vrijdag 30 december 2011

Verantwoording

Als afsluiting van deze serie nog een korte verantwoording. Mijn beeld van het gevechtsverloop op 12.5.40 verschilt op belangrijke punten met dat van eerdere auteurs. Daarbij zijn in het bijzonder te noemen:

x Minister van Oorlog, Sectie "Krijgsgeschiedenis" van de Generale Staf, "Beknopt Overzicht van de Krijgsverrichtingen der Koninklijke Landmacht 10 - 19 mei 1940" (1947). Pag. 91 - 96.
x Ministerie van Oorlog, Hoofdkwartier van de Generale Staf, Krijgsgeschiedkundige Afdeling, "De Strijd op Nederlands Grondgebied tijdens de Wereldoorlog II". Hoofddeel III/Deel 3, "De Operatiën van het Veldleger en het Oostfront van de Vesting Holland Mei 1940" (1955). Pag. 254 - 271.
x Dr. L. de Jong, "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog". Deel 3, "Mei '40", (1970). Pag. 232 - 236.
x E.H. Brongers, "Grebbelinie 1940", (2002). Pag. 114 - 125.
x H. Amersfoort, P. Kamphuis (red), "Mei 1940 De strijd op Nederlands grondgebied", (2005). Pag. 279 - 285.

Hierbij had ieder een deel van de waarheid in handen, en werden eigenlijk vooral de accenten anders gelegd.
Naar mijn gevoel werden de beelden alleen teveel in zwart - wit getekend en waren ze nog sterk beïnvloed door de eerste publicaties.
Vooral bleef te lang doorklinken, dat de Nederlandse troepen bij de Grebbeberg tegen een overmachtige en veruit superieure vijand moesten vechten. Dat leidt tot grote innerlijke tegenstrijdigheid. Want waarom duurde het (met drie bataljons SS "DF" als breekijzer, en met vijf bijna complete afdelingen artillerie ter beschikking) dan alles bij elkaar toch nog drie dagen voordat het gestelde doel (doorbraak van de Grebbelinie) door 207. ID was bereikt ?

De volgende punten zou ik daarom in het bijzonder willen meegeven:

* De drie bataljons SS "DF" zijn niet vanaf de eerste gevechtsdag, elke dag opnieuw, volledig ontplooid. Dat lukte waarschijnlijk pas in de avond van 12.5 voor het eerst. De aanval werd telkens ingezet met kleinere eenheden als "stoottroepen" in de eerste golf. Logistiek kon het ook niet anders.
* De Duitsers hebben de sterkte van onze verdediging en hun eigen kracht naar mijn mening tot op het eind verkeerd ingeschat. De eigen artillerie werd door hen keer op keer niet (evenmin) optimaal benut.
* De Nederlandse verdediging bij de Grebbeberg was door allerlei oorzaken nog niet op de gewenste sterkte. Toch was de Grebbelinie tussen Wageningen, Achterberg en Rhenen al zó ingericht, dat de aanvallende troepen maar moeizaam vorderingen konden maken. Er was een dag nodig voor het veroveren van het gebied van de Voorposten. Een tweede om de HWL te doorbreken en op te rollen tot aan Kruiponder. Tenslotte nog een derde om de "spoorweglinie" te doorbreken en het gat in de laatste verdedigingslijn zover te verwijden, dat de weg vrij kwam voor de opmars naar Utrecht van 207. ID. De gelaagde defensie (opgesteld in drie lijnen, maar met verdere opstellingen in de tussengebieden) werkte hierbij als een verdediging in de diepte.

Ieder kan zijn eigen mening vormen aan de hand van de brondocumenten. Het NIMH beschikt over bijna alle belangrijke stukken, daarvoor behoeft niet naar het BA-MA te worden gegaan. Als tegenwicht kunnen daarbij wat recente Duitse publicaties worden gelezen. Wat mij betreft is dat de beste manier om het strijdverloop van "Mei 1940" te bestuderen.

Deze blog wordt om technische redenen nu afgesloten. Mijn email-adres is veranderd. Vragen kunnen gesteld worden via www.grebbeberg.nl.

Vernielingsvuur ?

Rest de vraag, hoe effectief de Duitse artillerie was op deze gevechtsdag. Dat is nu niet meer zo gemakkelijk na te gaan.
Het kort na de strijd uitgevoerd veldonderzoek was erg summier.
De foto's geven geen duidelijk beeld en zijn vertekend door latere Nederlandse beschietingen. De verslagen uit beide kampen zijn moeilijk met elkaar te rijmen.

Wat de aan Duitse zijde aangewezen doelen waren, kan niet met zekerheid worden bepaald. Voor de hand ligt, om aan de Pag-kazematten P.10 en P.11 en de stekelvarkens in het Hoornwerk (S.12, S.13, S.14) te denken.
De als brandend verkende kazematten (36 b en 47) zouden P.10 en G.19 geweest kunnen zijn. Er is inderdaad een melding van brand voor P.10, maar niet van G.19. De laatste kazemat had veel treffers [van mitrailleur ?].

De volgende tabel geeft een overzicht van de gegevens uit de Nederlandse gevechtsverslagen.
Ze staan in volgorde van plaats in de HWL. Bovenaan de vuurposities bij Kruiponder, onderaan die in de Bastions. Daaronder nog de koepels die op de voorrand van de Grebbeberg stonden.
Bron: NIMH Coll 409 (Gevechtsverslagen) Inv Nr in laatste kolom

De verzamelde gegevens zijn niet 100% betrouwbaar. Niet altijd werd duidelijk, wat de aard van de schade was. Het begrip "voltreffer" is nogal snel gehanteerd. Soms werden meldingen over wapens of opstellingen in een verslag van een hogere commandant verwisseld. Meestal wist die ook alleen uit de tweede of derde hand wat er gebeurd was. Dan kan de informatie al vervormd zijn in het onderliggend rapport, en door de eigen interpretatie van de commandant nog verder vertekend raken.
Bijzonder is, dat ook een foute eerste beoordeling werd verbeterd. Het stuk Pag van Sgt Krooshof liep schade op. De sergeant rapporteerde dit als "vermoedelijk door handgranaten buiten gevecht gesteld". Zijn commandant (Elt Koerselman) beoordeelde de schade naar eigen bevindingen als die van een beschieting door de opening van het schietgat. Hij stelde deuken in schild en reminrichting vast [mogelijk van een mitrailleur] [NIMH Coll 409, Inv Nr 506028].

Duidelijk is hiermee, dat het opgedragen "vernielingsvuur" weinig of geen effect had. Ook niet kon hebben, want het werd eerst afgegeven van te grote afstanden (en met standaardmunitie). Mogelijk werden de batterijen uit Renkum daarom in de loop van de ochtend naar voren gehaald. Maar ook dat was nog niet dichtbij genoeg.
Niet vast te stellen is, welke schade precies door artillerievuur en welke door andere vijandelijke inwerking (mortier- of mitrailleurvuur, handgranaat, vlammenwerper) zal zijn veroorzaakt. Waar gegevens wijzen in de richting van artillerievuur als oorzaak van de schade, is een "A" in de tabel gezet.
Mijn conclusie is, dat ongeveer 10 zware wapens door inwerking van artillerievuur werden uitgeschakeld. Dat is op de circa 66 zware wapens in de HWL niet veel. Bovendien waren daar de meest hinderlijke zware mitrailleurs (G.5, G.6, G.7, G.20 en G.21) niet bij. Volgens het overzicht werd trouwens geen enkele koepel door vijandelijk vuur uitgeschakeld. De stekelvarkens liepen wel treffers op, vermoedelijk vooral scherfschade. Drie mitrailleurs werden vermoedelijk door artillerievuur tot zwijgen gebracht, maar 2 kregen een vervangend stuk.

Antwoorden
Nu dan mijn antwoorden op de aan het begin van deze serie gestelde vragen. De onderbouwing is te vinden in de voorgaande stukjes en wordt hier niet herhaald.

(1) De verdedigende kracht van het Hoornwerk, sleutelpunt in de defensie bij de Grebbeberg in mei 1940, was groter dan men zich tot nu toe meestal realiseerde. Naar mijn mening kregen de zwaktes door andere oorzaken (slechte verbindingen, munitiegebrek, haperende mitrailleurs, open opstellingen, inzakkende wil tot vechten) tot op heden teveel nadruk.
(2) Op 12.5.40 werden aan Duitse zijde waarschijnlijk tussen de 44 en 52 stukken ingezet. Die waren van II/AR 207 (twee batterijen 10,5 cm le FH 16), III/AR 207 (drie batterijen idem), III/AR 311 (drie batterijen 15,0 cm s FH (lg) 13), II/AR SS (drie batterijen 10,5 cm le FH 18), IV/AR 256 (twee batterijen 15,0 cm s FH 18). Alleen de inzet van 4 en/of 6/AR 207 is niet helemaal zeker.
(3) Eerste dagdoel was de HWL, met het gebied rond het Hoornwerk als sleutelpunt. Hierop werd van 12.20 - 12.40 uur een vuurconcentratie afgegeven met alle batterijen. De kazematten daar zijn zeker ook als doelen genomen. Verder vooral de flankerende kazematten in de HWL langs de Grift. Vanaf de vroege ochtend werd ingeschoten. Na de uitgevoerde verplaatsingen moest dat opnieuw gebeuren. Vooral door de twee batterijen van IV/AR 256 zullen storende vuren zijn afgegeven op de omgeving van Rhenen. Belangrijke doelen daar waren de aan- en afvoerwegen (knooppunten) en de daar vermoede Nederlandse batterijen.
(4) In de munitievoorraad waren vooral brisantgranaten beschikbaar en nog wat pantser- en rookgranaten. De brisantgranaten waren bijna allemaal voorzien van een schokbuis (instelbaar tot 0,25 sec vertraagd), voor maar ongeveer 8% van een gecombineerde tijd/schokbuis. De verdeling in de belading van het munitieschip voor Leibstandarte "AH" (en waarschijnlijk ook van Standarte SS "DF") wordt in het volgend diagram weergegeven.
Bron: NIMH Coll 410 (Praagse Collectie) Inv Nr 750079

(5) Over het uitgevoerde vuurschema is weinig met zekerheid bekend. Zie voor de hoofdlijnen (3).
(6) Het effect van de beschietingen was minimaal als het beoogd effect werkelijk "Zerstören" (vernielen) was. Maar vooral in het Hoornwerk waren de psychologische effecten zeer groot. Voor het "Niederhalten" (onderdrukken) zal het vuur op de verdediging in de HWL zeker merkbaar effect gehad hebben. Tenslotte vast ook wel het "Blenden" (belemmeren van waarneming) via ingestrooide rookgranaten. Al was die munitie schaars, zoals mede blijkt uit bovenstaand diagram. Betongranaten voor de 15,0 cm s FH 18 zullen niet aanwezig zijn geweest. Mogelijk wel voor de batterijen van s Art Abt 735. Die werden deze gevechtsdag nog niet ingezet.

Mijn totaalbeeld is, dat aan Nederlandse zijde een krachtiger verdediging werd gevoerd dan tot nu toe meestal werd aangenomen. Mogelijk hebben de Duitsers de defensieve kracht van deze sector zwaar onderschat. Anders zijn de drie opgegeven dagdoelen voor 12.5.40 (doorstoot door HWL, door Stoplijn, dan nog eens tot aan de (doorbraak van ?) spoorlijn bij Rhenen) niet te verklaren. De lat had dan veel te hoog gelegen. Onrealistisch hoog, wat demotiverend zou hebben gewerkt.
De gelaagde verdediging in drie lijnen zal hetzelfde effect hebben gehad als een verdediging in de diepte. Uit de dagboeken en andere publicaties komt grote frustratie over de langzame voortgang ("Durchfressen") naar voren.

donderdag 29 december 2011

SS "DF" en het strijdverloop

De spelers staan klaar. Het publiek zit, het doek gaat open. Wat gebeurde er daarna ? Hiervoor zijn er maar twee draaiboeken te bedenken, een kort en een lang script.

Voor deze dag waren er drie doelen opgegeven:

1. Een doorbraak te forceren op het sleutelpunt, "das Fort am Fusse des Grebbe-Berges"
2. Dan zo snel mogelijk de stoplijn te doorbreken en uit te schakelen
3. Tenslotte door te stoten naar de spoorlijn bij Rhenen

De volgende schets geeft een overzicht van het strijdverloop op 12.5.40. De aanval ontwikkelde zich zo op het oog volgens het eerste script voor SS "DF", met een snelle ontknoping.
Bron: NIMH Coll 401 (Kriegstagebücher), Inv Nr 1311

Tussen Renkum en Wageningen staan drie eenheden artillerie gereed. Twee met 10,5 cm le FH en één met 15,0 cm s FH. In mijn interpretatie alleen de Divisieartillerie, 4 en/of 6/AR 207, III/AR 311, III/AR 207. Niet ingetekend zijn de batterijen van 10 en 11/AR 256 en II/AR SS. In de spits van de aanval bevinden zich II/SS "DF" (Bataljon Von Scholz) en III/SS "DF" (Bataljon Wäckerle). I/SS "DF" (Bataljon Müller) wordt aangezet tegen de verdedigingslinie aan de Grift. In aantocht is bataljon I/IR 322 (Bataljon Freyher). Dat was de situatie van ongeveer 14.20 uur. Het lijkt er zo op, dat de aanval snel en probleemloos verliep.

Er zijn verschillende overwegingen om toch te kiezen voor de andere ontknoping, die van het lange script:

* Op dit soort schetsen worden alleen de grote eenheden en de voornaamste verplaatsingen ingetekend
* Drie bataljons zullen zich niet gereedgesteld hebben in de beperkte ruimte vlak voor het Hoornwerk
* Evenmin kunnen zij zich in korte tijd door de flessenhals bij de Grebbesluis gewrongen hebben
* Tenslotte is niet aannemelijk, dat zij zich meteen volledig op de Grebbeberg hebben kunnen ontplooien

Eigenlijk zijn dit maar twee argumenten: (1) De schets is een vereenvoudigde weergave, en (2) Ruimte en logistiek dwongen de drie bataljons SS "DF" tot een geleidelijker ontwikkeling.
Er zijn nog enkele aanvullende aanwijzingen, dat het lange script van toepassing was.

(1) In de KTB's wordt gesproken over een aanval "mit Teilen III/SS u. II/SS" in de spits. Het blijkt dan om de stoottroepen van 9/SS "DF" en 12/SS "DF" te gaan.
(2) Omvangrijke verplaatsingen langs de Rijksstraatweg en de parallel lopende wegen konden pas plaatsvinden nadat het flankvuur vanuit de linie aan de Grift was uitgeschakeld. Dat kostte blijkbaar nog uren.
(3) De brug moest eerst hersteld worden. Volgens KTB 207. ID was dat pas om 15.55 uur (17.35 Uhr) gerealiseerd.
(4) Op de Grebbeberg werden maar een paar honderd schuttersputten aangetroffen na de strijd. Dat wijst op ingraven daar van eenheden van compagnies-, eerder dan van bataljonssterkte.

Wat het eerste punt betreft is het KTB SS "DF" (pag. 7) bijvoorbeeld heel duidelijk:

"Der Angriffsbegin wurde für 14.20 Uhr befohlen. Die Stoss- und Pioniertrupps lagen in ihren Ausgangsstellungen. Nach dem letzten Feuerschlag der auf das erste Angriffsziel [het "Fort am Fusse des Grebbe-Berges"] zusammengefässten Artl [artillerie] sturzten die Stosstrupps der 9. und 12. vor, dicht auf folgten die Pionierstosstrupps mit den Flosssäcken. Im starken Feuer der eigenen Artl war es nicht gelungen, alle feindlichen Nester und Stellungen zu zerschlagen, und so lag am Grebbe-Bach [de Grift] stärkstes feindliches Abwehrfeuer aller Inf[anterie]-Waffen."

De lezing van Rechlin (zoals weergegeven in "Die Geschichte der 207. und 281. ID", pag. 29-30) [BA-MA, MSG3-1907] verschilt weinig hiermee, is alleen veel uitvoeriger.

In het KTB 207. ID staat (met een hiaat door brandschade, door mij aan de hand van het Uittreksel van Rechlin S. 252 [NIMH Coll 409 (Gevechtsverslagen) Map 550, Inv Nr 0018a] ingevuld):

"14.20 Uhr Angriffsbeginn für SS Rgt, das mit III.Btl am Grebbe-Schleuse, mit II. südl. davon [dus langs de Rijndijk, in verband met de baggerput en de benodigde dekking ?] [über geht] *
[15.15 Uhr ist mit III/SS der Einbruch in die Grebbe-Stellung gelun] gen bei Punkt 36. Auch II/SS geht trotz schwerstem Abwehr- und Flankenfeuer mit Teilen südl. davon über.
Die Schleusenbrücke ist trotz stärkstem Artl Beschuss für Schützen noch gangbar.
16.10 Uhr hat sich III/SS bis zum vorderen Rand der Waldlichtung [open plek, d.w.z. de roggeakker] an Strasse Grebbe-Schleuse - Rhenen gegen den sich in einzelnen Widerstandsnestern und auf Bäumen zäh verteidigenden Feind durchgekämpft."

Hier staat zwart op wit, dat het het derde bataljon (niet ook het tweede) na de doorbraak nog bijna twee uur kostte om zich vooruit te werken tot aan de roggeakker. Bijna anderhalf uur later had zich ook het tweede bataljon daarbij gevoegd. Zij vormden en hielden vanaf laat in de middag (16.20 uur) dit bruggenhoofd.

Mijn conclusie ligt hiermee voor de hand:

* Het kostte nog uren na het begin van de aanval voordat de doorbraak ver genoeg was verbreed,
* de verdediging aan de Grift was uitgeschakeld,
* een noodbrug was geslagen,
* delen van II/ met III/SS "DF" een bruggenhoofd op de Grebbeberg kon vestigen en behouden, dat sterk genoeg was om de volgende dag een goede kans te hebben om de stoplijn te doorbreken.
* De dagdoelen 2 en 3 waren daarmee niet gehaald.



* In het Uittreksel van Rechlin staat: "Angriffsbeginn des SS-Rgts "DF" mit Teilen [!] III/SS u. II/SS."

woensdag 28 december 2011

Het Duitse vuurschema

Over de artilleristische voorbereiding voor de aanval op 12.5.40 lopen de meningen uiteen. Dat vijf Afdelingen toen vanaf de vroege ochtend zware beschietingen hebben uitgevoerd, moet (naar mijn mening) als een fabeltje worden beschouwd. In "Geschut, munitie doelen (1)" werd hierover al het een en ander gezegd. Toch blijft dit beeld hardnekkig hangen, en in nieuwe publicaties rondspoken.

Naast de oorlogsdagboeken van SS "DF"en 207. ID zijn nog vier bronnen vrij algemeen bekend. Dat zijn:

* O. Weidinger, "Kameraden bis zum Ende" (2007), pag. 30
* O. Kumm [?], "Durchbruch durch die Grebbe-Linie", in: "Der Freiwillige", 28e jrg (1982) nr 5 en 6
* G. Müller, F.W. Guttmann, "Die Geschichte der 207. und 281. Infanterie Division mit ihren Zwischengliederungen 1939-1945" (1958), pag. 29
* Onbekend, "Der Durchbruch an der Grebbeschleuse", in: "Der Soldatenfreund" (1943)

De Duitse opgaven verschillen vreemd genoeg. Men is het eigenlijk alleen eens, dat er deze gevechtsdag vijf afdelingen werden ingezet. Dat moet tot voorzichtigheid manen. Want wie had nu de juiste informatie ?
* Weidinger houdt het op 5 Afdelingen, drie lichte en twee zware
* Kumm [?] zegt dat nog drie lichte en één zware afdeling aangetrokken werden
* Müller c.s. noemt ook 5 Afdelingen, zonder verdere specificatie
* De onbekende auteur geeft tenslotte aan dat twee batterijen 21 cm uit de Heeresartillerie werden toegevoegd

In het laatste geval zullen de twee batterijen 21 cm Mörser 18 van s Art Abt 735 zijn bedoeld. Onderzoek in het Bundesarchiv-Militärarchiv Freiburg leverde hierover nieuwe gegevens op, die deze variant nu wel uitsluiten.

Arko 22 (Gen Maj Walter Büchs) begeleidde die Mörser vanaf Üdemer Bruch over Calcar, Emmerich-Elten, Arnhem (Velp) naar het gebied tussen Renkum en Wageningen. Büchs meldde zich om 15.30 (13.50 Nederlandse tijd) op het hoofdkwartier van X. AK te Velp. Op dat moment werden de twee 21 cm-batterijen op papier overgedragen aan 207. ID [BA-MA, RH 24-10/46, S. 17]. Volgens de Tagesverlaufmeldung van 12.5. kwamen ze die dag [van XXVI. AK] bij X.AK en zouden dan tegen de avond aankomen [BA-MA, RH 24-10/44, S. 215]. Volgens de Abendmeldung 12.5 van X. AK werden Arko 22 met Beob Abt 30 en Mörser Abt 735 aangetrokken over Arnhem. Verwachte gereedheid voor inzet in de ochtend van 13.5 ("Mess- und Feuerbereitschaft voraussichtlich 13.5. früh") [BA-MA, RH 24-10/44, S. 221]. Büchs meldde op 13.5.40 tenslotte nog:

"Art der Div. machte am frühen Morgen des 13.5. den befohlenen Stellungswechsel in die angewiesene Stellungen 11.00 Feuerbereit. SS-Abt ändert ihre Stellung nicht. Mörser-Abt war mit Tagesanbruch feuerbereit."

De 21 cm Mörser was zwaar en werd daarom in twee lasten vervoerd. Dat had als groot nadeel, dat het in stelling komen veel tijd vroeg. Volgens een officier bij s Art Abt 777 (ook 21 cm Mörser 18) was rond 2 uur nodig voor het gereed maken, na overname van de schietbuis (inschuiven op de affuit) uit de tweede last [R. Witzel, "Mit Mörsern, Haubitzen und Kanonen" (2008), pag. 71].
Daarmee stond voor mij wel vast, dat de twee batterijen van s Art Abt 735 niet meer op 12.5 bij Wageningen in actie kwamen. We houden het dus maar op de eerder gegeven specificatie: drie afdelingen (II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311) en twee batterijen (10 en 11/AR 256). Mogelijk nog één of twee batterijen van II/AR 207). Totaal 3 lichte en 2 zware afdelingen, maar beide groepen dan niet op volle sterkte.

Het vuurschema werd (op dezelfde plaats, zie boven) ook al eerder behandeld.
Er zijn flinke verschillen tussen het KTB van 207. ID en het vuurplan dat Rechlin in zijn samenvatting gaf.
Duidelijk was al uit de KTB's, dat het inschieten niet glad verliep, en dat mede door alle latere verplaatsingen de vuurvoorbereiding vertraging opliep. Het tijdstip van de aanval moest daardoor enkele malen worden uitgesteld. Dat houdt in, dat de Duitse artillerie niet in de vroege ochtend al op volle sterkte kon vuren.
Ook hiervoor is er een nieuwe bron. Het verslag van 10 en 11/AR 256 [BA-MA, RH 41-1111]. Hierin op 12.5 (pag. 13, 15, mijn vertaling. In Nederlandse tijd):

"De Afdeling (zonder de 12e batterij) komt onder bevel van Kdr AR 207 (Oberst Metger) [..]. De batterijen zijn in de nacht niet verplaatst. [..] Om 6.05 opent de Afdeling [min de 12e batterij] het vuur. De grondrichting wordt gecontroleerd, en er worden vuurconcentraties afgegeven. Hptm Von Dosky en Hptm Süssmann leiden het vuur vanuit de voorste infanterie-linie, gedeeltelijk zonder bescherming van de infanterie, op de kazematten 36 a en 36 b, waarbij Hptm Süssmann met een pantserverkenningsvoertuig naar voren rijdt om nauwkeuriger waarnemingen te doen.
Opdracht voor de Afdeling is: "Vernielen van de gevechtsopstellingen". Bij de gevechtspost van de Afdeling wordt een grondstation voor de radio van 207. Div ingezet. Maar er komt geen piloot.
Stdtf Keppler vraagt om 7.45 uur om een vuurconcentratie voor de aanval op de Grebbeberg. Het tijdstip voor de aanval wordt steeds weer naar later verplaatst.
De 10e en 11e batterij veranderen staffelsgewijs [in kleine eenheden] van stelling naar het NO-deel van Wageningen.
11.20 Het vuurplan voor de aanval op de Grebbeberg wordt in een Afdelingsbevel vastgelegd.
Volgens dit bevel schiet de 10e batterij met Lichtmeting op Rhenen in en wordt het vuur van deze batterij op kazematten 36 a en 36 b gecontroleerd [op juiste ligging]. De 11e batterij krijgt bevel, meteen schietgrondslagen voor een Efa-routine [beoordeling van de inschietfout ?] op kazemat 36 te bepalen en door te geven. De kazematten 36 b en 47 worden als brandend verkend.
Om 12.00 uur komt het bevel, dat X-Zeit [het tijdstip voor de aanval] 12.40 uur is.
De aanval brengt wel terreinwinst, maar niet het bezit van de Grebbeberg. De kazematten 36 a en 36 b worden genomen.
De Artillerie-Kommandeur 22 (Generalmajor Büchs) neemt om 15.20 uur het bevel over van de artillerie van 207. Div, waarbij I/[s Art Abt] 735 aangetrokken wordt. [..]
De Afdeling [min 12] bestreed vijandelijke aanvoerbewegingen en verkende vurende MG in de Grebbelinie."

Volgens het KTB 207. ID zouden III/AR 207 en III/AR 311 op de versterkingen noord van de Grebbesluis hebben gevuurd. De twee batterijen van IV/AR 256 en II/AR SS zuid daarvan. Onduidelijk is in deze bron, of ook nog geschut van II/AR 207 [min 5/AR 207, die in de Betuwe bij Gruppe Brückner was] deze dag al werd ingezet. Dat staat voor 4/AR 207 op 13.5.40 wel vast.

Als doelen werden in het vuurplan [!] in het stuk van Hptm Rechlin aangegeven:

"Vuurconcentratie van 5 afdelingen artillerie op het punt van de beoogde inbraak van 12.20 - 12.40. Gevuurd wordt door:
1 afdeling op de versterkingen 47 a - c [Grift, noord van de Grebbesluis]
2 afdelingen op 36 a en b [S.12 en S.13 ?]
1 afdeling op hoogte 53 [De Dijk, bij zuivelfabriek]
1 afdeling op de versterkingen 33 a - c [bij De Spees]"

Bijzonder interessant is dan de melding van 12.20 uur:

"Het bijzonder moeilijke inschieten van de artillerie (met hulp van 2 [!] artilleriewaarnemingsvliegtuigen) is voltooid. Al bij het inschieten wordt een goede uitwerking (voltreffers op gevechtsopstellingen [?] en brandende huizen [?] in de stelling) waargenomen."

Verrassend is, dat hier gezegd wordt dat 2 waarnemingsvliegtuigjes zijn ingezet. De tekst van 10 en 11/AR 256 wekte de suggestie dat daar geen vliegtuigje kwam. Vandaar het uitroepteken.
De vraagtekens zijn gezet, omdat nog niet duidelijk is, waar voltreffers vielen. Het is verder bijzonder zwak om brandende huizen in de stelling als "goede uitwerking" te benoemen. Waren dat dan belangrijke doelen ?

Deze gegevens vormen een skelet met weinig vlees. Er blijft veel onduidelijk. De gaten kunnen alleen met eigen veronderstellingen worden gevuld. Voldoende zeker zijn de volgende punten:

* Er waren 44 tot 52 stukken beschikbaar, onduidelijk is wat daarvan precies op welke doelen werd ingezet
* Het vuurplan kan niet zo zijn uitgevoerd, de aangewezen doelen moeten na elkaar onder vuur zijn genomen
* Door moeizaam inschieten en de uitgevoerde verplaatsingen verschoof het aanvalstijdstip naar 12.40 uur
* Voornaamste doelen waren de versterkingen in de HWL en nog andere doelen (vaag benoemd) in Rhenen
* Het inschieten leverde een "goed" resultaat, maar de gegeven onderbouwing daarvoor is flinterdun
* Als zwaar vuur kan alleen de vuurconcentratie van 20 minuten, als inleiding op de aanval, worden aangemerkt

Mijn conclusie blijft daarom, dat van urenlange zware Duitse beschietingen geen sprake kan zijn geweest. Er zal nog nader worden onderzocht, wat de resultaten daarvan waren. Voltreffers en vernielingen (opdracht was toch "Zerstören der Kampfanlagen") zijn op het eerste gezicht niet zo waarschijnlijk. De trefzekerheid op grote afstand was gering. Het vuur, zelfs van het 15 cm geschut, daarvoor dan ook niet krachtig genoeg.

dinsdag 27 december 2011

Koepels en kazematten

De ruggengraat van de HWL werd gevormd door de gevechtsopstellingen voor de zware wapens. Het merendeel (ongeveer twee derde) was in beton en staal uitgevoerd. Voor de rest waren het houten constructies, gedekt door zand en grond.

Bestek 519/1939 EE, uitgevoerd door Aannemingsbedrijf T. van Hoogevest te Amersfoort [NA 2.13.24, Bureau Genie, Inv Nr 30] betrof 34 gevechtsopstellingen op grondgebied van de gemeente Rhenen. Daarvan 7 betonnen kazematten met 3 schietgaten (S-nummers 4a, 12-15, 17, 23, waarvan nummer 17 voor zware mitrailleur) en 27 kazematten met gietstalen koepel van 10 cm dik staal (G-nummers 2, 3a, 4, 5-7, 16, 18, 18a tm c, 19-22, 24-35). Ook werden nog (mogelijk door een andere aannemer) twee Pag-kazematten gebouwd, P-nummers 10 en 11. Die waren van lichtere weerstandsklasse, scherfvrij. Mogelijk als voorlopige gevechtsopstellingen. Twee andere Pag-kazematten, P-nummers 1 en 3, en twee Observatiekoepels, U-nummers 8 en 9, kwamen niet meer in uitvoering. Ze waren wel alle vier in genoemd bestek opgenomen.

De betonnen kazematten voor lichte mitrailleur hadden een schootsveld van 120 graden, in overlappende sectoren (3 schietgaten van 70 graden). De gietstalen koepels voor lichte of zware mitrailleur hadden een schootsveld van 40, resp. 35 graden.
De koepels aan de Grift hadden alle zware mitrailleurs. De schootsrichtingen daarvan zijn ingetekend op enkele kaartjes van de Groene Serie [Deel III.3, Schets/Kaart C3, C4]. Zie het kaartje bij de aflevering van 5 december 2011. Niet na te gaan is, of de schootsrichtingen daarop juist zijn aangegeven.
De grote schietgaten van de S- kazemat vormde een zwak punt bij vijandelijke beschietingen. Het stalen venster van de G-kazemat kon van nabij (minder dan 500 m) door 3,7 cm Pak worden doorboord.

Volgens "Kazematten in het Interbellum" (pag. 113) voldeden de S-kazematten (stekelvarkens) niet helemaal aan de W12-15 norm, de G-kazematten (pag. 130) wel. Norm W12-15 bepaalde, dat deze versterkingen bestand moesten zijn tegen 12 cm en 15 cm geschut. In het eerste geval bij voortgezette beschietingen, in het tweede tegen enkele schoten van dat kaliber.
In het kader van het Betonplan (pag. 133-138) waren meer en zwaardere dekkingen voorzien. Voor de stukken Pag ook G-kazematten (pag. 131). Die kwamen er niet meer. Evenmin het bomvrije gemaal bij het Hoornwerk, om de waterinlaat voor de inundatie te verbeteren. Dat was in mei 1940 nog in aanbouw. De stelling was aan het begin van de oorlog dus nog niet op de beoogde sterkte gebracht.
De OLZ had in april 1940 bepaald, dat alle gevechtsopstellingen en schuilplaatsen in de HWS (van HWL tot en met stoplijn) in beton en gietstaal uitgevoerd zouden worden tot weerstand W15-21. Uitgezonderd de scherfvrije Mortier-, Pag- en 6-Veldopstellingen. In de Liniedijk (aan de Grift) zouden geen betonnen kazematten komen, alleen gietstalen koepels.

Op papier was de Grebbelinie bij Wageningen in onvoltooide vorm al een sterke stelling. Het "Denkschrift" (pag. 126-128) beschrijft de HWL als volgt.
NB De genoemde aantallen kazematten zijn niet juist.De samenstelling van de artillerie evenmin. Ook worden weer de fictieve (?) schutters vanuit bomen genoemd. Enkele drukfouten zijn hier verbeterd.

"Als HKL (Hauptkampflinie, lees HWL) war die panzersichere Grebbe [Grift] (rund 6 m breit und durchschnittlich 2 m tief) gut geeignet. Besonders nördlich des Grebbe-Berges begünstigte das allmählich ansteigende Gelände tiefen Ausbau und gute Wirkung ins Vorfeld. [..]
Der rund 200 m breite Niederrhein schützte die rechte Flanke zwischen Grebbe-Berg und Rhenen.
Die Anlagen der ständigen Befestigung bestanden in dem dargestellten Abschnitt aus:

1 Panzergraben [tankgracht] - 6 bis 12 m Sohlenbreite, 1,5 bis 2,5 m tief - vom Niederrhein bis zur Stau Zone [inundatie] (dahinter Stellung der Gefechtsvorposten), der als Panzersperre ausgebauten Grebbe (gleichzeitig HKL),
1 Drahtseilsperre [kabelversperring] gegen Panzerfahrzeuge hart ostwärts der Strassenbrücke über die Grebbe und mehreren behelfsmässigen Betonröhren und Baumsperren [rioolbuisversperringen en verhakkingen]
4 Pak-Schartenstände [P-kazematten]
4 Schartenstände für MG mit 3 Scharten [S-kazematten]
22 Einscharten-Panzertürme (hauptsächlich hinter der Grebbe) [G-kazematten]

Die veralteten Erdwerke am Südostrand de Grebbe-Berges wurden für den Einbau von Dreischartenständen und MG-Stellungen ausgenützt.
Im übrigen bestanden die Kampfanlagen nur aus feldmässigen Stellungen. Bei teilweise tiefer Gliederung sind vier aufeinanderfolgende Linien zu erkennen. Nach niederländische Angaben: "Stellung der Gefechtsvorposten", "Hauptwiderstandslinie" (HKL), und "Stop-Linie". Die vierte Linie, taktisch die zweite Aufhaltelinie an der Bahn ostwärts Rhenen, wurde nicht benannt.
Alle Kampfanlagen waren aus der Luft gut zu erkennen.
Zur Artillerie der Division gehörten 2 Abt 7,5 cm Kan[one]n und 1 Abt 15 cm Haub[itzen], von denen 1 Abt 7,5 cm Kan[onen] zur unmittelbaren Unterstützung der Infanterie auf dem Südflügel eingezetzt und dem Rgt-Kdr unterstellt war.
Artilleristisch ist also eine Schwerpunktbildung nicht zu erkennen. Sie wurde - verspätet - erst während der Kampftage nachgeholt.
Die Batterien standen in feldmässigen Stellungen mit splittersicheren Munitions- und Mannschafts-unterstanden westlich der Bahn Nimwegen-Amersfoort.
Die leichten Infanteriewaffen, die im offenen Gelände nesterweise, im Walde dagegen in ausserordentlicher Dichte linear eingesetzt waren, sollten zusammen mit zug- oder halbzugsweise eingesetzten schweren Waffen das Vorgelände und das Hauptkampffeld lückenlos beherrschen. Die sMG wurden hauptsächlich offen eingesetzt, ihre Wirkung war infolgedessen nur ungenügend ausgenützt. Pak stand beiderseits der Grebbe-Brücke und am Südhang des Grebbe-Berges, die letztere hauptsächlich zur Bekämpfung gepanzerter Flussfahrzeuge.
Feuerzusammenfassungen und Sperrfeuer waren vorbereitet und konnten auf Leuchtzeichen ausgelöst werden.
Da das freimachen des Schussfeldes bis zum letzten Augenblick aus Gründen der Ersparnis verschoben wurden, konnte sich infolge der dichten Bewachsung des Vorfeldes der Feuerplan nicht richtig auswirken.
Der Einsatz zahlreicher Baumschützen sollte dies ausgleichen. [..]
Zusammenfassend kann man feststellen, dass die Niederländer am Grebbe-Berg eine starke Verteidigungsstellung geschaffen hatten. Sie verstanden es jedoch nicht, das für ihre Verhältnisse ungewöhnlich günstige Gelände taktisch so auszunutzen, dass alle Waffen ihre höchste Wirkung entfalten konnte."

De op papier sterke stelling werd dus (tenminste naar de mening van de Duitsers) tactisch slecht benut.
Voor het hele "Fort am Fusse des Grebbe-Berges" lagen nog grachten en prikkeldraadversperringen. Het complex werd in drieën verdeeld door de Rijksstraatweg en de Rijnbandijk. De secties links en rechts van de hoge winterdijk konden elkaar niet zien, en daarom ook geen onderlinge vuursteun geven. Er waren veel boomgaarden die de schootsvelden beperkten. De stellingen zuid van de Rijksstraatweg werden nog beschermd door een grote baggerput.
Door de geïsoleerde ligging O van de Grift van elke sectie, kostte het veel tijd om verband op te nemen met hogere commandanten of met een nevensectie. De communicatie, aanvoer van munitie, olie, levensmiddelen etc. vielen onder vijandelijk vuur snel uit. Na het opblazen van de brug de vorige dag, waren de telefoonverbindingen verbroken (de hoofdkabel liep onder de brug door). Mogelijk was die gebroken kabel oorzaak van een Duitse misvatting, dat de brugdelen als verdedigingsmiddel onder electrische stroom waren gezet.*


* In "Der Durchbruch an der Grebbeschleuse".

maandag 26 december 2011

Feit of fictie

Om dit hoofdstuk af te kunnen ronden, moeten eerst enkele onduidelijkheden uit de weg worden geruimd. Het beste is dan, hiervoor de nu beschikbare gegevens op een rij te zetten. Dan na te gaan, welke conclusies daaruit te trekken zijn. Tenslotte vast te stellen, of dit het gangbare beeld verandert.

Ook nu overheerst nog vaak het beeld, dat het Nederlands leger slecht geoefend, slecht bewapend, en slecht gemotiveerd was. Het moest het opnemen tegen een Duitse overmacht, superieur op alle punten. De uitslag van de strijd stond zo eigenlijk al te voren vast.
Wat er in mei 1940 bij de Grebbeberg gebeurde, kan niet zo eenvoudig worden vastgesteld. Feit en fictie zijn, na zo lange tijd, bijna niet meer te scheiden. Het kluwen aan gegevens kan alleen met veel moeite worden ontward. Er waren en zijn daarom belangrijke verschillen van mening, die nog altijd niet beslist lijken.
Het is in elk geval te simpel, om de versie van Nierstrasz onverkort te blijven volgen. Zeker, omdat dit nu een typisch tijdgebonden lezing blijkt. Gebaseerd op toen bekende (beperkte en deels sterk vertekende) informatie.

Nierstrasz behandelde het verloop van de gevechten op 12.5.40 bij Wageningen zeer uitvoerig, in 112 pagina's [Deel III.3, pag 236-349]. Wat er in zijn opvatting aan Duitse zijde gebeurde, werd in nog geen 20 bladzijden beschreven. Die beknoptheid werd misschien wel de voornaamste bron voor veel latere verwarring. Om dat te illustreren wat voorbeelden uit Hoofdstuk 2. De Strijd bij de IVe Divisie op 12 mei 1940 (De strijd om de Grebbeberg) [Deel III.3, pag. 237, 259, 260, 261, 262, 267].

"Sedert de vroege morgen werd de hoofdweerstandsstrook bij 8 RI systematisch onder artillerievuur gelegd." [..]
"Hoewel de DC [Kol A.M.M. van Loon] schijnt te hebben medegedeeld, dat [..] er bij voortduring, nu hier, dan daar artillerievuur viel, dat ook op Rhenen werd gelegd, [..]."

"Na een hevige artillerievoorbereiding slaagde hij [de vijand] er in, tussen 14.00 en 14.30 de frontlijn bij de Grebbesluis binnen te dringen en zich te nestelen in het bosterrein langs een zandweg, lopende west van de kazematten G.5, G.6 en G.7 en in het terrein ten noorden van ee kunstweg, vanwaar hij zich verder uitbreidde naar het N en het W en in contact kwam met de stoplijn."

"Het artillerievuur van de Duitsers, dat de gehele morgen had geduurd, werd ten slotte geconcentreerd op het Hoornwerk, de omgeving van de Grebbesluis en de voorrand van de Grebbeberg, waardoor de bezetting van de gevechtsopstellingen, voor zoveel niet in de kazematten, in de schuilplaatsen werd gedwongen."

"De kazemat S.4a van de 3e Sectie [1-I-8 RI] was door een voltreffer onbruikbaar geworden."
"De 3e Sectie zw.mitr., in de kazematten G.5, G.6 en G.7, die de vorige dag en in de morgen van 12 mei op verwijderde afstand veel en goed vuur had afgegeven, was tegen de vijand nabij de sluis machteloos door begroeiing, omgeschoten bomen, rook van een brandende boerderij enz. G.5 en G.6 konden geen vuur uitbrengen westelijk van de kabelversperring (vóór het Hoornwerk) en G.7 kon slechts vuren op de Grebbedijk oostelijk van de versperringen. De Duitsers vielen de kazematten in de rug aan."

"De C-3e Sectie [1-II-8 RI] was intussen met zijn mannen op een onjuist bericht van een vluchteling [van I-8 RI, die met verwarde verhalen door de loopgraven trokken] naar de 4e Sectie getrokken en viel daar bij het vallen van de duisternis in handen van de Duitsers. Deze bevonden zich toen zowel op de O.oever van de Grift als bij de gevechtsopstellingen [op de W.oever]. [In een voetnoot nog:] Zoals later zal blijken, hebben de Duitsers tegen dit frontgedeelte een bataljon SSers ingezet, omdat het vuur hinderlijk was voor de langs de kunstweg oprukkende troepen."
"De bediening van de koepels G.20, G.21 en G.22 is met de tirailleurs [geweerschutters] verdwenen. Het vuur van deze koepels was voor de Duitsers zeer hinderlijk geweest."

Zoals gezegd, in recente publicaties wordt dit beeld nog altijd uitgedragen. Bijvoorbeeld in het boek van G. Terwisscha van Scheltinga, "Trouw zonder eer" (2008), pag. 271-272.* Die beschrijving volgt hier onverkort.

"SS-Standartenführer Georg Keppler was vastbesloten om op 12 mei door de Grebbelinie te breken. Anders dan een dag eerder zette hij nu zijn volledige regiment in. III/[SS] "DF" kreeg opnieuw de zwaarste taak. Het moest het Hoornwerk binnendringen, de vernielde brug bij de Grebbesluis passeren en doorstoten in westelijke richting langs de belangrijkste weg over de berg. Deze voerde naar een spoorwegviaduct voor Rhenen. De spoorlijn tussen Rhenen en Veenendaal was het 'Tagesziel'. II/[SS] "DF" zou het 3e bataljon volgen, maar op de Grebbeberg in noordwestelijke richting afbuigen, terwijl I/[SS] "DF" in reserve werd gehouden om na de doorbraak van III/[SS] "DF" 'het bereikte succes door onmiddellijk nastoten te vergroten'. Het regiment ontplooide zich in de gebruikelijke 2+1 formatie: twee bataljons voorop en een erachter.
Om 12.30 uur concentreerde de Duitse artilleriebeschieting zich op de rand van de Grebbeberg. Twee batterijen 150 mm houwitsers beschoten het Hoornwerk; twee afdelingen 105 mm houwitsers de frontlijn daarnaast en daarachter. Een derde afdeling beschoot Rhenen en het viaduct. De Duitsers waren optimistisch over het effect van het bombardement. "Reeds bij het inschieten werd een goede uitwerking (voltreffers op stellingen en in brand geschoten huizen in de stelling) vastgesteld", meldde het oorlogsdagboek van de 207e divisie.
De Nederlandse troepen die deze strategisch belangrijke posities moesten verdedigen waren niet te benijden. Hun munitievoorraad was beperkt, hun moreel onvoldoende, hun stellingen nauwelijks verdedigbaar. De brug over de Grebbe was een dag eerder weliswaar opgeblazen, maar, zo observeerde een Nederlandse sergeant: "Een groot deel van het brugdek is blijven hangen op de sluisbalken." Het Hoornwerk zelf was niet meer dan een aarden wal met loopgraven en enkele kazematten. Het terrein ervoor was onoverzichtelijk door de aanwezigheid van een boomgaard, greppels, droge sloten, struiken en de hoger gelegen Grebbedijk. Ideaal voor de aanval, funest voor de verdediging.
Om 12.50 vielen de Duitsers aan. De 9e compagnie ging voorop, gevolgd en ondersteund door de 12e compagnie die met mortieren en machinegeweren onderdrukkend vuur gaf. Gebruik makend van de vele dekkingsmogelijkheden die het terrein bood, werkten de SS'ers zich snel naar voren. Heinz Harmel beweerde in 1990 dat hij om 13.00 uur als eerste de Nederlandse prikkeldraadversperringen bereikte. "Hij schreeuwt om een kniptang. Terwijl de kogels om z'n oren vliegen, knipt hij een doorgang. De leden van zijn compagnie [9/SS "DF"] en de zware mitrailleurs van Otto Kumm [12/SS "DF"] dekken Harmel door hevig te vuren op de stellingen en de kazemat aan de voet van de berg. Hij bereikt het deels vernielde bruggetje en rent als eerste over de puinhopen naar de overkant. Voor zich ziet hij nog Hollanders naar de bunkers rennnen.
In een chaotisch gevecht slaagden de aanvallers erin de omgeving van de sluis te zuiveren. Daarbij werd de gehele bezetting van de kazemat bij de sluis neergeschoten. Niet veel later drongen ze tot op de Grebbeberg zelf door. De vier kazematten op de zuidoostelijke helling werden bezet. Na een hergroepering in de loop van de middag werd vervolgens ook de gehele noordoostelijke flank langs de Grebbeweg ingenomen."

Wat is in beide lezingen waarschijnlijk een feit, wat vermoedelijk toch fictie ? Dat zal hierna op drie hoofdpunten worden onderzocht:

(1) Koepels en kazematten
(2) Het Duitse vuurschema
(3) SS "DF" en het strijdverloop

Aan het slot volgen nog twee afleveringen. Eerst een overzicht uit Nierstrasz en de gevechtsverslagen. Met het of, wanneer en hoe, dat kazematten werden uitgeschakeld. Daarna een korte samenvatting over de kracht van de HWL, met mijn conclusies.


* Hierbij voor de juistheid van de weergave ter zijde gestaan door A. Goossens, toen redacteur van www.grebbeberg.nl.

donderdag 22 december 2011

Een mythe aan scherven

Volgens eerdere auteurs vanaf Nierstrasz, heeft de Duitse artillerie bij Wageningen op 12.5.40 "urenlange en zware beschietingen met alle beschikbare artillerie" (gedacht werd daarbij aan vier, vijf afdelingen of meer) uitgevoerd om daarmee een doorbraak te forceren. Die mythe gaat nu aan scherven.

Na Nierstrasz, De Jong en Brongers, is bijna geen nieuw onderzoek gedaan naar de gevechten in mei 1940 bij de Grebbeberg.
Er bleven bij mij toch veel vraagtekens over. Gevechtsverslagen en andere bronnen riepen erg tegenstrijdige beelden op. Materiaal om hiertussen onderbouwd te kiezen, was er bijna niet.
Tegenstrijdige punten zijn dan nog met één of meer werkhypothesen op te lossen. Een eerste werd door Nierstrasz gebruikt, en staat ook bij mij nog overeind. Die verklaart tenminste goed de hoofdlijn uit de gevechtsverslagen: dat de kracht en de intensiteit van het vuur met de dag toenam. Zijn (nergens uitdrukkelijk geformuleerde hypothese) was, dat in de beginfase van de strijd bij de Grebbeberg (11.5.40 De strijd om het Voorpostengebied) in hoofdzaak gebruik gemaakt werd van infanteriegeschut. Wel moest worden ook, want bijna alle veldartillerie stond nog ver weg. De vijf gemotoriseerde batterijen kwamen in de avond/vroege ochtend van 11.5.40 in Renkum aan.
Toen moest eerst begonnen worden met inschieten op verkende doelen. Ook zullen in die fase storende vuren zijn afgegeven. Eerste taak was om belangrijke Nederlandse commandoposten, aanvoerlijnen, verbindingen, en hinderlijke gevechtsposities uit te schakelen. Dat kon vanuit Renkum niet permanent door vernielen (Zerstören), alleen tijdelijk door neutraliseren (Niederhalten) en het leggen van rookschermen (Blenden).
Uit Duitse documenten en technische handboeken blijkt, dat van de veldartillerie pas de 15 cm s FH 18 en nog zwaarder geschut in staat was met speciale munitie kazematten te vernielen. Als de afstand tot het doel tenminste niet te groot was (tot 4.500 m). Dan nog waren tientallen schoten op ongeveer dezelfde plek nodig. De twee batterijen van IV/AR 256 stonden daarvoor in Renkum te ver weg. Ander geschikt geschut, behalve het 3,7 cm Pak (efectief tot 500 m op deze doelen), zal in dit gevechtsterrein niet voorhanden zijn geweest. Een Duitse inschattingsfout, of falende logistiek ?

Voor mij staat daarom vast, dat er in de gevechten bij Wageningen geen urenlange geconcentreerde vuren zijn afgegeven. Dat kon om technische redenen al niet. Het geschut zou overmatig slijten, en de bedieningen uitgeput raken. Er moesten afkoelingsperioden en rustpauzes worden ingelast. "Zwaar geconcentreerd vuur" zou verder (door de geringe trefkans van relatief kleine doelen op grote afstand) niet effectief kunnen zijn. Alleen maar verspilling van mankracht, materieel en munitie. Erg veel en erg zwaar geschut kan ook niet hebben gevuurd.
De Grebbeberg lag ver buiten bereik van het Duitse Spoorweggeschut (EB 674 te Elten), één stuk type 24 cm SK L/40. De twee batterijen 21 cm Mörser 18 (s Art Abt 735) zijn pas op 12.5.40 bij Wageningen aangekomen, en op dit strijdtoneel voor het eerst in de ochtend van 13.5.40 ingezet.
Op 10.5.40 was hooguit het infanteriegeschut in de spits aanwezig, met nog vijf gemotoriseerde batterijen veldartillerie. Of drie hiervan (die van II/AR SS) deze dag al in actie zijn gekomen, staat niet eens vast. Het is ook niet onmogelijk dat deze afdeling, net als IV/AR 256, over de verschillende spitsen werd verdeeld.
De rivierovergangen over de IJssel werden door SS-troepen geforceerd. Met steun van het voorhanden geschut. Twee bataljons SS "DF" richting Westervoort, het andere richting Doesburg. In de eerste groep zaten I en III/SS "DF" met II/AR SS en 11/AR 256. In de tweede II/SS "DF" met 10/AR 256.
Hierachter waren nog wel twee bespannen afdelingen meegegeven. I/AR 207 bij IR 368 (naar Doesburg), III/AR 207 bij IR 322 (naar Didam). Het is niet aan te nemen, dat dit tweede echelon op 10.5.40 kon worden ingezet. Het bleef waarschijnlijk achteraan hangen. De andere bespannen afdelingen zeker. Dat waren II/AR 207 en III/AR 311. Die bleven bij de Gruppe Metger. Deze groep overnachtte in de omgeving van Beek en Loerbeek. Ze bleef deze dag in reserve.

Stap voor stap werd het volgende helder. Voor een deel worden hiermee ook eerdere conclusies van mij herzien.

> Op 10.5.40 waren er maar vijf batterijen veldartillerie beschikbaar voor steun aan de infanterie. Dat waren de drie batterijen 10,5 cm le FH 18 (mot) van II/AR SS en de twee bij 207.ID ingedeelde batterijen 15,0 cm s FH (18) van IV/AR 256 (mot). De andere eenheden artillerie waren bespannen, en bleven de eerste dag te ver achter om te kunnen zijn ingezet.
> Op 11.5.40 stonden de vijf gemotoriseerde batterijen in Renkum. Van daaruit openden ze het vuur op de voorposten. Ook werd een eerste bespannen afdeling aangetrokken en ingezet. Dat waren de drie batterijen 10,5 cm le FH 16 van III/AR 207. Deze afdeling werd op de Wageningse Berg (Rijksstraatweg, hoek Diedenweg, gebied LH) in stelling gebracht. De vijf andere batterijen bleven deze dag in Renkum.
> Op 12.5.40 zal III/AR 207 verplaatst zijn naar een nieuwe stelling in de Vork gevormd door de Grindweg en de Diedenweg. In de avond van 11.5 op 12.5 kwam een tweede bespannen afdeling in stelling. Op de Eng, N van de Dolderstraat. Dat waren de drie batterijen 15,0 cm s FH (lg) 13 van III/AR 311. De eigen zware afdeling van AR 207. In de loop van de ochtend veranderden ook de vijf batterijen uit Renkum van stelling. De twee 15 cm batterijen gingen vermoedelijk naar de Bosrand, II/AR SS naar de Wageningse Berg (Sahara). Misschien werd ook III/AR 311 nog verplaatst naar de Vork.
> Op 13.5.40 zijn bijna alle batterijen opnieuw verplaatst. III/AR 207 en III/AR 311 kwamen voor het eerst W van Wageningen, daarbij onder Nederlands artillerievuur. Ze leden daardoor verliezen. Mogelijk kwamen daarom later 4 en 6/AR 207 in stelling (alleen 4/AR staat vast, uit een rapport van Kdr AR 207). II/AR SS bleef op de Wageningse Berg. De twee 15 cm batterijen (mot) gingen naar nieuwe stellingen. Die batterijen waren onder vuur gekomen van I-12 RA (10 Veld) en door Nederlandse vliegtuigen gebombardeerd en gemitrailleerd.
Bij het aanbreken van de dag stonden ook de zes stukken van s Art Abt 735 tot vuren gereed. Die situatie blijkt duidelijk uit de volgende Lagenkarte van X. AK
Bron: Bundesarchiv-Militärarchiv Freiburg. Signatur RH 24-10/48K

Met hulp van het panel van deskundigen (waarvoor mijn bijzondere dank) werd nog het volgende duidelijk over de door het Duitse geschut afgegeven vuren en de daarbij gebruikte munitie:

(1) Er werd vermoedelijk eerst oude munitievoorraad opgemaakt. Projectielen van gietijzer en granaatkartetsen. Daarnaast werd toch ook nieuw aangemaakte munitie gebruikt. Er werden onder meer projectielen met buizen van aluminium gebruikt.
(2) Het Duitse vuurgedrag was heel wisselend. Dat is niet zo vreemd. Afgegeven artillerievuur week vaak af van het normale patroon. Dan werd ingeschoten met tijdbuis, in plaats van met de gebruikelijke snelle buis (schokbuis). Dat kan te maken hebben gehad met verschil in inzicht en gevechtservaring bij waarnemers en commandanten. Maar meer nog met de aard van het doel.
Tegen ongedekte troepen en licht materieel zijn immers het best kartets- of brisantgranaten met tijdbuis te gebruiken. Zo ingesteld, dat het projectiel 20 tot 30 m voor en boven het doel explodeert. Dat geeft maximaal effect. Een dichte regen van scherven ontstaat, met genoeg arbeidsvermogen om grote schade te veroorzaken.
Op een sterk weerstand biedend doel (zoals een kazemat of andere veldversterking) zijn brisantgranaten met een op vertraging ingestelde schokbuis veel effectiever. De granaat kan zo diep doordringen in het doel en dat bij detonatie op zijn minst verzwakken. Volgende schoten kunnen het dan totaal vernielen. Het zwaarste Duitse geschut had daarvoor speciale munitie, de betongranaten.
Geschut dat in relatief vlakke baan kon schieten (dat was ook met de 21 cm Mörser 18 mogelijk) gebruikte vaak een ricochet. De buis van de brisantgranaat werd dan ingesteld op kleine vertraging. Bedoeling was, het projectiel af te laten schampen op de grond, en te laten detoneren in de tweede (opklimmende) baan. Het effect daarvan is te vergelijken met de uitwerking van kartetsvuur.
Als de juiste munitie ontbreekt, zal men van de normale procedures en routines moeten afwijken. Hoofdopdracht blijft: op tijd, en met de juiste nauwkeurigheid, het doel zo effectief mogelijk te bestrijden. Dat lukt alleen, als de ligging van het afgegeven vuur kan worden beoordeeld en zo nodig verbeterd. Een artillerievuur dient daarvoor (zo mogelijk) altijd onder eigen waarneming afgegeven te worden.
(3) Niet alle Nederlandse stellingen en posities waren (naar mijn mening) vóór mei 1940 nauwkeurig genoeg verkend en in kaart gebracht. Dat wordt al duidelijk uit een vergelijking van de bekende posities volgens Nierstrasz met die ingetekend op een Duitse spionagekaart en enkele Lagenkarten. Uit de Nederlandse gevechtsberichten valt verder op te maken, dat nieuwe en pas verplaatste batterijen niet onder gericht vuur zijn gekomen. Voorbeelden zijn: 3-III-8 RA, 4-I-12 RA, 3-II-19 RA. Volgens Duitse gegevens was er maar één Staffel waarnemingsvliegtuigen beschikbaar. Misschien kreeg 207.ID maar één vliegtuig (of piloot). In het artilleriebevel van Arko 22 voor 13.5.40 staat "Flieger", met verdere tekst in enkelvoud. Enkele (blijkbaar zonder waarneming afgegeven) kaartvuren lagen voor de lengte ver mis.

Als achtergrondinformatie nog iets over de ingedeelde versterkingen:

* Er was slechts één stuk 8,8 cm Flak ingedeeld bij 207. ID. Dat was bij de Flakgruppe Niederstrasser, II/ Flak Rgt 241. Dit stuk zal waarschijnlijk achtergehouden zijn om de bruggen bij Arnhem te beschermen.
* Alleen op Korpsniveau (bij X. AK) waren verkenningsvliegtuigen beschikbaar. Ze moesten doelen opsporen en vuur corrigeren. Dit was Staffel 4. (H)/23. Deze vliegtuigen moesten over de divisies worden verdeeld. Ze werden waarschijnlijk van dag tot dag toegewezen aan de hand van gevechtsprioriteiten.

woensdag 21 december 2011

Hoornwerk onder vuur

Niet zo goed bekend is, dat het Hoornwerk en omgeving niet alleen onder Duits vuur gelegen heeft. Toch wordt dat in deel III.3 van de Groene Serie door Nierstrasz onder een vast hoofdje "Het gebruik van de artillerie op [datum]" duidelijk genoeg behandeld. Daarbij krijgen twee vragen veel aandacht. (1) Wie bevel gaf voor het vuur en (2) of het wel door deze eenheid (de artillerie van het Legerkorps gezet tegenover die van de Divisie) afgegeven had moeten worden. Dat zijn voor mij minder belangrijke punten. Interessanter is, om welk soort vuren het ging, en waar deze vuren bij benadering hebben gelegen.

Die gegevens staan op drie kaartjes (zie de voetnoot bij de voorgaande post). Ook in zijn begeleidende tekst [Pag. 205-207, 341-347, 438-452]. De kaartjes geven een snelle ingang naar de gevechtsverslagen van de betrokken eenheid (afdeling of batterij). Ze geven niet altijd nauwkeurige informatie over doelgebied en duur van de afgegeven vuren. Op het kaartje [Schets/Kaart C.5] staan voor 11 mei 1940 bijvoorbeeld vier vuren ingetekend, op ongeveer 300 m oost van het Hoornwerk. Van I-8 RA twee, verder nog van II-19 RA en I-22 RA. Het Gevechtsbericht van 8 RA [NIMH Coll 409, Inv Nr 511002] geeft niet al deze vuren aan. Wel, dat het in de avond [bericht van 19.21 uur] ging om vuur 122, 150 m naar rechts. Daar worden we ook niet zoveel wijzer van. De tekst van Nierstrasz vertelt bij I-8 RA [Pag. 206], dat dit een voorbereid stormvuur vóór het Hoornwerk was. Een ander document [Inv Nr 511011] geeft nog wel de doelgebieden voor de vastgestelde vuren in oude coördinaten. Voor vuur 122: Van 30.576-65.810 tot 30.550-66.311. Omgerekend: Van 170,90-440,60 tot 170,88-441,10. Een vak met diepte van ongeveer 20 m en een breedte van 500 m.

Nu is het een illusie te denken, dat vuur precies op zo'n vak gebracht kan worden. Zelfs niet na inschieten en met directe observatie door een artilleriewaarnemer. Daarom mijn gebruik van "bij benadering" en "ongeveer".
De schoten vertonen een zekere spreiding, door allerlei kleine variaties. In hoofdzaak gewicht van het projectiel, kracht van de lading, juiste hoogterichting en juiste zijdelingse richting. Die zijn niet bij elk schot precies gelijk. Bij goede waarneming en correcties komen de schoten toch gemiddeld op het doel.
De spreiding voor de lengte was altijd verreweg het grootst, en nam toe met de afstand tussen vurend stuk en inslagpunt (Dracht). Voor de 7 Veld waren de 50%-spreidingen volgens de officiële schootstafel [Nr 395, 1939]:
Gebruikt is de tafel voor de standaardmunitie en lading. Brisantgranaat nr 1 met schokbuis nr 28, normale lading. Dracht hiermee tot 8.400 m.

De tweede regel onder de kop geeft aan, dat de helft van de schoten alleen al door technische oorzaken op een afstand van 4.000 m meer dan 60 m achter of voor het doel zouden vallen, en meer dan 1,8 m links of rechts ernaast. Hierbij is nog niet eens rekening gehouden met een reeks verstorende invloeden (waarnemings-, meet- en richtfouten, naast temperatuur, luchtvochtigheid, windrichting en -kracht). Een schootstafel geeft uitkomsten onder ideale omstandigheden. Het is dan erg onwaarschijnlijk, dat enkele schoten van vuur 122 van I-8 RA in het Hoornwerk gevallen zouden zijn, maar de kans is niet nul. Meestal werd ook wel gemeld, dat de schoten "goed op het doel lagen", enkele schoten kunnen toch ver mis zijn geweest. Dat waren dan de "afzwaaiers".

Deze lange inleiding was nodig, om het volgend kaartje wat te nuanceren. Het geeft (in blauw, paars, en rood) de door de Nederlandse artillerie afgegeven vuren aan (op resp. 11, 12, en 13 mei 1940).
Ondergrond: Stafkaart ELt T.L. Houdret, I-15 RA. Bruikleen van Fam. Houdret.

Te zien is, dat op 12 mei vuur pal op het Hoornwerk werd afgegeven. Dat gebeurde volgens Nierstrasz [Schets/Kaart C.10] door de 15 cm houwitsers van I-15 RA, van 16.16 [?] - 16.46 [?] en van 16.52 [17.00 ?]- 17.30. * Dit was krombaangeschut, in tegenstelling tot de kanonnen 7 Veld van I-8 RA en I-22 RA, en de kanonnen 12 Lang Staal van II-19 RA. Elk soort geschut heeft zijn eigen baankenmerken. De schoten van houwitsers hebben sterker gekromde banen (en daarom grotere lengte- en breedtespreiding) dan die van kanonnen.

Volgens de gegevens uit het Gevechtsbericht van I-15 RA [NIMH Coll 409, Inv Nr 502022] was het door deze afdeling afgegeven vuur op het Hoornwerk een snelvuur van 30 minuten. Het werd afgegeven door beide batterijen en tegen 17.00 nog een keer herhaald. Daarbij zullen ruim 450 brisantgranaten van ca. 50 kg op dit gebied zijn afgeschoten. Onduidelijk is. of die na het staken van de strijd allemaal geruimd zijn
Duidelijk zal zo wel zijn, dat niet precies te zeggen is, waar de schoten van Duits en Nederlands geschut vielen. Van het Duits geschut is veel minder bekend over afgegeven vuren en doelen. Het waren alle ook houwitsers. Daarom is de onzekerheid over de inslagpunten van de op 12.5.40 bevolen vuurconcentratie op het Hoornwerk groter. Dat vuur werd, zoals eerder gezegd, vermoedelijk afgegeven door 44 tot 52 stukken. Zeker van II/AR SS, III/AR 207, III/AR 311, 10 en 11/AR 256. Mogelijk nog van 4 en/of 6/AR 207.


* De door Nierstrasz opgegeven tijden lijken me niet helemaal betrouwbaar.
Het vuurbevel van 16.16 luidde volledig: Op mijn bevel [volgt ?] snelvuur 30' tempo 1 [Duur 30 minuten, 1 Bg per minuut per stuk] op Hoornwerk 170,190 - 440,540 tot 170,300 - 440,815 bg [brisantgranaat] vsn [versnelde buis] lad 3 [lading 3] niet vvb [niet vuurverbreden] niet strooien dc [dagcorrectie] voor de lengte -150 m [!]. Er kan in dit vuur dus een flinke fout hebben gezeten, omdat het kaartvuur was en de dagcorrectie een benadering. Daar boven op kwam nog de normale spreiding [LS50 > 50 m]. De afstand was ca. 4,7 km.

dinsdag 20 december 2011

Spreekwoorden

"Waar twee kijven hebben twee schuld". Een oud nederlands spreekwoord, waar veel waars in zit. Wel zijn de betekenissen van de twee sleutelwoorden na eeuwen veranderd. "Kijven" en "schuld" hadden vroeger een veel bredere en minder beladen betekenis. Het eerste woord betekende onder meer geschil, onenigheid. Het tweede oorzaak, verplichting, overeenkomst, schuld. Dat staat in het Middelnederlandsch Handwoordenboek, verplichte kost voor ieder die oude handschriften wil begrijpen. Dat was voor het uitzoeken van mijn familiegeschiedenis (ook een jarenlange studie) nodig.
Het aangehaald spreekwoord kwam bij me op, toen me nieuw materiaal werd toegestuurd. Daarmee kan de draad van dit hoofdstuk weer worden opgepakt.

Het blijkt maar weer eens, dat bij een verschil van mening de waarheid misschien wel (bijna ?) altijd in het midden ligt. Bij een woordentwist hebben niet zelden beide partijen gewoon een stukje van de waarheid in handen. Dat geldt heel duidelijk voor de nietes-welles-discussie die op www.grebbeberg.nl in februari 2008 werd gevoerd.
Daarbij ging het erom, of de Duitse beschietingen van het Hoornwerk op 12.5.40 nu "zwaar" (de mening van de heer Brongers), of "licht" (de mening van de heer Goossens) waren geweest. Er waren enkele argumenten voor en tegen besproken, maar het liep al snel uit op een patstelling. Die werd toen met het uiterste machtsmiddel van de redacteur beëindigd. Door zijn eigen mening maar te herhalen, en de discussie daarop meteen te sluiten.
Toch had en heeft de andere partij (in mijn ogen) het meeste gelijk. Het is wat vroeg om een definitief standpunt te bepalen, maar de balans slaat in mijn ogen naar het "zwaar" door. Zeker als het psychologisch effect wordt ingeschat. Gegevens zijn over de eerst Duitse en later Nederlandse beschietingen op 12.5.40:

* Zes batterijen Duits geschut schoten in op het Hoornwerk. Tegen de middag werd uit al het geschut (minstens 44 stukken) een vuurconcentratie afgegeven op de HWL rond de Grebbesluis. Bron: Als in het stukje geplaatst op 4 december 2011.
* Het Duitse munitieverbruik was toen volgens de Stafofficier Logistiek (de Ib) nogal hoog, doordat de aanval stokte. Volgens zijn opgaaf werd die dag 250 ton munitie verschoten. Naar eigen schatting zal 50 - 100 ton rond het Hoornwerk terecht zijn gekomen. Bron: NIMH Coll 401, Inv Nr 0014.
* In de middag gaf I-15 RA tussen 16.15 en 17.50 uur nog een afsluitingsvuur af in deze zone. Dat werd nog eens herhaald. Volgens Nierstrasz lag het doelgebied pal in het Hoornwerk. Moeilijk in te schatten is, wat dit aan schade veroorzaakte. Bron: Deel III.3, Schets/Kaart C.10.*
* De psychologisch uitwerking op het personeel van beschietingen wordt vaak onderschat. Bovendien is er meestal nog grote nevenschade. In de woorden van één van de experts die me regelmatig adviseert. Het ging hierbij specifiek over de Duitse beschietingen op het Hoornwerk en omgeving.

"Een onderschat effect van een artilleriebeschieting is de demoraliserende werking daarvan op het personeel [dat dat vuur moet ondergaan] ("shell-shock"). Indien het doel (bv een loopgraaf) niet geraakt wordt is er meestal veel nevenschade aan andere infra zoals telefoonverbindingen en ander kwetsbaar materiaal en middelen ["collateral damage"]. Dit frustreert een verwacht verloop van een strijd."

De foto's uit mei 1940 van schade in het Hoornwerk, wijzen naar mijn mening ook beslist niet op "lichte" beschietingen. Dat de nu nog zichtbare schade gering is, zegt me niets. In die beoordeling wordt niet alleen het psychologisch effect te licht aangeslagen, ook de nevenschade.

Kort geleden werd me een lijst toegestuurd met explosieven, aangetroffen bij en op de Grebbeberg. Dat document gaf me op enkele punten verrassende informatie over de op dit gebied afgegeven vuren. Die werden met de onmisbare hulp van mijn vaste panel van deskundigen opgespoord. Het lukte, de meldingen per munitiesoort te koppelen aan begin of eind van de oorlog, en aan een bepaald geschuttype. Soms kon zelfs worden vastgesteld, welke eenheid dan gevuurd had, en in welk schema.
Niet zeker is, dat elke vondst uit de lijst op de oorspronkelijke plek (in situ) gedaan werd. Nadat de meeste munitie opgeruimd was, zijn restvondsten nog wel eens versleept. Dat ligt ook in rapporten van de politie vast.

Mijn (zo mogelijk nog nader te toetsen) conclusie uit dit alles is:

Het Hoornwerk heeft zwaardere beschietingen ondergaan, dan nu nog uit de oppervlakkige aanslagen en scherfsporen op de enkele overgebleven kazematten en uit foto's kan worden opgemaakt.

NB Voor wie eens wat oude spreekwoorden en hun betekenis wil nalezen, de volgende link
http://nl.wikiquote.org/wiki/Nederlandstalige_spreekwoorden


* In dat deel van de Groene Serie drie kaartjes over het gebruik van de artillerie bij IV Div in mei 1940. Nr C.5 voor 11 mei, Nr C.10 voor 12 mei, Nr C.13 voor 13 mei. Hierop zijn de doelgebieden van de (nu nog bekende) afgegeven vuren aangetekend, met het nummer van elke betrokken eenheid en de tijd waarop die ongeveer het vuur opende. Gevechtsverslagen van de betrokken eenheden kunnen zo bijgezocht worden. Die geven details over de gebruikte munitie, de aard van het afgegeven vuur, en de duur van elke beschieting.

maandag 19 december 2011

Nederlandse slachtoffers

Het voorgaand document vraagt, voor alle duidelijkheid, op enkele punten nog een korte toelichting.

Als eerste mijn uitspraak in de inleiding, dat door Duitse oorlogsmisdaden "tientallen Nederlandse soldaten alsnog sneuvelden".
Dat is beslist geen loze kreet. Erg genoeg werden door de Duitsers Nederlandse krijgsgevangenen het eigen vuur in gejaagd, met als gevolg dat daardoor inderdaad tientallen Nederlandse soldaten (lees militairen) alsnog sneuvelden. Hierbij stonden mij, alleen al als slachtoffers van de gevechten op 12 mei 1940, de volgende groepen uit de Lijst Sellies voor ogen:

1 man van Staf I-8 RI (gevonden bij Hotel De Grebbe)
18 man van 1-I-8 RI (gevonden bij Hotel De Grebbe en het Hoornwerk, 1 later overleden)
2 man van 2-I-8 RI (gevonden bij Hotel De Grebbe en het Hoornwerk)
1 man van MC-I-8 RI (gevonden bij Hotel De Grebbe)
8 man van 8 Cie Pag (gevonden bij de Pag-kazemat aan de Grebbesluis en elders, 1 later overleden)

Totaal 30 man, gevallen onder omstandigheden die erop wijzen dat zij eigen vuur werden ingejaagd. Onder meer om vijandelijk geschut te trekken. Anderen werden als "levende schilden" gebruikt. Een enkeling overleed later in een ziekenhuis aan verwondingen. Vermoedelijk opgelopen onder dezelfde omstandigheden.

Het was volgens oorlogsrecht onder meer verboden
- Een vijand te doden of te verwonden, die de wapenen heeft neergelegd of geen middelen ter verdediging meer had, en zich op genade of ongenade heeft overgegeven.
- De witte vlag te gebruiken voor een ander doel dan om aan te geven, dat men aan de tegenpartij een mededeling wil doen (Bijvoorbeeld wapenstilstand wil vragen, overgave aanbieden, onderhandelen).
- Onderdanen van de tegenpartij te dwingen deel te nemen aan daadwerkelijke krijgsverrichtingen, gericht tegen hun land (Men mocht zeker niet gedwongen worden mee te vechten met de vijand. Maar naar mijn idee was die regel ruimer te interpreteren. Uitgebreid tot het onder dwang helpen van de vijand, vooral niet onder eigen vuur. Bijvoorbeeld met het repareren van wegen en bruggen, het trekken van geschut e.d.).

Krijgsgevangenen waren hulpeloos en moesten worden beschermd. Represaillemaatregelen waren verboden. Een krijgsgevangene mocht alleen de doodstraf krijgen
- Wegens vergrijpen die volgens de wet met de dood kunnen worden gestraft, en ook dan alleen nog maar op grond van een rechterlijk vonnis.

Voor mij zijn bijna alle Nederlandse "missers" (misbruik van de witte vlag, of toch gewoon toegestaan gebruik om aan te geven dat men wapenstilstand vroeg, of overgave wilde aanbieden ?) veel onschuldiger dan de bekende zware Duitse misdragingen.
Het gaat zeker niet aan, die tegen elkaar af te strepen.
Er is mij uit de gevechtsverslagen een enkel geval bekend, dat een Duitser neergeschoten werd toen hij zich op de Grebbeberg stond te verkleden in Nederlands uniform. Volgens bericht van C-IV Div op 10.5.40 (20.21 uur ontvangen bij 8 RA) moest iedere Duitser in Nederlands, Belgisch, Frans, of Engels uniform gekleed, als spion worden beschouwd.

Er zijn, onder meer door Jagtenberg in zijn verweerschrift, genoeg schrijnende gevallen van Duitse misdragingen gedocumenteerd.
Er staan er ook op www.grebbeberg.nl onder de kop "Dossier oorlogsmisdaden". Er zijn daar 11 "Duitse schendingen in de omgeving van de Frontlijn (lees HWL) opgesomd. Het Dagboek van mijn oom voegt er nog een paar toe. De verklaring van Sgt W. Hulscher werpt een nieuw licht op de zaak van de acht slachtoffers uit 8 Cie Mr op 13 mei 1940. Brongers gaf al aan, dat die door de Duitsers als vermeende sluipschutters ("Heckenschütze") zonder vorm van proces terecht leken gesteld. Hij beschrijft dit ernstige voorval in "Grebbelinie 1940" (2002), pag. 207, 208 als volgt.

"Nadat de strijd om de commandopost van majoor Landzaat was beslist, drongen de Duitsers weer op in de richting van het viaduct. Daarbij deed zich opnieuw een gruwelijk incident voor. Wellicht herinneren we ons dat het personeel van de mortieren was teruggetrokken nadat alle munitie was verschoten. De reeds gewonde luitenant Schoonderbeek bevond zich met een achttal mortieristen in of bij de toenmalige villa Wilhelmina, aan de noordzijde van de weg, op ongeveer 350 meter van het viaduct. Na aankomst van de Duitsers was elk verweer onmogelijk geworden. De luitenant stuurde een sergeant naar buiten om overgave aan te bieden. Een Duitse majoor gelastte daarop dat de mannen naar buiten moesten komen met achterlating van de wapens. Dat geschiedde. Hoewel krijgsgevangen, werden allen onmiddellijk daarna door de Duitsers in de rug neergeschoten. Slechts één soldaat heeft het wonderlijk genoeg overleefd. Hij werd getroffen door vier kogels: drie in de buikstreek en één door de pols."

Wat de werkelijke verklaring ook is, het gaat bijna zeker om een oorlogsmisdrijf. Er is nu in elk geval ook een tweede verklaring die de eerste ondersteunt. Welke bron Brongers had, wordt nog nagevraagd.

Het is onmogelijk na zoveel jaren sluitend bewijs te leveren dat het -zelfs maar in een deel van de in de dossiers opgenomen gevallen- in juridische zin echt om oorlogsmisdaden ging. Notities en verslagen geven vaak onvoldoende houvast. Sporen zijn helaas al lang verdwenen. Foto's zijn er nog wel, maar zeggen ook niet alles. Getuigen zijn er nauwelijks meer.

Tenslotte over mijn emotionele betrokkenheid een korte verklaring. Onrecht prikkelt mij om te vechten met gepaste middelen. Dat is hierbij gedaan. Betrokkenheid hoeft wetenschappelijke objectiviteit niet in de weg te staan, zelfs niet te vertroebelen.

zondag 18 december 2011

Duitse oorlogsmisdaden

Naar de mening van veel oud-strijders begingen troepen van SS-Standarte "Der Führer" in mei 1940 bij en op de Grebbeberg oorlogsmisdaden, waarbij tientallen Nederlandse soldaten alsnog sneuvelden. Onder meer door Prof. H. Amersfoort werden die wat gemakkelijk weggewuifd. Een vlammend protest van een oud-strijder, toen nog in leven, werd ook naar de prullenbak verwezen.

Dit onderwerp zit me erg hoog. Gisteren werd gelukkig in Trouw en Checkpoint een lang artikel gepubliceerd, waarin de slachtoffers bij huize "Wilhelmina" aangewezen worden als zeer waarschijnlijk standrechtelijk geëxecuteerd. Of dat rechtmatig gebeurde, is hoogst twijfelachtig. Naar mijn inschatting mag het relaas van Wil Hulscher serieus genomen worden. Zo dachten blijkbaar ook Checkpoint en Dagblad Trouw daarover.

Het is niet mijn gewoonte om ruim uit eigen werk te citeren. Toch volgt hier de volledige tekst van een vandaag door mij ingezonden stuk naar de redactie van www.grebbeberg.nl. Toegezegd werd, dat dit zo spoedig mogelijk op de website komt.
Verder hier zonder commentaar of toelichting. Dat lijkt me overbodig.

Duitse oorlogsmisdaden

In enkele gerespecteerde bronnen worden de rapportages in Nederlandse gevechtsverslagen over mogelijke oorlogsmisdaden door de Duitse troepen begaan, nogal gemakkelijk weggewuifd. Bronnen zijn onder meer:

Prof. dr. H. Amersfoort, Drs. P. Kamphuis, "Mei 1940 De strijd op Nederlands grondgebied" (2e herziene druk, 2005). Met name voor zijn conclusie -beter: zijn daar nog niet voldoende onderbouwde stelling- op pag. 381:

"De schendingen van het oorlogsrecht waren dan ook geen systematisch verschijnsel in de zin dat zij behoorden tot de geaccepteerde of zelfs opgedragen [!] Duitse strijdmethoden. Veeleer zijn zij te beschouwen als incidentele afwijkingen van de norm, die in de meeste gevallen, net als aan de Nederlandse kant [!], spontaan voortkwamen uit de hitte van het gevecht. Aan Nederlandse zijde zijn deze voorvallen [!] onder andere toe te schrijven aan het ontbreken van gevechtservaring. Overlevingsdrang en andere zeer primaire emoties als wraak, woede en frustratie bleken soms [!] sterker dan de gevechtsdiscipline".

Deze stelling riep hevig protest op van oud-strijders, onder meer van W.D. Jagtenberg, ing. Met zijn brochure "Geschiedvervalsing over de Meidagen van 1940 [..]" kreeg hij jammer genoeg geen voet aan de grond. Hij werd als een lastige mug weggejaagd.

Amersfoort werkte zijn stelling (naar zijn idee) in een volgend boek voldoende uit en onderbouwde die met voorbeelden uit beide kampen. Dat gebeurde in "Ik had mijn Roode-Kruis band afgedaan; oorlogsrecht en gedragingen van Nederlandse en Duitse militairen in gevecht, mei 1940".

Het heeft, naar mijn mening tenminste, geen zin, de discussie te heropenen op basis van de definitie die Amersfoort gaf. Hij verkleinde de lijst van bekende oorlogsmisdaden namelijk zo bijna tot nul. Uit enkele tientallen bekende en zo goed mogelijk gedocumenteerde gevallen. Die waren voor hem niet meer voldoende om van "structurele" of "systematische" schendingen van het oorlogsrecht te spreken. Ook werd de tegenpartij een spiegel voorgehouden: "Jullie deden het ook". Het zijn allebei bekende debatingtrucs. De auteurs van "Levende schilden en witte vlaggen" liepen nog wel in die valkuilen.

Naar mijn idee staat voldoende vast, dat de Duitsers (van SS-Standarte "Der Führer") oorlogsmisdaden hebben begaan bij de Grebbeberg. In Checkpoint en Trouw wordt er weer één zeer aannemelijk gemaakt, bij Huize Wilhelmina. Een standrechtelijke executie [?] als vergelding voor een beschoten Duits gewondentransport. Of de opgegeven aanleiding daarvoor niet een verzonnen excuus is, kan niet worden vastgesteld. Het werd met eigen oren gehoord. Moeilijk te bewijzen. Zoveel oud-strijders uit die tijd zijn niet meer in leven. Maar in elk geval is een "jij ook" geen geldig excuus. Het geeft de daders geen verschoningsrecht, een wat vreemd klinkende juridische term.

In het Dagboek dat mijn oom Sgt. A. Vink (Groepscommandant bij 1-II-8 RI) schreef, zijn ook nog enkele oorlogsmisdaden opgetekend. Naar mijn lekenoordeel tenminste, ik ben geen deskundige in het oorlogsrecht.

"Na overleg met enkele anderen deelde ik mede dat we ons over zouden geven. Inmiddels werd door enkele geweerschutters die ik niet direct bereiken kon nog gevuurd. Ik bond mijn zakdoek aan mijn bajonet en stak mijn geweer omhoog. Daarna wachtte ik in het mitrailleurnest het verdere verloop af. Het duurde nog enige tijd voor de Duitsers bij ons waren. Ongeveer acht uur waren zij onze stelling genaderd en wierpen een handgranaat naar binnen [was dat geen oorlogsmisdaad ?]. [..] Voorzien van een witte zakdoek die ik voor me uithield, verliet ik de stelling, waarna de anderen mij volgden.
Tijdens de overgave werden Berendsen D.J. en een soldaat van de Pag door een schot gewond [was dat geen oorlogsmisdaad ?]. Of zij hieraan overleden zijn weet ik niet met zekerheid. Korp Kok werd aan de hand gewond. Bij de uitgang stond een Duitser met het geweer in de aanslag. Niet licht zal ik vergeten het duivelse gezicht dat ik toen voor mij zag. Er lag niets menselijks meer in. We moesten direct onze uitrusting afdoen en werden met de handen omhoog en met achterlating van alles opgejaagd. Zo maakten we kennis met de Duitse stoottroepen, SS-mannen en soldaten van het z.g. doodskoppenregiment, mensen die voor niets terugdeinzen en voor wie het leven geen waarde meer heeft als het gaat om de overwinning van het Duitse Rijk."

Voor alle duidelijkheid, mijn oom was boekhouder, zeer precies. Hij maakte aantekeningen in een boekje en werkte die na terugkeer uit krijgsgevangenschap waarschijnlijk kort na zijn verjaardag (16 juni 1940) uit. Het mag daarom beschouwd worden als een contemporain document van hoge kwaliteit. Excuus voor het jargon.

Het zou de redactie van "Mei 1940" sieren, als de bewuste passage op pag. 381 (zie boven) en het te gemakkelijk oordeel over Nederlandse soldaten die net zo goed verkeerde dingen deden, eruit gehaald werd bij de volgende herziene druk.


Dr C.J. Ruissen
Amersfoort, 18 december 2011

zaterdag 17 december 2011

Waarschuwingen

Op 3 december maakte ik een herstart met deze publicatie. Pas toen waren er naar mijn mening duidelijke conclusies te trekken uit het onderzoek. Het eerdere materiaal blijkt nu op bepaalde punten niet juist te zijn geweest. Het loonde voor mij niet, om de eerdere tekst nog eens door te nemen en, waar nodig, te corrigeren.

Het duurt nog even, voordat dit hoofdstuk (vanaf "Interpretatie") kan worden afgerond. Bij de door mij geraadpleegde experts ligt een belangrijk punt op tafel. Op www.grebbeberg.nl werd gisteren door mij nog om reacties op enkele voorlopige conclusies gevraagd.
Er is daarom genoeg tijd om nu enkele onderwerpen te behandelen, die anders zouden zijn blijven liggen.

Eerst iets over gebruiksrecht en verkeersanalyse. Wat heeft dat met mijn blog te maken ?

* Gebruiksrecht
Niets uit deze publicatie mag worden gebruikt verspreid of opgeslagen, op welke manier dan ook, zonder een door mij eerder voor dat doel gegeven uitdrukkelijke schriftelijke toestemming

* Copyright
No part of this publication may be used distributed or stored in any form without my prior consent, explicitly and purposely given in writing

* Toelichting
Bij deze blog hoort een stukje standaard gereedschap, waarmee een verkeersanalyse kan worden gemaakt. Die levert een paar interessante grafieken en tabellen. Daaruit blijkt bijvoorbeeld, hoeveel mensen gericht naar deze site zochten. Vrij gedetailleerd zelfs: Uit welk land, vanuit welke bron, met welke zoekvraag, naar welk onderwerp, op welk tijdstip.

Toppers waren onder de door mij hier behandelde onderwerpen tot nu toe, van meer naar minder vaak bezochte pagina's:

o De SS-afdeling
o Vliegtuigacties
o Spoorweggeschut
o Paardenkerkhof
o Zoekgebied

Er werd vermoedelijk ook al inhoud "geroofd", tenminste eenzijdig en zonder mijn toestemming gebruikt. Dat wordt immers vooral voor plaatjes nogal gemakkelijk gedaan. Er zijn eigen foto's van me bij, maar ook wat met beperkt gebruiksrecht door mij verkregen materiaal. Gebruik door anderen daarvan is strafbaar.
De mogelijkheid om vragen te stellen of een reactie te geven, werd hier nog nauwelijks benut. Sinds de start van mijn onderzoek (april 2009) kwam maar één reactie binnen. Gelukkig veel meer langs andere kanalen.

Misschien denkt niet elke gebruiker daaraan, maar klakkeloos overnemen van mijn materiaal heeft echt wel risico's voor hem of haar. Niet alleen, omdat bij gebleken misbruik wettelijke tegenacties mogelijk zijn. Dat lijkt misschien een erg overdreven opvatting van me, maar dat hoeft niet zo te zijn.
Het overzicht Verkeersbronnen zette me daarover diep aan het denken. Er werden nogal wat zoekvragen zichtbaar vanuit Rusland, met een onduidelijk webadres. Ook vanuit nog zo'n adres, waarschijnlijk toch met op zijn minst twijfelachtige bedoelingen. Door mijn loopbaan (van verzekeringsbedrijf naar grote bank en op het laatst bij Justitie) ben ik daar misschien veel meer dan de gemiddelde blogger op gespitst.
Na wat navragen en googelen blijkt, dat dit een algemeen probleem is, dat vooral de statistieken vervuilt. Volgens Google vrij onschuldig en niet te blokkeren. Toch maar even deze waarschuwingen. Ieder moet zijn eigen risico maar inschatten.

Een waarschuwing nog van heel andere aard. Een enkele keer worden achteraf kleine wijzigingen in de geplaatste tekst aangebracht. Meestal alleen taalkundig, om een typfout te verbeteren, of een bepaalde passage aan te scherpen. Soms ook naar inhoud. Op grond van nieuwe informatie, of veranderd inzicht.

donderdag 15 december 2011

De Grebbeberg zijtoneel ?

Voor tijdgenoten was het eigenlijk niet zo'n punt van discussie. Bij en op de Grebbeberg waren door beide partijen verbitterde gevechten geleverd. Het werd als sleutelpositie (grendel op de voordeur van de Vesting Holland) beschouwd, waarin het Nederlandse leger stand moest zien te houden. Lang genoeg om door de bondgenoten voldoende versterkingen te laten aanvoeren. Om samen met hen de Duitse opmars te stuiten, de aanvoerlijnen af te snijden, etc. Dan bestond er een goede kans om de aanval definitief af te slaan.
Na een plaatselijke doorbraak van de Grebbelinie moest op de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) worden teruggevallen. Na geslaagde terugtocht ging het vooral om drie dingen eerst. Tijdwinst, hergroeperen, hulp uit het buitenland. Vanaf dat punt zou hopelijk zelfs overname van de aanval mogelijk zijn.
Er zouden dan (als de terugtocht tenminste goed verliep) wel veel meer dan drie Legerkorpsen opgesteld kunnen worden (wat over was van drie Legerkorpsen en minstens vier Brigades). * Maar de sterkte van de defensie daar, sloeg men niet hoog aan. Zeker niet meer, toen de teruggenomen troepen de NHW bereikten en zagen, dat nog weinig gereed was tot verdediging.

Toen al, keek men wel verder. Naar de IJssel- en Maaslinie, en de Peel - Raamstelling die op 10.5.40 al doorbroken werden. Naar de doorbraak bij Rhenen, die meer tijd kostte. Die slaagde pas in de late avond van 13.5. Rond 13.30 uur de dag erna volgde het bombardement op Rotterdam. Utrecht werd met hetzelfde lot bedreigd, waarna Generaal H.G. Winkelman besloot te capituleren. Hij zag geen andere mogelijheid om verder doelloos bloedvergieten van militairen en burgers te voorkomen. De vijand had het slot op de achterdeur van de Vesting Holland al geforceerd. De opmars naar Rotterdam was voltooid. Het zou de Duitsers vroeg of laat wel lukken om aansluiting te krijgen met de kleine eenheden, die daar nog stand wisten te houden. De luchtlandingstroepen die tussen Den Haag en Rotterdam neergelaten waren. Zij hadden (verspreid en geïsoleerd als ze waren geraakt) niet genoeg kracht om door te breken.
Naast Zeeland, waar nog een dag of vier doorgevochten werd, zijn dit in Nederland de voornaamste operatiegebieden geweest. Vooral de gevechten daar werden tenminste behandeld in de Militaire Spectator, het Beknopt Overzicht, de Groene Serie van Nierstrasz, en de boeken die Brongers en De Jong schreven.

Er kon nog (ook in het begin al) meer worden uitgezoomd. Naar het Duitse operatieplan "Fall Gelb". Daarmee werd de strijd bij Wageningen nog meer naar het zijtoneel verplaatst. In de Duitse bronnen wordt de op 10.5.40 begonnen veldtocht meestal "Westfeldzug" (richting Frankrijk) genoemd. Eigenlijk toen al opgevat als voorfase van de latere "Ostfeldzug" (richting Rusland). Daarmee verdween de strijd op en bij de Grebbeberg bijna volledig buiten beeld. Eerste hoofddoel was Frankrijk (en vervolgens nog Groot Brittannië) uit te schakelen, om dan het gezicht naar het oosten te kunnen keren. De Westfeldzug met vervolg verbleekt zelfs weer bij de laatste grote operatie. De pas midden 1941 begonnen strijd met het communistisch Rusland. Door de Duitse propaganda werden die tegenstanders graag "bolsjewieken" genoemd. Dat woordgebruik stamde al uit WO I.

Zoomen we weer in naar de gevechten in eigen land, dan werd de Grebbeberg beslist niet als zijtoneel beschouwd. Zelfs door de Duitsers niet, tenminste volgens een eerste evaluatie.
Dat kan met enkele citaten worden onderbouwd. De eerste uit het Beknopt Overzicht [1947; pag. 88, pag. 102]:

"De Duitse aanval richtte zich in hoofdzaak tegen IV Div en voornamelijk tegen het verdedigingsvak van 8 RI, het aan de Rijn grenzend regimentsvak, waarin de Grebbeberg is gelegen."
"Alvorens het strijdtoneel op de Grebbeberg te verlaten, past het ons een eresaluut te brengen aan de talloze militairen die hier het hoogste offer voor hun Vaderland hebben gebracht." Als voetnoot hierbij:
"Het aantal gesneuvelden van 8 RI bedraagt 186."

De laatste uit het "Denkschrift über die niederländische Landesbefestigung" dat als conclusie van Generaal Winkelman gaf [1941; pag. 113]. **

"Erst die Grebbe-Stellung kann ernsthaft verteidigt werden [..] die Widerstandskraft der Grebbe-Linie und die Verteidigung von Zeeland hängen unter anderem ab von die Hilfe der Engländer und Franzosen. [..] Es kommt alles darauf an, dass diese Hilfe schnell eintritt. [..] Die Festung Holland würde wesentlich schwächere Kräfte des Angreifers binden."

Van een Duits generaal (General a. D. W. Speidel, (1958), "Der Westfeldzug 1939/1940 - Fall Gelb" Teil 3 Bd 1, Pag. 83) en een stafofficier (Oberst i.G. a.D. E. Langmann, "Die Luftlandung des verst. IR 16 südwestl. Rotterdam [..]", Handschrift (1955), Pag. 4), zijn nog als latere opmerkingen bekend:

"[..] dieser Einsatz gegen die Festung Holland war ein integrierender [!] Bestandteil der Gesamtplanung und stand in unmittelbarer Wechselwirkung mit dem operativen Ziel: Durchbruch durch die Mitte zum Kanal."

"Für den Angriff des deutschen Heeres in Mai '40 nach Frankreich hinein, war die Ausschaltung einer Bedrohung der Nordflanke, die durch eine Landung engl[ischer] Truppen in Holland möglich werden konnte, von entscheidender [!] Bedeutung".

Hieruit blijkt, dat ook later Duitse hoge officieren de operatie(s) in ons land zeker niet als een kleine bijkomstigheid hebben gezien.




* De Legerkorpsen II, III, IV (I stond aan de kust van de Vesting Holland). Verder de Brigades A, B, C, G, K (die gedeeltelijk al als reserve-eenheden waren benut bij de verdediging van de naar het westen omgebogen hoofdlinie, noord van de grote rivieren en op de Zuidhollandse eilanden).

** Zie ook pag. 40 van dat rapport, waarin door de Duitsers zelf onder meer van verbitterde gevechten wordt gesproken. Citaat opgenomen op dinsdag 6 december, in het hoofdstukje "De kracht van de HWL (2)."

woensdag 14 december 2011

Dagboek van mijn oom (3)

Alweer kwam er een vraag, waar ik met mijn verhaal naar toe wilde. Dat is in een paar woorden te zeggen. Duidelijk maken, dat voorgaande auteurs (net als ik, dat kan gewoon niet anders) elk maar een stukje van de waarheid in handen hadden en zagen. De een had daarbij een beter overzicht dan de ander. Daarom trok niet ieder dezelfde conclusies.

Terug naar het Dagboek van mijn oom. Zijn derde eigenschap: de bereidheid zich voor "zijn" mannen op te offeren. Dat laatste blijkt (naar mijn idee) onmiskenbaar uit een paar fragmenten. Onder meer uit een passage na zijn gevangenneming.
Later wordt meteen duidelijk, dat hij het Dagboek beslist niet schreef, om zijn eigen prestaties op te hemelen. Maar dat is hier een zijsprongetje.

Ergens halverwege de Rijksstraatweg gebeurde het volgende.

"Daarna moesten we een hospitaalwagen uit het gat trekken en het gat opvullen met stenen. Terwijl we hiermede bezig waren kwam er een volgend transport gevangenen aan, waarbij Ds. van Exel en hulpaalmoezenier Joosten. Juist op dit moment vielen er granaten van Hollandse zijde [I-15 RA ?] op de weg, zodat we in allerijl vluchten moesten. Ds van Exel werd door een granaatscherf gewond aan de voet en moest verder gedragen worden tot een verderop gelegen hulpverbandplaats [Noda] van de Duitsers. De soldaten die hem droegen konden ons echter niet bijhouden en riepen om versterking. Ik besloot te helpen en bleef achter. De ons begeleidende Duitser begreep dit echter verkeerd en dacht zeker dat ik niet mee kon komen. Hij riep "Mantel ausziehen" en beduidde mij dat ik mijn overjas moest uittrekken. Ik voldeed hieraan en nam mijn jas over de arm. Dit was echter niet de bedoeling, want hij riep toen: "Wegwerfen". Toen wierp ik mijn jas noodgedwongen langs de kant van de weg. Eerst later ontdekte ik dat ik nu tevens mijn Bijbel en mijn veldmuts kwijt was. Intussen holden we verder, ons nu en dan dekkend langs de glooiing van de weg tot we buiten de gevaarlijke zône waren. Daarna gingen we weer in snel marstempo verder naar Wageningen."

Iemand heeft me een "copy cat" genoemd. Ja, zo kun je het ook zien. Maar mijn citaten zijn er niet om mijn belezenheid te tonen. Ze hebben een bedoeling, die natuurlijk (gezien mijn schrijfstijl) niet ieder meteen duidelijk zal zijn. Ik hou veel van verrassingen.
Uit dit citaat, maar ook uit andere passages, blijkt dat mijn oom zich heel bewust was van de gevaren. Er viel granaatvuur. Toch trotseerde hij dat, en bood zich aan om te helpen bij het dragen van een gewonde. Hij had, als sergeant, ook één van zijn mannen daartoe bevel kunnen geven. Dat deed hij niet. Hij vond, dat hij zijn mannen daaraan niet kon wagen en zelf dat risico moest nemen. Zo ken ik hem.

Het zou een geschikt punt zijn, om hier te stoppen. En de draad (De kracht van de HWL, het effect van de Duitse beschietingen) weer op te pakken. Nog even niet.
Dit Dagboek illustreert voor mij heel goed, hoe gekleurd in "Mei 1940" hier en daar geschiedenis werd geschreven. Hoe gek dat op het eerste gezicht ook klinkt. Het was immers een (naar eigen bedoeling) objectief wetenschapper die schreef. Toch deel ik twee van zijn conclusies niet en vraag me af, of die correct zijn. De bewijsvoering is daar niet overtuigend. Dat kan alleen worden geïllustreerd met een ander citaat. Over de gebeurtenissen op 12.5.40. Het is te vinden op bladzijden 280 en 281 van het boek van Herman Amersfoort en Piet Kamphuis (zoals ze zich zelf presenteerden in de 2e herziene druk):

"De Duitse artillerie werd zo opgesteld dat zij vanuit de Nederlandse stellingen niet zichtbaar was. Machteloos moesten de Nederlandse troepen op de Grebbeberg dan ook het enorme artillerievuur ondergaan. De hele morgen van 12 mei ging het door. Even na de middag werd de beschieting geconcentreerd op het hoornwerk en de voorrand van de Grebbeberg. De Nederlandse troepen hier werden zo gedwongen volledig in de schuilplaatsen te gaan waar zij angstig de gebeurtenissen afwachten."

Dit is naar mijn mening voor een beoogd objectief wetenschapper een zeer gekleurde versie van het verhaal. Verder trouwens veel respect voor de auteur en het helder geschreven boek. Misschien was de tweekoppige redactie op dit punt gewoon slecht geïnformeerd door de staf en het team van deskundigen, want zo gaat het schrijven van zo'n boek meestal. Net als oorlog voeren.
De feiten zijn heel anders. De Duitse artillerie was deze dag voor het eerst bijna in volle omvang zichtbaar. Uit verschillende rapporten en gevechtsverslagen blijkt dat wel. Alleen al van 8 RA zijn er drie of eigenlijk vier [NIMH Coll 409, Inv Nr 511001, 511007a, 511007b, 511016]. Verder heb ik mijn twijfels of het zo'n enorm artillerievuur was, dat men moest ondergaan. Vlak voor de aanval duidelijk wel. Daarvoor naar mijn mening niet. En zo zijn er nog een paar vraagtekens te zetten. Maar genoeg hierover.

Mijn bedoeling met dit tussenstuk was, duidelijk te maken, dat deze strijd niet in zwart of wit kan worden afgeschilderd. Er is een breder palet nodig. En het is ook niet reëel te denken dat dit complexe gebeuren alleen uit documenten 100% trefzeker nu nog te reconstrueren is.

Een mogelijkheid om wat meer nuance te ontdekken, is het lezen van verschillende versies. Daarom zijn de boeken over "Mei 1940" van De Jong en Brongers in mijn ogen minstens zo waardevol als die van Nierstrasz en Amersfoort c.s. De eerste twee schreven trouwens erg boeiende verhalen. Gekleurd ook zeker wel. Toch heb ik alleen al vanwege hun brede werk en pakkende schrijfstijl een duidelijke voorkeur voor die auteurs.

Naar mijn mening werd 8 RI (daarmee mijn oom als deel van het geheel), ten onrechte voor een lafaard of oorlogsmisdadiger gehouden. Ik begrijp de woede van de heer Jagtenberg en veel van zijn strijdmakkers daarover.

Laf vonden ze zichzelf misschien wel. Van mijn vader weet ik, dat hij zich schaamde. Omdat hij, zoals hij het zag (en waarschijnlijk ook wel van anderen voor zijn voeten geworpen had gekregen) niet echt gevochten had. Met zijn stuk van 3-III-7 RA, onderdeel van III LK. Zo ligt het, zoals ik het voel tenminste, absoluut niet. Zij (hij en met hem vele anderen, zoals mijn oom) waren bereid te vechten. Hun leven op te offeren. Voor mij is dat genoeg.

dinsdag 13 december 2011

Dagboek van mijn oom (2)

Het dagboek mag ingeschat worden als zeer betrouwbaar. Want mijn oom was erg precies. Dat was de eerste typering die zijn dochter me gaf, en blijkbaar dus voor haar ook het meest sprekend. Hij was tenslotte niet voor niets boekhouder. Dat beroep vroeg toen grote nauwkeurigheid. Daarom werd het Dagboek waarschijnlijk ook graag in ontvangst genomen door het NIOD. Als basisdocument voor verder onderzoek.

Voor genoemde karaktertrek van mijn oom is er veel indirect bewijs. Af te lezen uit zijn verzorgd uiterlijk op foto's, een even verzorgd taalgebruik, een net en goed leesbaar handschrift, het maken van notities en lijstjes.
Niet veel mensen namen een notitieboekje mee om de gebeurtenissen tijdens de slag en het vervolg daarvan, de krijgsgevangenschap, vast te leggen. Hij wel.
Zijn aantekeningen werden kort na zijn terugkeer in Rotterdam zorgvuldig uitgewerkt en toegelicht met schetsen. Van de Grebbelinie in het vak van de IVe Divisie, de stelling van de Sectie en van zijn Groep.

Deze eigenschap wordt in het Dagboek op verschillende plaatsen goed zichtbaar. Voorbeelden zijn:

o Hij schreef elke dag op, wat het menu was. Tijdens de gevechtsdagen en gedurende zijn krijgsgevangenschap.
o In de tekst zijn bijna geen doorhalingen of verbeteringen te zien. Hij schreef misschien ook wel juist in potlood, om zo'n bijna perfect eindproduct te kunnen presenteren. De enkele foutjes die onvermijdelijk werden gemaakt, waren weg te gummen en te herstellen. Stijl en woordgebruik zijn helder en correct. Zijn goede opleiding en talenkennis spreken daaruit.
o De toegevoegde schetsen van eigen hand zijn duidelijk. Trefzeker getekend, en voorzien van de nodige toelichting.
o De lijst met namen is compleet. Al zijn mannen staan er op. Ook de kwartiergever en twee Duitse contacten. Vooral dat laatste is opmerkelijk. De adressen zijn duidelijk uit de eerste en de laatste fase: Kamp Bocholt, Kamp Neubrandenburg, en Seestadt Wismar. In de als derde genoemde plaats werd mijn oom tewerkgesteld.

Als eerste onderbouwing volgt hier een kort citaat. De aantekening voor Dinsdag 7 Mei 1940.

"Nadat van 9 - 26 April de verloven ingetrokken waren geweest, werden heden opnieuw de verloven en wel voor de vierde maal ingetrokken. Nog dezelfde avond werden graad 2 en 2a afgekondigd (graad 2 en 2a is dagelijks uitrukken naar de stelling met volledige gevechtsbepakking en munitie, voertuigen bepakken). Die dag was onze compagnie belast met I.V. (inwendige veiligheid [=bewaking van het stellinggebied]) zodat voor die avond een extra appèl om half acht gelast was, welk appèl voor de volgende dagen is blijven bestaan. Sinds Zaterdag was ik sergeant van de week. Ik had 's morgens juist mijn tweede fiets van het station afgehaald, die me in de komende dagen nog goed van pas gekomen is. Reeds 's middags wist Wim Keyman [de kwartiergever] mij mede te delen dat de verloven zouden worden ingetrokken."

Tweede onderbouwing is de door Sgt A. Vink eigenhandig gemaakte schets van de Groepsopstelling.
Hij was Groepscommandant over 12 man. Daarbij één schutter met helper voor de lichte mitrailleur en zeven geweerschutters. Wie zijn korporaal-opvolger was, is nu niet meer bekend.
Iemand gaf me een tip dat de stelling ook op een foto staat. Link:
//www.grebbeberg.nl/index.php?page=photo&pid=2932

De legeropbouw is voor burgers door het gebruikt jargon vaak moeilijk te volgen. Daarom een korte uitleg.
Van hoog naar laag waren er het Regiment (8 RI). Dan het Bataljon (II). Hierna de Compagnie (1). Vervolgens de Sectie (1). Tenslotte de Groep (1). De aanduiding van zijn onderdeel werd dan voluit net in omgekeerde volgorde geschreven: 1e Groep 1e Sectie 1e Compagnie IIe Bataljon van 8 RI. Of 1-1-1-II-8 RI. De cijfers van Groep en Sectie werden meestal weggelaten.
Van het Groepsnummer ben ik niet 100% zeker. Ik meen me vaag iets te herinneren, dat er een overeenkomst was. Tussen het nummer van de eenheid van mijn vader (3-III-7 RA) en die van mijn oom. Het Groepsnummer zou dan 3-1-1-II-8 RI kunnen zijn. Tenminste als de opgaaf van ELt Emous (rechter steunpunt van 1-II-8 RI) correct is. Daar lijkt het nog altijd wel op. Maar mogelijk zat de parallel alleen in de laatste vier cijfers: 1-1-II-8 RI. Die staan toch eigenlijk ook wel vast.

Derde onderbouwing vormt zijn lijstje met namen en adressen dat achterin het Dagboek stond. Met nog wat informatie uit andere bronnen * werd dat door mij verwerkt in het volgend overzicht.
De oorspronkelijke regels (het donkere deel) zijn bij elkaar gehouden, en alleen wat anders gesorteerd. Bovenaan werden door mij de hogere commandanten van zijn eenheid toegevoegd. Hijzelf stond niet op het lijstje, maar werd hier voor de duidelijkheid opgenomen. Daarna volgen zijn manschappen, collega's, kwartiergever en twee Duitse contacten. Opvallend is, dat de gegevens over zijn mannen niet in alfabetische volgorde staan. Hoe die regels dan zijn gesorteerd, is me niet duidelijk.
De basislijst omvatte 17 namen en adressen. Veel bleven vrienden van Sgt A. Vink, of op zijn minst goede kennissen. Het regiment hield lang elk jaar een reünie. Daar werden oude herinneringen opgehaald en nieuwtjes uitgewisseld.



* Aanvullende informatie, mondeling verstrekt door familie. Verder gegevens uit enkele gevechtsverslagen (NIMH Coll 409, Inv Nr 508001, 508002, 508003, 508004).
In het verslag van ELt Emous (508003) wordt Vdg Nijlunsing nog Sgt genoemd. Waarschijnlijk werd hij dus bevorderd in de tijd dat mijn oom het Dagboek uitwerkte.