoeg kon worden onderdrukt [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1781].

In het Divisiebevel Nr 3 zwaaide de Cdt ID 207 (Generalmajor Karl von Tiedemann) zijn mannen lof toe, over het bereiken van alle gestelde doelen op de eerste gevechtsdag. Dat was, 10 mei 15.20 uur, nauwelijks terecht. Want het hoofddoel (het vestigen van een bruggenhoofd achter de Grebbelinie, bij Rhenen) was niet bereikt. De Gr Zugspitze (Pantsertrein) kon niet doorstomen in de richting van Ede. De locomotief was zwaar beschadigd en moest worden weggesleept. De rijtuigen hadden voltreffers gekregen. De Groep werd daarom ontbonden. De Gr von Oesterreich was wel met de voorhoede over de IJssel, maar nog in zwaar gevecht bij Dieren-Ellecom. De Abt Brueckner had Angerlo bereikt, en wachtte daar op verdere bevelen. De Gr Neidholt was in Didam aangekomen, en stond daar volgens bevel gereed om bij Westervoort, of op een andere geschikte plaats, over de IJssel te gaan. De Gr Metger (Groep Divisieartillerie) rustte rond Beek (III/AR 311), en Loerbeek (II/AR 207). Staf/AR 207 had zich in Zevenaar bij de gevechtsstaf van ID 207 gevoegd.
De voorhoede van Gr Keppler was ook over de IJssel. Maar zij waren tussen Arnhem en Renkum in vertragende gevechten gewikkeld met onze huzaren. Verder had de verkenningsafdeling wel wat voortgang geboekt. AS 207 was het Pannerdens Kanaal over, en in opmars naar Elst [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1862, 1863].

In hoeverre leverde de Duitse artillerie die dag een bijdrage aan het bereiken van de eerste doelen ?
Bij Doesburg en Westervoort gaf deze (met de andere zware wapens) de nodige dekking bij oeverwisseling aan de IJssel. De Nederlandse verdediging werd door geconcentreerd vuur onderdrukt ("niedergehalten"). Onder dat scherm ging daarna een stoottroep over, en kon een bruggenhoofd worden gevestigd.
Bij Doesburg was de pontonbrug al snel gerepareerd met een meegevoerd brugdeel. Daarna konden de zware wapens volgen. Maar verder dan Dieren-Ellecom kwam men niet die eerste dag.
De artillerie moest bij Westervoort geduld hebben. Rond 16.00 uur kwam een 8-tons brug gereed. Het duurde nog uren, tot ook een 16-tons brug geslagen was. Volgens Hauptmann Rechlin, de Ic (Stafofficier Inlichtingen) van ID 207, werden voertuigen en zware wapens "al" in de avond overgezet [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1291].

Het openen van de weg naar de Grebbelinie, werd door Hauptmann Rechlin als belangrijk dagresultaat gezien. Hij schrijft in zijn verslag, onder de titel "Mit Pommern und Ostmärkern in 5 Tage von Emmerich nach Utrecht" [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1292; mijn vertaling]:

"In de avond van 10 mei heeft de divisie haar doel voor de eerste aanvalsdag volledig bereikt. IJsselovergangen zijn geforceerd bij Doesburg en Arnhem, sterke bruggenhoofden gevormd, en [verdere] mogelijkheden om de rivier over te gaan geschapen. We hebben de springplank naar de volgende stelling van de Grebbe-linie."

zondag 14 juni 2009

Historie van ID 207

Het is van belang even de historie en opbouw van ID 207 te schetsen. Dat is nodig, om vast te kunnen stellen, over hoeveel afdelingen 15 cm geschut ID 207 in mei 1940 beschikte.

Volgens Duitse gegevens werd ID 207 door Kommandeur Stargard opgericht in Pommern [http://www.lexikon-der-wehrmacht.de/Gliederungen/Infanteriedivisionen/207ID.htm]. Pommern is de kuststreek tussen Stettin (Szczecin) en Danzig (Gdansk). Dat is nu Pools gebied. Stargard is, behalve de naam (?) van de Kommandeur, ook een plaats in Pommern.
Vraagteken vormt, of Stargard wel de naam van de Landweercommandant was. De Divisie werd namelijk opgesteld in Wehrkreis II, dat Mecklenburg en Pommern besloeg, met hoofdkwartier in Stettin. En Stargard was de standplaats van een Landwehrkommandeur. We moeten in de eerste zin van de vorige alinea dus mogelijk lezen, dat ID 207 werd opgericht door de Kommandeur met standplaats Stargard.

Landweerdivisie ID 207 werd bij de Duitse mobilisatie paraat.
De Divisie bestond, gelet op de herkomst, vanzelfsprekend vooral uit reservisten. Deze ondergingen hun vuurproef in de veldtocht naar Polen (!). Als gevolg van goede prestaties daar, werd de divisie voortaan als een volwaardige divisie aangemerkt. Dat hield in, dat het voorvoegsel "Landwehr" verviel [http://www.kurland-kessel.de/divisionen/281infdiv.html].

ID 207 had in december 1939 drie Infanterieregimenten, zoals gebruikelijk. Namelijk IR 322, IR 368, en IR 374. Volgens de Kriegsgliederung (oorlogssamenstelling) beschikte ze op dat moment ook al over de bijbehorende vier afdelingen artillerie. En wel drie lichte, en één zware. Dat waren toen l (de "l" staat hierbij voor "leichte") Art Abt 754, l Art Abt 755, III/AR 207, en III/AR 311. Allevier bespannen afdelingen. De eerste twee uitgerust met kanonnen (elk 12 vuurmonden FK 16 nA), de laatste twee met veldhouwitsers (12 vuurmonden l FH 16, resp. 12 vuurmonden s FH (lg) 13) [NIMH Coll. 410, Inv. Nr. 75124].

ID 207 had volgens een latere Kriegsgliederung (april 1940) en KTB-gegevens, in mei 1940 nog altijd de drie eerdergenoemde IR's.
Als artillerie had de divisie toen I, II, III/AR 207, en III/AR 311. Nog altijd alle vier bespannen afdelingen. Op dat moment echter volledig uitgerust met veldhouwitsers. De eerste drie met 10,5 cm geschut (elk 12 stukken l FH 16). De vierde ongewijzigd met 15 cm geschut (12 stukken s FH (lg) 13) [NIMH Coll. 410, Inv. Nr. 75072].

Volgens nadere gegevens op internet, ging het niet puur om vervanging van materieel. Maar om herindelingen, met bijbehorende verplaatsingen en aangepaste benamingen.
De twee lichte (Heeresartillerie) afdelingen 754 en 755 werden namelijk op 1 april 1940 ingedeeld bij AR 217, als I, resp. II/AR 217 [http://www.lexikon-der-wehrmacht.de/Gliederungen/ArtAbtleicht/AA754.htm en http://www.lexikon-der-wehrmacht.de/Gliederungen/ArtAbtleicht/AA755.htm]. Inmiddels waren toen blijkbaar bij ID 207 drie "eigen" lichte afdelingen opgebouwd [http://www.lexikon-der-wehrmacht.de/Gliederungen/ArtReg/Gliederung.htm, doorklikken op Artillerie-Regiment 207].

De laatste bron geeft ook aan, dat IV/AR 207 in september 1939 naar Freiburg (in Wehrkreis V) was verplaatst. Deze Wehrkreis had het hoofdkwartier in Stuttgart. Bij ID 207 werd ter vervanging III/AR 311 ingedeeld.
De laatste afdeling beschouwde men al in oktober 1939 officieel als "de" vierde afdeling van AR 207. Al werd die daarna nog wel aangeduid als III/AR 311.
In januari 1940 werd de vroegere vierde afdeling van ID 207 (IV/AR 207) ingedeeld bij de 14e Landwehr-Division, die was gestationeerd aan de Bovenrijn (gebied rond Freiburg ?). Deze divisie werd voortaan aangeduid als ID 205, de afgegeven afdeling als IV/AR 205.

Zo wordt duidelijk, dat AR 207 in mei 1940 niet meer over de gebruikelijke drie lichte, en een zware afdeling beschikte. Genummerd I, II, III, en IV/AR 207. Tenminste niet naast III/AR 311. Want IV/AR 207 was vervangen door III/AR 311. Ook was de laatste eenheid geen gemotoriseerde afdeling, met de (voor een derde afdeling van de divisie-artillerie) standaard 10,5 cm houwitsers, zoals Lkol b.d. Brongers nog veronderstelt [Brongers 1, p. 264, 266]. Het was een bespannen eenheid, met lange 15 cm houwitsers, model 1913.

ID 207 had in mei 1940 dus maar twee 15 cm afdelingen. De ene, afkomstig uit de Korpsreserve van X AK (IV/AR 256), was incompleet. 12/AR 256 was namelijk bij ID 227 ingedeeld. De tweede, uit de eigen divisie-artillerie (III/AR 311), beschikte over materieel dat nog in WOI had gediend. Dat was de s FH (lg) 13 met een hoogste vuurbereik van slechts 8.675 m. De s FH 18 schoot met zwaarste lading en grootste elevatie 13.325 m ver. Zelfs de 10,5 cm le FH 18 had nog een maximale dracht van 10.675 m [Böhm c.s., p. 112, 92].

donderdag 4 juni 2009

Indeling bij XXVI AK

Lkol b.d. Brongers is zo vriendelijk geweest, me een kopie van twee Duitse documenten toe te sturen. Deze geven de onderbouwing voor voetnoot 13 in zijn "Opmars naar Rotterdam" Deel 2 (zie het item "Een spookbatterij").

Het eerste document geeft aan, dat s Art Abt 735 rechtstreeks onder bevel stond bij XXVI AK. Dat was het zusterkorps van X AK bij de 18e Armee.
De Mörserafdeling werd daar blijkbaar pas na 15 februari 1940 ingedeeld. Want op een overzicht met datum 15.2.40, werd deze eenheid in handschrift bijgeschreven.

Uit het tweede document blijkt, dat s Art Abt 735 eerst optrok met de 9e Pantserdivisie (9 PD). Samen met s IGK 701, een compagnie 15 cm infanteriegeschut. Allebei eenheden uit de Heeres-artillerie.
9 PD stond op 10 mei (in tweede lijn, achter 254 ID en 256 ID) gereed in het gebied bij Goch en Wesel. De twee voorste divisies moesten de weg openen voor een snelle doorstoot naar het hart van ons land.
De twee zware artillerie-eenheden werden die eerste oorlogsdag weggehaald bij 9 PD. Ze moesten als versterkingen naar 256 ID, voor het gevecht om de Peel-Raamstelling. De Mörserafdeling reed over Üdemer Bruch (een plaatsje tussen Xanten en Goch), naar Kessel (tussen Goch en Gennep).

Hieronder volgen de betreffende tekstfragmenten, met mijn vertaling.


De latere bewegingen van s Art Abt 735 naar X AK zijn nog niet duidelijk. In de nacht van 10 op 11 mei duikt misschien al een batterij op in Renkum. Daarna worden maar twee van de drie batterijen bij Wageningen ingezet. Mogelijk bleef de derde batterij dus bij XXVI AK. Het onderzoek gaat verder.

Naschrift 30 maart 2011
Uit nieuwe gegevens blijkt, dat de Mörser-Afdeling niet al in de nacht van 11 op 12 mei 1940 bij Renkum stond. De Afdeling kwam pas de volgende avond bij Wageningen aan. s Art Abt 735 kwam hier ook nog niet volledig in actie. De derde batterij was toen nog niet beschikbaar.

maandag 1 juni 2009

Technische gegevens

De 21 cm Mörser 18 werd, met een zwaar understatement, in het Duitse leger "Brummbär" genoemd. Het was krachtig geschut, dat zelfs op betonnen kazematten een verwoestende uitwerking kon hebben.
Bij ID 227 werd, volgens een eindverslag van de logistiek officier, geen speciale munitie tegen beton verbruikt [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1784, 1785].
Een opgave van het verbruik bij ID 207 ontbreekt. Wel is bekend, dat op 12 mei een flinke bestelling geplaatst werd bij het Hoofdkwartier van X AK [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 0012], voor:

- 130 ton munitie voor de s Art Abt 735 (er staat 537, maar een afdeling met dat nummer was er volgens Müller-Hillebrand niet)
- 60 ton munitie voor de s FH 18 en de l FH 16. Deze munitie was bestemd als reservevoorraad voor de aanval op de Grebbeberg 12 mei 's middags.

Hierbij moet worden bedacht, dat de standaard brisantgranaat voor de 21 cm Mörser 18 wel 113 kg, de betongranaat nog wat meer, 121 kg woog. De standaard brisantgranaat voor de 15 cm s FH 18 had een gewicht van 43,5 kg, voor de 10,5 cm l FH 16 14,8 kg [Hogg, German Artillery of WWII, p. 95, 65, 45].

De laatste bron [p. 95] geeft over de 21 cm Mörser 18 nog de volgende gegevens:

Kaliber (doorsnede van de loop): 211 mm.
Lengte van de loop: 6.510 mm.
Sluitstuk: Horizontale wigsluiting.
Afvuurmechanisme: Percussie (afvuurpin).
Traverse (zijdelingse richting zonder verplaatsen): 16 graden op affuit, 360 graden op platform.
Elevatie (verticale richting): 0 tot 70 graden.
Vuursnelheid: 30 schoten per uur (afgekort: 30 s/h)

Beginsnelheid (Vo) voor de brisantgranaat met lading 1 225 m/s, maximum bereik (dracht) 4.650 m.
Beginsnelheid voor de brisantgranaat met lading 6 (zwaarste lading) 565 m/s, maximum bereik 16.700 m.
Beginsnelheid (Vo) voor de betongranaat met lading 1 218 m/s, maximum bereik (dracht) 4.350 m.
Beginsnelheid voor de betongranaat met lading 6 (zwaarste lading) 550 m/s, maximum bereik 16.725 m.

De munitie was van het type "gescheiden lading", d.w.z. met de drijflading apart verpakt in kardoezen.

Onbekend is, of de Mörsers aan het Grebbefront op een platform waren gezet, zodat ze zonder verplaatsen in een sector van 360 graden konden vuren. We nemen aan van niet.

Tenslotte nog iets over de gebruikelijke notatie van het geschut.
Het eerste getal in de type-aanduiding (hier 21 cm) geeft het kaliber aan.
De voorloopletter s staat voor schwere, l (voor het onderscheid met het cijfer 1, ook wel le) voor leicht.
De volgende hoofdletters geven het type geschut aan. SK voor Schiffskanone, FK voor Feldkanone, FH voor Feldhaubitze. De Mörser kreeg de afkorting Mrs.
Soms volgt tussen haakjes nog een toevoeging voor de lengte van de loop. Lg voor lang, Kz voor de korte variant.
Het getal achteraan geeft de lengte van de loop (in 24 cm SK L/40), of het modeljaar (in 15 cm s FH 18) aan.
Met de jaargang werd soms gesmokkeld. De 21 cm Mrs 18 is vermoedelijk van een veel later modeljaar dan 1918. De vervanging van het type 21 cm Mrs (lg) 16, door de 21 cm Mrs "18", begon namelijk volgens Hogg [p. 94] pas in 1939. De bij Wageningen ingezette Mörsers waren dus zeer modern geschut.

Een spookbatterij

Nu de vele vragen over de Mörsers.

De afdeling werd in Duitse bronnen, ook in schriftelijke bevelen e.d., aangeduid als s.Art.Abt.735. Er bestond tussen 1939 en 1945 ook geen s Art Abt 755 (verder in deze tekst zonder punten geschreven). Dat blijkt uit een bekend overzichtswerk, dat de Duitse legersamenstelling behandelt [Müller-Hillebrand, "Das Heer 1933-1945"]. In de 700-serie waren er volgens deze bron alleen de nummers 732, 733, 735, 736, 777 [p. 125]. Het is dus hooguit mogelijk, dat ook (delen) van s Art Abt 733 bij X AK werden ingedeeld. Maar dat lijkt, gelet op de samenhang met andere eenheden (zie boven), niet erg waarschijnlijk. Müller-Hillebrand noemt deze eenheden onder de Heerestruppen. Hij rangschikt ze verder onder de Artillerie.
Er waren volgens hem 15 afdelingen uitgerust met 21 cm Mörsers. Hij duidt deze aan als Abt. 21 cm Mörser (mot). De afkorting tussen haakjes staat voor motorisiert (gemotoriseerd). De auteur geeft ook de standaardsamenstelling (Normalgliederung) aan. Een afdeling 21 cm Mörsers had volgens hem 3 batterijen, elk van 3 stukken.

Müller-Hillebrand rangschikte dit type zware artillerie-afdelingen onder de Heerestruppen. De Heerestruppen vormden een algemene reserve van gespecialiseerde eenheden. Bij mobilisatie en bij planning van een actie werden hieruit naar behoefte versterkingen voor de lagere eenheden (Armeekorpsen, Divisies) gehaald. Dat is ook wat er bij X AK, naar ID 207 op 12 mei, en ID 227 op 13 mei gebeurde.

De s Art Abt 735 komt bij Wageningen zogezegd uit de lucht vallen. Er is tot nu toe geen enkel document van X AK gevonden, waarin deze afdeling vóór 12 mei wordt genoemd. In de indelingsoverzichten (Kriegsgliederungen) van X AK en haar divisies, worden wel andere Heerestruppen genoemd. Arko 22, Beob Abt 30, I/AR 697, IV/AR 256, EB 664, EB 674, en bijvoorbeeld ook (Strassen)Bau Bat 576. Ook was Art Abt 735 blijkbaar oorspronkelijk niet bij het tweede korps binnen het 18e Leger, XXVI AK, ingedeeld. Toch zouden de Mörsers beschikbaar zijn geweest bij de aanval bij Mook, op 10 mei. Dat wordt in elk geval door Lkol b.d. Brongers in voetnoot 13 in één van zijn werken vermeld [Brongers2, p. 59]. Voor deze stelling hebben wij nu ook bewijs uit de KTB's gezien.
De s Art Abt 735 blijft nog wel op enkele punten een spookafdeling. Er zijn tegenstrijdige gegevens over een vroege inzet bij Renkum. Een verplaatsing naar Wageningen is zeker. Maar het moment waarop, en de opmarsroute, zijn nog niet vastgesteld. Wie de afdeling en batterijen commandeerden, is evenmin bekend.

Aangenomen wordt wel, dat enkele (één of twee) batterijen van s Art Abt 735 al in de nacht van 10 op 11 mei in Renkum in actie kwamen. Ze zouden toen o.a. storend vuur op de Grebbeberg afgegeven hebben.
Een korte melding van het Vakhoofd LBD Renkum-Heelsum-Doorwerth, F.A.J. Mesker, geeft ook grond aan die veronderstelling. Het verslagje over zijn werkzaamheden [In: G.J. Peelen, "'t Begon onder melkenstijd"] bevat de volgende passage:

"Daar de gevechtshandelingen zich inmiddels verplaatst hadden naar de Grebbeberg en hier zeer hard gevochten werd, werden er in Renkum bij de Katholieke jongensschool 5 kanonnen opgesteld om de Grebbeberg te beschieten,"

Het aantal van 5 kanonnen is voor een batterij hoogst ongebruikelijk. Een mogelijke oplossing wordt aangedragen door Gerard van der Schouw, in "Schouwburcht, 60 jaar na dato" [Echo's van zes dorpen, april 2002]. Hij beschrijft de aankomst van Duitse troepen op 10 mei omstreeks 17.20 uur. Ook, hoe in de nacht zwaar geschut in Renkum aan de Don Boscoweg (die vroeger Schoolweg heette) werd geplaatst. Twee bijgevoegde schetsen laten precies zien, waar.
De eerste [p. 7] laat zien, dat er drie "Dikke Bertha's" in de achtertuinen (aardappelvelden) aan de Schoolweg kwamen te staan. De tweede [nummer p. niet bekend], geeft aan, dat N van deze drie stukken nog 8 stukken geschut werden opgesteld tot voorbij de Schaapsdrift. Het ging daarbij mogelijk om één batterij van s Art Abt 735, en twee batterijen van IV/AR 256. Het gekke getal van 5 "kanonnen" bij Mesker werd dan gevormd door de ene batterij Mörsers (drie stukken 21 cm) en een sectie houwitsers van het type s FH 18 (twee stukken 15 cm).

Nu werd, op basis van de gevechtservaringen op 11 mei, voor de aanval op 12 mei (Inbraak bij de Grebbesluis) meer en zwaarder geschut nodig geacht. Dat werd daarom aangevraagd bij ID 207. Toegezegd werd de inzet van drie lichte en twee zware artillerie-afdelingen. Hierover staat in een uittreksel van het KTB van SS "DF" [Auszug, p. 6] letterlijk:

"Auf Grund der Kämpfe des 11.5 war das Rgt. [SS "DF"] zu der Überzeugung gekommen, dass ein Angriff auf den Grebbe-Berg ohne starke Art[i]l[lerie]-Vorbereitung nicht möglich war. Diese wurde bei der 207 Inf[anterie] Div[isie] noch in der Nacht 11./12.5 beantragt und mit drei leichten und zwei schweren Artl.-Abteilungen der Div. [!] für den am 12.5 früh beabsichtigten Angriff des Rgts. auf den Grebbe-Berg zugesagt."

In het artikel "Durchbruch durch die Grebbe-Linie" [In: "Der Freiwillige nr 5 en 6, mei/juni 1958] staat het iets afwijkend:

"Die Division sagt sofort drei leichte und eine schwere Artillerie-Abteilung zur Angriffshilfe am 12. Mai zu,"

Een soortgelijk artikel "Der Durchbruch an der Grebbeschleuse" [In: Der Soldatenfreund, 1943] zegt, dat de eigen artillerie versterking kreeg van twee batterijen 21 cm (21er), blijkbaar dus de Mörsers, ook hier aangeduid als Heerestruppen (Heeresbatterien):

"Am 12. Mai erhielt die eigene Artillerie Verstärkung durch zwei 21er Heeresbatterien".

Over de plaats van de stellingen is weinig of niets met zekerheid bekend. In het op internet aangetroffen verslag van een Obergefreiter van de 3e Kompanie van Beob Abt 30 [http://forum.axishistory.com/viewtopic.php?t=121237, geplaatst 26 mei 2007], staat hierover slechts:

"Ich höre, dass etwa 100 Mtr. vor uns eine schwere Batterie 21 ctm. Mörser steht, die muss man gesehen haben. Sehr bald erkenne ich dann auch die Umrisse dieser schweren Kolosse, gut getarnt im niedrigen Buschwerk."

De Mörsers waren op 12 of 13 mei (dat is niet duidelijk in het verslag), dus goed gecamoufleerd opgesteld in laag kreupelhout. Dat is een beschrijving die op meer plaatsen past, dan op de bosrand van de Wageningse Berg. Maar op grond van gegevens uit de Nederlandse gevechtsverslagen, nemen we toch aan, dat de Mörsers juist daar hebben gestaan.

Uit de passages in de Groene Serie kan worden opgemaakt, dat de afdeling alleen op 12 Mei werd ingezet. Dat is niet, wat Lkol b.d. Brongers aangeeft in de Appendix, onderdeel "De Duitse aanvalsmacht tegen de Grebbelinie" [Brongers1, p. 262, 266]. Hij gaat ervan uit, dat s Art Abt 735 tot de avond van 13 mei beschikbaar was voor ID 207, daarna ingezet werd voor ID 227. Wij kunnen aanvullen, dat tenminste één batterij al op 11 mei werd ingezet. Verder, dat de afdeling maar tot 13.20 uur (15.00 uur Duitse tijd) heeft gevuurd voor ID 207, daarna voor ID 227. Dat blijkt uit het verslag van de Arko 22, Generalleutnant Walter Büchs over die dag [NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 2030].

De gevonden antwoorden op de vele vragen zijn hiermee 1):

* De Mörser-afdeling die bij Wageningen ingezet werd, heette officieel s.Art.Abt.735.
* Ze behoorde tot de Heerestruppen, een reservoir aan versterkingen, in te delen naar behoefte.
* Vermoedelijk al bij de mobilisatie ging de afdeling naar het 18e Leger (AOK 18).
* Wie de afdeling en batterijen commandeerden, is niet achterhaald.
* In de nacht van 11 op 12 mei kwam mogelijk al één batterij in Renkum tot vuren.
* Op 12 en 13 mei (tot in de middag) zijn voor ID 207 twee batterijen ingezet.
* De s Art Abt 735 had nog een derde batterij volgens de Heeresgliederung. Waar die was ingedeeld (bij XXVI AK gebleven ?) is niet met zekerheid bekend.
* De stellingen waren vermoedelijk in de bosrand van de Wageningse Berg.
* Een batterij van s Art Abt 735 bestond uit drie stukken.


______
1) Deze veronderstellingen zijn later niet alle juist gebleken. Zie onder meer het naschrift bij donderdag 4 juni 2009.

Spraakverwarring over Mörsers

Er zijn flink wat onduidelijkheden over de inzet van s Art Abt 735.
De afdeling Mörsers komt bij Wageningen min of meer uit de lucht vallen, en heeft zelfs een spookbatterij. Dat blijkt, als we vijf Nederlandse publikaties erop naslaan, die over deze eenheid iets zeggen:

- Twee delen uit de studie van de GS/Krijgsgeschiedkundige Afdeling, "De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de WOII". Hoofddeel III, Deel 1 en 3. Deze zullen als tevoren verkort worden aangegeven als "III/1", resp. "III/3".
- Twee boeken van Lkol b.d. E.H. Brongers. "Grebbelinie 1940", en "Opmars naar Rotterdam", Deel 2, "Van Maas tot Moerdijk". Deze werken worden in het vervolg aangeduid als "Brongers1", resp. "Brongers2".
- Het NIMH-overzichtswerk "Mei 1940, De strijd op Nederlands grondgebied". Hiervan verscheen in 2005 de 2e herziene druk. Redacteuren waren Prof. Dr. H. Amersfoort, plv dir NIMH, en Drs. P.H. Kamphuis, daar directeur. Naar deze bron wordt verder kort verwezen als "Mei 1940".

Vergelijken we deze bronnen, dan komen er nogal wat vragen op:
Hoe deze afdeling officieel heette, tot welk Korps of hogere eenheid ze behoorde, wie er het commando over voerde, waar de voor ID 207 ingezette batterijen op 12 mei 1940 vandaan kwamen, of er twee dan wel drie batterijen geweest zijn, waar toen de stellingen waren, en uit hoeveel stukken elke batterij bestond.

Deze vragen ontstaan deels door een wat slordige redactie.
In Duitse teksten wordt de Mörser-afdeling vrij consequent aangeduid als s.Art.Abt. 735. In Nederlandse nog het meest als Mortierafdeling 735. Maar er komen vreemde varianten voor. Eénmaal wordt de zware artillerie-afdeling zelfs ineens als SS-afdeling vermeld. Op sommige plekken krijgt de eenheid het nummer 735, op andere 755. Uit het tekstverband is op te maken, dat steeds dezelfde unit moet zijn bedoeld. Het gaat namelijk vijfmaal om de bij X AK onder bevel gestelde ("unterstellte") eenheden. Dat was een vast rijtje. Arko 22, Beob Abt 30, s Art Abt 735, met soms enkele andere eenheden erbij [III.1, p. 224, 225 (2x), 226, 304]. Bovendien blijkt, dat er geen s Art Abt 755 bestond.
Laten we eerst eens naar deze punten kijken.

In de Groene Serie wordt het meest de vertaling Mortierafdeling (-batterij) voor Mörser Abt. 735 (of 755) gebruikt [III/1 p. 224, 225, 226]. In die lijn verder gaand, wordt in Mei 1940 een mortier-, inplaats van een artilleriesymbool voor deze eenheid bij X AK gebruikt [Mei 1940, p. 280]. Dat lijken details, maar het is erg verwarrend.
In het tegenwoordig militair spraakgebruik zijn mortieren zware infanteriewapens. De Mörsers waren echter zware artilleriewapens. Het is/was allebei steilbaangeschut. De 21 cm Mörser 18 had een elevatiebereik van 70 graden.
In de Duitse taal heeft "Mörser" nog een speciale woordlading. Van fijnstampen of vermorzelen, zoals in de vijzel van een apotheek. Dit apothekersinstrument (waarin geneeskrachtige kruiden werden fijngestampt) werd vroeger in ons land ook wel mortier genoemd.
De Mörser werd mede in de bewapening opgenomen om zware betonnen versterkingen te "vermorzelen". Hiervoor had men speciale betondoorborende granaten. Later in WO II kwamen nog de Röchling-granaten. Extra slank, en met vinnen. Deze waren in staat om betondiktes van 2200 mm door te slaan (21 cm Rö Gr 44 Be), resp. van 4000 mm (21 cm Rö Gr 42 Be). Rö staat in de tussen haakjes gegeven type-aanduidingen voor Röchlin, Gr voor Granate, 44 resp 42 waarschijnlijk voor het modeljaar, Be voor Beton. Nadere bijzonderheden over geschut en munitie zijn in bekende technische handboeken te vinden. Zie bijvoorbeeld R. Böhm c.s., "Die deutschen Geschütze 1939-1945", of Ian V. Hogg, "German Artillery of World War Two".
Voor alle helderheid zullen wij het woord Mörser niet met mortier vertalen. Verder wordt de eenheid hier, zo dicht mogelijk bij de basistekst, aangeduid als s Art Abt 735.

Dat er geen s Art Abt 755 geweest kan zijn bij X AK, komt in een volgende aflevering aan de orde. Maar over de SS-variant nog een korte opmerking.
Dat was (zeer waarschijnlijk) een vermelding op basis van een foute interpretatie.
In een vertaald bevel staat S.S. Abt. 735 [III/1, p. 225]. In het origineel, onder punt 5.) stond s.s. Art. Abt. 735 [Bijlage KTB 3, ID 207, document gestempeld 125. Ook NIMH Coll. 401, Inv. Nr. 1977]. Hierbij staat s.s. voor sehr schwere. D.w.z. voor zeer zwaar kaliber, in tegenstelling tot middelzwaar, of licht. Niet voor SS. Misschien was het trouwens ook gewoon een verschrijving aan het begin van een regel. Twee hoofdletter s-en, inplaats van één. Uit macht der gewoonte.

vrijdag 29 mei 2009

Drie twijfelgevallen

Hoofdvragen, die ons in dit onderzoek bezighouden, zijn:

(1) Hoeveel Duitse batterijen werden er van dag tot dag ingezet ?
(2) Op welke doelen en op welke vuurschema's gebeurde dat ?
(3) Wat waren daarbij de locaties van de batterijen ?

Maar eerst zijn er enkele twijfelgevallen te beslissen. Details, die kunnen helpen het bredere beeld aan te scherpen:

1) Werd I/AR 207 op 10 mei bij Doesburg ingezet ?
2) Is zeker genoeg, dat op 11 mei alleen infanteriegeschut W van Wageningen was ?
3) Sneuvelde N van Ederveen op 13 mei een artillerist van I/AR 207, of toch van III/AR 207 ?

Doesburg
Volgens mijn tabel was I/AR 207 op 10 mei in gevecht bij Doesburg. In het item "Verliezen en gevechtsposten" staat ook, dat er toen één dode van 2/AR 207 viel. Kanonier Hans-Georg Nissen. Maar is dat wel voldoende bewijs, dat deze afdeling werkelijk bij Doesburg in gevecht raakte ?
Eerste toets is bronnenstudie. In deel III/2E [p. 60], waar de IJsselverdediging wordt behandeld, staat niet met zoveel woorden te lezen, dat I/AR 207 (daar) in gevecht raakte. Alleen, dat al te 11.10 uur artillerievuur werd gelegd op de O. rand van Dieren en Ellecom. Dat lijkt veel te vroeg voor I/AR 207. In het item van 21 mei, "De inzet van Duits geschut",werd met die achtergrond toch weer voor een "nee" (daar niet ingezet) gekozen.
Volgende toets is afstand en tijd. Het was een bespannen eenheid, die uit het gebied bij Anholt kwam. Volgens kaartmeting moest naar Doesburg een afstand van ruim 30 km worden overbrugd. Dat kan in een uur of vier, vijf gedaan zijn (verg. Metger met zijn 50 km in een dagmars).
We houden het er daarom op, dat I/AR 207 al wel bij Doesburg (of tenminste bij Dieren-Ellecom) was. Maar het is daarbij erg onwaarschijnlijk, dat deze afdeling daar onder Nederlands tegenvuur kwam. Meestal bleef de artillerie ruim buiten bereik van de te bestrijden infanterie.
Het sneuvelen van Kanonier Nissen (later, aan opgelopen verwondingen) blijft zo nog wel een raadsel.

Infanteriegeschut
De auteurs van de Groene Serie namen zonder meer aan, dat op de eerste gevechtsdagen aan Duitse zijde W van Wageningen nog alleen infanteriegeschut werd ingezet. Dat was licht en gemakkelijk verplaatsbaar geschut. Vooraan, bij de 13e, 14e, en de (alleen bij de SS aanwezige) 16e Kompanie ingedeeld. De zwaardere artillerie stond (voorzover bekend) op 11 mei nog ver achter Wageningen. Toch werd, volgens III/3 [p. 206, 207], al op 11 mei Duitse artillerie gesignaleerd W van Wageningen, en zelfs in de Nude. Is de aanname van infanteriegeschut dus voor die dag voldoende veilig ?
Op dit punt kunnen we kort zijn. In de KTB's van ID 207 en SS "DF" staat voor 11 mei, en zelfs nog voor 12 mei, dat de artillerie O van Wageningen stond.
Op 11 mei waren de gemotoriseerde afdelingen naar ik aanneem, zelfs nog maar in Renkum. Dat beeld wordt later nog uitgebreid getoetst.

I/ of III/AR 207
In het item "Verliezen en gevechtsposten" kwam een mogelijk onjuiste vermelding in de database "Register Duitse gevallenen" ter sprake. Die betrof Uffz Brotzmann, ingedeeld bij 9/AR 207. Hij zou op 13 mei om het leven gekomen zijn, N van Ederveen.
Als datum en plaats juist zijn, kan het onderdeel dat haast niet zijn. Nodig is dan wel te weten, dat de batterijen per afdeling oplopend werden genummerd. I had de batterijen 1 - 3, II had 4 - 6, III had 7 - 9, en IV had 10 - 12.
Dus 9/AR 207 was de derde batterij van III/AR 207. En III/AR 207 stond (voorzover bekend) zeker niet N van Ederveen. Dat was terrein van ID 227. Daar was wel I/AR 207 ingedeeld. Zie bijvoorbeeld III/1 [p. 225]. Vandaar, dat ik een leesfout van een 9 uit een 3 veronderstelde.

Fase 2. Een verdiepingsslag

Nog altijd vormt de Groene Serie een waardevolle studie over de strijd in mei 1940. Hiermee wordt de reeks publicaties "De Strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II" bedoeld.
Voor een overzicht van de gebeurtenissen bij de Grebbeberg zijn vooral van belang Hoofddeel III/Deel 1 (Inleiding en Algemeen Overzicht), en Hoofddeel III/Deel 3 (De operatiën van het Veldleger).
Publikatie kwam tot stand onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Oorlog, Hoofdkwartier van de Chef van de Generale Staf. Het onderzoek werd uitgevoerd door de Krijgsgeschiedkundige Afdeling van die Staf. Redacteuren waren met name Lkol der Artillerie b.d. F.A.J. de Klerck, en later ook Genmaj b.d. V.E. Nierstrasz.

In die krijgshistorische publikatie werd naar verhouding weinig aandacht besteed aan het optreden van de artillerie.
Er wordt zeker wel bruikbare informatie verstrekt over de opmars en samenstelling van X AK, in het inleidend deel [III/1, p. 209-228]. Ook wordt nog aandacht gegeven aan het gebruik van de Nederlandse artillerie aan het Grebbefront, in het deel over de Operatiën van het Veldleger [III/3, p. 205-207, 341-347, 438-452].

Duidelijk is, dat die studie toen (begrijpelijk) vooral naar het Nederlands militair optreden keek. Daarbij zeker geen helder beeld geeft van ingezette Duitse artillerie-eenheden. Nog minder van de plaatsen van geschutsstellingen.
Op zich wel begrijpelijk (gezien de omvang die het werk toch al had), is niet alle informatie gebruikt, werden belangrijke aannames niet in de boekwerken zelf getoetst, en zijn conclusies meestal niet toegelicht.

Dit alles maakt een verdiepingsslag noodzakelijk. Want nadere gegevens zijn er wel. Al zijn die vaak onvolledig, onduidelijk, of zelfs tegenstrijdig. Er zijn ook vragen over de juistheid van het daarmee opgeroepen beeld.
Inbreng van derden (ook als men zich zelf misschien niet deskundig genoeg acht) wordt door mij zeer op prijs gesteld. Alleen in open uitwisseling kan iets leven en groeien. Dat is de bedoeling van deze blog.
Om inbreng te kunnen krijgen, moeten overwegingen en conclusies dan nog helder zijn. D.w.z. ook (zoveel dat kan), voor niet-ingewijden in deze materie te volgen.

Een belangrijk eigen toetsingskader geeft mijn tabel onder de label "Plaatsen". Zie de aflevering van dinsdag 26 mei. Dit schema zal zo nodig worden aangepast.

Om verder te komen, zijn werkhypothesen nodig. Een rijtje aannames, of voorlopige conclusies. Ook dat lijstje zal zo nodig worden aangepast.

Mijn voorlopige conclusies zijn:

1) Bij de strijd om de Voorposten (11 mei) werden de vooruitgezonden (delen van) vier afdelingen ingezet. Dat waren drie gemotoriseerde afdelingen (II/AR SS, 10,11/AR 256, 1,2 s Art Abt 735). Hiernaast één bespannen afdeling (III/AR 207). Deze batterijen stonden toen nog in Renkum. Mogelijk werd één Mörser-batterij toen elders ingezet (niet voor ID 207).
2) Voor de Inbraak in de hoofdweerstandslijn (12 mei) werd het geschut naar het W verplaatst, dichterbij de gevechtszone. De batterijen gingen naar Wageningse Berg en De Eng. ID 207 beschikte toen over twee Mörser- batterijen. Er werd nog een bespannen afdeling aangetrokken naar Wageningen (III/AR 311).
3) Voor de Doorbraak naar Rhenen werden enkele batterijen verder naar het W verplaatst. III/AR 311 kwam daarbij W van Wageningen te staan, als directe steun aan IR 322. II/AR SS bleef in de oude stelling.
4) Een dag later ging ook II/AR SS naar voren, als directe steun aan SS "DF".
5) De afdeling II/AR 207 is bij Wageningen niet ingezet.

Een laatste stap, is toetsen op samenhang. Hoofdvragen zijn dan:

> Is het punt niet in strijd met gezaghebbende bronnen, andere gegevens, eigen aannames, of voorlopige conclusies ?
> Als dat zo is, moet het punt dan worden verworpen, of aangepast ?
> Of zou juist de aanname of conclusie geschrapt, of veranderd moeten worden ?

De vijf voorgaande conclusies worden uitgewerkt en toegelicht in enkele detailstudies. Ze zullen, zo nodig, daar worden aangepast.